Verordening Jeugdhulp gemeente Katwijk 2026

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op17 september 2026
Gepubliceerd doorGemeente Katwijk

Verordening Jeugdhulp gemeente Katwijk 2026 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepaling In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt (mede) verstaan onder: a. het College: College van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk; b. crisissituatie: Een ernstige verstoring van het normale, alledaagse functioneren van een individu of systeem waarbij sprake is van acute onveiligheid voor de jeugdige en/of diens omgeving wat vraagt om direct ingrijpen om het gevaar af te wenden. c. ondersteuningsvraag: behoefte van een jeugdige en/of een ouder aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; d. ondersteuningsplan: familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; e. Ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder f. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het College verstrekt budget aan een jeugdige en/of diens ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die in de vorm van een individuele voorziening is toegekend van derden te betrekken; g. sociaal netwerk: andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of diens ouder(s); h. specialistische jeugdhulp: de individuele voorziening jeugdhulp die uitsluitend toegankelijk is op basis van een verwijzing van de gemeente, de huisarts, jeugdarts of medisch specialist of van een functionaris in justitieel kader als bedoeld in de wet; i. vaktherapieën: De aanduiding vaktherapie is een clusterbenaming van de beroepen Beeldende therapie, Danstherapie, Dramatherapie, Muziektherapie, Psychomotorische (Kinder)Therapie en Speltherapie; j. voorliggende voorziening: voorziening die rechtstreeks en openbaar toegankelijk is en niet wordt georganiseerd door de gemeente. Artikel 2 Uitgangspunten Deze verordening is geschreven vanuit de lokale realiteit van de gemeente Katwijk, echter behoudt deze op onderdelen de regionale accenten gezien de regionale inkoop van jeugdhulp met de 13 gemeenten in de regio Holland Rijnland. De Jeugdwet en het op 12 maart 2020 vastgestelde Programmaplan Jeugdhulpaanbod vanaf 2021 Duin- en Bollenstreek en de Maatschappelijke agenda 2024-2028 geven de kaders voor deze Verordening. Ook sluiten deze uitgangspunten aan bij de geactualiseerde regiovisie die in 2026 ter besluitvorming voorligt. In dit artikel worden de voornaamste uitgangspunten benoemd. 1. Ouderlijke verantwoordelijkheid: Ouders zijn primair verantwoordelijk voor hun kind. Dit is vastgelegd in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (artikel 18 IVRK, United Nations, 1989) en de Nederlandse wet (1:247 Burgerlijk Wetboek). Hierin staat beschreven dat de verantwoordelijkheid om een jeugdige op te voeden primair bij de ouder(s) ligt. Jeugdhulp biedt tijdelijke ondersteuning aan jeugdigen en hun ouders. Het samenwerken met ouder(s) is dus een onlosmakelijk en essentieel onderdeel van jeugdhulp. 2. Eigen kracht: Het vermogen van jeugdigen en/of het gezin om zelf en/of samen oplossingen te bedenken voor hun eigen problemen en deze (deels) ook zelf uit te voeren. Daarbij kan ook het sociale netwerk ingezet worden voor het oplossen van, of het meedenken over de oplossing, van problemen. Door hier gericht ruimte en aandacht aan te geven kan de jeugdige en/ of zijn ouders hun eigen kracht benutten en vergroten. Niet het aanbod van de voorzieningen, maar de vraag van de inwoner, de eigen mogelijkheden van de inwoner en de directe omgeving staan hierbij centraal. Iedere inwoner doet, naar eigen vermogen op maximaal niveau, mee aan de samenleving. Ondersteuning sluit dan ook zoveel mogelijk aan op de eigen initiatieven van inwoners en richt zich op de versterking van het sociaal netwerk, vrijwillige inzet en de activering en participatie van inwoners. Blijkt de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouder(s) en hun informele netwerk ontoereikend, pas dan wordt ondersteuning geboden. 3. Normaliseren: Opvoeden en opgroeien is een natuurlijk en dynamisch proces waarbij ouder(s), jeugdigen en de directe omgeving elkaar beïnvloeden op basis van wederzijds begrip en respect. Soms kan opvoeden ook lastig zijn. Dan moeten informatie, advisering, ondersteuning en hulp beschikbaar zijn. Wanneer er hulp geboden wordt, is dit gericht op het herstel van het normale leven. Het uiteindelijke doel is om, als het kan, zo snel mogelijk (weer) zonder hulp verder te kunnen. Jeugdigen verblijven thuis, in hun leefomgeving en gaan naar school. Wij voegen daarom aanvullende ondersteuning toe aan de plekken waar zij aanwezig zijn. Bij voorkeur wordt hulp daarom zoveel als mogelijk thuis geboden of in een situatie die het meest op thuis lijkt. Opname in een verblijfssetting wordt zoveel mogelijk voorkomen. Waar mogelijk worden ambulante alternatieven ingezet in plaats van verblijf. Daarnaast geldt dat het gebruik van jeugdhulp een uitzondering is. Waar passend wordt samen met de jeugdige en het gezin zo snel mogelijk een alternatief voor specialistische jeugdhulp gezocht dat aansluit bij het ‘normale’ leven en de directe omgeving van de jeugdige en het gezin. Er wordt actief ingezet op preventie en vroegsignalering om waar mogelijk te voorkomen dat jeugdigen in een (specialistisch) jeugdhulptraject instromen. 4. Optimale kansen: Jeugdigen moeten optimale kansen krijgen om zich te ontwikkelen, waardoor zij, nu en later, naar vermogen kunnen deelnemen en bijdragen aan de maatschappij. Dit houdt onder andere in dat alle jeugdigen die onderwijs kunnen volgen, daadwerkelijk onderwijs genieten. Alle mogelijkheden voor het volgen van onderwijs worden benut in samenwerking met samenwerkingsverbanden en scholen, het Wijkteam en jeugdhulpaanbieders. Hierbij wordt ingezet op het creëren van een volledige keten van onderwijs- en jeugdhulpvoorzieningen. Daarnaast gaat optimale kansen ook over het kunnen en mogen meedoen aan de maatschappij door onder andere deelname aan een (sport)club en/of muziekschool. Hierbij worden competenties en talenten van jeugdigen ontwikkeld en dragen de opgedane contacten bij aan het versterken van het netwerk van de jeugdige en het gezin. 5. Doelgerichte hulpverlening: Het dient voorop te staan dat jeugdigen en gezinnen de juiste zorg en hulp krijgen. Daarbij geldt dat de hulp die wordt geboden zoveel mogelijk direct passend is (first time right). Dit brengt een integrale aanpak met zich mee en houdt in dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat naar verschillende instanties wordt doorverwezen, voordat de juiste hulp geboden kan worden. Daarnaast wordt er door middel van het ondersteuningsplan gericht aan doelen gewerkt om, de door de jeugdige en/of zijn ouders gestelde, resultaat te behalen. 6. Collectiveren: We kiezen voor collectieve oplossingen. Individuele trajecten zetten we alleen in waar dat niet anders kan. Hierdoor kunnen wachtlijsten verminderen en kosten verlagen. 7. Gezinsgericht werken: We betrekken het gehele netwerk en kijken naar het hele gezin en/of huishouden. We werken met een verklarende analyse van de specifieke situatie van een jeugdige in diens context (opvoeders, gezin, netwerk). Deze wordt opgesteld samen met jeugdigen, hun gezinnen en hun netwerk. Door breder te kijken dan de gestelde vraag, ontstaat een compleet beeld van de situatie, de samenhang tussen problemen, en de kracht en mogelijkheden binnen het eigen netwerk. Hierdoor kunnen oorzaken van problemen worden aangepakt, zodat deze zich minder snel of zelfs niet opnieuw voordoen. Hoofdstuk 2 Voorveld Artikel 3 Voorliggende voorzieningen 1.Het College verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: a.met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; b.naar het oordeel van het College met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of c.gegronde redenen zijn voor het College om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of diens wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2.Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het College gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen. 3.De jeugdige of diens ouder(s) dan wel wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. Artikel 4 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Het College stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a.de Leerplichtwet; b.de Participatiewet; c.de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; d.de Wet Inburgering 2021; e.de Wet kinderopvang; f.de Wet langdurige zorg; g.de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; h.de Wet passend onderwijs; i.de Wet publieke gezondheid; j.de Wet tijdelijk huisverbod; k.de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en l.de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en diens ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2.De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a.het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b.stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; c.een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Als er voor de betreffende problematiek zowel zorg uit de Wet passend onderwijs als de Jeugdwet kan worden verkregen, dan past het College de methode ‘integraal arrangeren’ toe. 4.Het College weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: a.de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; b.de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 6 en de mogelijkheden van het sociale netwerk; c.welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; d.welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 5.Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het College het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. Artikel 5 Algemene voorzieningen 1.Een algemene voorziening is vrij toegankelijk. Het is een voorziening op basis van de Jeugdwet, die voor elke jeugdige beschikbaar is. Er is geen of een beperkte toegangsbeoordeling. 2.De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a.Jeugdgezondheidszorg; b.Informatie, training en advies op het gebied van opvoeden en opgroeien zoals geboden door Welzijnskwartier, het Sociaal Wijkteam en het Centrum voor Jeugd en Gezin; c.Kortdurende pedagogische ondersteuning vanuit het Sociaal Wijkteam of één van de organisaties waarmee de gemeente een subsidierelatie heeft vanuit de Maatschappelijke Agenda; d.Aanbod van jeugdhulp geboden door het Sociaal Wijkteam; e.Oudercontact- en ontmoetingsmomenten; f.Jeugd- en Jongerenwerk; g.Jeugdhulp op school in het gespecialiseerd onderwijs; h.Reguliere sport- en vrijetijdsvoorzieningen; i.Jeugd- en gezinsondersteuning vanuit het Sociaal Wijkteam; j.Weerbaarheidstraining en faalangsttraining; k.Bondgenoten/lotgenoten contact; l.Kinderopvang en/of Buiten Schoolse Opvang (plus voorziening); m.Mantelzorgondersteuning; n.Respijtzorg; o.Relatie- en echtscheidingspunt; p.Eerstelijnszorg, zoals huisartsenzorg; q.Praktijkondersteuner Huisartsen Jeugd (POH Jeugd) r.Aanbod vanuit één van de organisaties die een subsidie hebben ontvangen vanuit de gemeente in het kader van de Maatschappelijke Agenda. 3.Het College kan in nadere regels vaststellen welke algemene voorzieningen concreet op basis van lid 1 beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden. Artikel 6. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht 1.Jeugdigen en/of ouder(s) komen in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: •gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders •bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan •de ondersteuning vanuit het sociale netwerk •het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten 2.Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3.Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het College of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het College houdt hierbij rekening met de volgende factoren: a.de leeftijd van de jeugdige b.de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft c.de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige d.de mate van planbaarheid van de hulp e.de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige 4.Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het College of de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 1 van deze verordening. Indien dit het geval is worden voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in beginsel geacht aanwezig te zijn, tenzij uit het onderzoek blijkt dat gelet op de individuele omstandigheden ondersteuning noodzakelijk is. 5.Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het College geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 6.Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het College beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het College maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: •Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. •Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 7.Het College verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 8.Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het College rekening met de volgende factoren: a.de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige b.de mate van planbaarheid van de hulp c.het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders d.de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige e.vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond) f.of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden g.welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen h.het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen i.de woonsituatie j.de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet) k.is er een sociaal netwerk en wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of diens ouders te ondersteunen l.overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht 9.Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het College verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 10.Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: •Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. •Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. •Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het College wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. •Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. •Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. •Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 11.Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het College verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 12.Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het College verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. Artikel 7 Individuele jeugdhulpvoorzieningen 1.Een individuele jeugdhulpvoorzieningen is een specialistische jeugdhulpvoorziening die door het College wordt toegekend en verstrekt aan de in de gemeente Katwijk woonachtige jeugdige en/of ouder(s) of de jeugdige en/of ouder(s) waarvoor de gemeente Katwijk op grond van het woonplaatsbeginsel (Jeugdwet artikel 1.1) verantwoordelijk voor is. Een individuele jeugdhulpvoorziening kan in natura of als persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. 2.De verwijzer adviseert (en besluit) op de duur en intensiteit van de individuele voorziening waarbij uit wordt gegaan van zo licht en zo kort mogelijk. De verwijzer kan aanwezig zijn bij evaluatiegesprekken. 3.Een individuele jeugdhulpvoorziening kan alleen worden verstrekt in situaties, waarbij geen oplossing gevonden kan worden, al dan niet gedeeltelijk, in het benutten van mogelijkheden in het kader (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht zoals beschreven in artikel 6 van deze verordening. 4.Een individuele jeugdhulpvoorziening kan alleen worden verstrekt in situaties, waarbij geen oplossing gevonden kan worden, al dan niet gedeeltelijk, in algemene of voorliggende voorzieningen zoals beschreven in artikel 3, 4 en 5 van deze verordening. 5.Onder de individuele voorzieningen vallen specialistische jeugdhulpvoorzieningen: a.Behandeling met verblijf; i.Jeugdhulp Behandeling met verblijf ii.Intensieve ambulante behandeling ter vervanging van verblijf iii.Jeugdzorgplus b.Wonen; i.Gezinshuis ii.Jeugdhulp met verblijf iii.Pleegzorg c.Dagbehandeling en dagbesteding; i.Dagbehandeling A ii.Dagbehandeling B iii.Dagbehandeling KDC iv.Dagbesteding (inclusief respijtzorg) v.Onderwijs-zorg arrangement (OZA) vi.Zorg-onderwijs arrangement (ZOA) d.Ambulante jeugdhulp; i.Jeugd-ggz diagnostiek ii. Jeugd-ggz behandeling iii.Begeleiding individueel (op school) iv. Behandeling individueel (op school) v.Begeleiding en behandeling groep vi.Diagnostiek Ernstige Dyslexie vii.Behandeling Ernstige Dyslexie viii.