Beleidsregels rechtmatigheid Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Drenthe 2026
Beleidsregels rechtmatigheid Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Drenthe 2026 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe; gelet op •titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht; •de paragrafen 3.2, 3.3, 3.4, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2, 6.4 en 6.5, artikel 17, artikel 18b, artikel 35, artikel 36 en artikel 55 van de Participatiewet; •hoofdstuk II paragraaf 1, paragraaf 3 en paragraaf 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en •hoofdstuk II paragraaf 1, paragraaf 3 en paragraaf 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); overwegende dat: •het gewenst is beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de uitvoering van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ; besluit: vast te stellen de Beleidsregels rechtmatigheid Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Drenthe 2026 HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1: Begripsbepalingen 1.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. Awb: Algemene wet bestuursrecht; b. Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; c. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe; d. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers; e. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen; f. uitkering: algemene bijstand op basis van de Participatiewet en/of een inkomensvoorziening op basis van de IOAW of de IOAZ. 2.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader omschreven worden in een ander hoofdstuk hebben dezelfde betekenis als in de Awb, de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. Artikel 1.2: Reikwijdte van de beleidsregels De Participatiewet, IOAW en IOAZ zijn er voor een brede doelgroep. Het gaat over inkomen, werken en voorzieningen. Met beleidsregels kan het college vooraf aangeven hoe het omgaat met zijn beslissingsruimte binnen deze wetten. Bij de motivering van een besluit kan het college verwijzen naar de vaste gedragslijn, die is vastgelegd in de beleidsregel. Het college creëert hierdoor duidelijkheid voor de inwoners hoe het college zijn beoordelingsruimte benut. Verder bevordert het een eenduidige uitvoering. Deze beleidsregels gaan niet over onderwerpen die geregeld worden in een gemeentelijke verordening, zoals het verlagen van het recht op een uitkering, de hoogte van én een langdurig laag inkomen in het kader van de individuele inkomenstoeslag en de ondersteuning in het kader van de arbeidsinschakeling en de voorzieningen die daaraan bijdragen. De beleidsregels gaan met name over het inkomensdeel. HOOFDSTUK 2. AANVRAAG PARAGRAAF 2.1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 2.1: Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. aanvraag: aanvraag van een belanghebbende; b. belanghebbende: de persoon of de personen die een uitkering aanvraagt of aanvragen; c. zoekperiode: het actief naar werk en/of scholing zoeken in de eerste vier weken na melding om algemene bijstand. Dit onder verwijzing naar artikel 9 lid 1 en artikel 41 lid 4 van de Participatiewet. Artikel 2.2: Toepassingsbereik Dit hoofdstuk heeft betrekking op de persoon die een uitkering aanvraagt. Voor artikel 2.3 lid 2 en lid 3 geldt dat het alleen van toepassing is op de aldaar genoemde personen. PARAGRAAF 2.2: AANVRAAGPROCEDURE Artikel 2.3: Indienen van een aanvraag 1.De aanvraag wordt schriftelijk of digitaal ingediend.2.Een belanghebbende jonger dan 27 jaar (en zonder partner van 27 jaar of ouder) kan pas vier weken na de melding om algemene bijstand op grond van de Participatiewet een aanvraag indienen. In de eerste vier weken na melding geldt voor belanghebbende (en zijn partner jonger dan 27 jaar) een zoekperiode. 3.In afwijking van lid 2 kan het college op basis van individuele omstandigheden van de belanghebbende of zijn gezin besluiten om af te zien van de zoekperiode. Hiervan maakt het college in ieder geval gebruik als duidelijk is of wordt dat de belanghebbende als bedoeld in het tweede lid niet zelfredzaam is in het vinden van werk en/of scholing. Bij het afzien van de zoekperiode kan de aanvraag direct worden ingediend. Artikel 2.4: Termijnen voor het inleveren van gegevens bij een incomplete aanvraag 1.Belanghebbende wordt na ontvangst of doorzending van de aanvraag gevraagd om ontbrekende gegevens voor de vaststelling van het recht binnen veertien dagen aan te leveren.2.Als de gegevens daarna niet óf niet compleet zijn ontvangen, geeft het college een nieuwe termijn van veertien dagen om de aanvraag aan te vullen alvorens uitvoering te geven aan de bevoegdheid van artikel 4:5 Awb. 3.In individuele gevallen kan van het bepaalde in het eerste en tweede lid worden afgeweken. Het college heeft veel vrijheid om van het bepaalde in lid 1 én 2 af te wijken, zodat maatwerk wordt geleverd bij de beoordeling van de aanvraag. Artikel 2.5: Intrekking van een aanvraag Het college bevestigt een intrekking van een aanvraag per brief aan de belanghebbende. Artikel 2.6: Gebruik gegevens bij een nieuwe aanvraag binnen twaalf maanden 1.Bij een aanvraag binnen 12 maanden na beëindiging van de uitkering maakt het college gebruik van al beschikbare gegevens op basis van de eerdere verstrekking van een uitkering als dit leidt tot een minder belastende aanvraag voor belanghebbende, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat deze gegevens niet actueel zijn. 2.Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens in de beschikbare bronnen en zo nodig bij belanghebbende. Artikel 2.7: Personen zonder (geldig) identificatiemiddel 1.Het college kan bij het vaststellen van de identiteit van de belanghebbende volstaan met een identiteitsdocument waarvan de geldigheid is verlopen als: •deze akkoord is bevonden bij een eerdere aanvraag; en •er geen twijfel is over de identiteit van belanghebbende; en •er geen twijfel is over het verblijfsrecht van belanghebbende. HOOFDSTUK 3. INGANGSDATUM VAN ALGEMENE BIJSTAND Artikel 3.1: Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. aanvraag: aanvraag om algemene bijstand; b. belanghebbende: de persoon die algemene bijstand aanvraagt óf de personen die algemene bijstand aanvragen. c. voorziening: een uitkering op basis van een andere wet dan de Participatiewet óf een andere inkomensvoorziening. Hierbij kan worden gedacht aan de IOAW, IOAZ, Bbz 2004, Werkloosheidswet, Ziektewet, WIA, Wajong of studiefinanciering. Artikel 3.2: Toepassingsbereik Dit hoofdstuk heeft betrekking op de persoon die algemene bijstand aanvraagt of de personen die algemene bijstand aanvragen. Artikel 3.3: Ingangsdatum algemene bijstand 1.In artikel 44 lid 1 van de Participatiewet staat: “Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.” 2.Als een uitkeringsaanvraag voor een andere voorziening afgewezen wordt en belanghebbende een aanvraag indient, dan geldt in principe de aanvraagdatum van die andere voorziening als meldingsdatum voor de algemene bijstand. Wel geldt dan dat belanghebbende binnen veertien dagen na de afwijzing van de andere voorziening een aanvraag indient. 3.Als er eerder al sprake is van bijstandsbehoevendheid kan in individuele omstandigheden algemene bijstand met terugwerkende kracht toegekend worden. De ingangsdatum kan dan maximaal drie maanden vóór de aanvraagdatum zijn. 4.Als er sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden kan algemene bijstand met terugwerkende kracht worden toegekend over een verdere periode in het verleden. 5.In lijn met bovenstaande en ter verduidelijking daarvan geldt: als het recht ontstaat op een datum na de melding of aanvraag dan kan de algemene bijstand pas ingaan op het moment waarop het recht daadwerkelijk ontstaat. HOOFDSTUK 4. MIDDELEN: INKOMEN EN VERMOGEN PARAGRAAF 4.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 4.1: Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. belanghebbende: de persoon die een uitkering aanvraagt of ontvangt óf de personen die een uitkering aanvragen of ontvangen; b. bijstand: algemene bijstand; c. bijstandseenheid: de alleenstaande als bedoeld in artikel 4 lid 1 aanhef en onder a van de Participatiewet of het gezin als bedoeld in artikel 4 lid 1 aanhef en onder c van de Participatiewet; d. gift: geld, spullen (bijvoorbeeld boodschappen, auto) of hulp van een ander via (een) kostenbesparende bijdrage(n) als bedoeld in artikel 18 van de Participatiewet (bijvoorbeeld door betaling van boodschappen, energiekosten, water of de kosten van de zorgverzekering door een derde) die zonder tegenprestatie wordt gegeven, uit vrijgevigheid. De gift kan van een persoon of een organisatie komen; e. vervoermiddelen: voer- en vaartuigen, voor vervoer over land of water. Denk bijvoorbeeld aan: auto’s, vrachtwagens, tractoren, motoren, brommers, scooters, campers, caravans en motorboten. Artikel 4.2 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk heeft zowel betrekking op personen die bijstand aanvragen of ontvangen én personen die een IOAW- of een IOAZ-uitkering aanvragen of ontvangen. Voor personen die een IOAW- of IOAZ-uitkering aanvragen of ontvangen, gelden alleen de artikelen 4.3. tot en met 4.6. Voor personen die bijstand aanvragen gelden alle artikelen van dit hoofdstuk. PARAGRAAF 4.2 ONDERNEMEN IN DE UITKERING Artikel 4.3: Algemene voorwaarden voor parttime ondernemen in de uitkering 1.Het college beoordeelt of zij toestemming geeft aan de belanghebbende die vanuit de uitkering en voor eigen risico in beperkte omvang zelfstandige werkzaamheden uitvoert óf gaat uitvoeren. Het college neemt hierover een besluit. Dit is nodig, omdat: a.aan de hand van de criteria beoordeeld wordt of er inderdaad sprake is van zelfstandige werkzaamheden van beperkte omvang, maximaal 20 uren per week; b.aan de zelfstandige (werkzaamheden) voorwaarden gesteld moeten worden; c.nauwkeurige afspraken gemaakt moeten worden over de verantwoording én verrekening van de inkomsten en de (toelaatbaarheid van) bedrijfskosten; d.er afspraken moeten worden gemaakt over de mate van begeleiding. 2.Er is sprake van een parttime ondernemerschap als de belanghebbende als doel heeft om uit te stromen uit de uitkering door middel van de zelfstandige werkzaamheden. In alle andere gevallen geldt voor het uitvoeren van zelfstandige werkzaamheden het bepaalde in artikel 4.6. 3.Bij parttime ondernemerschap geldt dat belanghebbende: a.de zelfstandige werkzaamheden voor maximaal 20 uren per week verricht; b.de werkzaamheden voor eigen rekening en risico uitvoert; c.geen langlopende verplichtingen aangaat of is aangegaan die snelle beëindiging van de werkzaamheden belemmert; d.de (overige) verplichtingen voor arbeidsinschakeling nakomt en de werkzaamheden deze verplichtingen tot arbeidsinschakeling niet belemmeren; e.van de gewerkte uren een administratie bijhoudt, waarbij de gewerkte uren én de uren voor het bijhouden van de administratie de urengrens van 20 uren per week niet overschrijdt; f.voldoet aan andere wettelijke vereisten, zoals: •het hebben van de benodigde vergunningen; •een geldige inschrijving bij de Kamer van Koophandel; •een BTW-nummer; •een boekhouding die voldoet aan de eisen van de Belastingdienst en die in ieder geval bestaat uit: een kopie van de aangifte en aanslag inkomstenbelasting; en een jaarrekening inclusief balans, winst- en verliesrekening en toelichting; of een kasboek, inclusief een BTW-aangifte; •een verklaring omtrent het gedrag (VOG), als het college dit noodzakelijk acht; g.geen aanspraak maakt op de zelfstandigenaftrek van de Belastingdienst; h.belanghebbende is verplicht om marktconforme tarieven te hanteren voor zijn producten of dienst én de kosten in verhouding staan tot de geleverde dienst of werkzaamheden. 4.De in lid 3 genoemde kopie van de aangifte inkomstenbelasting wordt jaarlijks na afloop van het boekjaar vóór 1 mei – in kopie - aan het college verstrekt. Het college kan op verzoek van belanghebbende, bij een gegronde reden daartoe en onder overlegging van de uitstelbrief van de aangifte aan of van de Belastingdienst, de genoemde inleverdatum verplaatsen naar een latere datum. Na ontvangst van de aangifte inkomstenbelasting, volgt de definitieve vaststelling. Dit zoals opgenomen in artikel 4.5. 5.Het college kan naast de kopie van de aangifte inkomstenbelasting ook andere boekhoudkundige gegevens opvragen, als daartoe aanleiding bestaat. 6.Bij afwijking van de aanslag ten opzichte van aangifte is parttime ondernemer verplicht om het college hierover in te lichten.7.Illegale en strafrechtelijk verboden werkzaamheden én werkzaamheden of een locatie in strijd met de gemeentelijke regels, zoals de Algemeen plaatselijke verordening (APV) of het Omgevingsplan, zijn niet toegestaan.8.Periodiek wordt geëvalueerd of belanghebbende voldeed en kan blijven voldoen aan de voorwaarden, verplichtingen en afspraken. Hoe vaak vorenstaande per jaar plaatsvindt, is onder andere afhankelijk van de voortgang van de onderneming. 9.Op basis van de evaluatie wordt de toestemming voor het parttime ondernemerschap voortgezet of ingetrokken. Er wordt ook zeker gekeken of uitstroom, eventueel via het Bbz 2004, mogelijk is.10.De rechten en plichten van belanghebbende in verband met zijn uitkering en het parttime ondernemerschap en de specifieke afspraken, maar ook een intrekking van de toestemming, worden vastgelegd in een besluit. Artikel 4.4: Inkomstenkorting en aftrek kosten 1.Bij de belanghebbende met parttime ondernemerschap worden als netto inkomen aangemerkt: de omzet minus de door het college geaccepteerde bedrijfskosten. Van de noodzakelijke kosten levert belanghebbende bewijsstukken in én het college bepaalt aan de hand daarvan (al dan niet) de goedkeuring. a.Op de omzet kunnen de volgende kosten in ieder geval niet in mindering worden gebracht: b.huur of kosten bedrijfsruimte; c.investeringen; d.rentelasten; e.kosten in strijd met de belastingwetgeving; f.kosten van activiteiten in strijd met de bepalingen van deze beleidsregels. g.Kosten die niet worden goedgekeurd voor aftrek op de omzet blijven voor eigen risico van belanghebbende. 2.Maandelijks wordt het door belanghebbende aangegeven inkomen op het rechtmatigheidsformulier (RMF) in mindering gebracht op de uitkering. Maandelijks levert belanghebbende daarbij een overzicht aan van zijn inkomsten en uitgaven. 3.Uitgangspunt voor het parttime ondernemerschap en voor de begeleiding is dat belanghebbende na 12 maanden minimaal 50% van het wettelijk minimumloon structureel verdient op basis van maximaal 20 uren per week. Artikel 4.5: Definitieve vaststelling 1.Na ontvangst van de belastingaangifte, zoals bedoeld in artikel 4.3 lid 3 onder f en I., wordt overgegaan tot een definitieve vaststelling. 2.Als het inkomen na de definitieve vaststelling: a.lager is dan wat verrekend is met de uitkering vindt er een nabetaling plaats; b.gelijk is aan wat verrekend is met de uitkering blijft de uitkering ongewijzigd; c.hoger is dan wat is verrekend vindt een herziening van de uitkering plaats en een terugvordering. Hierbij worden de regels van hoofdstuk 11 in acht genomen. 3.Belanghebbende ontvangt van de definitieve vaststelling een besluit. 4.Als de aanslag inkomstenbelasting van belanghebbende afwijkt van de aangifte waarop de definitieve vaststelling gedaan is, is belanghebbende verplicht om hier melding van te doen bij het college. Dit kan leiden tot een herziene definitieve vaststelling. Artikel 4.6: Ondernemen in de uitkering als marginale zelfstandige (bescheiden schaler) Als belanghebbende zelfstandige werkzaamheden uitvoert óf gaat uitvoeren én belanghebbende heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt vanwege oorzaken als de sociaal-culturele achtergrond, het niet hebben van een opleiding, het gebrek aan ervaring met het werken in loondienst, lange werkloosheidsduur of medische beperkingen is het bepaalde van artikel 4.3 eveneens van toepassing. Dit geldt ook voor een belanghebbende die slechts één of enkele keren per jaar zelfstandige werkzaamheden uitvoert. Het college kan in deze gevallen besluiten om bepaalde onderdelen van het bepaalde in de artikelen 4.3 tot en met 4.5 in het voordeel van de belanghebbende niet op te leggen. Dit op basis van maatwerk. De exacte rechten en plichten worden altijd vastgelegd in een besluit. PARAGRAAF 4.3 SPECIFIEKE INKOMSTENKORTINGEN BIJSTAND Artikel 4.7 Inkomen uit verhuur, kamerverhuur of bij kostganger(s) 1.Door belanghebbende in een bijstandsperiode ontvangen bedragen voor verhuur uit woningverhuur, kamerverhuur of in verband met het hebben van één of meer kostgangers worden volledig aangemerkt als inkomen, als belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van artikel 20 of artikel 21 van de Participatiewet.2.Bij een belanghebbende die bijstand ontvangt op basis van de kostendelersnorm worden de in lid 1 genoemde bedragen niet in aanmerking genomen, voor zover deze niet de redelijke gezamenlijke vaste lasten overtreffen. 3.Op basis van het eerste en tweede lid is het van belang om de individuele situatie te wegen bij andere kosten verbonden aan verhuur, zoals de vaste lasten voor gas, elektriciteit, water én/of maaltijden. In die gevallen wordt rekening gehouden met welke vaste lasten er feitelijk zijn, de hoogte daarvan, wie deze betaalt én of deze met elkaar in verhouding zijn. Artikel 4.8: Heffingskortingen De (voorlopige) teruggave van de Belastingdienst in verband met de heffingskortingen waarover redelijkerwijs kan worden beschikt en ziende op een bijstandsperiode wordt aangemerkt als inkomen. Artikel 4.9: Voedingsgeld Voedingsgeld van een Wlz-instelling dat direct aan een belanghebbende betaald wordt, telt niet mee als inkomen als belanghebbende bijstand ontvangt op basis van de inrichtingsnorm. De reden hiervan is dat als de instelling zou voorzien in voeding voor belanghebbende dat dit ook niet meegerekend wordt als inkomen (in natura). PARAGRAAF 4.4 SPECIFIEKE VERMOGENSBEPALINGEN BIJSTAND Artikel 4.10: Waarde van vervoermiddelen 1.De waarde van auto’s, motoren, brommers en scooters wordt voor het vaststellen van het vermogen als volgt vastgesteld: bij een totale (gezamenlijke) waarde tot € 5.000 worden genoemde vervoermiddelen als algemeen gebruikelijk aangemerkt en niet meegerekend in de vermogensvaststelling. 2.Vrachtwagens, tractoren, campers, caravans en motorboten worden niet als algemeen gebruikelijk aangemerkt en volledig als vermogen in aanmerking genomen. Dit naar de waarde in het economisch verkeer. 3.Als de totale waarde van vervoermiddelen genoemd in lid 1 samen meer bedraagt dan € 5.000 wordt alleen het meerdere in aanmerking genomen bij de vermogensvaststelling. 4.In afwijking van bovenstaande geldt dat de waarde van één vervoermiddel die aantoonbaar om medische redenen aangepast is, óf anderszins noodzakelijk is, niet in aanmerking wordt genomen bij de vermogensvaststelling. Hierbij kan worden gedacht aan een aangepaste auto wegens een beperking óf een auto die noodzakelijk is voor veelvuldig bezoek aan het ziekenhuis.5.De ANWB koerslijst, uitgaande van de verkoopprijs tussen particulieren, wordt gebruikt voor de bepaling van de waarde van een vervoermiddel. 6.Als de waarde van een vervoermiddel niet bepaald kan worden door de ANWB koerslijst wordt de waarde bepaald door vergelijking op websites voor tweedehands goederen, zoals Autotrack en Marktplaats. Voor een juiste bepaling van de waarde (in het economisch verkeer) kan dan rekening gehouden worden met de aankoopprijs op basis van de aankoopfactuur, de leeftijd en de (opgegeven) onderhoudsstaat van het vervoermiddel. En indien van toepassing de actuele kilometerstand. Artikel 4.11: Schadevergoedingen 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt een vergoeding voor geleden materiële schade of immateriële schade vrijgelaten voor de bijstand, voor zover het college dit verantwoord vindt voor de bijstand. 2.Als een deel van een schadevergoeding is gebruikt voor kosten van rechtsbijstand of buitengerechtelijke kosten, dan worden deze kosten in mindering gebracht op de ontvangen schadevergoeding. De belanghebbende moet aantonen welk deel van de betaling is gebruikt voor kosten van rechtsbijstand of buitengerechtelijke kosten. 3.In aanvulling op lid 1 geldt dat de schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade niet als vermogen wordt aangemerkt, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de materiële schade. 4.Bij een schadevergoeding voor immateriële schade wordt onderscheid gemaakt tussen: a.schade voor gederfde levensvreugde, zoals schending van eer en goede naam, discriminatie of een onterechte detentie; en b.schade die blijvend van aard is, zoals letselschade en invloed heeft op de verwachte uitstroom van een belanghebbende uit de bijstand. 5.Bij een vergoeding wegens het verlies aan arbeidsvermogen én die niet ziet op een periode van bijstandsverlening wordt in aanmerking genomen als vermogen: 50% van het deel dat hoger is dan € 5.000. 6.Een schadevergoeding die is bedoeld als compensatie van het verlies aan arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen wanneer de vergoeding ziet op een periode van bijstandsverlening.7.Bij een vergoeding voor gederfde levensvreugde als bedoeld in het vijfde lid onder a wordt in aanmerking genomen als vermogen 50% van het deel dat hoger is dan € 5.000. 8.Bij een vergoeding voor blijvende schade als bedoeld in het vijfde lid onder b geldt dat de vergoeding wordt toegerekend aan de statistisch te verwachten resterende levensduur van de persoon, te rekenen vanaf het moment van het ontstaan van de schade en herleid naar een maandbedrag. Is dit bedrag lager dan € 200 per maand dan wordt de vergoeding geheel vrijgelaten. Is het bedrag hoger dan het voornoemde bedrag dan wordt het meerdere in aanmerking genomen als inkomen in de bijstandsperiode. Artikel 4.12: Giften 1.Een gift telt tot de waarde als genoemd in artikel 31 lid 2 onder m van de Participatiewet niet mee als inkomen en/of vermogen (hierna: vrijlating). 2.Voor een bijstandseenheid die later in het kalenderjaar bijstand ontvangt, geldt de vrijlating vanaf de ingangsdatum van de bijstand tot en met 31 december van het kalenderjaar.3.Het maakt niet uit of de totale waarde in één keer of in delen (bijvoorbeeld elke maand iets) wordt bereikt.4.Een gift wordt altijd buiten beschouwing gelaten als deze is bedoeld voor kosten waarvoor de belanghebbende, zonder de gift, een vergoeding vanuit de bijzondere bijstand of Wmo-voorziening zou kunnen aanvragen óf ten gunste komt van de re-integratie of het werk van belanghebbende. De gift telt dan ook niet mee voor de vrijlating. 5.Een gift van een charitatieve organisatie wordt eveneens buiten beschouwing gelaten en telt niet mee voor de vrijlating.6.De waarde van spullen of van hulp van een ander wordt bepaald aan de hand van de feitelijke kosten. Als de waarde niet duidelijk is, kan het college gebruikmaken van de prijzen uit de Nibud-prijzengids. 7.De vrijlating hoeft niet te worden gemeld bij het college.8.Als de waarde hoger is óf wordt dan de vrijlating geldt voor de bijstandseenheid een meldingsplicht bij het college. De hoogte van de gift wordt bij voorkeur dan op het rechtmatigheidsformulier aan het college gemeld. 