(Hoog) specialistische ggz e.Crisis; i.Jeugdhulp ambulant crisis ii.Jeugd-ggz crisis behandeling iii.Crisis verblijf iv.Pleegzorg crisis f.Veiligheid; i.Jeugdbescherming ii.Jeugdreclassering iii.Veiligheid gesloten plaatsing iv.Veiligheid toegang en eerstelijnsvoorziening 6.Jeugdhulp op school is voorliggend aan de voorzieningen ambulante jeugdhulp, dagbehandeling en dagbesteding. 7.Groepsbegeleiding of behandeling is voorliggend aan individuele begeleiding of behandeling. 8.De inzet van dieren bij jeugdhulp is uitsluitend toegestaan als onderdeel van een goedgekeurd behandelplan, uitgevoerd door gekwalificeerd professional. 9.Individuele begeleiding bij sport wordt niet vergoed door de gemeente. 10.Het College heeft de bevoegdheid de in lid 5 genoemde individuele voorzieningen in nadere regels te specificeren en/of een deel daarvan als vrij toegankelijk te benoemen. 11.Het College kan nadere regels stellen ten aanzien van de duur en maximaal aantal uur waarop aanspraak kan worden gemaakt. 12.Het College zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt het uitgangspunt is. Daarnaast wijst het College de jeugdige en/of ouder(s) op de mogelijkheid hiervan gebruik te maken. Deze cliëntondersteuning kan steun bieden in de gesprekken met het Wijkteam of andere professionals in het jeugdhulpdomein. Artikel 8 Wijkteam 1.Het College draagt zorg voor een Wijkteam. 2.Het Wijkteam is een multidisciplinair team bestaande uit onder andere jeugdconsulenten, jeugdhulpverleners, kwaliteitsmedewerkers, coaches en gedragswetenschappers. Ieder van hen levert, binnen de grenzen van zijn of haar deskundigheid, een bijdrage aan de verlening van ondersteuning en zorg aan jeugdigen en/of diens ouders. Zo nodig worden professionals uit verschillende leefdomeinen in een gezamenlijke aanpak bij elkaar gebracht. Het Wijkteam werkt volgens de methodiek één gezin, één plan en één regisseur. 3.Ten aanzien van jeugdhulpvragen biedt het Wijkteam onderzoek naar de hulpvraag, consultatie en advies, basisdiagnostiek en zorgcoördinatie. Ambulante jeugdhulp en preventief groepsgericht trainingsaanbod wordt verricht door de jeugdhulpverlener van het Wijkteam. Hoofdstuk 3 Behandeling Ondersteuningsvraag Artikel 9 Behandeling ondersteuningsvraag 1.Iedere jeugdige en/of ouder woonachtig in de gemeente Katwijk of waarvoor de gemeente Katwijk op grond van het woonplaatsbeginsel (Jeugdwet artikel 1.1) verantwoordelijk voor is, met een ondersteuningsvraag kan zich wenden tot: a.het Wijkteam, of; b.een bevoegde professional zoals een huisarts, medisch specialist of jeugdarts. 2.In het geval dat de ondersteuningsvraag is gesteld aan het Wijkteam, vindt in navolging daarvan zo spoedig mogelijk een gesprek plaats tussen de jeugdige en/of ouders en het Wijkteam. 3.De jeugdige en/of ouders verstrekken desgevraagd aan het Wijkteam voorafgaand aan of tijdens het gesprek alle gegevens, die naar het oordeel van het Wijkteam voor het onderzoek nodig zijn. 4.Het Wijkteam verzamelt in overleg met de jeugdige en/of de ouders de noodzakelijke en toegankelijke gegevens over de jeugdige en diens situatie. 5.Het Wijkteam informeert de jeugdige en/of de ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 6.Het Wijkteam stelt in een of meerdere gesprek(ken) samen met de jeugdige en/of ouders vast: a.Wat de ondersteuningsvraag is met daarbij specifiek aandacht voor de gezinssituatie op de verschillende leefgebieden, dit vormt de basis van de integrale werkwijze; b.Wat de opgroei- en opvoedingsproblemen stoornissen en psychische problematiek zijn met daarbij specifiek aandacht voor de beoogde resultaten van de ondersteuning; c.Of en welke ondersteuning nodig is rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, met daarbij specifiek aandacht voor de aard en omvang van de ondersteuning. d.Op welke wijze de ondersteuningsvraag opgelost kan worden, met daarbij specifiek aandacht voor: i.Wat de jeugdige, diens ouder(s) en het sociale netwerk binnen de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zelf kunnen doen en wat naar algemene maatstaven van hen verwacht mag worden in het kader van (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht; ii.Of en welke ondersteuning nodig is vanuit de voorliggende en algemene voorzieningen; iii.Of en welke ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening; iv.Op welke wijze de ondersteuning afgestemd moet worden met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, wonen of werk en inkomen; v.Of er sprake is van de wens voor een pgb; vi.Of een pgb passend is voor de situatie en of het beheren en of uitvoeren ervan niet tot overbelasting leidt; e.Wanneer en op welke wijze wordt geëvalueerd of aan de ondersteuningsvraag is voldaan of de ingezette jeugdhulp gewijzigd dient te worden. 7.Het Wijkteam en de jeugdige en/of diens ouders leggen de zaken genoemd in het zesde lid vast in een ondersteuningsplan dat door het Wijkteam en de jeugdige en/of diens ouders ondertekend wordt. Artikel 10. Toegang jeugdhulp via het medisch domein 1.Het College draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing, zoals genoemd in artikel 8 lid 1 onder b, door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. 2.De huisarts, medisch specialist en jeugdarts verwijst in beginsel naar jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract- of subsidierelatie heeft. 3.Jeugdhulp die na een verwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend door een aanbieder die geen contract- of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behoudens verstrekking van een persoonsgebonden budget, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking, indien het College soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieder. 4.Indien er geen passend gecontracteerd aanbod beschikbaar is, volgt het College de verwijzing naar een niet-gecontracteerde aanbieder. 5.Als de jeugdhulpaanbieder na een verwijzing beoordeelt en in een ondersteuningsplan vastlegt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt deze zich daarbij aan de regels in deze verordening en de afspraken die met de gemeente zijn gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. 6.De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan met toestemming van de ouder de hulpvraag voorleggen aan het Sociaal Wijkteam ter consultatie en advies. Artikel 11 Toekennen individuele jeugdhulpvoorziening 1.Het College neemt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag een besluit. 2.Wanneer het oordeel van de jeugdhulpaanbieder is dat de inzet van jeugdhulp die benodigd is de grenzen van de verordening of de door het College gestelde nadere regels overschrijdt, besluit het College niet over toekenning van een individuele jeugdhulpvoorziening voordat de jeugdhulpaanbieder de overschrijding nader heeft gemotiveerd. 3.Het College legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 4.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 5.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; b.wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en c.indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 6.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b.welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c.wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d.welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e.wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en f.de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 7.Als de pgb-aanvraag ziet op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, verstrekt het College alleen een voorziening: a.als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen; b.voor zover het College de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; c.Het College verstrekt alleen een voorziening als de gemaakte kosten zien op een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag. 8.Een jeugdige van zestien jaar of ouder die zelf jeugdhulp heeft aangevraagd, ontvangt een beschikking die aan diens persoon is gericht. Artikel 12 Vervoer 1.Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2.Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3.Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. 4.Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 6, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of diens ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 5.Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. Hoofdstuk 4 Kaders Jeugdhulp Artikel 13 Kaders Jeugdhulp 6.Het College kan nadere regels stellen om te bepalen welke aanbieder(s) de noodzakelijke ondersteuning mogen bieden. 7.Het College kan doorverwijzen naar zorg in natura voor zover dit financieel past binnen het met de jeugdhulpaanbieder afgesproken maximale financiële plafond in betreffend jaar. 8.Het college bepaalt de ingangsdatum van de ondersteuning in de beschikking. 9.Het College kan, na zorgvuldige afweging, de ondersteuning voor een kortere termijn toekennen dan door de jeugdige en/of diens ouder(s) wordt gevraagd. 10.Het College evalueert ten minste één keer per jaar in een evaluatiegesprek met de jeugdige en/of het gezin en de jeugdhulpaanbieder de resultaten van de gemaakte afspraken in het ondersteuningsplan. Zo nodig wordt het plan en de verstrekte individuele voorziening bijgesteld. Artikel 14 Passende Onderwijsplek 1.Het College maakt aanvullende afspraken met de samenwerkingsverbanden primair- en voortgezet onderwijs over: a.de basis- en extra ondersteuning die de school zelf biedt en het vastleggen van afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplicht in het onderwijsperspectiefplan (OPP); b.de uitvoering van de werkwijze integraal arrangeren; c.de gezamenlijke onderwijszorgarrangementen en de toegang hiertoe; d.de uitstroom van dagbehandeling/dagbesteding naar onderwijs en van onderwijszorgarrangementen terug naar onderwijs; e.de weg naar inclusiever onderwijs en de rol en verantwoordelijkheden van het onderwijs en gemeenten hierin. 2.Het College en de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs leggen de afspraken als bedoeld in het eerste lid vast in een handreiking. Artikel 15 Van 18- naar 18+ 1.Als een jeugdige gebruik maakt van een individuele voorziening en bijna 18 jaar wordt, zorgt het College ervoor dat er op tijd een gesprek plaatsvindt over de veranderingen vanaf 18 jaar en welke voorziening na 18 jaar nodig is. 2.De jeugdhulpaanbieder stelt voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen vanaf het 16e jaar een ‘perspectiefplan’ op waarin staat: a.Welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag; b.Hoe en vanuit welke wet (Wmo, WLZ, Zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp vanaf 18 jaar wordt ingezet. 3.Het perspectiefplan wordt beoordeeld door het Sociaal Wijkteam. 4.De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, het gezin en het College bij (het opstellen van) het perspectiefplan. 5.Het college beoordeelt bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, eerst of de benodigde ondersteuning kan worden verleend op grond van een andere wet, waaronder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet of andere relevante wet- en regelgeving. 6.Indien vaststaat dat de noodzakelijke ondersteuning niet op grond van een andere wet kan worden verleend, kan het college besluiten jeugdhulp te verlenen of voort te zetten op grond van artikel 1.1 van de Jeugdwet, tot uiterlijk de dag waarop de jeugdige de leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt, indien: a.de jeugdige vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar jeugdhulp ontving en voortzetting daarvan noodzakelijk is; b.voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is vastgesteld dat jeugdhulp noodzakelijk is; of c.na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van zes maanden is vastgesteld dat hervatting van jeugdhulp noodzakelijk is. 7.Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis die zijn aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, lopen op grond van de Jeugdwet van rechtswege door tot uiterlijk de dag waarop de jeugdige de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 8.Voor pleegzorg en verblijf in een gezinshuis kan tussen het eenentwintigste en drieëntwintigste levensjaar verlengde jeugdhulp worden ingezet indien dit noodzakelijk is en geen passende ondersteuning op grond van een andere wet beschikbaar is. 9.Jeugdhulp die wordt verleend in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering als bedoeld in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht blijft na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar vallen onder de Jeugdwet, voor de duur van die beslissing. 10.Het college motiveert het besluit tot verlengde jeugdhulp, waarbij wordt ingegaan op: a.de noodzaak van voortzetting van jeugdhulp; b.de beoordeling van mogelijke ondersteuning op grond van andere wetgeving; en c.de beoogde duur en het perspectief op uitstroom Artikel 16 Voorwaarden aan de jeugdhulpaanbieder 1.Er wordt geen individuele voorziening ingezet bij jeugdhulp aanbieders indien: a.de jeugdhulp hoofdzakelijk buiten Nederland wordt verleend, tenzij het college hiervoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend. Toestemming kan slechts worden verleend indien is voldaan aan voorwaarden inzake: •aantoonbare noodzaak in het individuele geval, •borging van kwaliteit, toezicht en controleerbaarheid, •een begrensde duur en afspraken over evaluatie en beëindiging. b.misbruik of oneigenlijk gebruik is vastgesteld; c.er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de integriteit van de aanbieder. Hiervan is in ieder geval sprake indien de aanbieder in de vier jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling door het college: i)onherroepelijk is veroordeeld wegens, of een strafbeschikking is opgelegd voor, strafbare feiten die de veiligheid of kwaliteit van jeugdhulp in gevaar kunnen brengen; ii)een bestuurlijke boete opgelegd heeft gekregen of een handhavingsmaatregel opgelegd heeft gekregen (zoals een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom), voor zover deze maatregel(en) verband houden met kwaliteit, veiligheid of rechtmatigheid van (jeugd)zorg; iii)aantoonbaar niet voldoet aan wettelijke kwaliteitseisen of toezichtvereisten die voor de verleende jeugdhulp gelden. iv) de jeugdhulpaanbieder zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn/haar functie. Een jeugdhulpaanbieder dient financieel gezond te zijn en er dient aan de financiële verplichtingen voldaan te worden, zodat de continuïteit van de zorg voor de jeugdige voldoende gewaarborgd is. De aanbieder kan worden gevraagd de meest recente jaarrekening te overleggen. In het geval van een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid kan om een balans of resultatenrekening gevraagd worden, waaruit in ieder geval de gerealiseerde omzet en kosten gesplitst naar personele kosten en materiële kosten zijn opgenomen. 2.Het college kan afzien van inzet van een individuele voorziening bij een jeugdhulpaanbieder indien ten aanzien van die aanbieder, een actieve aanwijzing of herstelopdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd loopt, voor zover dit relevant is voor de veiligheid, kwaliteit of continuïteit van de in te zetten jeugdhulp. 3.Er wordt geen pgb verstrekt ten behoeve van inzet van een jeugdhulpaanbieder van wie in de vijf jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling het contract met de jeugdhulpregio is ontbonden wegens het niet voldoen aan contractuele voorwaarden, voor zover dit relevant is voor kwaliteit, veiligheid of rechtmatigheid. Voordat het college toepassing geeft aan dit artikel, baseert het college zich op verifieerbare feiten en omstandigheden, stelt het de aanbieder in de gelegenheid te reageren (hoor en wederhoor) en motiveert het college waarom inzet van jeugdhulp via deze aanbieder niet verantwoord is gelet op de belangen van de jeugdige en de vereiste proportionaliteit. 