9.Bij overschrijding van de vrijlating in een kalenderjaar maakt het college een individuele afweging of de gift vanuit het oogpunt van bijstandsverlening nog verantwoord is en wordt vrijgelaten óf dat deze tot de middelen, specifiek tot het inkomen of tot het vermogen, behoort óf dat afstemming van de bijstand nodig is. Artikel 4.13: Uitvaartkosten en vermogensvaststelling 1.De volgende uitvaartverzekeringen worden nooit tot het vermogen gerekend: a.een uitvaartverzekering die in natura uitkeert of een sommenverzekering; b.een uitvaartverzekering in geld of een kapitaalverzekering als: het geld alleen bij overlijden wordt uitgekeerd; en niet tussentijds kan worden opgenomen; en het verzekerde bedrag niet bovenmatig hoog is. 2.Een combinatie van de verzekeringen genoemd in het vorige lid onder a én b of een vergelijkbare verzekering als bedoeld in het vorige lid wordt ook niet tot het vermogen gerekend. Hierbij kan worden gedacht aan een uitvaartdeposito.3.Met bovenmatig hoog wordt bedoeld een bedrag van meer dan € 11.500 per verzekerde belanghebbende.4.Als de verzekering niet aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoet, wordt de waarde – als het in geld om te zetten is – volledig tot het vermogen gerekend. 5.In afwijking van lid 5 geldt dat geld op een spaarrekening waarvan vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels vastgesteld is dat dit bedoeld is voor de kosten van een uitvaart dit niet meetelt in het vermogen. Artikel 4.14: Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling 1.Het saldo van een lopende rekening (betaalrekening) wordt volledig meegenomen bij de vaststelling van het vermogen. Als het saldo van een lopende rekening negatief is, telt het mee als schuld. 2.Als bij de vermogensvaststelling de vermogensgrens zou worden overschreden, kan in afwijking van lid 1 bij de vaststelling van het vermogen eenmalig het saldo van de lopende rekening buiten beschouwing worden gelaten tot het bedrag van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. PARAGRAAF 4.5 SPECIFIEKE VERMOGENSBEPALINGEN ALGEMENE BIJSTAND Artikel 4.15: Vaststelling vermogen bij verhuizing uit een andere gemeente Het college stelt het vermogen bij een aanvraag om bijstand opnieuw vast. Er wordt geen vermogensvaststelling van een andere gemeente overgenomen. Artikel 4.16: Vaststelling vermogen bij echtscheiding/verlating Het vermogen bij echtscheiding/verlating wordt vastgesteld op het moment van de aanvraag om bijstand. Als de verwachting is dat er middelen vrijkomen uit de echtscheiding dan stelt het college het vermogen opnieuw vast vanaf het moment dat dit vermogen vrijkomt. Artikel 4.17: Vaststelling vermogen bij co-ouderschap 1.Van co-ouderschap is sprake als de feitelijke opvoeding en verzorging van het minderjarige kind/minderjarige kinderen twee dagen of meer per week bij belanghebbende ligt. Afspraken over de verdeling van de opvoeding en verzorging moeten zijn vastgelegd in een rechtsgeldig ouderschapsplan.2.De vermogensgrens voor de co-ouder wordt vastgesteld op de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder. 3.Het vermogen van het minderjarige kind/de minderjarige kinderen wordt meegenomen bij de vermogensvaststelling. Artikel 4.18: Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm 1.Bij wijziging van de leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder, co-ouder of gehuwden) wordt het vermogen opnieuw vastgesteld. De hoogte van de vermogensgrens is gelijk aan de actuele vermogensgrens die geldt voor de nieuwe leefvorm van de belanghebbende.2.Bij een alleenstaande ouder die alleenstaande wordt, omdat het jongste ten laste komende kind 18 jaar wordt, geldt dat vermogensbestanddelen van het kind niet meer wordt meegenomen in de vaststelling van het vermogen van belanghebbende, mits zij daarover ook niet meer feitelijk kan beschikken. 3.In het kader van redelijkheid en billijkheid geldt voor het bepaalde in het tweede lid dat de alleenstaande en het 18-jarige kind één maand na wijziging van de leefvorm de tijd krijgen om de feitelijke beschikkingsmacht over de vermogensbestanddelen die toebehoren aan het 18-jarige kind, maar waarover de alleenstaande kan beschikken alsnog onder de feitelijke beschikkingsmacht te brengen van het 18-jarige kind. Als daaraan wordt voldaan rekent het college voornoemde vermogensbestanddelen niet tot het vermogen van de alleenstaande op de datum waarop het kind de leeftijd van 18 jaar bereikte. HOOFDSTUK 5. HOOGTE VAN DE UITKERING PARAGRAAF 5.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 5.1: Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. belanghebbende: de persoon die een uitkering aanvraagt of ontvangt óf de personen die een uitkering aanvragen of ontvangen; b. bijstand: algemene bijstand; c. gehuwdennorm: de bijstandsnorm van artikel 21 aanhef en onder b van de Participatiewet; d. woonkosten: als de belanghebbende een: •huurwoning bewoont, de per maand geldende huurprijs; •eigen woning bewoont, het (omgerekende) bedrag per maand van de kosten van de hypotheekrente en de aflossing van de hypotheek; •antikraakwoning bewoont, de per maand geldende vergoeding. e. woonlasten: kosten in verband met de gemeentelijke heffingen. En in het geval van een eigen woning ook: de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen andere lasten verbonden aan de woning, zoals het eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten en de opstalverzekering. Artikel 5.2: Toepassingsbereik Dit hoofdstuk heeft zowel betrekking op personen die bijstand aanvragen of ontvangen én personen die een IOAW- of een IOAZ-uitkering aanvragen of ontvangen. Voor personen met een IOAW-uitkering of IOAZ-uitkering gelden hierna alleen de artikelen 5.3. en 5.4. Voor personen die bijstand aanvragen of ontvangen gelden alle artikelen van dit hoofdstuk. PARAGRAAF 5.2 SPECIFIEKE BEPALINGEN IN RELATIE TOT KOSTENDELERS(NORM) EN BIJ TIJDELIJKE INWONING Artikel 5.3: Bepalingen over tijdelijke inwoning vanwege noodopvang 1.Het college kan bij een belanghebbende die één of meer personen in een crisissituatie of bij hulpbehoevendheid tijdelijk laat inwonen, besluiten om: a.de kostendelersnorm bij belanghebbende niet toe te passen voor een periode van maximaal zes maanden, gerekend vanaf de dag dat de woonsituatie is gewijzigd; b.de bijstandsnorm niet aan te passen bij een vermoeden van een gezamenlijke huishouding en de definitieve beoordeling van de woon- en leefsituatie uit te stellen. Deze beoordeling vindt uiterlijk plaats binnen zes maanden na wijziging van de woonsituatie en de wijziging gaat niet eerder in dan zes maanden na de wijziging van de woonsituatie; 2.Het college onderzoekt in samenspraak met belanghebbende en de inwonende(n) de mogelijkheden om de situatie zo snel mogelijk passend op te lossen. 3.Voorbeelden van crisissituaties of hulpbehoevendheid bij een inwonende, zoals bedoeld in het eerste lid, zijn: •onvoorziene dakloosheid; •beëindiging van detentie; •vlucht uit een onveilige thuissituatie; •afhankelijkheid van belanghebbende door plotselinge ziekte of beperking (mantelzorg). 4.Dit artikel is ook van toepassing op de belanghebbende die voor het leveren van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders. Artikel 5.4: Bepalingen over commerciële relatie kostendelersnorm 1.Bij de beoordeling van de kostendelersnorm in de situatie dat een gedeelte van de woning verhuurd is, beoordeelt het college of er sprake is van een commerciële relatie tussen de huurder en verhuurder. Dit aan de hand van de volgende criteria: a.er is geen sprake van gehuwden of daarmee gelijkgestelden volgens de Participatiewet; en b.er is geen sprake van een 1e of 2e graad bloed- of aanverwantschap tussen verhuurder en huurder; en c.het onder te huren deel van de woning is geschikt voor bewoning en de huurder staat ook ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente op dit adres; en d.er is sprake van een schriftelijke overeenkomst als beschreven in artikel 19a, eerste lid onderdeel b of c, van de Participatiewet; en e.er is een commerciële prijs afgesproken; en f.de huurder kan aantonen dat er een commerciële prijs wordt betaald; en g.uit de overeenkomst blijkt van periodieke huurprijsverhogingen. 2.Bij de beoordeling of het gaat om een commerciële prijs, als bedoeld in het vorige lid, wordt voor de berekening van de kale huurprijs uitgegaan van het volgende uitgangspunt: de feitelijke kale huurprijs bedraagt minimaal 90% van de berekende huurprijs op basis van de huurprijscheck via de website van huurcommissie.nl. 3.Als de huurprijs inclusief gas, water en licht is, wordt voor de kosten van gas, water en licht uitgegaan van een meerprijs bestaande uit: 50% van de prijs voor gas op basis van een tussenwoning vermeerderd met het bedrag van het verschil tussen de prijs van een tweepersoonshuishouden en een eenpersoonshuishouden voor de kosten van elektra en water op basis van de meest recente Nibud-prijzengids. Op basis van de Nibud-prijzengids 2025-2026 is dit € 93 in totaal.4.Als er sprake is van kostgangerschap wordt uitgegaan van de kale huurprijs, eventueel vermeerderd met voornoemde prijs voor de kosten van gas, water en licht, en met een maandprijs voor maaltijden. De prijs van de maaltijden per maand wordt berekend op 28 keer de prijs voor voeding per persoon per dag op basis van de meest recente Nibud-prijzengids. PARAGRAAF 5.3 VERLAGING VAN DE BIJSTANDSNORM Artikel 5.5: Verlaging bijstandsnorm door geen of minder woonkosten/-lasten 1.De verlaging van de bijstandsnorm van artikel 21 van de Participatiewet, in verband met de woonsituatie als bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet, bedraagt voor belanghebbende 10% van de gehuwdennorm als de belanghebbende geen woonkosten heeft.2.Wanneer andere vaste lasten, bijvoorbeeld gas/elektra/water, door een ander dan belanghebbende worden voldaan, wordt rekening gehouden met de feitelijke kosten die betaald worden door de ander. Als dit onbekend is, worden de prijzen uit de meest recente Nibud-prijzengids gehanteerd op basis van de woon- en leefsituatie. De bijstand wordt in deze gevallen (verder) afgestemd op basis van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet. 3.Op het bepaalde in het tweede lid is het giftenbeleid, als bedoeld in artikel 4.12 van deze beleidsregels, van toepassing. Artikel 5.6: Verlaging bijstand schoolverlaters Het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid tot het verlagen van de bijstand voor schoolverlaters, zoals bedoeld in artikel 28 Participatiewet. PARAGRAAF 5.4 SPECIFIEKE SITUATIES VOOR BEPALING HOOGTE OF WIJZIGING HOOGTE VAN DE BIJSTANDSNORM Artikel 5.7: Bijstandsnorm voor een co-ouder 1.Een co-ouder die een woning bewoont zonder andere medebewoners ontvangt dezelfde hoogte van de bijstandsuitkering als een alleenstaande ouder.2.Van co-ouderschap is sprake als de feitelijke opvoeding en verzorging van het minderjarige kind/minderjarige kinderen twee dagen of meer per week bij belanghebbende ligt. Afspraken over de verdeling van de opvoeding en verzorging moeten zijn vastgelegd in een rechtsgeldig ouderschapsplan.3.Een co-ouder kan geen beroep doen op bijstand voor een (eventueel) gemis aan ALO-kop van het kindgebonden budget als de andere verzorgende ouder deze ontvangt. Het is aan belanghebbende en de voormalig partner om de verdeling hiervan, net als van de kinderbijslag, onderling regelen. Artikel 5.8: Gemis ALO-kop door toeslagpartner voor toeslagen (vervalt op 1 januari 2027) 1.Het college verstrekt, gelet op artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet, bijstand ter compensatie van het gemis van de ALO-kop van het kindgebonden budget aan de belanghebbende als: a.deze 18 jaar of ouder; en b.de zorg heeft voor een ten laste komend kind; en c.een toeslagpartner heeft, als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Awir én hierdoor er geen recht heeft op de ALO-kop; en d.belanghebbende een zelfstandige woonruimte bewoont én de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met een ander. 2.De hoogte van de te verstrekken bijstand, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt per maand 1/12e deel van het jaarbedrag van de ALO-kop. Artikel 5.9: Wijziging bijstandsnorm bij verblijf in inrichting 1.Bij opname in een inrichting blijft de toegekende bijstandsnorm van toepassing in de maand van opname en de daarop volgende zes maanden. 2.Na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn, dus per de eerste dag van de zevende maand, wordt de uitkering gewijzigd in de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 23 van de Participatiewet. 3.Van het bepaalde in het eerste of tweede lid wordt afgeweken als blijkt dat belanghebbende zijn woonstede direct of tussentijds prijsgeeft. Dit kan blijken uit opzegging van de eigen (huur)woning in deze gemeente, inschrijving op een ander (woon)adres in deze gemeente of inschrijving op het woonadres van een andere gemeente.4.Van het bepaalde in het eerste of tweede lid kan ook worden afgeweken als de toepassing hiervan nadelige gevolgen heeft voor de belanghebbende of de medebewoners. HOOFDSTUK 6. VERPLICHTINGEN EN TAALEIS PARAGRAAF 6.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 6.1: Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. belanghebbende: de persoon die een uitkering aanvraagt, ontvangt, ontving óf de personen die een uitkering aanvragen, ontvangen of ontvingen. b. inlichtingenplicht: de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1 van de Participatiewet en/of artikel 13 lid 1 van de IOAW of de IOAZ. Artikel 6.2: Toepassingsbereik Dit hoofdstuk heeft zowel betrekking op personen die bijstand aanvragen of ontvangen én personen die een IOAW- of een IOAZ-uitkering aanvragen of ontvangen. Voor personen die een IOAW-uitkering of IOAZ-uitkering ontvangen, gelden hierna alleen de artikelen 6.3 tot en met 6.8. Voor personen die bijstand aanvragen gelden alle artikelen van dit hoofdstuk. PARAGRAAF 6.2 INLICHTINGENPLICHT EN MEDEWERKINGSPLICHT Artikel 6.3: Inlichtingenplicht bij aanvraag om een uitkering 1.Bij het aanvragen van een uitkering moet belanghebbende belangrijke informatie onverwijld doorgeven. Dit geldt ook voor veranderingen in de persoonlijke situatie. Het gaat om informatie die invloed kan hebben op: a.het recht op een uitkering; of b.de arbeidsinschakeling. 2.Onder onverwijld als bedoeld in dit artikel verstaat het college: zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen veertien dagen nadat de belanghebbende op de hoogte is van de informatie. Artikel 6.4: Inlichtingenplicht tijdens een uitkering 1.Als belanghebbende een uitkering ontvangt, meldt belanghebbende veranderingen onverwijld in zijn situatie bij het college. Het gaat hierbij om veranderingen die van invloed kan hebben op: a.het recht op de uitkering; of b.de arbeidsinschakeling. 2.Het college verstaat onder onverwijld dat belanghebbende deze informatie zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op het eerstvolgende inleverdatum van rechtmatigheidsformulier (RMF) nadat belanghebbende hiervan op de hoogte is, doorgeeft, ongeacht de manier waarop de informatie wordt verstrekt. 3.Voor een belanghebbende die vrijstelling heeft of krijgt van het inleveren van het RMF verwacht het college het bepaalde in lid 2 onverminderd van de belanghebbende. Artikel 6.5: Melden vakantie en verblijf in het buitenland Het college neemt eerstelijk in de verleningsbeschikking de verplichting op dat belanghebbende, voor zover mogelijk, een vakantie minimaal twee weken vóór de eerste dag van de vakantie meldt bij het college. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om een vakantie in Nederland of in het buitenland. Ook voor ander verblijf in het buitenland van méér dan één dag geldt bovenstaande. Artikel 6.6: Melden studie of opleiding 1.Het college neemt eerstelijk in de verleningsbeschikking de verplichting op dat belanghebbende voorafgaande aan het feitelijk volgen van een studie of opleiding hier onverwijld melding van maakt bij het college. 2.Belanghebbende meldt een studie of opleiding onverwijld, waaronder het college verstaat zo spoedig mogelijk nadat dit bij belanghebbende bekend is, maar minimaal 2 weken vóórafgaande aan het daadwerkelijk volgen van de studie of opleiding bij het college. 3.Een studie of opleiding in het kader van een re-integratie vanuit de gemeente hoeft niet te worden gemeld. Artikel 6.7: Melden vrijwilligerswerk 1.Het college neemt eerstelijk in de verleningsbeschikking op dat belanghebbende, voor zover mogelijk, voorafgaande aan het verrichten van vrijwilligerswerk hier onverwijld melding van maakt bij het college. 2.Belanghebbende meldt dit onverwijld, waaronder het college verstaat zo spoedig mogelijk, maar minimaal 2 weken vóórafgaande aan het daadwerkelijk verrichten van het vrijwilligerswerk. 3.Het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van re-integratie vanuit de gemeente hoeft niet te worden gemeld. Artikel 6.8: Overleggen bankafschriften 1.Het college kan van een belanghebbende en eventueel van zijn gezinsleden vragen om kopieën van de afschriften van alle bankrekeningen of wat daaraan gelijkgesteld kan worden, voor zover deze betrekking hebben op een periode van drie maanden voorafgaande aan de datum van de aanvraag of het heronderzoek.2.Als een concrete situatie onderzocht wordt, kan dit voor het college reden zijn om over een langere periode dan 3 maanden geleden de kopieën van de afschriften van de bankrekeningen óf wat daaraan gelijkgesteld kan worden op te vragen. 3.Als het college gebruikt maakt van de bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid wordt dit gemotiveerd kenbaar gemaakt aan belanghebbende. PARAGRAAF 6.3 TAALEIS Artikel 6.9: Aantonen beheersing Nederlandse taal 1.Als de belanghebbende in de leerplichtige leeftijd tenminste acht jaar in Nederland woonde, gaat het college ervan uit dat hij acht jaar Nederlandstalig onderwijs volgde. En daarmee de Nederlandse taal beheerst als bedoeld in artikel 18b lid 8 van de Participatiewet. 2.Belanghebbende toont desgevraagd het volgen van Nederlandstalig onderwijs aan met een rapport of diploma’s van erkende onderwijsinstellingen. Dit kan ook Nederlandstalig particulier of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland zijn.3.Het college is van oordeel dat een belanghebbende voldoet ook aan de beheersing van de Nederlandse taal als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet als hij: a.een inburgeringsdiploma of een gelijkwaardig document heeft; b.tijdens een eerdere uitkeringsperiode slaagde voor de taaltoets. 4.Als belanghebbende niet voldoet aan het bepaalde in lid 2 of lid 3 dan heeft belanghebbende de mogelijkheid om via een ander document als bedoeld in artikel 18b lid 2 onder c van de Participatiewet of anderszins aan te tonen dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst. Artikel 6.10: De taaltoets 1.Een taaltoets wordt: a.afgenomen als er twijfel is of belanghebbende de Nederlandse taal voldoende beheerst; en b.afgenomen binnen 8 weken na de aanvraag om bijstand; en c.wordt uitgevoerd door een door het college gecontracteerde én hiervoor erkende instelling; en d.bevat naast een onderdeel over de taalvaardigheid ook een oordeel over de meest geschikte taaltraining voor belanghebbende. Hierbij gaat het college uit van de goedkoopst adequate training. 2.Er wordt geen taaltoets afgenomen als belanghebbende; a.de Nederlandse taal voldoende beheerst; b.een ontheffing heeft/krijgt als bedoeld in artikel 9 lid 5 van de Participatiewet, omdat belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA); of c.een ontheffing heeft/krijgt van de arbeidsplicht vanwege psychische, fysieke of sociale problemen, waardoor het verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet haalbaar is. De ontheffing voor de taaltoets geldt voor de duur van de ontheffing van de arbeidsplicht; of d.tijdens een vorige bijstandsperiode door een gemeente vastgesteld is dat belanghebbende niet in staat is om de Nederlandse taal te leren; e.door een erkende instelling vastgesteld is dat belanghebbende niet in staat is om de Nederlandse taal te leren; of f.bij het begin van de bijstandsuitkering duidelijk is dat er sprake is van een periode van maximaal zes maanden aan bijstand. Artikel 6.11: Kennisgeving uitkomst taaltoets, taalplan en inspanningsplicht 1.Als uit de taaltoets blijkt dat belanghebbende de Nederlandse taal voldoende beheerst dan ontvangt belanghebbende binnen acht weken een besluit. 2.Als uit de taaltoets blijkt dat belanghebbende de Nederlandse taal niet voldoende beheerst dan ontvangt belanghebbende binnen één maand na de taaltoets schriftelijk bericht van het college hierover. Belanghebbende wordt ook uitgenodigd voor een gesprek.3.Tijdens het gesprek, als bedoeld in lid 2, wordt de uitslag van de toets besproken en krijgt belanghebbende een passend taaltraject aangeboden. Dit wordt vastgelegd in een taalplan.4.Het taalplan is toegespitst op belanghebbende en dus maatwerk. Het college gaat uit van de goedkoopst adequate oplossing die blijkt uit de taaltoets. 5.Wanneer belanghebbende akkoord gaat met het taaltraject tekent hij het taalplan. Dit is de bereidverklaring om te starten met het leertraject dat leidt tot kennis van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F als bedoeld in art 18b lid 6 onderdeel a Participatiewet. 6.In het taalplan wordt, in elk geval, opgenomen: a.het startniveau van belanghebbende; en b.het (eind)niveau dat voor belanghebbende haalbaar lijkt; en c.het aantal maanden dat nodig is om dit niveau te bereiken. Dit is maximaal 36 maanden; en d.de verplichting voor belanghebbende om zich in te spannen om het taalniveau te bereiken. 7.Belanghebbende levert naar het oordeel van het college voldoende inspanning om te komen tot een afdoende beheersing van de Nederlandse taal als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet als hij meewerkt aan (de totstandkoming van) het inburgeringstraject. HOOFDSTUK 7. LEENBIJSTAND IN VERBAND MET EIGEN WONING EN KREDIETHYPOTHEEK PARAGRAAF 7.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 7.1: Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. bijstand: algemene bijstand; b. krediethypotheek: een zekerheidsrecht in de vorm van een hypotheek op een registergoed, gevestigd ter meerdere zekerheid voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen bij bijstand in de vorm van leenbijstand. c. leenbijstand: bijstand in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 50 van de Participatiewet; d. pandrecht: een zekerheidsrecht in de vorm van een pandrecht op een niet-registergoed, gevestigd ter meerdere zekerheid voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen bij bijstand in de vorm van leenbijstand; e. woning: het woonhuis, woonschip of de woonwagen - en daarbij behorend erf of terrein - die door belanghebbende, en indien van toepassing zijn gezin, wordt bewoond en waarvan hij eigenaar is; f. WOZ-waarde: de waarde van de woning, zoals laatstelijk vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 7.2: Toepassingsbereik Dit hoofdstuk heeft betrekking op de persoon die bijstand aanvraagt, ontvangt, ontving óf de personen die bijstand aanvragen, ontvangen of ontvingen. Het gaat hierbij om een persoon óf personen met een eigen woning, door hemzelf en eventueel zijn gezin zelf bewoond, waardoor de bijstand in de vorm van leenbijstand wordt of is verleend. Dit gelet op de (over)waarde van de woning. PARAGRAAF 7.2 HOOGTE, VORM EN VOORWAARDEN LEENBIJSTAND EN KREDIETHYPOTHEEK Artikel 7.3: De hoogte van de leenbijstand (waardebepaling), taxatie en bijkomende kosten 1.De leenbijstand is gelijk aan het bedrag van de WOZ-waarde van de woning verminderd met de daarop rustende schulden en het vrij te laten deel als bedoeld in artikel 34 lid 2 sub d van de Participatiewet. De schulden verbonden aan de woning maar die zien op andere kosten dan de woning zelf, zoals een krediet voor een auto of een krediet voor aflossing van schulden, tellen niet mee als op de woning rustende schulden. 