4.Een jeugdhulpaanbieder neemt, voor zover van toepassing, de regels in acht van de Wet normering topinkomens en de regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp. Artikel 17 Kwaliteitskaders 1.Jeugdhulpaanbieders moeten voldoen aan de volgende eisen: a.hebben enkel medewerkers in dienst die in bezit zijn van een Verklaring Omtrent Gedrag; b.beschikken over een passende aansprakelijkheidsverzekering; c.verlenen veilige, doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte hulp; d.werken volgens de norm van verantwoorde werktoedeling; Externe link:https://professionaliseringjeugdhulp.nl/assets/brochures/kwaliteitskader-Jeugd-v2.1.pdf e.werken volgens de methodiek van één Gezin één Plan één Regisseur; f.dienen een kwaliteitssysteemborgingssysteem te hebben; g.hebben een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling; h.hebben een meldplicht bij een calamiteit; i.hebben een meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; j.hebben de beschikking over een klachtenprocedure; k.hebben de beschikking over een cliëntenraad indien de Jeugdwet dat vereist; l.hebben de verplichting een vertrouwenspersoon in de gelegenheid te stellen zijn taak uit te oefenen; m.staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als jeugdhulpaanbieder, hebben een KVK-nummer en staan geregistreerd bij het CIBG. 2.Bij inzet van het sociaal netwerk, uitbetaald via een pgb, zijn de kwaliteitseisen bij lid 1 sub a en sub c van toepassing. De kwaliteitseis bij lid 1 sub a geldt niet in de gevallen dat de zorgverlener familie in de 1e lijn is. 3.Een professional is een MBO/HBO opgeleid persoon met algemene deskundigheid en brede kennis van jeugdhulp. De zorgorganisatie of ZZP’er staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Artikel 18 Crisishulp 1.In crisisgevallen treft het College zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening, of vraagt het College een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet, aan. 2.De (gemandateerde) verwijzers voor Crisis Jeugdhulp zijn het Crisis Interventie Team (CIT), het Wijkteam, (huis)artsen en Gecertificeerde Instellingen (GI). 3.Het eerste contact tussen het gezin en de jeugdhulpaanbieder vindt plaats binnen maximaal 24 uur, op verzoek van een gemandateerde verwijzer. 4.Crisishulp start in eerste instantie met een ambulant traject. Plaatsing in een instelling wordt alleen gedaan als blijkt dat een ambulant traject ontoereikend is om de crisissituatie te stabiliseren. De plaatsing wordt zo kort als nodig ingezet waarbij er wordt gewerkt aan een snelle terugkeer naar huis. 5.De plaatsing in een residentiële crisishulp betreft maximaal zes weken, tenzij er geen passende vervolghulp beschikbaar is. Artikel 19 Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering 1.Het College zorgt voor inzet van de jeugdhulp die: a.De rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of b.De rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 2.Wanneer een familierechter bepaalt dat jeugdhulp noodzakelijk is in een echtscheidingssituatie, betekent dit niet dat er direct toegang tot jeugdhulp bestaat. De ondersteuningsvraag dient eerst door het College beoordeeld te worden. Artikel 20 Afstemming met gecertificeerde instellingen 1.Het College maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de gecertificeerde instellingen. 2.Het College maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over: a.de wijze waarop verwijzingen naar jeugdhulp plaatsvinden; b.de monitoring van ingezette jeugdhulp en de resultaten daarvan c.het overleg over de jeugdhulp die nodig is als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering aan de jeugdige is opgelegd, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet, d.het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, e.de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling, de informatie-uitwisseling die nodig is voor een doelmatige uitvoering en hoe het College daarvan op de hoogte gesteld wordt, f.wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige en/of ouder(s), g.hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet moet worden. 3.Het College en de gecertificeerde instelling leggen de hier bovengenoemde afspraken vast in een protocol (artikel 3.5 lid 3 lid van de Jeugdwet). Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget Artikel 21 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Als een jeugdige of diens ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of diens ouder(s) dan wel wettelijke vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in. In het pgb-plan is opgenomen: a.Een gemotiveerde toelichting waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige en/of ouder(s) niet passend is; b.welke jeugdhulp de jeugdige en/of ouder(s) willen inkopen met een pgb, inclusief het beoogde resultaat is, de duur en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; c.gegevens over de uitvoerder van de individuele voorziening in de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d.op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; e.de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; f.bij informele hulp: welke jeugdhulp de jeugdige en/of ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; g.een motivering aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 21 (pgb-vaardigheid) waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 2.Het College verstrekt uitsluitend een pgb als: a.de individuele voorziening in natura, die wordt geleverd door een door het College gecontracteerde aanbieder, gemotiveerd niet passend is; b.uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 21 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; c.naar het oordeel van het College met inachtneming van artikel 23 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of diens ouder(s) dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgbplan opgenomen beoogde resultaat. 3.Het College verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag: a.fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b.onherroepelijk is veroordeeld wegens strafbare feiten of overtredingen of waarvoor een strafbeschikking is opgelegd die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c.veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; d.op basis van een Bibob-toets door het College is geweigerd als zorgaanbieder. 4.Het College weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet van toepassing is. 5.Voor informele hulp als bedoeld in artikel 22 wordt alleen een pgb verstrekt voor enkelvoudige specialistische jeugdhulp, begeleiding en ondersteuning en logeren. Dit in verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexere problematiek bij andere hulpvormen, tenzij het College anders besluit in belang van het kind. Artikel 22 Pgb-vaardigheid 1.Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a.inzicht te hebben van de hulpvraag en doelstellingen; b.op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c.in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d.in staat te zijn om (desnoods met ondersteuning) te communiceren en de aan het Pgb verbonden verplichtingen te begrijpen en na te komen; e.in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f.in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het College; g.in staat te zijn te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h.in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i.in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j.voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a.het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder tenzij hiervoor door het College toestemming is verleend of de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige; b.er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: 1.schuldenproblematiek; 2.ernstige verslavingsproblematiek; 3.aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag; 4.een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 5.een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 6.een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; 7.het onvoldoende in staat zijn om – al dan niet met ondersteuning – de aan het pgb verbonden rechten en verplichtingen te begrijpen en na te