2.Als belanghebbende aan de hand van een recent taxatierapport, niet ouder dan 12 maanden, van een erkend taxateur aantoont dat de waarde van de woning lager is dan de WOZ-waarde dan kan het college voor de vaststelling van de waarde aansluiten bij de waarde van het taxatierapport.3.Heeft belanghebbende geen recent taxatierapport? Dan kan hij zelf een erkend taxateur inschakelen, waarbij de kosten hiervan voor rekening van belanghebbende komen. 4.Bij een woning zonder WOZ-waarde wordt de waarde van de woning vastgesteld aan de hand van een taxatierapport van een deskundige.5.Tussentijdse stijgingen en/of dalingen van de WOZ-waarde of taxatiewaarde hebben geen consequenties voor de bijstand. Artikel 7.4: Vorm van (leen)bijstand 1.Bij toepassing van artikel 50 van de Participatiewet blijft de vestiging van een krediethypotheek of pandrecht achterwege als het bedrag van het vermogen in de eigen woning na aftrek van de vrijstelling van artikel 34 lid 2 sub d van de Participatiewet lager is dan € 6.000. Er wordt dan leenbijstand verstrekt zonder krediethypotheek of pandrecht.2.Verlening van leenbijstand blijft achterwege en is om niet als er de verwachting is dat de te verstrekken bijstand aan belanghebbende per jaar lager is dan één keer de gehuwdennorm van artikel 21 onder b van de Participatiewet. Artikel 7.5: Opname voorwaarden in akte 1.Aan de leenbijstand in de vorm van een krediethypotheek of een pandrecht worden in elk geval de voorwaarden verbonden, zoals genoemd in de artikelen 7.6 tot en met 7.10. 2.De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de krediethypotheekakte of in de akte van het pandrecht. PARAGRAAF 7.3 AFLOSSING LEENBIJSTAND EN KREDIETHYPOTHEEK Artikel 7.6: Aflossing leenbijstand bij verkoop of vererving 1.Als er sprake is van leenbijstand met zekerheidsstelling dan wordt, conform akte, bij verkoop of bij vererving van de woning, bij een echtpaar bij vererving na overlijden van de langstlevende, het niet afgeloste deel van de leenbijstand, direct afgelost. 2.Als er sprake is van leenbijstand zonder zekerheidsstelling dan wordt bij verkoop van de woning verzocht om aflossing van de leenbijstand ineens. Dit voor zover de opbrengst uit de woning daadwerkelijk gelijk is aan óf hoger dan de bij aanvang van de bijstand vastgestelde waarde. 3.Bij vererving van de woning, anders dan vererving aan de partner die in de bijstand begrepen is, scheldt het college het deel van de leenbijstand dat niet afgelost wordt of kan worden kwijt. Artikel 7.7: Aflossing bij beëindiging van bijstand 1.Aflossing van de leenbijstand vindt plaats gedurende ten hoogste 10 jaar na beëindiging van de bijstand. Er bestaat na 10 jaar aflossing geen maandelijkse aflossingsplicht meer. 2.De aflossing vangt aan met ingang van de maand na de maand waarin de beëindiging van de bijstand plaatsvindt.3.De aflossing vindt maandelijks plaats. Het aflossingsbedrag wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld. 4.Het staat belanghebbende vrij om na de aflossingsperiode van 10 jaar af te blijven lossen.5.Bij een aflossing van 10 jaar wordt het restant van het saldo aan leenbijstand waarbij geen sprake is van een krediethypotheek of pandrecht kwijtgescholden. 6.Is de leenbijstand in de vorm van een krediethypotheek of een pandrecht niet volledig afgelost na 10 jaar dan vindt aflossing (van het restant) plaats na verkoop of vererving. 7.Bij een inkomen, als bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geen aflossing gevraagd. 8.Bij een inkomen boven de bijstandsnorm wordt de aflossing bepaald middels een VTLB-berekening. 9.In een individuele en bijzondere situatie kan op verzoek van belanghebbende de aflossingsperiode worden opgeschort of het aflossingsbedrag lager worden vastgesteld. In die gevallen kunnen genoemde perioden langer zijn dan 10 jaar. Artikel 7.8: Rente over de leenbijstand Er wordt geen rente berekend over de leenbijstand. Artikel 7.9: Opeisbaarheid van de leenbijstand De leenbijstand is direct en zonder ingebrekestelling opeisbaar als: a.belanghebbende verwijtbaar de aflossingsverplichting van artikel 7.7 niet nakomt; of b.belanghebbende enige andere verplichting verbonden aan de leenbijstand niet nakomt; of c.(de langstlevende) belanghebbende overlijdt; of d.de woning verkocht is; of e.de woning om een andere reden niet meer door (langstlevende) belanghebbende wordt bewoond. PARAGRAAF 7.4 OVERIGE BEPALINGEN OVER LEENBIJSTAND/KREDIETHYPOTHEEK Artikel 7.10: Herleving leenbijstand na onderbreking van bijstand Als binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstand opnieuw recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend onder toepassing van de laatst gevestigde voorwaarden van de leenbijstand, de krediethypotheek en/of het pandrecht. Artikel 7.11: Jaarlijkse opgave (restant)schuld Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de hoogte van de verleende leenbijstand én bij aflossing van het openstaande saldo. HOOFDSTUK 8. UITBETALING VAN VAKANTIEGELD Artikel 8.1: Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.belanghebbende: de persoon die algemene bijstand ontvangt of de personen die algemene bijstand ontvangen. Artikel 8.2: Toepassingsbereik Dit hoofdstuk heeft betrekking op de persoon die algemene bijstand ontvangt óf de personen die algemene bijstand ontvangen. Artikel 8.3: Uitbetaling vakantiegeld 1.Het vakantiegeld wordt op basis van de wet in principe uitbetaald in de maand juni. 2.In afwijking van het eerste lid kan het college het vakantiegeld op verzoek van belanghebbende eerder uitbetalen bij bijzondere omstandigheden. Bijvoorbeeld in een situatie van: a.dreigende uithuiszetting; of b.afsluiting van energie; of c.aanmelding bij het CAK vanwege betalingsachterstand van de zorgpremie; of d.broodnood; of e.een situatie waardoor een beroep op bijzondere bijstand (in de vorm van een lening) wordt voorkomen. 3.Het vakantiegeld kan op verzoek van belanghebbende als bedoeld in lid 2 alleen uitbetaald worden als er geen sprake is van verrekening of beslag. HOOFDSTUK 9. BIJZONDERE BIJSTAND PARAGRAAF 9.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 9.1: Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. belanghebbende: de persoon die bijzondere bijstand aanvraagt, ontvangt of ontving óf de personen die bijzondere bijstand aanvragen, ontvangen of ontvingen; b. bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 sub c van de Participatiewet exclusief het vakantiegeld. Artikel 9.2: Toepassingsbereik Dit hoofdstuk ziet op aanvragen om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 lid 1 van de Participatiewet. Alleen in artikel 9.11 in het kader van vermogensvaststelling is bepaald dat de vermogensvaststelling ook geldt voor andere vormen van bijzondere bijstand en de individuele inkomenstoeslag. Artikel 9.3: Het moment van aanvragen (terugwerkende kracht) en ingangsdatum 1.De aanvraag voor bijzondere bijstand wordt ingediend vóórdat de kosten opkomen. 2.Bijzondere bijstand wordt in beginsel niet met terugwerkende kracht verleend. In deze beleidsregels wordt bijzondere bijstand met terugwerkende kracht mogelijk gemaakt. 3.Bijzondere bijstand kan worden verleend voor kosten die zijn gemaakt tot drie maanden voor de datum van melding voor bijzondere bijstand. Artikel 9.4: Vormen van bijzondere bijstand 1.Bijzondere bijstand wordt om niet verleend. 2.In afwijking van lid 1 wordt bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening als voldaan is aan het bepaalde in artikel 48 lid 2 van de Participatiewet of artikel 51 van de Participatiewet, tenzij anders bepaald in deze beleidsregels. Artikel 9.5: Terugbetaling van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening 1.Bij bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening is een afbetalingsperiode van maximaal 36 maanden van toepassing.2.De hoogte van de aflossing bedraagt bij een inkomen op bijstandsniveau: 5% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. 3.De hoogte van de aflossing bedraagt bij een inkomen boven bijstandsniveau: 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag verhoogd met 50% van het inkomen dat boven de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag uitkomt. 4.Bij de aflossing als bedoeld in lid 2 en 3 wordt rekening gehouden met de in de situatie van de belanghebbende van toepassing zijnde kostendelersnorm. 5.In afwijking van lid 2 en 3 kan het aflossingsbedrag afwijkend worden vastgesteld als de omstandigheden of (financiële) middelen van belanghebbende daartoe aanleiding geven. 6.Als 36 maanden is afgelost op de bijzondere bijstand, wordt het restant kwijtgescholden. Artikel 9.6: Drempelbedrag Het college hanteert geen drempelbedrag (per jaar) voor het aanvragen van bijzondere bijstand. Artikel 9.7: Medisch advies voor het vaststellen van de noodzaak 1.Bij een aanvraag voor bijzondere bijstand voor medische kosten kan een medisch advies gevraagd worden, als: a.er geen sprake is van een voorliggende voorziening; en b.niet duidelijk is of de kosten medisch noodzakelijk zijn. 2.Het college bepaalt of het nodig is om een medisch advies in te winnen om de noodzaak van de kosten vast te stellen.3.Als het college een medisch advies noodzakelijk acht, komen de kosten daarvan voor rekening van het college. PARAGRAAF 9.2 DRAAGKRACHT BIJZONDERE BIJSTAND Artikel 9.8: Vaststellen en toepassen van de draagkracht 1.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld als het verschil tussen de noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en de draagkracht.2.De draagkracht bestaat uit twee componenten: draagkracht uit inkomen en draagkracht uit vermogen.3.De draagkrachtperiode is de periode waarover wordt vastgesteld welk bedrag de belanghebbende kan bijdragen aan de kosten vanuit inkomen en/of vermogen. De draagkrachtperiode bedraagt 12 maanden.4.De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de kosten ontstaan.5.Het college kan in uitzonderingsgevallen de draagkrachtperiode verkorten wanneer dit noodzakelijk is gelet op de duur van de kosten binnen een kalenderjaar. In dat geval wordt de draagkracht berekend over de periode vanaf het ontstaan van de kosten tot en met het einde van dat kalenderjaar.6.Bij incidentele kosten wordt de volledige draagkracht voor de draagkrachtperiode in één keer in aftrek gebracht op de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd.7.Bij periodieke kosten van bijzondere bijstand valt de draagkrachtperiode samen met de toekenningsperiode van de bijzondere bijstand.8.Bij periodieke kosten wordt de draagkracht omgerekend naar een maandbedrag. Deze maanddraagkracht wordt in aftrek gebracht op de maandelijkse kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd.9.Als een aanvraag zowel incidentele als periodieke kosten betreft, wordt de draagkracht eerst in aftrek gebracht op de incidentele kosten en daarna op de periodieke kosten.10.Tijdens een lopende draagkrachtperiode wordt de vastgestelde draagkracht niet herzien als een nieuwe aanvraag wordt ingediend of zich een wijziging in het inkomen of vermogen voordoet en dit leidt tot een toename van de (jaar)draagkracht van€ 300 of minder.11.Als een nieuwe aanvraag wordt ingediend of zich een wijziging in het inkomen of vermogen voordoet en dit leidt tot een toename van de (jaar)draagkracht van meer dan € 300, wordt de eerder vastgestelde draagkracht herzien. De herziening gaat in op de eerste dag van de maand waarin de wijziging is opgetreden dan wel demaand waarin recht op bijzondere bijstand ontstaat.12.Een aanspraak op de individuele inkomenstoeslag wordt bij de berekening van de draagkracht buiten beschouwing gelaten. Artikel 9.9: Vaststellen van het inkomen 1.Voor de vaststelling van het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen houdt het college rekening met de middelen als bedoeld in artikel 31 en het inkomensbegrip van de artikelen 32 en 33 van de Participatiewet waarbij het vakantiegeld, een eindejaarsuitkering, individueel keuzebudget en de uitbetaling van vakantiedagen niet tot het inkomen wordt gerekend.2.Als belanghebbende een wisselend inkomen heeft dan wordt het gemiddelde inkomen over drie maanden voorafgaande aan de maand van de aanvraag gebruikt voor de vaststelling van het inkomen.3.Het inkomen uit een AOW-uitkering wordt gelijkgesteld met de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Aanvullend inkomen naast AOW-uitkering wordt meegenomen in de berekening van de draagkracht. 4.Het inkomen van de belanghebbende die geen (aanvullende) uitkering ontvangt wordt vastgesteld op basis van de inkomensspecificatie(s) van de maand voorafgaande aan de maand waarin de kosten opkomen. 5.In afwijking van lid 1 geldt dat als bij belanghebbende sprake is van een minnelijk schuldentraject of een wettelijk schuldentraject er rekening wordt gehouden met het inkomen waarover daadwerkelijk kan worden beschikt. Dit geldt ook voor de belanghebbende met een saneringskrediet. 6.In afwijking van lid 1 geldt dat het deel van het inkomen waarop beslag ligt én het boetedeel in het kader van de Regeling betalingsachterstand zorgpremie niet tot het inkomen wordt gerekend. Artikel 9.10: Draagkracht uit inkomen 1.De draagkracht uit het inkomen bedraagt 35% van het inkomen boven de bijstandsnorm. 2.Bij de bepaling van de draagkracht wordt niet gerekend met de kostendelersnorm als bijstandsnorm. In die gevallen geldt de bijstandsnorm als ware er geen kostendelende medebewoner.3.Bij het berekenen van de draagkracht wordt de eigen bijdrage voor kinderopvang van het inkomen afgetrokken als belanghebbende daadwerkelijk: •gebruik maakt van kinderopvang voor één of meer kinderen; én •hiervoor een eigen bijdrage betaalt; en •de eigen bijdrage niet op een andere manier vergoed wordt. 4.Als er voor bepaalde kosten gerekend wordt met een afwijkende draagkracht dan wordt dit elders in de beleidsregels expliciet vermeld. Artikel 9.11: Vermogen en draagkracht 1.De draagkracht uit het vermogen bedraagt 100% van het vermogen boven de voor belanghebbende van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet.2.Voor de vaststelling van het vermogen wordt aangesloten bij de bepalingen in de Participatiewet en de bepalingen daarover in paragraaf 4 van hoofdstuk 4 van deze beleidsregels, tenzij anders bepaald. 3.In aanvulling hierop geldt dat aanwezig vermogen in de eigen door belanghebbende zelf bewoonde woning niet meetelt in de berekening van (de draagkracht in) het vermogen.4.Het bepaalde in lid 2 én 3 van dit artikel geldt ook bij de beoordeling van het vermogen in het kader van categoriale bijzondere bijstand, de individuele inkomenstoeslag en de minimaregelingen. Artikel 9.12: Kosten waarvoor de draagkracht anders wordt vastgesteld 1.Voor de bijzondere bijstand voor de kosten als genoemd in de artikelen 9.14 en 9.15 geldt dat al het inkomen boven de bijstandsnorm geldt als draagkracht. Dit betekent dat de belanghebbende met een inkomen boven 100% van genoemde bijstandsnorm het volledige bedrag daarboven moet gebruiken om deze kosten te betalen. 2.Voor de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen van artikel 9.18 lid 1 en 4 geldt dat er geen draagkracht is bij een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm. Bij een inkomen dat hoger is dan 120% van de bijstandsnorm geldt dat 35% daarvan wordt meegenomen als draagkracht. PARAGRAAF 9.3 MEDISCHE KOSTEN Artikel 9.13: Bijzondere bijstand voor medische kosten 1.Kosten die niet onder de basisverzekering vallen, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Uitzonderingen hierop zijn als er zeer dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet óf wanneer op basis van de Zorgkostenregeling bepaald is dat een gedeeltelijke vergoeding mogelijk is.2.De Zorgkostenregeling is - voor zover de kosten daaruit daadwerkelijk (deels) vergoed worden - voorliggend op de bijzondere bijstand als bedoeld in dit hoofdstuk. 3.Bijzondere bijstand is mogelijk voor geïndiceerde meerkosten door ziekte. Voor de bepaling van de medische noodzaak van deze kosten ligt een medisch advies ten grondslag. 4.Bij meerkosten kan worden gedacht aan meerkosten van voeding, door extra slijtage van kleding, extra beddengoed bij incontinentie, hogere stookkosten of kosten van speciale diëten en maaltijden. 5.De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in lid 3 wordt gebaseerd op de meest actuele en geïndexeerde lijst van de Gemeenschappelijk Medische Dienst (GMD-lijst) of de prijzen uit de Nibud-prijzengids.6.Voor de meerkosten van warme maaltijden geldt een vergoeding van de feitelijke kosten onder aftrek van de kosten van een warme maaltijd op basis van de Nibud-prijzengids. PARAGRAAF 9.4 WOONKOSTEN Artikel 9.14: Kosten huur woning 1.Als een beroep op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag (WHT) als voorliggende voorziening niet mogelijk of toereikend is, kan bijzondere bijstand worden verleend voor de huurkosten. Dit is alleen het geval als: a.de Dienst Toeslagen van de Belastingdienst nog geen beslissing heeft genomen over het recht op de huurtoeslag; of b.als er sprake is van een plotselinge, onvoorziene daling van het inkomen van belanghebbende én belanghebbende gelet op de hoogte van de huurprijs de huurkosten redelijkerwijs niet kan voldoen. 2.Als de huurkosten lager zijn dan de aftoppingsgrens van de WHT is de maximale hoogte van de bijzondere bijstand gelijk aan de berekende huurtoeslag. 3.Als de huurkosten hoger zijn dan de aftoppingsgrens van de WHT is de maximale hoogte van de bijzondere bijstand gelijk aan de berekende huurtoeslag vermeerderd met de huurkosten boven de aftoppingsgrens.4.In afwijking van lid 3 geldt dat als feitelijk huurtoeslag wordt verkregen de maximale bijzondere bijstand gelijk is aan de huurkosten boven de aftoppingsgrens. 5.Als de huurprijs hoger is dan de aftoppingsgrens van de WHT wordt aan belanghebbende een plicht opgelegd om te zoeken naar goedkopere woonruimte, waarvoor belanghebbende huurtoeslag kan krijgen of waardoor belanghebbende anderszins niet meer aangewezen is op bijzondere bijstand. Hierbij wordt van belanghebbende in elk geval verwacht dat hij: a.ingeschreven staat als woningzoekende; b.consequent en adequaat reageert op aangeboden goedkopere huisvesting, ongeacht de aard of de ligging van de woning. 6.De duur van de verstrekking van bijzondere bijstand voor de huurkosten met een huurprijs hoger dan de aftoppingsgrens is maximaal één jaar. Als belanghebbende niet kan worden verweten dat er geen goedkopere woonruimte gevonden is, kan opnieuw bijzondere bijstand worden verleend. 7.In het geval een belanghebbende alsnog huurtoeslag ontvangt over een periode waarvoor bijzondere bijstand is verleend, kan het college (een deel van) de bijzondere bijstand terugvorderen. Artikel 9.15: Kosten eigen woning 1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eigen woning, voor zover deze door belanghebbende zelf wordt bewoond.2.De hoogte van de kosten van de eigen woning wordt berekend op basis van de volgende kosten: a.De rente die verband houdt met de woning, zoals de hypotheekrente. De hypotheekrente voor leningen anders dan de woning, bijvoorbeeld een auto, krediet, én de aflossing van de hypotheek worden niet meegerekend; en b.zakelijke lasten in verband met de eigen woning, zoals rioolrechten, eigenaarsdeel onroerendzaakbelasting (OZB, maar niet het gebruikersdeel), eigenaarsdeel waterschapslasten, erfpachtcanon, premie van de opstalverzekering van de eigen woning. 3.Voor de bepaling van de hoogte van de maximale bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de rekenmethodiek van de Wet op de huurtoeslag (WHT), waarbij de kosten eigen woning als bedoeld in lid 2 wordt gelezen als ‘huurprijs’. 4.Als de totale kosten van de eigen woning als bedoeld in lid 2 lager zijn dan de aftoppingsgrens van de WHT is de maximale hoogte van de bijzondere bijstand gelijk aan de berekende huurtoeslag. 5.Als de totale kosten van de eigen woning als bedoeld in lid 2 hoger zijn dan de aftoppingsgrens van de WHT is de maximale hoogte van de bijzondere bijstand gelijk aan de berekende huurtoeslag vermeerderd met de kosten boven de aftoppingsgrens.6.Als genoemde kosten hoger zijn dan de aftoppingsgrens van de WHT wordt aan belanghebbende een plicht opgelegd om te zoeken naar goedkopere woonruimte, waarvoor belanghebbende huurtoeslag kan krijgen óf waardoor belanghebbende anderszins niet meer aangewezen is op bijzondere bijstand. Hierbij wordt van belanghebbende in elk geval verwacht dat hij: a.ingeschreven staat als woningzoekende; b.consequent en adequaat reageert op aangeboden goedkopere huisvesting, ongeacht de aard of de ligging van de woning. 7.De duur van de verstrekking van bijzondere bijstand voor kosten van de eigen woning met een ‘huurprijs’ hoger dan de aftoppingsgrens is maximaal één jaar. Als belanghebbende niet kan worden verweten dat er geen goedkopere woonruimte gevonden is, kan opnieuw bijzondere bijstand worden verleend. Artikel 9.16: Kosten voor woninginrichting 1.Een belanghebbende behorende tot de doelgroep als hieronder beschreven kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor woninginrichting, zonder dat wordt gekeken naar de reserveringsruimte over het verleden. Het gaat dan om: a.statushouders; b.(voormalig) dak- en thuislozen; of c.een persoon uit een crisissituatie of -opvang. 2.Onder crisissituatie wordt in dit artikel verstaan: omstandigheden van buitenaf waardoor belanghebbende (en zijn gezin) de vertrouwde woonsituatie heeft moeten verlaten, een beroep moet doen op de bijzondere bijstand en redelijkerwijs geen of onvoldoende gelegenheid had om te reserveren. 3.Bijzondere bijstand wordt in deze gevallen verstrekt in de vorm van een geldlening.4.Het maximumbedrag van de bijzondere bijstand voor de woninginrichting is gelijk aan het bedrag van de inboedelpakketten uit de Nibud-prijzengids. De hoogte van de bijzondere bijstand is afhankelijk van de situatie van één of twee volwassenen in het gezin én het aantal inwonende kinderen. Het gaat in de Nibud-prijzengids om gezinssituaties tot vier kinderen. 5.Voor elk kind boven het vierde wordt 50% van het verschil tussen de inboedelbedragen voor een huishouden met drie respectievelijk vier kinderen, zoals opgenomen in de Nibudtabel voor inboedelpakketten, toegevoegd aan het toepasselijke bedrag voor de bijzondere bijstand. 6.Het college maakt het bedrag van de bijzondere bijstand ineens over, tenzij er redenen zijn om hiervan af te wijken. 7.In de verleningsbeschikking wordt opgenomen dat belanghebbende de betaalbewijzen, kwitanties en facturen in elk geval een half jaar bewaart, zodat het college de besteding kan nagaan. Artikel 9.17: Kosten eerste en tweede maandhuur 1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eerste (gebroken) maandhuur en de tweede maandhuur én de administratiekosten bij de start van een huurcontract voor de belanghebbende die behoort tot de doelgroep als genoemd in het vorige artikel. 2.Bij de tweede maandhuur wordt rekening gehouden met het recht op huurtoeslag. Het bedrag van de huurtoeslag wordt afgetrokken van de maandhuur alvorens over te gaan tot verstrekking van bijzondere bijstand. PARAGRAAF 9.5 SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR DIVERSE KOSTENSOORTEN Artikel 9.18: Specifieke bepalingen voor bepaalde duurzame gebruiksgoederen 1.Bijzondere bijstand voor de aanschaf van een laptop of tablet is mogelijk als dit noodzakelijk is. 2.De bijzondere bijstand voor een laptop of tablet, als bedoeld in lid 1, wordt verstrekt: a.als er geen andere voorliggende voorziening is, waarop feitelijk een beroep kan worden gedaan en die leidt tot een verstrekking van een laptop of tablet; b.in de vorm van een geldlening; c.kan slechts één keer in de vier jaar worden verstrekt per bijstandseenheid. 3.De aflossing wordt gesteld op 5% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld én de aflossingsperiode is maximaal 36 maanden. Als door een beslag of verrekening aflossing op de bijzondere bijstand (tijdelijk) niet wenselijk is, geldt dat de aflossing op deze bijzondere bijstand (tijdelijk) wordt opgeschort. Na 36 maanden wordt het restant van de dan nog openstaande lening (altijd) kwijtgescholden. 4.Voor de hieronder genoemde duurzame gebruiksgoederen geldt dat bijzondere bijstand om niet wordt verstrekt als vervanging noodzakelijk is. Het gaat dan om: a.een wasmachine; of b.een koel-vriescombinatie; of c.een kooktoestel; of d.een stofzuiger; of e.een bed en/of matras. 5.Het college beoordeelt of een verklaring van een witgoedreparateur vereist is in het geval van het verzoek tot vervanging van witgoed als bedoeld in het vierde lid. Uit de verklaring moet blijken dat reparatie niet mogelijk is of dat de noodzaak van vervanging voortvloeit uit specifieke omstandigheden. 6.Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het college ook zonder verklaring van een witgoedreparateur besluiten dat vervanging noodzakelijk is. Hiervan kan sprake zijn als het gaat om een oud, niet energiezuinig, gebruiksgoed of met ernstige slijtage of defecten, zodat al duidelijk is dat repareren geen reële optie is. 7.Eventuele kosten van montage en bezorging van de gebruiksgoederen als bedoeld in lid 4 komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. 8.Onverminderd het bepaalde in artikel 35 lid 1 van de Participatiewet is op basis van dit artikel slechts éenmaal per jaar bijzondere bijstand mogelijk voor één gebruiksgoed, als genoemd in lid 4. 9.Onverminderd het bepaalde in artikel 35 lid 1 van de Participatiewet is bijzondere bijstand voor het gebruiksgoed als genoemd in lid 4 niet mogelijk als er nog geen zeven jaren zijn verstreken sinds een vorige verstrekking vanuit de bijzondere bijstand voor hetzelfde gebruiksgoed. 10.De bijzondere bijstand voor de duurzame gebruiksgoederen bedraagt maximaal het betreffende normbedrag zoals genoemd in de Nibud-prijzengids. 11.Het bepaalde in artikel 9.3 lid 2 van deze beleidsregels geldt niet voor alle in dit artikel genoemde duurzame gebruiksgoederen. Belanghebbende levert bij de aanvraag een offerte in van een winkel voor het gebruiksgoed dat hij wil gaan aanschaffen. Een reeds aangeschaft gebruiksgoed komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. 12.Bij een toekenning wordt in de verleningsbeschikking, zo nodig, opgenomen dat belanghebbende een kopie van het betaalbewijs en/of de factuur inlevert ter controle op de besteding. Artikel 9.19: Reiskosten 1.Bijzondere bijstand is mogelijk voor noodzakelijke reiskosten die niet via andere regelingen of verzekeringen worden vergoed en die voortkomen uit een extra vervoersbehoefte door bijzondere omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan reiskosten voor: •het bezoeken van een (medisch) specialist, mits dit meer is dan één keer per drie maanden; •het bezoeken van het UWV op basis van een (aangevraagde) uitkering bij het UWV; •het bezoeken van een ziek familielid in het ziekenhuis; •het bezoeken van een familielid die in detentie verblijft; •het bezoeken van een kind door de ouder(s) vanwege het verblijf van het kind op een andere plaats dan thuis door een (uithuis)plaatsing in een instelling of in een pleeggezin. 2.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor parkeerkosten voor zover deze noodzakelijk zijn met betrekking tot de reizen bedoeld in het eerste lid.3.De hoogte van de bijzondere bijstand voor reiskosten wordt gebaseerd op het goedkoopste tarief voor het openbaar vervoer. Als openbaar vervoer geen reële optie is, wordt uitgegaan van de maximale onbelaste kilometervergoeding van eigen vervoer, zoals gehanteerd door de Belastingdienst in het kader van woon-werkverkeer. 4.Voor de reiskosten voor minderjarige schoolgaande kinderen binnen het voortgezet onderwijs geldt dat de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) niet voorziet in een vergoeding voor reiskosten. Bijzondere bijstand is dan mogelijk als: a.de reisafstand per fiets meer dan 15 kilometer enkele reis bedraagt; of b.de reisafstand minder is dan 15 kilometer, maar fietsen vanwege een beperking of veiligheidsredenen niet verantwoord is; en c.de school de dichtstbijzijnde passende school is, met respect voor de vrijheid van onderwijs. 5.De kosten van een fiets zijn aan te merken als algemeen noodzakelijke kosten. In individuele gevallen kan bijstand in de vorm van een geldlening worden verstrekt voor deze kosten. Voor de aflossing geldt het bepaalde in artikel 9.5 van deze beleidsregels. 6.Als er een omgangsregeling is waarbij een kind tussen beide ouders reist, komen de kosten hiervan normaal gesproken voor rekening van de ouder bij wie het kind woont (de verzorgende ouder). Een belanghebbende als niet-verzorgende ouder kan om die reden geen bijzondere bijstand ontvangen voor de reiskosten die hij in het kader van de omgangsregeling maakt. Artikel 9.20: Kosten beschermingsbewind, mentorschap, curatele en budgetbeheer 1.Als de kantonrechter besluit tot beschermingsbewind, mentorschap, een combinatie hiervan of curatele komen de kosten daarvan in aanmerking voor bijzondere bijstand. De noodzaak van de kosten staat vast door de beslissing van de kantonrechter. 2.Bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de hoogte van de kosten, zoals opgenomen in de beslissing van de kantonrechter. 3.Als belanghebbende een algemene bijstandsuitkering ontvangt wordt de bijzondere bijstand voor onbepaalde tijd toegekend, voor zover het gaat om de kosten van de jaarbeloning en de extra bankkosten. Bij beëindiging van de algemene bijstandsuitkering wordt het recht op de bijzondere bijstand opnieuw beoordeeld. 4.Voor de kosten van bewind in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Deze kosten worden door de Wsnp-bewindvoerder voldaan uit het vermogen van de belanghebbende. 5.Voor de kosten van budgetbeheer bestaat geen recht op bijzondere bijstand. Artikel 9.21: Overbruggingsuitkering 1.Als een belanghebbende tijdens een aanvraag om algemene bijstand of een wijziging daarin een periode moet overbruggen tot de eerste volledige betaling van de algemene bijstand, wordt de bijzondere bijstand als belanghebbende geen geld heeft om voornoemde periode te overbruggen verleend om niet, tenzij er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt berekend aan de hand van de ingangsdatum of wijzigingsdatum van de uitkering tot de datum van de eerstvolgende maandbetaling. Dit aan de hand van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld. Artikel 9.22: Uitvaartkosten 1.Bijzondere bijstand voor de kosten van een uitvaart is mogelijk voor de belanghebbende die erfgenaam is van de overledene als de kosten niet kunnen worden voldaan uit de uitvaart-, levens- en/of ongevallenverzekering of de nalatenschap van de overledene én belanghebbende (of zijn gezinsleden) niet voldoende middelen heeft om zijn aandeel in deze kosten te voldoen.2.Er wordt een vast bedrag gehanteerd voor de vergoeding van de kosten voor een begrafenis of crematie, ongeacht de werkelijke kosten. Dit om de nabestaanden de vrijheid te geven om de uitvaart naar eigen wens in te richten binnen het vastgestelde bedrag.3.Het vaste bedrag als bedoeld in lid 2 is € 5.000 voor een begrafenis en € 3.200 voor een crematie.4.Als er meer erfgenamen zijn, worden de kosten geacht verdeeld te worden over alle erfgenamen. Belanghebbende kan alleen bijzondere bijstand krijgen voor het deel van de kosten dat voor zijn rekening komt, binnen het vastgestelde bedrag. Artikel 9.23: Kosten eigen bijdrage rechtsbijstand en het griffierecht 1.Voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht is bijzondere bijstand mogelijk. 2.De noodzaak voor bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand is aangetoond wanneer er een toevoeging is afgegeven door de Raad voor Rechtsbijstand. De kosten ontstaan op de dag dat de rechtsbijstandsverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand ontvangt waarin de aangevraagde toevoeging wordt gegeven.3.De kosten van het griffierecht ontstaan op de datum: a.waarop de belanghebbende het beroepschrift indient bij de bestuursrechter; b.waarop een belanghebbende het verzoekschrift of de vordering indient bij de rechter in civiele procedures; c.als belanghebbende de verweerder is en hij als verweerder de griffierechten moet betalen, wordt de datum van indiening van het verweerschrift als uitgangspunt genomen. 4.Als de rechter in een procedure de wederpartij tot betaling van de proceskosten heeft veroordeeld, kan het college de aan belanghebbende verleende bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand van belanghebbende terugvorderen. Artikel 9.24: Kosten voor verlenging van een verblijfsvergunning 1.Bijzondere bijstand is mogelijk voor de meerkosten van het verlengen van een verblijfsvergunning.2.Onder meerkosten wordt verstaan: de kosten verbonden aan de verlenging van de verblijfsvergunning onder aftrek van de kosten voor een identiteitskaart. 3.Reiskosten die verbonden zijn aan het ophalen van voornoemde vergunning komen ook voor bijzondere bijstand in aanmerking. HOOFDSTUK 10. VERHAAL Artikel 10.1: Geen verhaal 1.Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen. 2.Het college maakt wel gebruik van haar bevoegdheid om een persoon die bijstand gaat ontvangen óf ontvangt via een besluit de verplichting op te leggen om partner- of kinderalimentatie op te eisen. HOOFDSTUK 11. OPSCHORTEN, HERZIEN, TERUG- EN INVORDEREN BIJSTAND, IOAW EN IOAZ PARAGRAAF 11.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 11.1: Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.belanghebbende: de persoon die een uitkering ontvangt/ontving of de personen die een uitkering ontvangen/ontvingen of een verzwegen partner; b.bruteren: het verhogen van de netto vordering met de verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen, zoals bedoeld in artikel 58 lid 5 van de Participatiewet en/of artikel 25 lid 5 van de IOAW of de IOAZ. c.dringende reden: een reden om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering, zoals bedoeld in artikel 58 lid 8 van de Participatiewet en/of artikel 25 lid 7 van de IOAW of de IOAZ. d.herzien of intrekken: het deels of volledig wijzigen van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 54 lid 3 van de Participatiewet en/of artikel 17 lid 3 van de IOAW of de IOAZ. e.inlichtingenplicht: de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1 van de Participatiewet en/of artikel 13 lid 1 van de IOAW of de IOAZ. f.opschorten: het tijdelijk geen recht op uitkering hebben door een situatie als bedoeld in artikel 54 lid 1 van de Participatiewet en/of artikel 17 lid 1 van de IOAW of de IOAZ; g.terugvorderen: het terugvorderen van ten onrechte verleende uitkering, zoals bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de Participatiewet of de artikelen 25 en 26 van de IOAW of de IOAZ. h.verzwegen partner: de persoon als bedoeld in artikel 59 lid 2 van de Participatiewet en/of artikel 26 lid 2 van de IOAW of de IOAZ. Artikel 11.2: Toepassingsbereik Dit hoofdstuk heeft betrekking op personen die bijstand ontvangen of ontvingen én personen die een IOAW- of een IOAZ-uitkering ontvangen of ontvingen. Daarnaast kan het gaan om een verzwegen partner van wie uitkering wordt teruggevorderd. Artikel 11.3: Bevoegdheden 1.Het college maakt gebruik van de volgende bevoegdheden: a.het opschorten van het recht op uitkering; b.het herzien of intrekken van het recht op uitkering als en voor zover er teveel of ten onrechte uitkering is verleend; c.het terugvorderen van teveel of ten onrechte verstrekte uitkering; d.het bruteren van de vordering als deze betrekking heeft op een vorig kalenderjaar; e.het verrekenen van middelen, als bedoeld in artikel 58 vierde lid van de Participatiewet of artikel 25 vierde lid van de IOAW of de IOAZ. f.het deels of volledig afzien van terugvordering vanwege een dringende reden; g.het kwijtschelden van een (deels) openstaande vordering. PARAGRAAF 11.2 DEELS OF VOLLEDIG AFZIEN VAN BEVOEGDHEDEN Artikel 11.4: Afzien van herzien, terugvorderen en/of bruteren 1.In afwijking van artikel 11.3 lid 1 aanhef en onder b. en c. besluit het college af te zien van het herzien of intrekken en terugvorderen van de uitkering als het college niet snel genoeg reageert op een signaal (pas ná 6 maanden) en het college kon weten dat er teveel of ten onrechte uitkering aan belanghebbende werd verstrekt. 2.Onder een signaal als genoemd in lid 1 wordt verstaan: relevante informatie van de belanghebbende waaruit het college kan afleiden dat er sprake is van ten onrechte of teveel uitbetaalde uitkering. 3.Ook informatie van derden of van belanghebbende zelf over zijn persoonlijke situatie kan aanleiding geven tot het (deels) afzien van intrekken, herzien of terugvorderen van uitkering.4.Het afzien van herzien, intrekken of terugvorderen van de uitkering is niet mogelijk bij schending van de inlichtingenplicht door belanghebbende. Dringende redenen kunnen wel leiden tot een lagere of geen terugvordering van de uitkering. 5.Het college ziet af van terugvordering van de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting bij de belanghebbende die een bijstandsuitkering ontving.6.Het college ziet af van het bruteren van een vordering in de situatie(s) dat belanghebbende volledig voldeed aan de inlichtingenplicht.7.Als een besluit met een terugvordering als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht wordt verstuurd binnen zes weken voorafgaande aan het einde van het kalenderjaar dan geldt dat het openstaande nettobedrag van de vordering over het huidige kalenderjaar pas na 31 december van het kalenderjaar daarna wordt gebruteerd. Artikel 11.5: Niet invorderen bij kruimelbedrag 1.Het college int een bedrag aan uitkering dat – na eventuele verrekening(en) - lager is dan € 150 niet. 2.Bovenstaande geldt niet voor een vordering die is ontstaan als gevolg van het niet (volledig) nakomen van de inlichtingenplicht. PARAGRAAF 11.3 TERUGBETALING EN UITSTEL VAN BETALING Artikel 11.6: Terugbetaling wanneer belanghebbende een uitkering ontvangt 1.Als belanghebbende een uitkering ontvangt, verrekent het college de vordering maandelijks met het vakantiegeld. De hoogte van de terugbetaling is gelijk aan 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand.2.Als er sprake is van een inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 van de Participatiewet en er is sprake van beslag door een derde dan wordt maximaal verrekend op de vordering. De verrekening kan hierdoor hoger zijn dan 5% van de bijstandsnorm. Artikel 11.7: Terugbetaling wanneer belanghebbende geen uitkering ontvangt 1.Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering als de belanghebbende geen uitkering (meer) ontvangt. Het college stelt daarbij een betalingstermijn van zes weken. Dit in lijn met artikel 4:87 van de Awb.2.In afwijking van lid 1 kan het college bepalen dat de maandelijkse aflossingscapaciteit ongewijzigd blijft voor de duur van zes maanden na beëindiging of intrekking van de uitkering als belanghebbende al maandelijks afloste tijdens de periode van de uitkering op een bestaande vordering. 3.Het college geeft in elk geval in het besluit tot terugvordering de mogelijkheid om een (andere) betalingsregeling te treffen. 4.De betalingsverplichting is nooit hoger dan het bedrag waarop beslag kan worden gelegd. 5.Bij een inkomen op bijstandsniveau stelt het college in beginsel de maandelijkse terugbetalingsverplichting vast op 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 6.Bij een inkomen hoger dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm stelt het college de maandelijkse terugbetalingsverplichting vast op 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm verhoogd met 50% van het inkomen boven deze bijstandsnorm. Het vakantiegeld en andere bijzondere betalingen blijven buiten beschouwing in deze berekening.7.Het college stemt in afwijking van lid 5 en 6 altijd in met een betalingsvoorstel van een belanghebbende voor een lagere maandelijkse betaling als de vordering binnen 36 maanden kan worden afgelost met een betaling van minimaal € 25 per maand. 8.In afwijking van het bepaalde hierboven kan op basis van de individuele situatie van de belanghebbende gekomen worden tot een afwijkende betalingsverplichting. 9.Als belanghebbende na een periode zonder uitkering weer een uitkering ontvangt, geldt het bepaalde in artikel 11.6. Een eventueel getroffen betalingsregeling komt dan te vervallen. Artikel 11.8: Uitstel van betaling of uitstel tijdens een betalingsregeling 1.Het college verleent uitstel van betaling of in de nakoming van een afgesproken betalingsregeling als er sprake is van bijzondere onvoorziene omstandigheden. Het is aan belanghebbende om daartoe een verzoek in te dienen. Van belanghebbende wordt verwacht dat dit verzoek voorzien wordt van relevante bewijsstukken, bijvoorbeeld de huidige financiële gegevens. 2.Het college kan uitstel verlenen als duidelijk is dat belanghebbende een schuldenregeling wil aangaan. De voorwaarden daarvoor staan in dit artikel en artikel 11.12 van deze beleidsregels. 3.De duur van het uitstel is maximaal 16 maanden. Het college verlangt van de belanghebbende dat hij zo spoedig mogelijk werkt aan een oplossing waardoor aflossing op de (restant) vordering weer mogelijk wordt.4.Het college doet ook zelf heronderzoek naar de mogelijkheden om alsnog te komen tot betaling van de vordering of een betalingsregeling. 5.Het college kan ambtshalve overgaan tot uitstel van betaling of nakoming van de betalingsregeling als bij het college bekend is dat er omstandigheden zijn bij de belanghebbende waardoor nakoming hiervan tijdelijk niet mogelijk of wenselijk is. 6.Het college kan voor de periode waarin sprake is van een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de (hoogte van de) vordering uitstel verlenen van de betalingsverplichting. Artikel 11.9: Intrekken van uitstel van betaling of van uitstel in een betalingsregeling Als de bijzondere onvoorziene omstandigheden van het vorige artikel zijn verdwenen, wordt opnieuw de invordering gestart. Het college geeft opnieuw een termijn tot terugbetaling van 6 weken als omschreven in artikel 11.7 lid 1 van deze beleidsregels én daarna, zo nodig, de procedure van aanmaning en beslag. Dit zoals hieronder omschreven. PARAGRAAF 11.4 PROCEDURE BIJ AANMANING, INVORDERING EN KWIJTSCHELDING Artikel 11.10: Aanmaning, (vereenvoudigd) beslag, inschakeling deurwaarder en kosten 1.Als wordt overgegaan tot aanmaning dan wordt de vordering verhoogd met de aanmaningskosten. Dit op grond van artikel 4:113 van de Awb.2.Het college kan overgaan tot vereenvoudigd derdenbeslag. Dit op grond van artikel 60 van de Participatiewet en/of artikel 28 van de IOAW of de IOAZ. Het college brengt hiervoor kosten in rekening. De hoogte hiervan is gelijk aan de minimale vergoeding op basis van artikel 2 lid 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Verdere (incasso)kosten en de kosten van wettelijke rente worden niet in rekening gebracht.3.Bij een overdracht van een vordering aan de deurwaarder, omdat blijkt dat betaling na aanmaning(en) óf vereenvoudigd beslag achterwege blijft, worden verdere kosten van rente en andere kosten wél in rekening gebracht bij belanghebbende. Dit volgens de door deurwaarders gestelde regels. Artikel 11.11: Volledig of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering (kwijtschelding) 1.Het college besluit van verdere terugvordering (invordering) af te zien als de belanghebbende aan wie ten onrechte of teveel uitkering is verstrekt als gevolg van schending van de inlichtingenplicht: a.gedurende 10 jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; b.gedurende 10 jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag, en indien van toepassing zijnde verschuldigde wettelijke rente en andere op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; c.gedurende 10 jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment nog zal gaan verrichten; of d.een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost. 2.De termijn als bedoeld in het vorige lid bedraagt 5 jaar als het gaat om een vordering die niet voortkomt uit het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Dit is het geval in de situatie dat belanghebbende volledig voldeed aan de inlichtingenplicht, maar er toch een terugvordering ontstond.3.Dit artikel is niet van toepassing bij de restsom van een vordering die gedekt is door pand of hypotheek. Artikel 11.12 Meewerken aan en kwijtschelden bij een schuldregeling 1.Het college werkt mee aan een schuldregeling en scheldt het restant van een vordering kwijt als: a.het college verwacht dat de inwoner zijn problematische schulden niet kan aflossen; en b.zonder de medewerking van het college een schuldregeling niet tot stand komt; en c.de vordering van de gemeente volgens dezelfde verdeelsleutel wordt betaald als andere vorderingen van gelijke rang. 2.Het college legt de medewerking vast in een besluit aan de belanghebbende.3.Het college werkt niet mee aan een schuldregeling als de vordering: a.is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld overtreden van de inlichtingenplicht, zoals beschreven in artikel 60c van de Participatiewet en artikel 29a van de IOAW en IOAZ; of b.de vordering van de gemeente volledig is gedekt door pand of hypotheek. 4.In afwijking van het bepaalde onder lid 3 aanhef en onder b geldt dat als de kosten niet volledig verhaald kunnen worden via het pand- of hypotheekrecht, het college wel meewerkt aan de totstandkoming van een schuldregeling. 5.Het college trekt het besluit om medewerking aan een schuldregeling te bieden in, als: a.niet binnen 12 maanden nadat het besluit genomen is een schuldregeling tot stand komt, die voldoet aan de eisen als bedoeld in het eerste lid; of b.belanghebbende de verplichtingen van de schuldregeling niet correct nakomt én dit leidt tot beëindiging van (de totstandkoming van) de schuldregeling; of c.belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie gaf bij de totstandkoming van de schuldregeling. En het college anders zou hebben besloten op basis van juiste of volledige informatie van belanghebbende. 6.Het college kan uitstel verlenen van op een terugbetalingsverplichting als dit nodig is voor de totstandkoming van de schuldregeling. De duur van het uitstel is maximaal 16 maanden, overeenkomstig het bepaalde hierover in artikel 11.8 lid 3 van deze beleidsregels. HOOFDSTUK 12 OVERIGE BEPALINGEN Artikel 12.1: Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Artikel 12.2: Inwerkingtreding en intrekking oude beleidsregels 1.Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie.2.Dit besluit heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2026.3.De hierna genoemde beleidsregels worden ingetrokken op de datum van de inwerkingtreding van deze beleidsregels: a.Uitvoeringsbeleid algemene bijstand (inkomensdeel) van oktober 2006; b.Beleid over gevolgen voor de bijstand bij kopen van een woonwagen; c.Beleidsregel bijzondere bijstand kosten verlengen verblijfsvergunning; d.Beleid inkomensondersteuning van januari 2013; e.Beleidsregels ontbreken van woonlasten; f.Beleidsregel woninginrichting statushouders; g.Beleidsregels marginaal zelfstandigen; h.Beleidsregels taaleis Participatiewet 2016; i.Terugvorderingsbeleid Midden-Drenthe 2016; j.Beleidsregels vrijlating giften Participatiewet gemeente Midden-Drenthe 2022. 4.Artikel 5.8 van deze beleidsregels vervalt op 1 januari 2027. Artikel 12.3: Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels rechtmatigheid Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Drenthe 2026. Aldus vastgesteld op 25 augustus 2026. Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris, de burgemeester,J.L. Beikes-Heidema J. Zwiers ALGEMENE TOELICHTING Algemeen Deze beleidsregels hebben allereerst tot doel om inwoners en hun begeleiders duidelijkheid te bieden hoe de gemeente omgaat met hun aanvragen voor een uitkering en het recht daarop. Door het beschrijven van heldere beleidskaders is duidelijk hoe het college uitvoering geeft aan haar bevoegdheden binnen de Participatiewet, IOAW en de IOAZ. Ten tweede hebben deze beleidsregels tot doel om de uitvoering van deze wetten in de gemeentelijke organisatie eenduidig te maken. Deze eenduidigheid in de uitvoering komt ook het eerste doel ten goede. Bovenstaande is ook ingegeven door de vele ontwikkelingen in het sociale zekerheidsrecht. Ook dit maakt het actualiseren van de beleidsregels wenselijk of zelfs noodzakelijk. Zo zijn er de ontwikkelingen in het kader van het programma van de Participatiewet in Balans en andere wetsvoorstellen binnen de sociale zekerheid. Deze beleidsregels raken met name het onderdeel met betrekking tot de bestaanszekerheid van de inwoners. Behalve de wijzigingen rondom de Participatiewet zijn onder andere wetsvoorstellen de hierna volgende wetsvoorstellen in behandeling. Het gaat om: •het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid; •het wetsvoorstel maatwerk bij terugvordering; •het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW; •het wetsvoorstel versterken waarborgfunctie Algemene wet bestuursrecht; •het wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domein. Andere ontwikkelingen zijn: •het Nationaal Programma Armoede en Schulden; •het programma Werk aan Uitvoering. Korte leeswijzer De beleidsregels zijn verdeeld in verschillende hoofdstukken en paragrafen. Dit is gedaan, omdat deze beleidsregels gaan over brede aspecten binnen de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Nu deze beleidsregels zien op verschillende wetten is in bijna elk hoofdstuk gekozen om per hoofdstuk begripsbepalingen op te nemen en het toepassingsbereik. Hierdoor is duidelijk welke begrippen in het hoofdstuk worden gehanteerd, maar ook welke artikelen betrekking hebben op welke wet óf juist meerdere wetten. Dit voor een betere leesbaarheid en uitvoering. Hierna volgt de Artikelsgewijze toelichting. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Alleen artikelen die een toelichting nodig hebben, worden hier beschreven. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1: Begripsbepalingen In dit artikel is uitgelegd dat de wettelijke begripsbepalingen uit de navolgende wetten: de Algemene wet bestuursrecht, de Participatiewet, de IOAW en IOAZ meestal gelden. Belangrijke uitzonderingen hierop die voor alle hoofdstukken in deze beleidsregels gelden zijn opgeschreven in dit artikel. Zo wordt voorkomen dat in elk hoofdstuk deze begrippen opnieuw beschreven moeten worden. Artikel 1.2: Reikwijdte van de beleidsregels In dit artikel is uitgelegd waar deze beleidsregels over gaan. En zeker ook waar deze juist niet over gaan. Het gaat hier alleen om beleidsregels waar de bevoegdheid ligt bij het college. Als het gaat om verordeningen geldt dat de gemeenteraad het besluitvormende orgaan is. Daar gaan deze beleidsregels dus niet over. HOOFDSTUK 2. AANVRAAG Artikel 2.2: Toepassingsbereik De artikelen in dit hoofdstuk zien op alle aanvragen voor een uitkering voor de kosten van levensonderhoud. Voor het grootste deel zien de artikelen op alle uitkeringen, maar er zijn wat uitzonderingen. Die staan expliciet benoemd. Artikel 2.3: Indienen van een aanvraag Manieren om een aanvraag in te dienen Belanghebbende kan een aanvraag schriftelijk of digitaal indienen. Als een belanghebbende niet in staat is om digitaal een aanvraag in te dienen dan kan een papieren aanvraagformulier worden verstrekt. Het ingevulde aanvraagformulier met de bewijsstukken kan vervolgens door belanghebbende worden ingeleverd op het gemeentehuis. Ook verzending per post of per e-mail is mogelijk. De meeste aanvragen (om algemene bijstand en IOAW) komen nu binnen via werk.nl. De aanvragen voor een IOAZ-uitkering komen direct binnen bij het college. Speciale regels voor personen tot 27 jaar bij een aanvraag: zoekperiode en uitzonderingen Personen jonger dan 27 jaar die zich melden voor algemene bijstand moeten eerst 4 weken actief naar werk en/of scholingsmogelijkheden zoeken (hierna: zoekperiode) alvorens een aanvraag voor algemene bijstand kan worden ingediend. Een uitzondering geldt voor gehuwden waarvan één van de echtgenoten jonger dan 27 jaar is. Zij mogen wel direct een aanvraag indienen. Voor de persoon jonger dan 27 jaar geldt uitdrukkelijk wel de zoekperiode. Voor kwetsbare jongeren is een wettelijke uitzondering gemaakt op de zoekperiode. De wettelijke uitzonderingen zijn de personen jonger dan 27 jaar met een medische urenbeperking, die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie of die het praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs hebben verlaten, gedurende het 1e jaar na de eerste melding en aanvraag van algemene bijstand. Op basis van de wetswijziging in het kader van de Participatiewet (in Balans) per 1 januari 2026 geldt dat de doelgroep van kwetsbare jongeren uitgebreider is dan de hierboven genoemde wettelijke doelgroep. Het college heeft op basis van deze wetswijziging meer beleidsruimte hierin. Ook bij andere kwetsbare jongeren is het mogelijk om maatwerk toe te passen én om niet (meer) de zoekperiode toe te passen. Dit vraagt wel een individuele beoordeling. Als er geen zoekperiode wordt toegepast dan wordt gemotiveerd aangegeven waarom er voor de (individuele) belanghebbende gekozen wordt om de zoekperiode niet (langer) toe te passen. Artikel 2.4: Termijnen voor het inleveren van gegevens bij een incomplete aanvraag Als een belanghebbende ontbrekende gegevens bij de aanvraag niet aanlevert, kan het college een termijn geven voor het aanleveren van deze informatie. In de meeste situaties is voor een belanghebbende een termijn van twee weken voldoende om bewijsstukken aan te leveren, die nodig zijn voor de vaststelling van het recht op algemene bijstand. Lukt dit niet of niet volledig dan volgt er nog een aanvultermijn van twee weken. Als belanghebbende binnen de eerste twee weken zelf een verzoek doet om aanvulling van de termijn dan wordt de eerste inleverdatum verlengd zónder dat dit een aanvultermijn is. Er zijn ook situaties denkbaar dat de standaardtermijnen van dit artikel niet goed werken. Dit kan te maken met bijvoorbeeld de omvang van de gevraagde stukken, het ‘doenvermogen’ van de belanghebbende of het feit dat belanghebbende voor het aanleveren van gegevens afhankelijk is van één of meerdere derden. Het is om die reden dat expliciet is aangegeven dat kan worden afgeweken van de gestelde standaardtermijnen. Dat moet wel voor de aanvrager duidelijk worden waarom dit gebeurt en gemotiveerd (zie: CRvB 10 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1401). Artikel 2.5: Intrekking van een aanvraag Het college bevestigt in een brief de intrekking van de aanvraag. In deze brief staat wel een termijn waarbinnen belanghebbende terug kan komen op zijn intrekking. Het college ziet graag dat een belanghebbende een intrekking van een aanvraag zelf schriftelijk doet. Dit kan niet worden afgedwongen. Ook is het soms niet (direct) mogelijk of wenselijk. Een voorbeeld hiervan is als een aanvraag tijdens een telefoongesprek mondeling wordt ingetrokken door een belanghebbende. De belanghebbende dan nog belasten met een extra schriftelijke verklaring tot intrekking van de aanvraag is niet wenselijk en wettelijk ook niet afdwingbaar (via beleidsregels). Schriftelijke intrekking door de belanghebbende kan wel op vele manieren. Bijvoorbeeld via een brief of via een ondertekende verklaring. Onder schriftelijk wordt dan ook verstaan: een intrekking van de aanvraag door een belanghebbende via de e-mail. Artikel 2.6: Gebruik gegevens bij een nieuwe aanvraag binnen twaalf maanden Dit artikel maakt het mogelijk om gegevens bij een nieuwe aanvraag binnen twaalf maanden na beëindiging van een uitkering opnieuw gegevens van de uitkeringsperiode te gebruiken. Dit ter voorkoming van het opvragen van gegevens die al bekend zijn bij het college. Hierbij is het van belang om te melden dat vooral ‘statische gegevens’ opnieuw gebruikt worden. Hiermee wordt bedoeld dat het dan gaat om gegevens die niet snel aan verandering onderhevig zijn. Bijvoorbeeld een huurovereenkomst of polisbladen van verzekeringen. Gegevens uit andere bronnen betreft vooral de informatie uit de Basisregistratie personen (bevolkingsregister) en Suwinet. Andere gegevens moeten wel vaak opnieuw opgevraagd worden, zoals gegevens over het (actuele) inkomen of vermogen. Artikel 2.7: Personen zonder (geldig) identificatiemiddel Op basis van de wet(ten) moet het college de identiteit van belanghebbende vaststellen. De identificatiemogelijkheden zijn al in de wet opgenomen en daarom niet apart benoemd. Is er geen geldig document? En voldoet belanghebbende niet aan de genoemde voorwaarden? En heeft belanghebbende geen financiële middelen voor de betaling van een geldig identificatiedocument? Dan kan het college voor de kosten van de aanschaf van een zo’n document en het maken van een pasfoto een voorschot verstrekken. HOOFDSTUK 3. INGANGSDATUM ALGEMENE BIJSTAND Artikel 3.3: Ingangsdatum algemene bijstand Hoofdregel In artikel 44 lid 1 van de Participatiewet staat: “Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.” De belanghebbende is zelf verantwoordelijk om zijn aanspraak op algemene bijstand op tijd geldend te maken. Dit gebeurt door het indienen van een aanvraag. Bijstand met terugwerkende kracht Terugwerkende kracht is wel mogelijk in individuele gevallen, zoals beschreven in het artikel. Bij de overweging of terugwerkende kracht op zijn plaats is, is ook de noodzaak daarvoor voor die periode van belang. Als de situatie daartoe aanleiding geeft of als belanghebbende om terugwerkende kracht verzoekt, kan worden bekeken of belanghebbende in die voorafgaande maanden recht zou hebben gehad op bijstand én of die noodzakelijk zou zijn geweest. Heeft belanghebbende in die periode bijvoorbeeld ondersteuning van familie of vrienden gekregen (in geld of natura: boodschappen, betaling van vaste lasten)? Dan hoeft er geen sprake te zijn geweest van noodzaak en is bijstand met terugwerkende kracht niet nodig. Maar kan de belanghebbende aannemelijk maken dat terugwerkende kracht in zijn situatie noodzakelijk is, dan kan het college ook voor de voorafgaande 3 maanden een uitkering verstrekken. Let op dat de bijstand met terugwerkende kracht niet wordt ingezet om schulden af te kunnen lossen. Het gaat in dit geval dan om schulden die belanghebbende op het moment van aanvraag heeft, maar de periode vóór de aanvraag en drie maanden daarvoor nog niet en belanghebbende op dat moment nog over voldoende middelen beschikte. Hiervoor mag geen bijstand worden verleend (artikel 13 lid 1 onder g van de Participatiewet). Gaat het om schulden die belanghebbende in de maanden vóór de aanvraag heeft opgebouwd, omdat hij feitelijk niet over voldoende middelen beschikte? Dan kan hiervoor wél bijstand met terugwerkende kracht worden verleend. Het blijft overigens mogelijk om de bijstand in bijzondere omstandigheden met meer dan 3 maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Dit is in lijn met vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Ofwel: de term bijzondere omstandigheden komt uit de rechtspraak. Hiermee worden uitzonderlijke situaties bedoeld waarin afgeweken mag worden van de regel dat de aanvraagdatum ook de ingangsdatum van de bijstand is. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin iemand geen aanvraag heeft gedaan omdat hij onjuist is geïnformeerd door een medewerker van de gemeente, of om medische redenen zelf geen melding kon doen (of iemand kon inschakelen om dat namens hem te doen). Het gaat hier dus om zeer specifieke, zeldzame gevallen. Bij bijzondere omstandigheden zit geen maximumtermijn aan de terugwerkende kracht. De term individuele omstandigheden is geïntroduceerd door de wetgever bij de voorgestelde wijziging Participatiewet. Deze term is ruimer dan ‘bijzondere omstandigheden’. Gemeenten krijgen hiermee beleidsvrijheid om te beoordelen of de persoonlijke situatie van een aanvrager aanleiding geeft om bijstand toe te kennen met terugwerkende kracht. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin iemand wel in een kwetsbare positie zat, maar die niet per se als ‘uitzonderlijk’ hoeft te worden aangemerkt. Een voorbeeld hiervan kan zijn: de bijstandsgerechtigde heeft door de late melding aanzienlijke schulden of betalingsachterstanden opgelopen of de bijstandsgerechtigde is overvraagd door een crisissituatie, waardoor hem de te late melding niet verweten kan worden. Hier geldt wel een maximale termijn: bijstand op basis van individuele omstandigheden kan maximaal 3 maanden met terugwerkende kracht worden toegekend. Bijstand per een latere datum dan datum melding of aanvraag Soms gaat het recht op algemene bijstand later in dan de datum van melding of aanvraag. Hierbij kan worden gedacht aan situaties waarin op de datum van melding of aanvraag nog geen recht bestaat op algemene bijstand. Voorbeelden zijn dat er nog recht is op inkomen of aanspraak op een passende en toereikende voorliggende voorziening. Bijvoorbeeld een WW-uitkering. Ook kan het zijn dat er tijdens de datum van melding of aanvraag nog vermogen is boven de vermogensgrens, maar tijdens de looptijd van de aanvraag niet meer. Dit rechtvaardigt een latere ingangsdatum van de algemene bijstand. HOOFDSTUK 4. MIDDELEN: INKOMEN EN VERMOGEN Artikel 4.1: Begripsbepalingen Giften In de aanloop naar de wet/het wetsvoorstel van de Participatiewet is veel aandacht geweest voor giften en kostenbesparende bijdragen als bedoeld in artikel 18 van de Participatiewet. In deze beleidsregels zijn deze twee begrippen samengevoegd tot het begrip gift. Dit is in lijn met de wetgeving, omdat onder de giften ook de kostenbesparende bijdragen vallen. Vervoermiddelen Het gaat hierbij om vaar- en voertuigen bedoeld en/of geschikt voor vervoer. En niet om een vaar- of voertuig, bedoeld voor bewoning. Tot die laatste categorie behoren bijvoorbeeld woonwagens en stacaravans. Artikel 4.2: Toepassingsbereik Het onderdeel over ondernemen in de uitkering, specifiek benoemd in de artikelen 4.3 tot en met 4.6, heeft betrekking op de bijstand (Participatiewet), IOAW en de IOAZ. Natuurlijk blijft gelden dat de beleidsregels aanvullend zijn op de wettelijke bepalingen. Zo moet een belanghebbende met een IOAW- of IOAZ-uitkering wel blijven voldoen aan de wettelijke vereisten van een werkloze werknemer of werkloze zelfstandige. De artikelen vanaf artikel 4.7 over inkomen en vermogen gelden alleen voor de bijstand. Artikelen over het inkomen en, indien van toepassing, het vermogen zijn voor de IOAW en IOAZ niet nodig. Dit is namelijk al geregeld in deze wetten en het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Artikel 4.3: Algemene voorwaarden voor parttime ondernemen in de uitkering In dit artikel staan de voorwaarden voor parttime ondernemen in de uitkering. De belanghebbende heeft dan als doel om op termijn uit te stromen uit de uitkering. Het is aan het college om te beoordelen of een belanghebbende dit mag uitvoeren met behoud van de uitkering. En zo ja, onder welke voorwaarden. De beslissing op het verzoek van een belanghebbende wordt altijd vastgelegd in een besluit, zodat de belanghebbende weet waar hij aan toe is. En het biedt voor belanghebbende, als hij het niet eens is met het besluit, de mogelijkheid voor bezwaar en beroep. Nu het gaat om belanghebbenden met als doel om uit te stromen met de zelfstandige werkzaamheden is het van belang dat een bedrijf levensvatbaar wordt. Dit betekent dat de belanghebbende op termijn in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien met zijn werkzaamheden of onderneming. De toetsing hiervan kan aan de hand van een (bedrijfs)plan van de belanghebbende. Ook moet worden voldaan aan andere wettelijke eisen, zoals een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, vestigingseisen en het voeren van een goede boekhouding. Het is dan ook een andere doelgroep dan de marginale zelfstandigen, bescheiden schalers of belanghebbenden die incidenteel zelfstandige werkzaamheden verrichten. Daarvoor gelden de bepalingen van artikel 4.6, met een verwijzing naar dit artikel en de artikelen 4.4. en 4.5. Dit is meer participatiegericht en niet direct op uitstroom. Artikel 4.4: Inkomstenkorting en aftrek kosten Het netto inkomen van de belanghebbende is gelijk aan de baten minus de aftrek van de bedrijfskosten. Bedrijfskosten worden alleen van de baten afgetrokken als deze zijn goedgekeurd door het college. Anders geldt dat deze kosten voor eigen rekening komen. Het inkomen wordt maandelijks gekort, net als bij andere uitkeringsgerechtigden. De opgave van het inkomen wordt gedaan door de belanghebbende op het rechtmatigheidsformulier. De eindcontrole hierop vindt vervolgens plaats via een definitieve vaststelling. In lid 5 staat benoemd dat bij parttime ondernemerschap het uitgangspunt is dat na 12 maanden bij maximaal 20 uren per week werken minimaal 50% van het minimumloon wordt verdiend. Dit heeft te maken met het feit dat parttime ondernemerschap uiteindelijk gericht is op uitstroom. Dit staat ook zo vermeld in artikel 4.3 lid 2 van deze beleidsregels. De toetsing hierop kan plaatsvinden via de evaluatie als bedoeld in artikel 4.3 lid 9 van deze beleidsregels. Artikel 4.5: Definitieve vaststelling De definitieve verstelling van het recht op de uitkering wordt gelijkgetrokken met de bepalingen hierover in het Bbz 2004. De reden hiervan is dat, met name door de belastingaangifte, het daadwerkelijke inkomen anders kan zijn daar waar rekening mee gehouden is tijdens de maandelijkse inkomstenkorting. Voor de doelgroep die vallen onder parttime ondernemerschap geldt bovendien dat, bij doorstroom naar het Bbz 2004, zij al gewend zijn aan deze zelfde systematiek. De definitieve vaststelling wordt gedaan op basis van de belastingaangifte van de belanghebbende. In de meeste situaties zal de belastingaanslag die daarop volgt in overeenstemming zijn met de belastingaangifte. Natuurlijk geldt bij een terugvordering dat er een belangenafweging moet plaatsvinden. Daarbij geldt dat het niet de bedoeling is dat door de terugvordering de onderneming hindert, maar dit wordt ook al ondervangen door de beslagvrije voet, waardoor belanghebbende bij invordering wordt beschermd. Artikel 4.6: Ondernemen in de uitkering als marginale zelfstandige (bescheiden schaler) Als een belanghebbende zelfstandige werkzaamheden verricht, waarbij het primaire doel niet gericht is op uitstroom uit de uitkering dan valt de belanghebbende volgens deze beleidsregels onder dit artikel. Vaak zijn de zelfstandige werkzaamheden meer participatiegericht én niet gericht op uitstroom. Er kan veel diversiteit zijn binnen deze doelgroep. De belangrijkste hiervan zijn beschreven hieronder én de aandachtspunten van belang bij dit artikel worden hieronder verder toegelicht. Doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt Bij belanghebbenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kunnen de zelfstandige werkzaamheden het doel hebben tot deelname en bevordering van de maatschappelijke participatie. Het doel is dan niet uitstroom uit de uitkering, omdat dit niet (meer) haalbaar lijkt. De grote afstand tot de arbeidsmarkt kan diverse redenen hebben, zoals: ontbreken van een opleiding, lange periode van werkloosheid, medische problematiek, sociaal-culturele achtergrond, gebrek aan opleidingen en/of de leeftijd. Doelgroep die één of enkele keren per jaar zelfstandige werkzaamheden verricht Als de belanghebbende één of enkele verkopen heeft, kan deze vallen onder dit artikel. Denk bijvoorbeeld aan een schilder die twee keer per jaar een schilderij verkoopt. In het verleden was er voor kunstenaars een speciale regeling, de Wet Werk en inkomen Kunstenaars (WWIK), maar deze regeling is al in 2012 beëindigd. Maatwerk Voor alle belanghebbenden die behoren tot de doelgroep van dit artikel geldt dat maatwerk van belang is. Dit maatwerk wordt vastgelegd in een besluit aan de belanghebbende. Hierin wordt vastgelegd welke rechten en plichten voor belanghebbende gelden in zijn specifieke situatie. Dit is nodig, omdat de doelgroep van dit artikel zeer divers is. De voorwaarden die gelden voor belanghebbenden met parttime ondernemerschap kunnen niet één op één worden overgenomen voor deze belanghebbenden. Dit gelet op hun specifieke eigen situatie en de diversiteit aan werkzaamheden. Artikel 4.7: Inkomen uit verhuur, kamerverhuur of bij kostganger(s) Door een belanghebbende ontvangen bedragen door (woning)verhuur, kamerverhuur of in verband met het hebben van één of meer kostgangers telt mee als inkomen. Dat is in elk geval zo bij een volledige uitkering op basis van artikel 21 van de Participatiewet (lees: bijstandsuitkering norm alleenstaande/alleenstaande ouder of gehuwden). Bij de kostendelersnorm is al rekening gehouden met een lagere norm door het delen van de kosten. In die situaties kan niet zomaar het volledige bedrag gekort worden op de uitkering naar de norm voor een kostendeler van de belanghebbende. Artikel 4.8: Heffingskortingen uit voorlopige teruggave Het college kort inkomen op de bijstandsuitkering. Dit geldt ook voor de heffingskortingen die een belanghebbende kan ontvangen via een (voorlopige) teruggave van de Belastingdienst. Het kan dan gaan om de algemene heffingskorting minstverdienende partner, inkomensafhankelijke combinatiekorting of de korting voor groene beleggingen. Het college heeft een aparte bepaling over de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting in artikel 11.4 lid 5 van deze beleidsregels. Voor de volledigheid wordt nog gemeld dat de jonggehandicaptenkorting niet tot de middelen wordt gerekend voor personen van 27 jaar en ouder. Het college kan de belanghebbende op basis van artikel 55 van de Participatiewet verplichten om, indien daar recht op is, een aanvraag voor een (voorlopige) teruggave in te dienen. Voldoet belanghebbende niet aan deze verplichting? Dan kan het college de bijstandsuitkering verlagen op basis van de geldende Afstemmingsverordening. Artikel 4.9: Voedingsgeld Of voedingsgeld voor de bijstand als inkomen moet worden aangemerkt, bestaan meerdere visies. Visie 1: voedingsgeld is inkomen, zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBZWB:2023:6385. Visie 2: voedingsgeld is géén inkomen. Het kan voorkomen dat een belanghebbende in een inrichting voedingsgeld ontvangt. Een belanghebbende kan hier recht op hebben op grond van de Wlz. Dit geld is ter compensatie voor de kosten van eten, drinken en/of wassen. Meestal voorziet de inrichting zelf in deze kosten voor belanghebbende. De hoogte van de bijstandsnormen voor personen in een inrichting is hierop ook afgestemd. Als belanghebbende zelf een vergoeding ontvangt, is dit (meestal) omdat belanghebbende hiervoor zelf kosten maakt, omdat belanghebbende zelf zijn eten koopt of de was doet. Dit komt de zelfredzaamheid van belanghebbende ten goede. Het college kiest voor toepassing van visie 2. Het college vindt dat nu er ook geen korting plaatsvindt op de bijstandsnorm voor een persoon in een inrichting wanneer de persoon niet zelf boodschappen haalt, kookt of de was doet, dit ook niet moet leiden tot een korting voor de belanghebbende die dit wel doet. Zeker nu dit de zelfredzaamheid van deze belanghebbende vergroot. Het is om die redenen dat het college kiest voor visie 2. Artikel 4.10: Waarde van vervoermiddelen Tot het vermogen behoren ook vervoermiddelen. Tot de waarde van € 5.000 in totaal, een bedrag dat in lijn is met veel andere