komen, waarbij niet is geborgd dat met ondersteuning, vertegenwoordiging of budgetbeheer een verantwoord beheer van het pgb mogelijk is; 8.het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Artikel 23 Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: a.personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b.zzp-ers die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. c.personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG) of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2.Van informele hulp is sprake als de jeugdhulp geboden wordt door: a.een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk; b.een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het eerste lid onder c. Artikel 24 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a.beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan twaalf maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis; b.aantoonbaar beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c.houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d.is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e.werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgesteld; f.voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het College; g.stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of ouder(s); h.stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige en/of ouder(s) gebruik van maken; i.respecteert de privacy van de jeugdige en/of ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j.neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k.meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het College; l.werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het College of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en m.is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het College niet overbelast. 2.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: a.hetgeen is bepaald in artikel 22 eerste lid; b.handelt in overeenstemming met de professionele standaard; c.werkt op basis van een hulpverleningsplan; d.werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; e.hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en f.stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3.Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Artikel 25 Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt maximaal 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 2.De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt minimaal 100% van het wettelijk minimumloon en maximaal het uurloon van de passende loonschaal uit de toepasselijke cao (hoogste periodiek, inclusief vakantietoeslag), met uitzondering van logeren. 3.Indien uit het ingediende pgb-plan blijkt dat passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief dan het maximumtarief kan worden ingekocht, stelt het College dit lagere tarief vast. Daarbij houdt het College zo nodig rekening met de aard van de aanbieder en diens kostenstructuur, waaronder die van zelfstandige zorgverleners met beperkte overhead. Artikel 26 Niet vergoedbare kosten en uitgesloten van Pgb 1.Het pgb tarief is all-in: alle overhead- en bijkomende kosten (zoals scholing, maaltijden, entreegelden, administratie- en vervoersmiddelen) zijn in het tarief begrepen; hiervoor wordt geen aanvullend budget verstrekt. 2.De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit pgb: a.onverminderd artikel 8.1.1 van de Jeugdwet wordt geen pgb verstrekt voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die vóór indiening van de aanvraag reeds zijn gemaakt; b.kosten voor crisishulp of anders direct in te zetten hulp; c.kosten voor bemiddeling, coördinatie, tussenpersonen of belangenbehartigers; d.kosten voor het voeren van een pgb-administratie of budget-beheer; e.kosten voor ondersteuning bij het aanvragen of beheren van een pgb; f.kosten voor ondersteuning buiten Nederland, tenzij het College vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend; g.kosten voor vervoer en administratie van een zorgverlener; h.kosten voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG); i.een feestdagen-uitkering boven € 100,- per kalenderjaar in totaal; j.Diergeleide interventies, tenzij deze onderdeel zijn van een behandelplan. Hoofdstuk 6 Overige bepalingen Artikel 27 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen een jeugdige en/of ouder(s) op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het College mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele jeugdhulpvoorziening. 2.Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het College een beslissing aangaande een individuele jeugdhulpvoorziening herzien dan wel intrekken als het College vaststelt dat: a.De jeugdige en/of ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b.De jeugdige en/of ouder(s) niet langer op de individuele jeugdhulpvoorziening of op het pgb zijn aangewezen; c.De individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb niet meer toereikend is om de doelen te behalen; d.De jeugdige en/of ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb; e.De jeugdige en/of ouder(s) de individuele jeugdhulpvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; f.De jeugdige of ouder(s) het persoonsgebonden budget besteden aan een persoon die gebruikelijke hulp zou moeten bieden maar daartoe niet (meer) in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. 3.Als het College een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens heeft plaatsgevonden, kan het College van degene die onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele jeugdhulpvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen een halfjaar na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is toegekend niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel 28 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1.Het College wijst één of meer toezichthouders aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze verordening, de toekenningsbeschikking, beleidsregels en – voor zover van toepassing – contractuele afspraken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van de rechtmatige en doelmatige inzet en besteding van individuele voorzieningen en Pgb’s, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. 2.Het college onderzoekt met inachtneming van de Jeugdwet en de daarop gebaseerde regelgeving, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen en de naleving van de door de gemeente gestelde kwaliteitseisen. Onder ‘kwaliteitseisen’ wordt in dit artikel verstaan: eisen die door of namens de gemeente zijn gesteld in of krachtens deze verordening, beleidsregels, de toekenningsbeschikking en/of contractuele afspraken, voor zover deze zien op rechtmatigheid, doelmatigheid en controleerbaarheid (zoals administratie- en verantwoordingsverplichtingen, VOG-eisen, meldplichten en planmatige vastlegging/evaluatie), en niet op de professionele standaard of zorginhoudelijke kwaliteit. 3.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van Pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 4.De aangewezen toezichthouder beschikt over de bevoegdheden als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (AwB) en maakt daarvan uitsluitend gebruik voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van het toezicht (evenredigheid). Daaronder vallen in ieder geval: a.het vorderen van inlichtingen; b.het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden (waaronder – indien relevant – administratie- en verantwoordingsgegevens, declaratie- en betaalgegevens, zorgovereenkomsten en Pgb-administratie); c.het vorderen dat betrokkene zich identificeert (d.m.v. inzage van een identiteitsbewijs) en het betreden van plaatsen voor zover de Awb dat toestaat. 5.Eenieder is verplicht aan de toezichthouder de medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. 6.Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van het toezicht, waaronder werkwijze, informatie-uitwisseling, proportionaliteit, verslaglegging en gegevensbescherming. 7.Het toezicht door het college en de toezichthouder ziet uitsluitend op de naleving van deze verordening, de toekenningsbeschikking, beleidsregels, contractuele afspraken en de rechtmatige en doelmatige inzet van voorzieningen en persoonsgebonden budgetten en omvat geen toezicht op de professionele of zorginhoudelijke kwaliteit (professionele standaard). Dit toezicht is voorbehouden aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Artikel 29 Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik 1.Het College maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2.Het College maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. 3.Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over mogelijk misbruik, oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld. Meldingen worden verwerkt en opgevolgd met inachtneming van geldende wet- en regelgeving, waaronder de AVG. Artikel 30 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het College houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: a.de aard en omvang van de te verrichten taken; a.de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie. Artikel 31 Vertrouwenspersoon 1.Het College zorgt ervoor dat de jeugdige en/of ouder(s) een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2.Het College wijst de jeugdige en/of ouder(s) erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 32 Inspraak en medezeggenschap 1.Het College betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het College legt periodiek ontwikkelingen en belangrijke te nemen beleidsmatige besluiten op het gebied van jeugdhulp ter advisering voor aan de inwonersadviesraad als bedoeld in de Verordening Inwonersadviesraad Sociaal Domein Katwijk 2022. Artikel 33 Klachtregeling en Second Opinion 1.Het College behandelt klachten van de jeugdige en/of ouder(s) die betrekking hebben op de wijze van afhandeling door of namens het College van jeugdhulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van de vastgestelde regeling van klachtenbehandeling. 2.Het College stelt een regeling vast die de jeugdige en/of ouder(s) de mogelijkheid biedt van een herbeoordeling van de hulpvraag door een andere medewerker van het Wijkteam voor de gevallen dat de jeugdige en/of ouder(s) en de medewerker niet tot overeenstemming komen over de inhoud van een ondersteuningsplan. Artikel 34 Toepassen verordening en stellen nadere regels 1.Indien bij het toepassen en uitvoeren van deze verordening onduidelijkheid ontstaat over het gebruik, dan zijn de in de Jeugdwet opgenomen begrippen en bepalingen leidend. 2.Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het College nadere regels stellen. 3.Het College maakt nadere afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de verwijzing. 4.Deze verordening wordt tenminste eenmaal per 2 jaar geëvalueerd. Het College communiceert hiertoe aan de gemeenteraad over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Artikel 35 Hardheidsclausule Het College kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 36 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening jeugdhulp Katwijk 2022 wordt ingetrokken. 2.Een jeugdige en/of ouder(s) houdt(en) recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp Katwijk 2022 totdat het College een nieuw besluit heeft genomen. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp Katwijk 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4.Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Katwijk 2022 geschiedt op grond van deze verordening, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Artikel 37 Inwerkingtreding 1.De verordening treedt in werking op 1 september 2026. 2.De Verordening Jeugdhulp Gemeente Katwijk 2022 vervalt op 1 september 2026. Artikel 38 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Gemeente Katwijk 2026. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Katwijk in zijn openbare vergadering van 12 februari 2026 de griffier de voorzitter Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Katwijk 2026 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepaling Het aantal definities van artikel 1 is beperkt, aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dit zou overbodig zijn en bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen de omschrijving in de verordening en de wettelijke omschrijving Artikel 2 Uitgangspunten Ouderlijke verantwoordelijkheid Jeugdigen hebben een woonomgeving nodig waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd is en waar een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles) waarbij stimulans wordt geboden nodig en passend bij hun ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Eigen Kracht ‘Eigen kracht’ kan verschillende zaken inhouden, zoals: a.het aanspreken van een aanvullende verzekering; b.het inzetten van vrijwilligers of mensen uit het sociale netwerk; c.mogelijkheden van de ouder(s) zelf. Zoals het opnemen van zorgverlof/ ouderschapsverlof, het (tijdelijk) verminderen van het aantal arbeidsuren etc. Hoofdstuk 2 Voorveld Artikel 3 Voorliggende voorzieningen Er kan geen beroep worden gedaan op de jeugdhulp, indien er wettelijk recht bestaat op hulp bij een voorliggende voorziening. Onder een voorliggende voorziening bedoelen we onder andere; Wet langdurige zorg ( Wlz ) In de wet is vastgelegd wanneer iemand toegang heeft tot de Wlz (Art 3.2.1 Wlz): Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan: a.permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of b.24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen: •door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of •door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. Indien uit onderzoek blijkt dat de jeugdige in aanmerking komt voor de Wet langdurige zorg, bestaat geen recht op jeugdhulp. Het college betrekt hierbij of een aanvraag voor de Wlz aangewezen is en verwacht dat de jeugdige en/of diens wettelijk vertegenwoordiger hieraan medewerking verleent. Zorgverzekeringswet ( Zvw ) Gaat een jeugdige met psychische klachten naar de huisarts en kan de (praktijkondersteuner van de) huisarts deze klachten afdoende behandelen, dan is dit verzekerde zorg die onder de Zvw valt. Als de jeugdige is aangewezen op meer specialistische zorg en begeleiding, dan valt de geestelijke gezondheidszorg aan jeugdigen tot 18 jaar onder de Jeugdwet. Intensieve Kind Zorg (IKZ) onder de Zvw Jeugdigen die in aanmerking komen voor Intensieve Kind Zorg, zijn jeugdigen: •met zwaar complexe somatische problematiek met een behoefte aan permanent toezicht; •met lichtere complexe problematiek, waarbij 24-uur zorg per dag in de nabijheid nodig is in combinatie met specifieke verpleegkundige handelingen zoals intraveneuze medicatietoediening. Zorg aan minderjarigen met ernstige medische problematiek die onder de verantwoordelijkheid staan van een medisch specialist of kinderarts. Voor intensieve kindzorg geldt dat naast verpleging en daarmee samenhangende verzorging ook begeleiding thuis, verblijf in een kinderhospice, verzorging en begeleiding op school, kortdurend verblijf en opvang in een verpleegkundig kinderdagverblijf inclusief het vervoer van en naar dit dagverblijf onder de Zvw-aanspraak vallen. Overige zorg uit de Zvw Indien er geen sprake is van IKZ, maar wel van verpleging valt ook dit onder de Zvw. Als verpleging en daarmee samenhangende persoonlijke verzorging samen worden aangeboden, vallen beiden onder de Zvw. Als verpleging wordt aangeboden met begeleiding komt de zorg uit twee wetten: verpleging valt onder de Zvw en de begeleiding valt onder de Jeugdwet. Wet Maatschappelijke ondersteuning Er kan geen individuele jeugdhulp worden verstrekt indien een jeugdige 18 jaar is geworden en er aanspraak kan worden gemaakt op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. We hebben het dan over begeleiding en dagbesteding en dagbehandeling. Wanneer er sprake is van problematiek bij de ouders die maakt dat de ouders begeleiding nodig hebben, dan spant het lokaal integraal team er zich voor in om ouder toe te leiden naar de juiste hulp. Beschermd Wonen Er kan geen individuele jeugdhulp worden verstrekt indien de jeugdige 18 jaar is geworden, niet zelfstandig kan wonen en 24 uurs begeleiding nodig heeft. In veel gevallen is sprake van meervoudige problematiek; daar waar de individuele vormen van problematiek wellicht nog net te overkomen zouden zijn in