omliggende gemeenten, geldt dat dit gezien wordt als algemeen gebruikelijk en daarmee niet meetelt voor de vermogensvaststelling (lid 1). De waarde daarboven wordt meegenomen (lid 3). Bepaalde vervoermiddelen worden niet gezien als algemeen gebruikelijk (lid 2). Er zijn hierop nog wel uitzonderingen bijvoorbeeld als één vervoermiddel noodzakelijk is om een dringende reden óf een andere reden (lid 4). Voor de waardebepaling wordt gebruik gemaakt van de ANWB-koerslijst (lid 5). De ANWB koerslijst is geschikt voor de waardebepaling van auto’s, maar soms niet afdoende. Oudere auto’s komen hier niet meer in voor én voor andere vervoermiddelen kan sowieso geen gebruik worden gemaakt van de koerslijst, zoals een (motor)boot. Als vergelijking via de ANWB koerslijst niet mogelijk is, wordt een vergelijking gemaakt via websites, zoals Autotrack en Marktplaats (lid 6). Voorbeeld: belanghebbende heeft een auto, motor en een caravan. De waarde van de auto is € 4.000, de waarde van de motor € 3.000 en de waarde van de caravan € 1.500. De waarde van de auto en motor is hoger dan € 5.000. Het meerdere van € 2.000 telt mee als vermogen. De waarde van de caravan telt volledig mee. Totale waarde van de vervoermiddelen dat dan meetelt bij de vermogensvaststelling is € 3.500. Artikel 4.11: Schadevergoedingen In dit artikel wordt uitleg gegeven hoe het college omgaat met schadevergoedingen. Een schadevergoeding kan bestaan uit verschillende onderdelen. Specifiek wordt uitgelicht in deze toelichting de schadevergoeding bij verlies aan arbeidsvermogen. Het is goed mogelijk dat een belanghebbende in één keer een hoog bedrag ontvangt aan schadevergoeding voor dit verlies. Op basis van de schadevergoedingsovereenkomst kan worden gekeken op welke periode deze vergoeding betrekking heeft. In de meeste gevallen gaat het dan over de periode vanaf de datum van het ongeval tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Is dat het geval? Dan wordt het bedrag voor zover dat ziet op een periode van bijstandsverlening aangemerkt als inkomen. De berekening van het inkomensbedrag per maand vindt dan naar rato plaats. Artikel 4.12: Giften Een individuele beoordeling of iets een gift is én als dat zo is: of deze vrijgelaten kan worden, tot het inkomen behoort, tot het vermogen behoort, is nadrukkelijk de bedoeling van de wetgever. In artikel 4.1 van deze beleidsregels en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.1 is al kort beschreven wat onder gift wordt verstaan. Als het een gift is geldt er een grensbedrag, waardoor niet elke gift tot het inkomen of vermogen gerekend wordt. Tot aan de bereikte grens van de waarde van die gift(en), hierna vrijlating, geldt geen meldingsplicht voor belanghebbende. Voor de hoogte van de waarde wordt aangesloten bij het bedrag dat hiervoor wordt genoemd in de Participatiewet, artikel 31 lid 2 onder m van deze wet. Het artikel leest als een soort stappenplan bij de beoordeling. Dit biedt rechtszekerheid voor de belanghebbende én praktische handvatten voor de uitvoeringspraktijk. In de praktijk, zo is de verwachting zal een belanghebbende niet snel een bedrag meer dan de vrijlating (aan giften) ontvangen. Als dit wel zo is, geldt de meldingsplicht voor belanghebbende. Belanghebbende kan hiervan bijvoorbeeld melding doen op het rechtmatigheidsformulier. Door het opnemen van kostenbesparende maatregelen in het giftenbeleid kan wel sprake zijn van een snellere overschrijding van de vrijlating. Zie bijvoorbeeld ook artikel 5.5 van deze beleidsregels en de toelichting daarop. Het college kan over het giftenbeleid voorlichting geven bij de aanvraag voor bijstand tot tijdens de verlening van bijstand. Een goede voorlichting kan problemen voor de belanghebbende voorkomen. Artikel 4.14: Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling De saldi op lopende rekeningen van een belanghebbende, zijn eventuele echtgenoot of partner en zijn eventuele minderjarige kinderen behoren tot het vermogen. Dit geldt ook voor tegoeden op spaarrekeningen (artikel 34 lid 1 onderdeel a Participatiewet). Soms komt het voor dat een belanghebbende net boven de vermogensgrens uitkomt (het ‘oververmogen’). Dit kan verschillende oorzaken hebben. Bijvoorbeeld als gevolg van net gestort inkomen of ontvangst van Toeslagen van de Belastingdienst of juist door het feit dat uitgaven op een iets latere (vaste) datum worden afgeschreven. Ter voorkoming dat hierdoor een aanvraag afgewezen wordt, geldt om die reden een vrijlating bij ‘oververmogen’, welke niet meer mag zijn dan éénmaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Artikel 4.15: Vaststelling vermogen bij verhuizing uit andere gemeente Artikel 40 lid 1 Participatiewet bepaalt dat het recht op bijstand geldt jegens het college van de gemeente waar belanghebbende woonplaats heeft. Daardoor moet bij verhuizing naar een andere gemeente bijstandsuitkering in de oude gemeente beëindigd worden en kan een nieuwe aanvraag worden ingediend bij het college van de nieuwe gemeente. Gezien de algehele verantwoordelijkheid van het college voor de uitvoering van de Participatiewet, is het college ook verantwoordelijk voor het vaststellen van het vermogen van belanghebbende bij een aanvraag voor bijstand. Ook als de belanghebbende daarvoor dus al een bijstandsuitkering ontving vanuit een andere gemeente. De gedachte hierachter is dat de vermogenspositie van een belanghebbende zo anders kan zijn dan waarmee in de vertrekgemeente rekening gehouden is dat het niet reëel is om die vermogensvaststelling over te nemen. Hierbij wordt ook in acht genomen dat de bijstand een vangnetuitkering is. Artikel 4.16: Vaststelling vermogen bij echtscheiding/verlating Op grond van artikel 34 Participatiewet moet het college het vermogen vaststellen bij aanvang van de bijstandsverlening. De verplichting van artikel 34 Participatiewet zal in het geval van echtscheiding of verlating niet altijd even gemakkelijk zijn, omdat op het moment van aanvang van de bijstand de boedel vaak nog niet verdeeld is. Het is in dat geval zaak een praktische richtlijn te hebben hoe hiermee omgegaan moet worden. Het college kiest ervoor om vermogen waarover feitelijk nog niet kan worden beschikt (uit de boedeldeling) pas mee te nemen in de beoordeling vanaf het moment dat hierover wel feitelijk kan worden beschikt. HOOFDSTUK 5. HOOGTE VAN DE UITKERING Artikel 5.1: Begripsbepalingen Woonkosten en woonlasten Deze verschillende begrippen zijn opgenomen als begripsbepalingen. De reden hiervan is dat de definities hiervan verschillend zijn. Het begrip woonkosten is van belang voor de hoogte van de verlaging op de bijstandsnorm van artikel 21 van de Participatiewet vanwege geen woonkosten als bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet en artikel 5.5 van deze beleidsregels. Het begrip woonlasten is van belang voor de eventuele afstemming via artikel 18 lid 1 van de Participatiewet. Artikel 5.2: Toepassingsbereik De kostendelersnorm is van toepassing binnen de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. Het is om die reden dat het toepassingsbereik van artikelen in dit hoofdstuk gesplitst is. De artikelen 5.3 en 5.4 zien op al deze wetten. Vanaf artikel 5.5 geldt dat deze alleen van toepassing zijn op de bijstand (van de Participatiewet). Artikel 5.3: Bepalingen over tijdelijke inwoning vanwege noodopvang Het is van belang om te verduidelijken hoe om dient te worden gegaan met woonsituaties, waarbij sprake is van tijdelijk verblijf vanwege noodopvang. Om die reden is hierop specifiek beleid geschreven. Er zijn ook enkele specifieke voorbeelden genoemd. Die voorbeelden zijn niet limitatief. De kostendelersnorm houdt al rekening met de schaalvoordelen die ontstaan doordat twee of meer personen samen in een woning verblijven. Ondanks dat bij de invoering van de kostendelersnorm er expliciet voor is gezorgd dat mensen niet onder de armoedegrens vallen, kan er een individuele situatie zijn waarin het wenselijk is om individueel maatwerk te verlenen. Voor het vaststellen van de hoogte van de uitkering moet de woonsituatie worden bepaald. Als sprake is van tijdelijk verblijf, hoeft dit geen gevolgen hoeft te hebben voor de naar het oordeel van de uitvoering bestaande leefsituatie en daarmee mogelijk de vaststelling van de uitkeringshoogte. Dit kan betekenen dat de persoon die tijdelijk bij een uitkeringsgerechtigde inwoont, niet mee hoeft te tellen voor de kostendelersnorm. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om mensen in een crisissituatie en daklozen. Ook tijdelijke hulpbehoevendheid van de belanghebbende kan een reden zijn om de uitkering tijdelijk niet aan te passen. Het is aan de uitvoering om op basis van concrete feiten en omstandigheden van het individuele geval vast te stellen dat het gaat om tijdelijk verblijf. Er is wel richtinggevend beleid zodat, waar mogelijk, een eenduidige uitvoering geldt. In sommige gevallen kan sprake zijn van een gezamenlijke huishouding. In dat geval bestaat er geen individueel recht op bijstand en worden zij als gehuwd aangemerkt. Wanneer sprake is van tijdelijk verblijf vanwege noodopvang, kan in die situaties het definitieve moment van beoordeling van de woon- en leefsituatie (lees: de ‘mogelijke’ gezamenlijke huishouding) uitgesteld worden naar een later gelegen datum. Belanghebbende dient tijdig geïnformeerd te worden over de gevolgen die tijdelijke inwoning met zich meebrengt. Zo kan bijvoorbeeld het recht op toeslagen op grond van de Awir wijzigen en dus de hoogte of het recht op uitkering op termijn. Door juiste informatie wordt mogelijk voorkomen dat er achteraf mogelijke schuldenproblematiek ontstaat. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat belanghebbende zelf tijdelijk wegens het verlenen van mantelzorg aan een ander met een intensieve zorgbehoefte zijn verblijf tijdelijk niet heeft op zijn eigen woonadres. Ook in die situatie is voorzien middels dit artikel. In situaties waarin tijdelijke ondersteuning (iets) langer nodig is, kan bij uitzondering van het bepaalde worden afgeweken. Dit via de route van artikel 12.1 van deze beleidsregels. Artikel 5.4: Bepalingen over commerciële relatie kostendelersnorm Dit artikel regelt wanneer kamerhuur en kostgangerschap als commercieel betiteld kunnen worden. Er is hierbij aangesloten bij de bepalingen van de Participatiewet. Deze bepalingen worden ook onverminderd gebruikt bij de bepaling van een commerciële relatie bij de IOAW en IOAZ, aangezien in artikel 5 van deze wetten dezelfde soort bepalingen zijn opgenomen. Voor de bepaling of er sprake is van een commerciële huurprijs is er een koppeling gelegd naar het puntensysteem (huurprijscheck) dat de huurcommissie gebruikt voor het berekenen van de maximale huur van woonruimte. Dit is een vrij ingewikkelde methode van vaststelling, maar wel objectief en afgestemd op de waarde die aan woonruimte toegerekend kan worden op grond van oppervlakte, voorzieningen en luxe. Het opnemen van één vast bedrag is weliswaar eenvoudiger in de uitvoering, maar doet geen recht aan de verschillen tussen kamers. Voor de bepaling van de kosten van gas, water en licht, wanneer dit bij de huurprijs inbegrepen is, is wel een standaard opgenomen. De berekening hiervan is gedaan op basis van de meest recente Nibud-prijzengids (2025-2026), woningtype tussenwoning. De kosten van gas gelden met name op basis van dit woningtype. De kosten zijn per maand € 139. Deze worden voor de berekening evenredig verdeeld tussen huurder en verhuurder. Dus € 69,50. De overige kosten op basis van de Nibud-prijzengids zijn meer op basis van het aantal personen in een huishouding. In deze wordt gekozen om het verschil tussen een tweepersoonshuishouden én een eenpersoonshuishouden toe te rekenen aan de kosten van de huurder. Het gaat voor de kosten van elektriciteit dan om € 20 (kosten bij tweepersoonshuishouden € 51, kosten eenpersoonshuishouden € 31). Voor water is het verschil tussen een eenpersoonshuishouden en een tweepersoonshuishouden € 3,50 (kosten tweepersoonshuishouden € 21 en kosten eenpersoonshuishouden € 17,50). Totaal maakt dit € 93. Voor de kosten van de bepaling van de maaltijden wordt aangesloten bij de prijs die in de Nibud-prijzengids opgenomen is. De berekening is gedaan op basis van 28 maal de dagprijs van voeding op basis van de tabel: kosten van voedsel per persoon per dag (tabel 5.1 in de Nibud-prijzengids van 2025-2026). Dit maakt de uitvoering eenduidig op dit onderdeel én leidt niet tot complexe berekeningen per maand óf omrekeningen naar jaren, waarbij er dan weer verschillen zouden zijn tussen een jaar zonder én met schrikkeldag (29 februari). Artikel 5.5: Verlaging bijstandsnorm door geen of minder woonkosten/-lasten Artikel 27 van de Participatiewet gaat alleen om kosten die direct verbonden zijn aan de woning, zoals huur of hypotheek en de bijbehorende lasten zoals rioolrechten, opstalverzekering en het eigenaarsgedeelte van de onroerendzaakbelasting. In die gevallen kan worden verlaagd, zoals opgenomen in de beleidsregels. De persoon heeft dan geen woonkosten. Voorbeelden wanneer iemand geen woonkosten heeft: als de belanghebbende geen woning bewoont of als de woonkosten door een derde worden voldaan. Als andere lasten verbonden aan de woning niet worden betaald, geldt dat hierop de afstemming van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet van toepassing is. In het verlengde van de wet is opgenomen dat het giftenbeleid hierop van toepassing kan zijn én dat daardoor een verlaging van de bijstandsnorm niet óf pas later in een kalenderjaar van toepassing is. Artikel 5.6: Verlaging bijstand schoolverlaters Het college maakt geen gebruik van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 28 van de Participatiewet. Dit heeft meerdere redenen. Er is maar een klein voordeel te behalen vanwege de grootte van de groep die het betreft. Bovendien is de reikwijdte van deze bevoegdheid in tijd beperkt. Bovendien kan toepassing er weer toe leiden dat er extra gekeken moet worden naar de mogelijke toepassing van afstemming op basis van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet. Dit brengt weer meer uitvoeringskosten met zich mee. Daarbij is van belang dat de meeste schoolverlaters exact dezelfde kosten hebben als niet-schoolverlaters. Gelet op de voor- en nadelen is besloten om geen toepassing te geven aan de verlaging van de bijstand voor schoolverlaters. Tot slot is dit ook al bestendige praktijk die voortgezet wordt. Artikel 5.7: Bijstandsnorm voor een co-ouder De bijstandsnorm voor een co-ouder wordt gelijkgesteld met die voor een alleenstaande ouder. Dit sluit aan bij de vermogensvaststelling voor een co-ouder, zoals opgenomen in artikel 4.17 van de beleidsregels. Deze bijstandsnorm is natuurlijk niet van toepassing als de kostendelersnorm geldt. In dit artikel is verder nogmaals benoemd, net als bij artikel 4.17 wanneer er sprake is van co-ouderschap. Verder is uitdrukkelijk bepaald dat afspraken over de verdeling van de ALO-kop op het kindgebonden budget, ontvangen door de andere ouder tussen belanghebbende zelf en de andere ouder gereld moeten worden. Als uitgangspunt geldt dat hiervoor niet afzonderlijk bijstand voor verleend wordt. Artikel 5.8: Gemis ALO-kop door toeslagpartner voor toeslagen (vervalt op 1 januari 2027) Sinds 1 januari 2015 is een ALO-kop ingevoerd in het kindgebonden budget. Op grond van artikel 2 lid 6 van de Wet op het kindgebonden budget heeft de ouder die geen echtgenoot heeft recht op de alleenstaande ouder kop, de ALO-kop. In dit verband wordt bedoeld de echtgenoot zoals omschreven in artikel 3 lid 1 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna Awir). Er wordt hierbij gekeken naar de registratie en niet naar de feitelijke omstandigheden. In de Participatiewet is de feitelijke situatie juist van belang voor de bijstandsnorm. In de volgende situaties heeft een belanghebbende op grond van de Awir wel een echtgenoot, maar heeft hij op grond van de Participatiewet recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder): de echtgenoot zit in detentie, de echtgenoot is geen statushouder, de echtgenoot verblijft in een inrichting of de echtgenoot verblijft in het buitenland. De Awir en de Participatiewet definiëren het begrip 'echtgenoot' ieder op een eigen manier. De Awir kent daarnaast ook Awir-partners die we in de bijstand niet kennen. Dit zijn degene die als ingezetenen op hetzelfde woonadres als de alleenstaande ouder zijn ingeschreven in de BRP en voldoen aan een vereiste uit artikel 3 lid 2 Awir. Denk hierbij aan de situatie dat de alleenstaande ouder inwoont bij zijn eigen ouder(s) of bij een kennis. Daardoor kan het voorkomen dat een belanghebbende bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder ontvangt, maar dat hij belastingtechnisch wel een echtgenoot of andere Awir-partner heeft. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever zich bewust was van het feit dat er alleenstaande ouders zijn die in het kader van de bijstand worden aangemerkt als alleenstaande ouder, maar per 1 januari 2015 niet in aanmerking komen voor de ALO-kop. De reden om die groep niet alsnog onder de werkingssfeer van de Wet hervorming kindregelingen (Whk) te brengen is niet zozeer gelegen in het feit dat de wetgever meende dat deze groep niet in aanmerking zou moeten komen voor een toeslag, maar in meer praktische overwegingen. De Belastingdienst is niet in staat in dat geval de benodigde individuele beoordeling te verrichten. Ook voor deze groep personen kan een aanvullende inkomensondersteuning blijkens de wetsgeschiedenis aangewezen zijn. Die beoordeling moet plaatsvinden binnen het kader van de bijstandswetgeving. Gelet hierop kan voor deze groep personen de ALO-kop geen passende en toereikende voorliggende voorziening worden geacht die aan bijstandverlening in de weg staat. Als de belanghebbende aannemelijk maakt dat hij geen beroep kan doen op de AWIR-partner is het college gehouden de bijstand van de alleenstaande ouder af te stemmen met toepassing van artikel 18 lid 1 Participatiewet, omdat de kosten van verzorging en opvoeding behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Het gaat hier om de uitvoering van bestaande jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2018:1600, ECLI:NL:CRVB:2018:2841, ECLI:NL:CRVB:2019:1380). Let op: Per 1 januari 2026 geldt in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) een uitzondering op het partnerbegrip. Dit geldt voor: •burgers met een vermiste partner, •erkende vluchtelingen met een partner die niet samen naar Nederland zijn gekomen, en •burgers met een partner in detentie (art. 3c Awir). Voor deze groepen kan op basis van objectieve gegevens niet worden verwacht dat hun partner bijdraagt aan het huishouden of de kosten. Hierdoor hebben zij recht op toeslagen als alleenstaanden, inclusief de zogenaamde Alo-kop. Let op: de Belastingdienst/Toeslagen kent de Alo-kop niet automatisch toe; betrokkene moet zich zelf aanmelden voor een aanvraag. Vóór 2026 compenseerden gemeenten het gemis van de Alo-kop via een verhoging van de bijstandsuitkering (art. 18, eerste lid, Participatiewet). Met de invoering van Participatiewet in Balans wordt dit gecodificeerd in artikel 24a, inwerkingtreding 1 januari 2027. Het is om die reden dat dit artikel per 1 januari 2027 vervalt. Door de wijziging in de Awir zullen gemeenten dit artikel waarschijnlijk al in 2026 minder vaak hoeven toe te passen. Ook burgers in de genoemde situaties die al een verhoogde bijstandsuitkering ontvangen, kunnen vanaf dit jaar recht hebben op de Alo-kop. Artikel 5.9: Wijziging bijstandsnorm bij verblijf in een inrichting Vanwege het praktische gegeven dat opnames in inrichting van (zeer) korte duur kunnen zijn en er, met name in het geval van opname in psychiatrische inrichting, sprake kan zijn van herhaalde (korte) opnames kort achter elkaar, is het - mede gelet op de administratieve last - niet wenselijk om de bijstandsnorm (telkens) meteen om te zetten. Bij opname in een verslavingskliniek geldt juist weer dat opnames vaker langdurig zijn. Ter voorkoming van het verlies van de woning door een belanghebbende tijdens de opname en het feit dat een daadwerkelijk verschil in de bestaanskosten dan vaak niet of slechts in beperkte mate aan de orde is, is het wenselijk om een ruime termijn te stellen vóórdat de algemene bijstand wijzigt. Het steeds wijzigen van de vorm van bijstandsverlening (algemene versus bijzondere bijstand) is niet wenselijk voor zowel belanghebbende als de uitvoering. HOOFDSTUK 6. VERPLICHTINGEN EN TAALEIS Artikel 6.3: Inlichtingenplicht bij aanvraag om een uitkering Binnen de Participatiewet, IOAW en de IOAZ geldt de wettelijke inlichtingenplicht bij de aanvraag voor een uitkering. Het college geeft via dit artikel duidelijkheid over wat wordt verstaan onder ‘onverwijld uit eigen beweging’, zoals genoemd in de wetsartikelen over de inlichtingenplicht. Belanghebbende meldt het feit dat van belang is voor het recht op een uitkering óf de arbeidsinschakeling zo snel mogelijk bij het college, maar in ieder geval binnen veertien dagen nadat belanghebbende hiervan op de hoogte is. Deze situatie ziet op de aanvraagperiode voor een uitkering. De gekozen periode sluit aan bij de gestelde ‘standaardtermijn’ voor het aanleveren van gegevens bij een aanvraag voor een uitkering. Artikel 6.4: Inlichtingenplicht tijdens een uitkering Binnen de Participatiewet, IOAW en de IOAZ geldt de wettelijke inlichtingenplicht ook tijdens de periode dat de belanghebbende een uitkering ontvangt. Het college werkt met een rechtmatigheidsformulier (RMF). Belanghebbende kan de verandering in zijn situatie doorgeven op het eerstvolgende RMF nadat belanghebbende op de hoogte is gesteld of raakte van de wijziging in zijn situatie. Op basis van jurisprudentie geldt dat belanghebbende de van belang zijnde informatie ook op een andere manier mag doorgeven aan het college. Het college geeft in deze beleidsregels aan dat dan wel geldt dat dit uiterlijk gebeurt op de inleverdatum van het eerstvolgende RMF. Dit wordt gezien als het ‘onverwijld uit eigen beweging’ nakomen van de inlichtingenplicht. De inleverdatum van het (eerstvolgende) RMF staat vermeld op de website van de gemeente Midden-Drenthe. Er zijn groepen die vrijgesteld zijn van het inleveren van het RMF. De wettelijke inlichtingenplicht geldt wel voor deze groep. Voor de duidelijkheid is hierover een apart lid (lid 3) opgenomen in dit artikel. Een vrijstelling van het inleveren van het RMF betekent namelijk niet een vrijstelling in het nakomen van de inlichtingenplicht. Artikel 6.5: Melden vakantie en verblijf in het buitenland Het college vraagt van de belanghebbende om vakantie in het binnen- en/of buitenland én verblijf in het buitenland om andere redenen onverwijld (dus vooraf) te melden. Dit minimaal twee weken voorafgaande aan de vakantie of het verblijf in het buitenland. Dit geeft het college de ruimte om te beoordelen of dit van invloed is op het recht op de uitkering of de arbeidsinschakeling van belanghebbende. Niet in alle gevallen is het mogelijk om dit twee weken vooraf al te melden, bijvoorbeeld bij plotseling overlijden van een familielid in het buitenland. Het is ook om die reden dat in het artikel is opgenomen: voor zover mogelijk. Daardoor kan rekening worden gehouden met individuele bijzondere situaties. De verplichtingen, zoals genoemd in dit artikel worden allereerst opgenomen in de verleningsbeschikking. Natuurlijk kunnen de verplichtingen ook (nogmaals) worden opgenomen in een wijzigingsbesluit. Artikel 6.6: Melden studie of opleiding Dit artikel ligt in lijn met het voorgaande artikel. Expliciet is opgenomen dat een belanghebbende een studie of opleiding in het kader van zijn re-integratie vanuit de gemeente niet meer apart hoeft te melden. Het college is hiervan immers al op de hoogte. Artikel 6.7: Melden vrijwilligerswerk Dit artikel ligt in lijn met de bepalingen en toelichting op artikel 6.5 en artikel 6.6. van deze beleidsregels en behoeft niet een verdere toelichting. Artikel 6.8: Overleggen bankafschriften Het college bepaalt welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan en de arbeidsinschakeling door de belanghebbende in ieder geval moeten worden verstrekt en welke bewijsstukken daarvoor moeten worden overgelegd (artikel 53a lid 1 Participatiewet). Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB kan het college bankafschriften als dergelijke bewijsmiddelen aanwijzen. Hoe langer de periode is die het college hanteert als periode waarover bank- en/of giroafschriften moeten worden overgelegd, hoe beter het inzicht bij het college over de vermogens- en inkomenspositie van belanghebbende. Maar een langere periode betekent ook meer werk -want er is meer te controleren- en dus hogere uitvoeringskosten. Een korte periode heeft daarentegen weer het gevaar in zich, dat onvoldoende inzicht wordt verkregen in de (werkelijke) vermogens- en inkomenspositie van belanghebbende, waardoor eerder teveel of ten onrechte bijstand zal worden verstrekt. Drie maanden is vanuit bestendige praktijk en financiële overwegingen een goed hanteerbare periode in de meeste gevallen. Bij twijfel over het recht op een uitkering kan een langere periode worden verlangd. Dit kan alleen als het college aan de belanghebbende duidelijk maakt waarom zij deze langere periode verlangt. Ter bescherming van de belanghebbende is dit laatste expliciet vastgelegd. Artikel 6.9: Aantonen beheersing Nederlandse taal Sinds 1 januari 2016 is de taaleis als verplichting opgenomen in de Participatiewet. Zie hiervoor artikel 18b van de Participatiewet. Dit artikel bevat een inspanningsverplichting voor bijstandsgerechtigden om de Nederlandse taal te beheersen. Maar alleen als dit noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het college gaat ervan uit dat als de belanghebbende tijdens de leerplichtige leeftijd acht jaar in Nederland woonde daarmee voldoet aan het gevraagde taalniveau. Ook bij een behaald inburgeringsdiploma wordt hiervan uitgegaan. Het gebruikte taalreferentieniveau in het inburgeringsexamen A2 is vergelijkbaar met het referentieniveau (1F). Met een eigen verklaring of document kan beheersing van de Nederlandse taal ook worden aangetoond. Als document kan in sommige situatie worden gedacht aan een cv of arbeidsovereenkomst. Het is daarbij ook mogelijk om contact te zoeken met de voormalige werkgever(s). Het gaat er uiteindelijk om dat uit een dergelijk document of de eigen verklaring blijkt dat belanghebbende de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst op het referentieniveau 1F. Bij twijfel is er de mogelijkheid om een taaltoets af te nemen. Artikel 6.10: De taaltoets Als een belanghebbende er niet in slaagt om aan te tonen dat hij de Nederlandse taal op referentieniveau 1F beheerst, wordt uiterlijk binnen een termijn van 8 weken na ontvangst van de aanvraag om bijstand een toets afgenomen. Er zijn meerdere situaties wanneer het college dit toch achterwege laat. Deze zijn omschreven in lid 2 van dit artikel. Voorbeeld: belanghebbende bereikt binnen zes maanden na aanvang van de bijstand de AOW-gerechtigde leeftijd. Het college verplicht belanghebbende niet tot een taaltoets. Het college kan natuurlijk wel wijzen op de mogelijkheden binnen de gemeente voor het verbeteren van de basisvaardigheden. Artikel 6.11: Kennisgeving uitkomst taaltoets, taalplan en inspanningsplicht Het behoort tot de beleidsvrijheid van het college om te bepalen binnen welke termijn na de uitslag van de toets de belanghebbende schriftelijk in kennis wordt gesteld van het redelijk vermoeden dat hij de Nederlandse taal niet beheerst op referentieniveau 1F. Deze termijn is niet langer dan 8 weken en vangt aan op het moment van de uitslag van de toets (artikel 18b lid 4 Participatiewet). Als belanghebbende wél voldoet aan de taaleis, blijkend uit de taaltoets, wordt hij hiervan bij besluit op de hoogte gesteld. Dit dan binnen 8 weken na de uitslag van de toets. Als belanghebbende niet voldoet aan de taaleis, blijkend uit de taaltoets, handelt het college sneller. Het college stelt de termijn dan op een maand. Met de belanghebbende die niet voldoet aan de gestelde eisen wordt dan een taalplan opgesteld. Belanghebbende krijgt hierover een gesprek ook, zodat gewerkt kan worden aan de beheersing van de Nederlandse taal. Bij het niet nakomen van het taalplan gelden de bepalingen over verlaging van de bijstand van de Afstemmingsverordening. Voor een belanghebbende die een inburgeringstraject volgt, geldt dat het inburgeringstraject wordt aangemerkt als taalplan én dat belanghebbende voldoende inspanning levert als hij aan de voorwaarden van dat traject voldoet. HOOFDSTUK 7. LEENBIJSTAND IN VERBAND MET EIGEN WONING EN KREDIETHYPOTHEEK Artikel 7.1 Begripsbepalingen Een hypotheek(recht) wordt gevestigd op registergoederen (huizen en geregistreerde woonschepen) Pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen (woonwagens en niet-geregistreerde woonschepen). Er wordt dan een zogenaamd bezitloos pandrecht gevestigd. De pandgever (belanghebbende) blijft dan de macht houden over de roerende zaak. Het bezitloos pandrecht wordt gevestigd door middel van een authentieke akte via de notaris. De vestiging van een (krediet)hypotheek gebeurt ook via de notaris. Over de voorwaarden die minimaal in de akten worden opgenomen is een apart artikel opgenomen in deze beleidsregels, namelijk artikel 7.5. Artikel 7.2 Toepassingsbereik Doet een eigenaar van een woning een aanvraag om algemene bijstand? Dan moet altijd worden beoordeeld of de bijstand in de vorm van een geldlening moet worden verstrekt (artikel 50 Participatiewet). Een woning is ook: een woonwagen of een woonschip. Dit volgt al uit artikel 3 lid 6 van de Participatiewet. Het college moet de algemene bijstand in de vorm van een geldlening verstrekken als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a.De belanghebbende is eigenaar van de door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf. Als belanghebbende deeleigenaar is telt dat deel mee (bijvoorbeeld bij 50%-eigenaarschap). b.Van de belanghebbende kan in redelijkheid niet verlangd worden dat hij het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen te gelde maakt, bezwaart of verder bezwaart. c.De te verlenen algemene bijstand bedraagt over een periode van een jaar naar verwachting meer dan het netto minimumloon (inclusief vakantiebijslag) per maand. d.Het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen is hoger dan de speciale vrijlating voor de eigen woning als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder d Participatiewet. Gaat het om een woning waar belanghebbende (met zijn gezin) niet woont? Dan telt de waarde van de woning volledig mee én geldt de vrijlating van artikel 34 lid 2 onder d van de Participatiewet niet. Artikel 7.3 De hoogte van de leenbijstand (waardebepaling, taxatie en bijkomende kosten) Als hoofdregel geldt dat het college uitgaat van WOZ-waarde van de woning. Als er geen WOZ-waarde bekend is, schakelt het college een deskundige, een erkend taxateur, in. De kosten hiervan kunnen worden vergoed via de bijzondere bijstand. Dit geldt ook voor kosten verbonden aan de vestiging van een krediethypotheek of pandrecht. In het voormalige Besluit krediethypotheek werd bijstand voor de kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en inschrijving van de hypotheek, alsmede de bijkomende kosten aangemerkt als algemene bijstand, tenzij aan de belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand werd verleend. Een dergelijke bepaling ontbreekt in de Participatiewet. Aangezien de kosten van de woningtaxatie en het vestigen van de hypotheek niet zijn te beschouwen als algemeen noodzakelijke kosten moet de eventuele bijstand die voor deze kosten wordt verleend, nu het Besluit krediethypotheek niet meer bestaat, worden beschouwd als bijzondere bijstand. Zo is het nu ook opgenomen in deze beleidsregels. Als een belanghebbende van mening is dat een WOZ-waarde niet een reële waarde is van de feitelijke waarde van de woning is het aan belanghebbende om dit aannemelijk te maken. Dit kan door het overleggen van een taxatierapport, mits deze niet ouder is dan twaalf maanden en van een erkende taxateur komt. Artikel 7.4 Vorm van (leen)bijstand Voor het vermogen dat gebonden is in de woning geldt een vrijlating van maximaal het bedrag als genoemd in artikel 34 lid 2 onderdeel d Participatiewet. Pas wanneer na toepassing van deze vrijlating nog een bedrag aan in de woning gebonden vermogen resteert, wordt de algemene bijstand verstrekt bij wijze van geldlening, waarbij eventueel een hypotheekrecht (krediethypotheek) of pandrecht wordt gevestigd. Hierop geldt de uitzondering in de situatie dat per kalenderjaar minder dan één keer de gehuwdennorm van artikel 21 onder b van de Participatiewet wordt verstrekt aan bijstand. Dit bedrag is gelijk aan het wettelijk minimumloon (op maandbasis). In de praktijk zal dit niet vaak voorkomen, want in de meeste gevallen zal de te verwachten, te verlenen, bijstand per jaar hoger zijn dan éénmaal deze gehuwdennorm. Een (krediet)hypotheek wordt gevestigd op registergoederen (huizen en geregistreerde woonschepen). Pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen (woonwagens en niet-geregistreerde woonschepen). Gelet op de kosten die gepaard gaan met het vestigen van een krediethypotheek en pandrecht bij de notaris en ook uitvoeringskosten is besloten om dit achterwege te laten als het ‘oververmogen in de woning’ lager is dan € 6.000. De bijstand wordt dan wel verleend in de vorm van een geldlening, maar dus zonder zekerheidsstelling. Ook dit zal in de praktijk naar alle waarschijnlijkheid niet vaak voorkomen. Artikel 7.6 Aflossing leenbijstand bij verkoop of vererving Bij verkoop én bij vererving geldt dat in de meeste gevallen de leenbijstand direct terugbetaald wordt. Dit via een zekerheidsstelling van de hypotheek of het pandrecht. Als er geen zekerheidsstelling is, kan in geval van verkoop ook meestal worden overgegaan tot volledige terugbetaling. Dit kan natuurlijk alleen als de verkoopprijs gelijk is aan of hoger dan de bij aanvang van de bijstand vastgestelde waarde en de vrijgekomen middelen afdoende zijn om dit bedrag te voldoen. Een bijzondere situatie kan zich voordoen bij gehuwden. Als één van de eigenaren overlijdt, geldt niet zondermeer dat aflossing kan volgen. Immers de nog levende partner (tevens eigenaar) bewoont de woning nog en om die reden zal er nog geen sprake zijn van vermogen dat vrijkomt uit de woning. Als sprake is van vererving van de woning, anders dan aan de partner, geldt dat het resterende deel van de lening kwijtgescholden wordt. Dit uiteraard alleen als er geen zekerheidsstelling is die uitgewonnen is óf kan worden. Artikel 7.8 Rente over leenbijstand Er wordt geen rente geheven over de leenbijstand. Op geen enkel moment. Dit is de meest voordelige variant voor de belanghebbende en komt ook de uitvoerbaarheid ten goede. Daarmee blijft ook voor een belanghebbende inzichtelijk wat het juiste saldo, bijvoorbeeld na aflossingen, moet zijn van de leenbijstand. In het kader van service geldt wel het bepaalde in artikel 7.11 van deze beleidsregels. Artikel 7.10 Herleving leenbijstand na onderbreking van bijstand Het lijkt redelijk om in het geval van een korte onderbreking van de leenbijstand, bijvoorbeeld omdat belanghebbende werk heeft aanvaard, de leenbijstand te hervatten met de oude voorwaarden en niet opnieuw de waarde van de woning te berekenen. Dit zou ook verlammend kunnen werken bij het aanvaarden van werk. Belanghebbende weet immers dat hij bij een kortdurende baan mogelijk financieel slechter af is dan bij helemaal geen baan. Bij een langere onderbreking slaat de balans aan de andere kant door. Als de oude voorwaarden dan nog herleven, is waardestijging van de woning in het geheel voor belanghebbende zelfs als de lening is geëindigd wegens het bereiken van het plafond en de bijstand om niet wordt verstrekt. Het na enige tijd opnieuw berekenen van de waarde van de woning en de vorm van de bijstand is juist een prikkel voor belanghebbende om aan het werk te blijven. De tot het moment van herberekening gerealiseerde waardestijging van zijn woning blijft dan bij hem. Gezien het bovenstaande lijkt een termijn van twee jaar alleszins redelijk en werkbaar. Dit is ook een veel gebruikte termijn bij andere gemeenten. HOOFDSTUK 8. UITBETALING VAN VAKANTIEGELD Artikel 8.3 Uitbetaling vakantiegeld Voor het vakantiegeld geldt als hoofdregel dat deze wordt uitbetaald in de maand juni. Hiervan wordt natuurlijk afgeweken als de uitkering eerder stopt. Bijvoorbeeld bij werkaanvaarding. Ook geldt dat het vakantiegeld niet aan belanghebbende zelf wordt uitbetaald als er sprake is van een volledige bijstandsuitkering met een (derden)beslag of als er verrekend wordt met een interne vordering. Het kan in bijzondere situaties voorkomen dat het college het vakantiegeld eerder uitbetaald. Enkele voorbeelden wanneer dit kan (lid 2), maar ook wanneer dit niet kan (zie lid 3) staan benoemd. Door dit expliciet op te nemen weet de belanghebbende waar hij om kan vragen in welke situaties en het bevordert een eenduidige uitvoering. Bij (derden)beslag hanteert het college de meest recente versie van het Handelingskader: afdracht maandelijks of jaarlijks van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Ook dit kan van invloed zijn op de periode van uitbetaling van het vakantiegeld. HOOFDSTUK 9. BIJZONDERE BIJSTAND Artikel 9.3 Het moment van aanvragen (terugwerkende kracht) en ingangsdatum De aanvraag bijzondere bijstand dient in beginsel te gebeuren vóórdat kosten worden gemaakt. Is namelijk al in de onkosten voorzien, dan is er geen sprake meer van noodzakelijkheid. Ten gunste van de uitvoerbaarheid van een aanvraag bijzondere bijstand kan de periode voor toekenning met terugwerkende kracht worden gesteld op drie maanden. De gekozen termijn sluit goed aan bij de mogelijkheid in de Participatiewet dat het college bijstand kan toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich meldde voor bijstand, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken, gelet op artikel 44 lid 5 van deze wet per 1 januari 2026. Artikel 9.4 Vormen van bijzondere bijstand Bijzondere bijstand wordt verleend om niet. Dit is de hoofdregel. Hiervan wordt afgeweken als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 48 lid 2 van de Participatiewet. Belangrijkste uitzonderingen hierop zijn als er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan of als aannemelijk is dat belanghebbende op zeer korte termijn beschikt over voldoende middelen. Op basis van artikel 51 van de Participatiewet kan het college bijzondere bijstand ook verlenen in de vorm van een geldlening voor duurzame gebruiksgoederen áls dit noodzakelijk is, gelet op de bijzondere omstandigheden. Het college maakt van die bevoegdheid gebruik. In artikel 9.18 lid 4 van deze beleidsregels staat hierop een uitzondering. Voor de aldaar genoemde duurzame gebruiksgoederen geldt een mogelijke verstrekking om niet via de bijzondere bijstand. Een sociale lening bij een kredietbank geldt niet als voorliggende voorziening. Het college vindt het belangrijk dat, als er sprake is van bijzondere omstandigheden en noodzaak van de kosten, dat een geldlening via de bijzondere bijstand openstaat zónder extra kosten voor de inwoner en borgstelling door de gemeente, zoals gebruikelijk is via een sociale lening bij een kredietbank. Artikel 9.6 Drempelbedrag Het college hanteert geen drempelbedrag (per jaar) voor het aanvragen van bijzondere bijstand. Het drempelbedrag, zoals genoemd in artikel 35 lid 2 van de Participatiewet, is dus niet van toepassing. Artikel 9.7 Medisch advies voor het vaststellen van de noodzaak Een beslissing moet zorgvuldig worden voorbereid. Dit volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De zorgvuldige voorbereiding kan in individuele gevallen inhouden dat een deskundige geraadpleegd moet worden. Na een advies is het aan het college om zich ervan te vergewissen dat het onderzoek op een zorgvuldige manier heeft plaatsgevonden. Dit blijkt uit artikel 3:9 van de Awb. Dit kan via de volgende toetsingscriteria, die gelden voor alle adviezen van deskundigen: 1.Is het advies volledig? Anders gezegd: beantwoordt het advies de vragen die door het college stelt aan de adviseur? 2.Is het advies begrijpelijk en leesbaar? 3.Adviseert de adviseur een bepaald soort voorziening? Zijn dan de relevante selectiefactoren gevolgd? 4.Is het advies in overeenstemming met de Participatiewet en het gemeentelijk beleid? De kosten van een door het college gevraagd medisch advies komen ten laste van het college. Beschikt belanghebbende zelf al over een medisch (onafhankelijk) advies waaruit de medische noodzaak blijkt? Dan hoeft er niet apart meer een advies opgevraagd te worden. Als een belanghebbende niet meewerkt aan het medisch onderzoek of totstandkoming van het advies dan kan dit een afwijzing inhouden van de aanvraag om bijzondere bijstand. Artikel 9.8 Vaststellen en toepassen van de draagkracht Dit artikel beschrijft hoe het college de draagkracht van een belanghebbende vaststelt en toepast bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand. De draagkracht bepaalt welk deel van de kosten de belanghebbende zelf geacht wordt te betalen. De uitgangspositie is eenvoudig: de bijzondere bijstand wordt berekend als het verschil tussen de noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en de vastgestelde draagkracht. De draagkracht wordt vastgesteld over een draagkrachtperiode. Die periode duurt in beginsel twaalf maanden en sluit aan bij het moment waarop de kosten ontstaan; de periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de kosten opkomen. Zo ontstaat er een logische samenhang tussen de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd en de tijd waarover belanghebbende kan bijdragen. Het college kan de draagkrachtperiode verkorten wanneer dat in een lopend kalenderjaar noodzakelijk is gelet op de duur of aard van de kosten. Dat komt bijvoorbeeld voor bij bewindvoeringskosten en bij bepaalde medische kosten, waarvan de omvang doorgaans per kalenderjaar wijzigt door indexeringen of aangepaste eigen bijdragen. Door in zulke gevallen de periode te beperken tot het resterende deel van het kalenderjaar, sluit de draagkracht beter aan op de werkelijke kostenperiode en wordt voorkomen dat draagkracht uit een volledig jaar onredelijk wordt toegerekend aan kortdurende of jaarlijks wisselende kosten. Bij de toepassing op kosten wordt onderscheid gemaakt tussen incidentele en periodieke uitgaven. Incidentele kosten zijn eenmalig; in die gevallen wordt de volledige draagkracht die voor de draagkrachtperiode is vastgesteld in één keer in aftrek gebracht op de betreffende kosten. Periodieke kosten keren maandelijks of gedurende een langere aaneengesloten periode terug; daarbij wordt de totale draagkracht omgerekend naar een maandbedrag, de maanddraagkracht, die maandelijks in aftrek wordt gebracht op de toe te kennen bijzondere bijstand. Voor periodieke kosten geldt bovendien dat de draagkrachtperiode gelijkloopt met de toekenningsperiode, zodat er geen uiteenlopende termijnen naast elkaar hoeven te worden gehanteerd. Wanneer een aanvraag zowel incidentele als periodieke kosten omvat, wordt eerst de draagkracht in aftrek gebracht op de incidentele kosten en pas daarna op de periodieke kosten. Dat is logisch, omdat de incidentele kosten direct en volledig worden beoordeeld, terwijl periodieke kosten via de maanddraagkracht over de toekenningsperiode worden verrekend. Tegelijkertijd voorkomt dit artikel onnodige herberekeningen. Tijdens een lopende draagkrachtperiode wordt de vastgestelde draagkracht niet herzien als er een nieuwe aanvraag wordt ingediend of zich een wijziging in het inkomen of vermogen voordoet, wanneer de toename in (jaar)draagkracht driehonderd euro of minder bedraagt. Kleine schommelingen leiden zo niet tot nieuwe vaststellingen. Alleen wanneer een nieuwe aanvraag of een wijziging in inkomen of vermogen resulteert in een toename van de (jaar)draagkracht van meer dan driehonderd euro, wordt herzien. De herziening gaat dan in op de eerste dag van de maand waarin de wijziging is opgetreden, dan wel de maand waarin recht op bijzondere bijstand ontstaat. Artikel 9.9 Vaststellen van het inkomen De manier waarop het inkomen wordt vastgesteld, zoals opgenomen in dit artikel sluit al aan bij de huidige (werk)praktijk en beoogt daarin geen verandering. Artikel 9.10 Draagkracht uit inkomen Algemeen Het college heeft bij de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 64-65). Dit betekent dat het college zelf bepaalt welk deel van de middelen (inkomen of vermogen) bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Hierbij is het volgende van belang: •vermogens- of inkomensbestanddelen die op grond van artikel 31 lid 2 Participatiewet niet tot de middelen worden gerekend, worden voor de bijzondere bijstand wel tot de middelen van belanghebbende gerekend; •de vrijlatingsbepalingen van artikel 34 Participatiewet zijn niet verplicht van toepassing op de bijzondere bijstand; Dat betekent dat het college deze voor de algemene bijstand wettelijk vrij te laten middelen geheel of gedeeltelijk kan betrekken bij de beoordeling van de draagkracht. Het college kan ook besluiten deze middelen voor de bijzondere bijstand buiten beschouwing te laten. Artikel 35 lid 1 Participatiewet bepaalt immers dat het college zelf oordeelt over draagkracht uit de middelen anders dan het inkomen ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Specifiek voor de gemeente Midden-Drenthe 35% van het inkomen boven de bijstandsnorm telt mee als draagkracht. Hierbij geldt dat het dan gaat om de bijstandsnorm zonder vakantiegeld. Dat is de hoofdregel. In deze beleidsregels staan bij enkele artikelen afwijkende bepalingen. Die gelden dan natuurlijk. Zie hiervoor (bijvoorbeeld) artikel 9.12 van de beleidsregels. Bij het inkomen wordt gerekend met het wettelijke inkomensbegrip. In afwijking daarvan geldt dat het vakantiegeld, een eindejaarsuitkering, individueel keuzebudget en uitbetaling van het vakantiegeld niet tot het inkomen wordt gerekend. Voor de bepaling tegen welke bijstandsnorm het inkomen wordt afgezet, geldt dat niet wordt gerekend met de kostendelersnorm. Ook wordt rekening gehouden met de bijzondere kosten van kinderopvangtoeslag als een belanghebbende die daadwerkelijk heeft én daarvoor kosten maakt. Artikel 9.11 Vermogen en draagkracht Zie allereerst de toelichting onder Algemeen bij artikel 9.10. Het vermogen boven de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de Participatiewet telt volledig mee als draagkracht. Dit is de meest uitvoerbare manier van werken én bovendien geldt in de bijstand al een vrijlating van het vermogen van meer dan € 8.000 voor een alleenstaande en meer dan € 16.000 voor alleenstaande ouders en gehuwden (jaar: 2026). Het eventuele vermogen in de eigen door belanghebbende zelf bewoonde woning, zie daarvoor artikel 34 lid 2 van de Participatiewet, telt niet mee. De bepalingen over de vermogensvaststelling gelden ook voor de individuele inkomenstoeslag, de categoriale bijzondere bijstand, zoals de collectieve zorgverzekering en gemeentelijke minimaregelingen. Artikel 9.12 Kosten waarvoor de draagkracht anders wordt vastgesteld Er zijn een tweetal kosten waarvoor de berekening van draagkracht anders is. Het gaat dan om kosten van artikelen 9.14. en 9.15 én specifieke duurzame gebruiksgoederen van artikel 9.18. Artikel 9.13 Bijzondere bijstand voor medische kosten Medische kosten worden in het kader van de Participatiewet op dezelfde manier behandeld als andere noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd. Dat betekent dus ook dat geen bijstand wordt verleend indien belanghebbende een beroep kan doen op een voorliggende voorziening voor de kosten waarvoor hij bijstand aanvraagt. Belangrijke voorliggende voorzieningen met betrekking tot medische kosten die passend en toereikend zijn, zijn de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). In het algemeen is het zo dat de Zvw en de Wlz alle noodzakelijke medische of paramedische kostensoorten vergoeden. In dit verband wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 15 lid 1 Participatiewet, waarin onder meer is opgemerkt dat de Participatiewet geen functie heeft indien binnen de voorliggende regeling een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie. Als op grond van een dergelijk noodzakelijkheidsoordeel de keuze is gemaakt om één of meer kostensoorten niet in de voorziening op te nemen of de voorziening in een bepaalde situatie niet noodzakelijk te achten, dient de Participatiewet zich bij die keuze aan te sluiten en komt men ten aanzien van die kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking. In beginsel komen medische kosten dus niet in aanmerking voor bijstandsverlening. Enkel in het geval van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 lid 1 Participatiewet kan bijzondere bijstand worden verleend voor de kosten. Het college kent nog wel de Zorgkostenregeling, maar deze staat los van de bepalingen in deze beleidsregels. Het aldaar gevoerde beleid is tegenwettelijk beleid en vergoedt wel (deels) medische kosten via de bijzondere bijstand. Het is om die reden dat – als vanuit daar een (gedeeltelijke) vergoeding mogelijk is – dit ook als voorliggend aangemerkt wordt. Voor meerkosten is soms wel bijzondere bijstand mogelijk. Hiermee wordt bedoeld dat een belanghebbende extra noodzakelijke kosten van bestaan heeft als gevolg van zijn ziekte of beperking. Het gaat dan om (meer)kosten die gezonde mensen niet maken. Het gaat dan meestal om de meerkosten, zoals opgenomen in dit artikel. Voor die kosten gelden de Zvw en Wlz niet als voorliggende voorziening. Daarbij is soms afstemming met de Wmo raadzaam. Als het college het aanvragen van een medisch advies noodzakelijk vindt, komen de kosten daarvan voor rekening van het college. Zie in dat kader ook het geschrevene bij de toelichting van artikel 9.7. GMD-lijst Een belangrijke bron hiervoor is de vergoedingenlijst inkomensondersteunende voorzieningen van de GMD (Gemeenschappelijke Medische Dienst). Deze lijst is eind 1993 opgesteld vanwege het opheffen van de GMD. Omdat de bedragen uit de GMD-lijst stammen uit 1993, is het noodzakelijk om deze te indexeren. De GMD-lijst wordt jaarlijks door Schulinck geïndexeerd met het indexcijfer voor de gezinsconsumptie. Artikelen 9.14 Kosten huur woning De Wet op de huurtoeslag (Wht) is aan te merken als een voorliggende voorziening bij een huurwoning. Alleen als de Wht gaten laat vallen, kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Nalatigheid en verwijtbaarheid van belanghebbende gelden niet als bijzondere omstandigheden. In dit artikel is strak weergegeven wanneer het college bijzondere bijstand kan verlenen aan een belanghebbende. Mocht blijken dat er een andere onvoorziene bijzondere omstandigheid zich voordoet dan geldt dat de hardheidsclausule een uitkomst kan bieden in die specifieke bijzondere situatie. Bij een eigen woning wordt de (voorlopige) teruggaaf van de Belastingdienst, voor de berekening van de kosten, op de te betalen kosten (hypotheekrente – eigenwoningforfait) in mindering gebracht. Bij huur of woonkosten van de eigen woning boven de aftoppingsgrens, wordt tegelijkertijd met de toekenning de verplichting opgelegd tot aanvaarding van een goedkopere woonruimte, waarvan de lasten minder bedragen dan de aftoppingsgrens. Het opleggen van deze verplichting dient expliciet te gebeuren in de beschikking waarin de bijzondere bijstand wordt toegekend. Van zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen het opleggen van de ‘verhuisplicht’ kan bijvoorbeeld sprake zijn bij personen met een beperking. Bijvoorbeeld als de hoge kosten verbonden aan de woning veroorzaakt worden door aangebrachte voorzieningen in de woning aangebracht vanwege een beperking van de belanghebbende. Maar ook als de belanghebbende met een beperking in een adequate woning woont en er geen zicht is op een goedkopere woonruimte in een adequate woning. In die gevallen zou een belanghebbende moeten verhuizen naar een inadequate woning, waarbij mogelijk een Wmo-voorziening geweigerd zou worden vanwege de verhuizing naar een inadequate woning. Let op: de draagkrachtberekening van deze (algemene) kosten van het bestaan is anders dan de hoofdregel. Dit staat al vermeld in artikel 9.12 van deze beleidsregels. Artikel 9.15 Kosten eigen woning Zie de toelichting bij artikel 9.14 van deze beleidsregels. Artikel 9.16 Kosten voor woninginrichting De kosten van woninginrichting vallen onder de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze moet in beginsel worden betaald uit het inkomen (op bijstandsniveau), via reservering of gespreide betaling achteraf. Het college vindt, onverminderd het bepaalde in artikel 35 lid 1 van de Participatiewet, dat voor bepaalde doelgroepen de verlening van bijzondere bijstand mogelijk moet zijn voor de kosten van woninginrichting. Artikel 9.17 Kosten eerste en tweede maandhuur Deze bijzondere bijstand wordt verleend om niet. Huisvesting is voor de genoemde doelgroep(en) in artikel 9.16 van essentieel belang in het kader van bestaanszekerheid. Het is om die reden dat er geen drempel wordt opgelegd om over te gaan tot toekenning van bijzondere bijstand voor de genoemde kosten in dit artikel aan deze doelgroep(en). Het feit dat de kosten van huur vallen onder de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan doet hieraan dus niet aan af. Artikel 9.18 Specifieke bepalingen voor bepaalde duurzame gebruiksgoederen In dit artikel wordt ingegaan op een aantal specifieke vergoedingen vanuit de bijzondere bijstand. Namelijk voor een laptop of tablet. Deze verstrekking vervangt de Regeling voor devices, zoals opgenomen in de eerder geldende Verordening minimaregelingen 2022. Deze bijstand wordt wel, net als in de Regeling voor devices, in de vorm van een geldlening verstrekt. De manier van aflossen wijzigt eveneens. Er wordt uitgegaan van 5% van de bijstandsnorm als aflossing, welke gelijk is aan de beslagvrije voet. Hiermee lost de inwoner de geldlening sneller af. Daar tegenover staat wel dat bij een al lopend beslag of verrekening geldt dat de aflossing op de bijzondere bijstand opgeschort wordt. De reden hiervan is dat zo wordt voorkomen dat er aflossingen zijn, waardoor maandelijks niet meer beschikt wordt over een inkomen gelijk aan of hoger dan de beslagvrije voet. Van dit artikel zijn de leden 1 tot en met 3 en 10 tot en met 12 van toepassing op de bijzondere bijstand voor de laptop of tablet. Een belangrijke voorliggende voorziening is een refurbished laptop via het uitgiftepunt bij de bibliotheken. De bibliotheken zijn namelijk aangesloten bij Allemaal Digitaal. Verder geldt dat in lid 4 voor een specifiek aantal andere duurzame gebruiksgoederen bijzondere bijstand om niet kan worden verstrekt. Het gaat om een wasmachine, koel-vriescombinatie, kooktoestel, stofzuiger of een bed met of zonder matras of een afzonderlijk matras. Het gaat hierbij om een voortzetting van de bestendige praktijk. Voor de vergoeding wordt aangesloten bij de prijzen van de Nibud-prijzengids. Dit betekent een hogere vergoeding dan voorheen, namelijk tot € 525 (Nibud-prijzengids 2025-2026). Waar dit eerder € 450 was. Dit is goed verdedigbaar, want toen deze regeling inging was de vergoeding op basis van de Nibud-prijzengids van toen € 449. Afgeleid mag worden dat indexatie daarom wenselijk is. Daarbij is ook van belang dat het budget hiervan vaak niet volledig is benut in de afgelopen jaren en de manier van terugbetalen gelijkgesteld is met de berekening van de beslagvrije voet. Artikel 9.20 Kosten beschermingsbewind, mentorschap, curatele en budgetbeheer De kosten van beschermingsbewind, mentorschap en curatele komen voor bijzondere bijstand in aanmerking als door de kantonrechter tot onderbewindstelling is besloten. Daarmee staat de noodzaak van de kosten vast. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de door de kantonrechter vastgestelde maximale vergoeding. Wanneer door de rechter een uitspraak is gedaan over de Wsnp dan wordt direct daaraan een bewindvoerder gekoppeld die de belangen van de klant behartigt. Aan deze dienstverlening zijn kosten verbonden. Deze kosten dient de bewindvoerder uit de boedel van de klant te halen. Dit kan in de vorm van voorschotten vooraf of bij de eindafrekening. Een aanvraag voor deze kosten zal dan ook moeten worden afgewezen, omdat al in de kosten wordt voorzien. Voor de kosten van budgetbeheer geldt dat hiervoor geen bijzondere bijstand gegeven wordt, omdat de kosten (meestal) niet noodzakelijk zijn en het college deze voorziening zelf via derden aanbiedt via de afdeling schuldhulpverlening. Of hieraan kosten verbonden zijn, hangt af van de individuele situatie van de belanghebbende. De oplossing ten aanzien van de kosten moet dan ook via de afdeling schuldhulpverlening worden gevonden als er blijk is van het niet kunnen betalen van deze kosten. Artikel 9.21 Overbruggingsuitkering Soms is er geen inkomen, voldoende geld op de bankrekening(en) en worden salarissen en uitkeringen een maand later uitbetaald. Dit betekent dat een belanghebbende tijdens een aanvraag om algemene bijstand of een wijziging daarin een periode moet overbruggen tot de eerste volledige uitbetaling. Soms is overbrugging van deze periode lastig en kan verlening van bijzondere bijstand een passende oplossing zijn. Gedacht kan worden aan de volgende personen: een statushouder die zich vestigt in de gemeente, een persoon die in een scheiding ligt en geen inkomen heeft, een persoon met een inkomen vanuit weekloon naar een algemene bijstandsuikering of een persoon die van een zak- en kleedgeldnorm naar een volledige bijstandsuitkering gaat. Artikel 9.22 Uitvaartkosten Een uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering en de nalatenschap zijn voorliggende voorzieningen waar een begrafenis of crematie van een overledene van kan worden voldaan. Bijzondere bijstand voor uitvaartkosten kan worden verstrekt aan erfgenamen en bloed- en aanverwanten als de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap kunnen worden voldaan en de belanghebbende niet over toereikende middelen beschikt om (zijn/ haar aandeel) van de uitvaartkosten te voldoen. Een uitvaart krijgt tegenwoordig steeds vaker een uniek karakter, omdat meer rekening wordt gehouden met de persoonlijke wensen van de overledene en de nabestaanden. Uit respect naar deze mensen toe, kiest de gemeente Midden-Drenthe ervoor om uit te gaan van één normbedrag voor een begrafenis en een crematie. Er wordt dus niet meer gekeken of bepaalde kosten noodzakelijk worden geacht. De belanghebbende kan zelf bepalen, mits de uitvaartkosten binnen het normbedrag blijven, hoe de middelen ten behoeve van de uitvaart worden aangewend. Het normbedrag is gebaseerd op een eenvoudige sobere uitvaart of crematie en afgeleid van de bedragen Nibud-prijzengids en het eerdere beleid. Het normbedrag bedraagt € 5.000 voor een begrafenis en € 3.200 voor een crematie. Als er meerdere erfgenamen en bloed- en aanverwanten zijn, kunnen de kosten over meerdere personen verdeeld worden. Er bestaat dan recht op een deel van de genoemde normbedragen. Voorbeeld: er zijn 3 erfgenamen en 1 erfgenaam doet een aanvraag bijzondere bijstand voor zijn/ haar deel van de uitvaartkosten. Het gaat om de kosten van een begrafenis. Er bestaat recht op een bedrag van € 5.000: 3= € 1.667 aan bijzondere bijstand (mits aan alle voorwaarden wordt voldaan). Artikel 9.23 Kosten eigen bijdrage rechtsbijstand en het griffierecht De Wet op de Rechtsbijstand (Wrb) is een voorliggende voorziening die de financiering van rechtsbijstand voor mensen met een laag inkomen regelt. De Raad voor Rechtsbijstand voert de Wrb uit en beslist op verzoek om een toevoeging voor een rechtsbijstandsverlener. De Raad regelt ook de betaling aan de advocaat. De Wrb dekt alleen geen griffiegelden, de kosten die je betaalt om een zaak bij de rechtbank in te dienen of om verweer te voeren. Daarnaast moet de persoon die hulp zoekt een eigen bijdrage betalen. De data waarop de kosten opkomen staan beschreven in het artikel én zijn van belang voor het bepalen van de tijdigheid van een aanvraag om bijzondere bijstand. Dit is hier omschreven, omdat de datum van het opkomen van de kosten niet gelijk is aan de factuurdatum van de advocaat, zoals wel eens gedacht. Soms wordt de wederpartij veroordeeld tot het betalen van de gemaakte proceskosten, waaronder de eigen bijdrage en het griffierecht. In dat geval kan het college de bijstand terugvorderen wegens achteraf verkregen middelen als voor deze kosten bijzondere bijstand verleend is. De regels over terug- en invordering staan in hoofdstuk 11. Artikel 9.24 Kosten voor verlenging van een verblijfsvergunning De kosten van het verlengen van een verblijfsvergunning zijn incidenteel voorkomende, algemeen noodzakelijke kosten: ze zijn vergelijkbaar met de legeskosten, die gemaakt worden voor het aanvragen van documenten als een paspoort of rijbewijs. Deze dienen in beginsel ook uit een inkomen op het sociaal minimum te worden betaald. Wanneer dit vanwege de hoogte van de kosten niet mogelijk is, moet men hiervoor sparen of lenen. De kosten van verlenging van een verblijfsvergunning zijn zeer hoog voor personen met een inkomen op minimumniveau. Er wordt geen vrijstelling voor deze kosten verleend, er bestaat geen speciaal tarief voor lage inkomens en het betalen in termijnen is niet mogelijk. Het komt dan vooral aan op de mogelijkheden om voor deze kosten te reserveren. Nieuwkomers krijgen in Midden-Drenthe bijzondere bijstand in de vorm van een gemeentelijke geldlening voor de kosten van een woninginrichting en lossen hier maandelijks op af. Hierdoor hebben deze personen vaak weinig of geen reserveringsruimte. Het is daarom wenselijk om voor de meerkosten verlening van bijzondere bijstand mogelijk te maken. Het uitblijven van een verlenging brengt voor de maatschappij veel méér kosten met zich mee. Onder meerkosten voor de kosten van het verlengen van een verblijfsvergunning wordt verstaan: de kosten die meer bedragen dan de aanschaf van een identiteitskaart. HOOFDSTUK 10. VERHAAL Momenteel is het bestendige praktijk dat er geen verhaal wordt uitgevoerd als bedoeld in paragraaf 6.5 van de Participatiewet. Vooralsnog wordt deze bestendige uitvoeringspraktijk voortgezet. Dit laat onverlet dat de bevoegdheid van het college om belanghebbende te verplichten om alimentatie te eisen. Dit vloeit voort uit artikel 55 van de Participatiewet. Voordat het college hiertoe overgaat geldt uiteraard de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, waarbij alle belangen worden afgewogen. Die van het college, de gemeenschap en ook zeker die van de belanghebbende. Goed voorstelbaar is dat het college deze verplichting niet oplegt als er sprake was van fysiek of psychisch geweld door een ex-partner en het risico bestaat dat de situatie weer escaleert als de verplichting opgelegd wordt. HOOFDSTUK 11. OPSCHORTEN, HERZIEN, TERUG- EN INVORDEREN BIJSTAND, IOAW EN IOAZ Artikel 11.3 Bevoegdheden Het college heeft verschillende bevoegdheden binnen de uitkering. In dit artikel staan een aantal benoemd. Van deze bevoegdheden maakt het college in elk geval gebruik en aangegeven is in dit hoofdstuk op welke manier. Als een belanghebbende tijdens een uitkering onvoldoende informatief geeft of medewerking verleend die van belang is voor het actuele recht op de uitkering is het college bevoegd om het recht op uitkering op te schorten. Het kan voorkomen dat er ten onrechte of teveel uitkering is verleend. De wetten geven aan wanneer de uitkering kan óf moet worden teruggevorderd. Terugvordering is een bevoegdheid van het college, behalve als het gaat om een terugvordering vanwege het geven van verkeerde informatie. Daaronder wordt verstaan: het geven van onjuiste informatie, te laat geven van informatie of het helemaal niet geven van informatie van belang voor de uitkering. Belanghebbende is dan de inlichtingenplicht niet nagekomen. In die gevallen is de terugvordering geen bevoegdheid, maar een verplichting van het college. Voorafgaand aan een terugvordering is soms een intrekking of herziening aan de orde. Bij alle bevoegdheden geldt dat het college een toetsing maakt aan het evenredigheidsbeginsel. In rechtspraak is er een beoordelingskader ontstaan voor de toetsing aan evenredigheid van besluiten. Bij de toets speelt een rol of het besluit geschikt en noodzakelijk is voor het bereiken van het doel van het besluit en de belangenafweging van enerzijds het college, de maatschappij en aan de andere kant de belanghebbende evenwichtig is. Daarbij geldt hoe groter de impact van het besluit, hoe zwaarder de toets. Concreet gelden dat de volgende vragen kunnen helpen bij de beoordeling van de evenredigheid: 1.Helpt het besluit bij de oplossing van het probleem dat het college wil aanpakken (Is het besluit geschikt)? 2.Is er een lichtere manier met een soortgelijk effect mogelijk (Is het besluit noodzakelijk)? 3.Staan de gevolgen van het besluit voor de getroffen belanghebbende in verhouding tot het doel van het besluit? (Is de belangenafweging evenwichtig)? Niet moet worden vergeten dat het doel van het evenredigheidsbeginsel niet is: het in het algemeen tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming. Het doel van de toets aan het evenredigheidsbeginsel is het voorkomen van onnodige nadelige gevolgen Artikel 11.4 Afzien van herzien, terugvorderen en/of bruteren Lid 1, lid 2 en lid 3 In de rechtspraak is de zesmaandenjurisprudentie ontwikkeld. Dit betekent dat het college niet meer kan terugvorderen dan 6 maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het uitvoeringsorgaan had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel wordt betaald. De periode die maximaal kan worden teruggevorderd start vanaf de dag van het signaal en eindigt maximaal 6 maanden later. Het college gaat hierin nog een stap verder én ziet ook af van terugvordering van de eerste zes maanden. Dit voorkomt schuldenproblematiek. Daarbij loopt dit onderdeel al vooruit op het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid. Lid 5 Veel gemeenten gaan na een beëindiging van de uitkering (Participatiewet) niet meer over tot terugvordering van de hierna genoemde heffingskortingen van de Belastingdienst: de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting. Het voorstel is om dit ook in deze gemeente te gaan doen. De teruggave van de Belastingdienst kan namelijk pas het jaar na beëindiging van de bijstand via een teruggave worden verkregen bij aangifte van de inkomstenbelasting. De belanghebbende wordt dan na zijn AOW-gerechtigde leeftijd nog weer belast met het aanleveren van informatie. De uitvoering moet hier ook alert op blijven en vaak deze informatie (ter herinnering) opvragen bij belanghebbende. Dit brengt uitvoeringskosten met zich mee. Het afzien van terugvordering heeft bovendien als extra voordeel dat belanghebbende een meer te besteden heeft in het jaar na de bijstandsverlening. Dit is ook wenselijk, zeker nu belanghebbende niet meer in aanmerking komt voor de individuele inkomenstoeslag vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Alles afwegende is het doelmatig om af te zien van de terugvordering van genoemde heffingskortingen. Dit geldt ook voor de belanghebbende die in 2025 een bijstandsuitkering ontving én in 2026 deze kortingen ontvangt. Lid 6 Het college vordert als het gaat om een bevoegdheid de uitkering altijd netto terug. Dit geldt dus uitdrukkelijk niet in situaties waarbij belanghebbende de inlichtingenplicht niet nakwam. Daar geldt immers een verplichting tot terugvordering van de verleende (bruto) uitkering. Artikel 11.7 Terugbetaling wanneer belanghebbende geen uitkering ontvangt Lid 7 Het college kan een betalingsregeling treffen met belanghebbende voor de terugbetaling. Het college stemt altijd in met een betalingsvoorstel als belanghebbende: •een vordering heeft van € 900 of lager in totaal; en •minimaal € 25 per maand aflost. Lid 8 Het kan zijn dat het voor belanghebbende niet mogelijk is om te voldoen aan de uitgangspunten van de gestelde betalingsplicht als opgenomen in de leden 5, 6 en/of 7. In die gevallen kan het college op basis van de individuele situatie van de belanghebbende komen tot een andere betalingsregeling. De individuele situaties van belanghebbenden kunnen op veel (leef)gebieden afwijken en dit vraagt daarom om maatwerk. Lid 9 Een betalingsregeling komt te vervallen als belanghebbende weer een uitkering ontvangt. Dan gelden de regels van artikel 11.6 opnieuw. Artikel 11.8 Uitstel van betaling of uitstel tijdens een betalingsregeling Lid 3 De voorgestelde uitstel van betaling is maximaal 16 maanden. Een kortere periode is het uitgangspunt. De gekozen periode sluit aan bij de mogelijkheid tot uitstel van betaling van 2 keer 8 maanden op basis van het Convenant lokale overheid. Dit een periode van maximaal 8 maanden op basis van de stabilisatiefase en maximaal 8 maanden in de schuldregelingsfase. Artikel 11.10 Aanmaning, (vereenvoudigd) beslag, inschakeling deurwaarder In navolging van artikel 11.7 lid 1 is in dit artikel opgenomen hoe het college omgaat met de situaties dat belanghebbende niet overgaat tot terugbetaling van een vordering binnen zes weken na het besluit én ook geen terugbetalingsregeling treft. Het college gaat in die gevallen over tot aanmaning, (vereenvoudigd) beslag en eventueel inschakeling van een deurwaarder. Dit staat duidelijk beschreven in het artikel. Voor de kosten van een aanmaning wordt aangesloten bij de bepalingen daarover in artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de kosten van vereenvoudigd beslag wordt aangesloten bij het minimale bedrag als bedoeld in artikel 2 lid 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. En verdere kosten worden daarbij niet in rekening gebracht. Als een vordering wordt overgedragen naar een deurwaarder, waarvan het de bedoeling is om dit zoveel mogelijk te voorkomen en zeker gelet op de mogelijkheden die het college zelf al heeft, gelden de wettelijke regels voor deurwaarders op basis van de Gerechtsdeurwaarderswet en de Gerechtsdeurwaardersverordening. HOOFDSTUK 12 OVERIGE BEPALINGEN Artikel 12.1 Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien Er kunnen situaties zijn of kosten die niet zijn opgenomen in deze beleidsregels of niet zijn te voorzien. Voor de volledigheid is bepaald dat het college in die gevallen bevoegd is om hierop (afwijkend) te beslissen. Deze tekst is volledig in lijn met wat is opgenomen in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 12.2 Inwerkingtreding en intrekking oude beleidsregels Dit artikel behoeft alleen toelichting op het onderdeel intrekking van oude beleidsregels. Tot op heden werd nog gewerkt met deels niet - via het elektronisch gemeenteblad - gepubliceerde beleidsregels. Voor de volledigheid worden al deze beleidsregels ingetrokken voor zover ze betrekking hebben op de beleidsonderwerpen van deze beleidsregels.
Meer informatie