een zelfstandige situatie, kan een combinatie van factoren ervoor zorgen dat beschermd wonen noodzakelijk wordt. Passend Onderwijs Alle leerlingen die extra onderwijsondersteuning nodig hebben, zowel als er sprake is van een lichte als van een zware (onderwijs) ondersteuningsbehoefte, komen in aanmerking voor Passend onderwijs. Passend onderwijs houdt in dat scholen extra onderwijsondersteuning bieden. Het gaat dan om didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om de onderwijsdoelen te bereiken. In de memorie van toelichting bij de Wet passend onderwijs staan de verantwoordelijkheden van de school beschreven: “De extra ondersteuning die leerlingen in het onderwijs ontvangen kan op veel verschillende manieren worden vormgegeven. Afhankelijk van de problematiek van de leerling en de mogelijkheden van de school zal de extra ondersteuning door de school worden ingezet. De ondersteuning zal er altijd op zijn gericht om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling. Voorbeelden van ondersteuning van een leerling zijn speltherapie die erop is gericht om spelenderwijs leerproblemen aan te pakken, observatie, onderzoek of tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog, het aanschaffen van aangepast lesmateriaal (bijvoorbeeld pictogrammen of braille leerboeken), remedial teaching, begeleiding bij dyslexie, sociale vaardigheidstraining of kindcoaching. (Bron: Memorie van Toelichting Wet Passend Onderwijs (TK 2011-2012, 33 106, nr. 3 p. 16). Ook bij gedragsproblemen heeft de school een verantwoordelijkheid. In 2014 is de AWBZ-indicatierichtlijn aangepast (bij de invoering van de Wet passend onderwijs) en daarin staat beschreven welke verantwoordelijkheden de school heeft. In de AWBZ-indicatiewijzer 7.1 uit 2014 is daarover het volgende opgenomen: Als een kind vanwege een aandoening, stoornis of beperkingen gedrag heeft dat het leren bemoeilijkt, valt de daarbij behorende begeleiding onder het onderwijs. Het gaat daarbij om activiteiten die te maken hebben met de lessen, het leren, de vakinhoud en de pedagogische en didactische omgang én om alle activiteiten onder schooltijd die bij de behandelvorm ‘Behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van vaardigheden of gedrag’ horen (p. 214 van de AWBZ-indicatiewijzer 7.1 uit 2014). Vaktherapie Er kan geen individuele jeugdhulpvoorziening worden verstrekt voor vaktherapie, tenzij dit een onderdeel is van een multidisciplinaire geneeskundige behandeling in het kader van de geneeskundige ggz. De desbetreffende jeugdhulpaanbieder kan dan onder eigen regie vaktherapie inzetten. Voor enkel vaktherapie kan geen individuele jeugdhulpvoorziening worden verstrekt en wordt verwezen naar de (aanvullende) zorgverzekering. Artikel 4 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Dit artikel regelt dat de jeugdhulp die ingezet wordt in een gezin afgestemd wordt op hulp die vanuit andere domeinen wordt geleverd. Het doel van deze afstemming is dat de hulp zoveel mogelijk op elkaar aansluit. Daarnaast ondersteunt het college de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. Artikel 5 Algemene voorzieningen Artikel 5 regelt de jeugdhulpvoorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Dit betekent dat een jeugdige en/of de ouder(s)s hier gebruik van kunnen maken zonder of met beperkte toegangsbeoordeling. De in deze verordening genoemde algemene voorzieningen worden in de Jeugdwet ‘overige voorzieningen’ genoemd. Een algemene voorziening betreft laagdrempelige, vrij toegankelijke en generieke ondersteuning waarvoor geen voorafgaand individueel onderzoek naar behoeften/persoonskenmerken nodig zijn en geen beschikking wordt afgegeven. Wanneer een gemeente definieert wat in de eigen gemeente algemene voorzieningen zijn, en deze algemene voorziening daadwerkelijk beschikbaar is én passend en toereikend voor de hulpvraag, wordt deze dus niet langer toegewezen als individuele voorziening. Wanneer het college naar aanleiding van een verzoek om een individuele voorziening oordeelt dat met een algemene voorziening kan worden volstaan en daarom geen individuele voorziening wordt toegekend, wordt dit vastgelegd in een gemotiveerde besluit/beschikking. Jeugdigen moeten de kans krijgen om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Voor een deel van de leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs (speciaal basisonderwijs en (voorgezet) speciaal onderwijs cluster 3 en cluster 4) is het nodig om jeugdhulp in te zetten in de vorm van begeleiding op school zodat zij onderwijs kunnen volgen en tot ontwikkeling kunnen komen. De individueel beschikte en geleverde jeugdhulp botst met het collectief ingerichte en regionaal georganiseerde gespecialiseerd onderwijs. Het collectief financieren van jeugdhulp op school in het gespecialiseerd onderwijs vergroot kansengelijkheid van de jeugdigen en zorgt ervoor dat ouders en scholen ontlast worden. Collectieve inzet van jeugdhulp in het gespecialiseerd onderwijs voorkomt waar mogelijk escalatie van problematiek en vergroot schoolaanwezigheid. Ook draagt het bij aan het verminderen van administratieve rompslomp en het efficiënter en effectiever inzetten van collectieve middelen. Jeugdhulp op school kan in beginsel aan alle leerlingen op een gespecialiseerd onderwijs aangeboden worden, maar niet aan alle leerlingen tegelijk. Dat hoeft ook niet, welke leerlingen jeugdhulp op school nodig hebben en in welke mate kan per periode of zelfs per dag verschillen. Collectieve financiering maakt het mogelijk dat het gespecialiseerd onderwijs met een vaste jeugdhulpaanbieder voor een langere periode kan samenwerken. Een vast budget per school garandeert de continuïteit van de jeugdhulp en draagt bij aan het ontwikkelen en borgen van de kwaliteit. Het werken met vaste gezichten geeft rust in de klas. De jeugdhulpaanbieder werkt volgens het werkproces Jeugdhulp op school (JOS) dat is opgesteld door gemeenten en toegang en afgestemd met het onderwijs en de jeugdhulpaanbieders. Het werkproces JOS wordt minimaal één keer per jaar geactualiseerd door het regionaal programmateam jeugdhulp. Artikel 6. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht Dit artikel bepaalt wanneer de hulp die ouders of het netwerk bieden als ‘gebruikelijke zorg’ wordt gezien. Als er sprake is van gebruikelijke zorg, is er geen jeugdhulpplicht. Het artikel bevat objectiverende afwegingsfactoren en biedt handvatten voor de uitvoering. Onder ‘financiële problemen’ wordt niet verstaan een (inkomens)toets of de vraag of ouders zelf hulp kunnen inkopen. Het betreft uitsluitend de beoordeling of, gelet op draagkracht en draaglast, van ouders redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij (tijdelijk) zelf voorzien in (onderdelen van) de hulp, zonder dat dit leidt tot onevenredige gevolgen. Artikel 7 Individuele jeugdhulpvoorzieningen Bij individuele jeugdhulpvoorzieningen gaat het om situaties waarin ernstige of complexe problemen zijn en waarvoor meer of andere hulp nodig is, dan waarin het Wijkteam kan voorzien. In dit geval is het nodig dat de jeugdige en/of ouder(s) een aanvraag indienen. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouder(s) deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Deze lijst betreft een inrichting van het aanbod en sluit niet de wettelijke aanspraak uit. Indien de jeugdige in aanmerking komt voor een Wet langdurige jeugdzorg, is deze wet voorliggend. Wel kunnen de ouder(s) voor vragen bij opvoeden en opgroeien terecht bij de Jeugdwet. Lid 7 bepaalt dat waar jeugdhulp in een groep passend is deze vorm van zorg voor gaat op individuele vormen van jeugdhulp. De kracht van groepsbegeleiding is dat jeugdigen kunnen leren van en met elkaar. Het delen van kennis en ervaring draagt bij aan het vergroten van het zelfvertrouwen, zelfredzaamheid en het opbouwen van een steunnetwerk. De Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) verplicht gemeenten tot het inrichten van de functie onafhankelijk cliëntondersteuner voor het gehele sociale domein, dus ook voor cliënten van de Jeugdwet. In lid 12 wordt dit ook voor de Jeugdwet cliënten vastgelegd. Artikel 8 Wijkteam In Katwijk vormt vanaf 2020 het Sociaal Wijkteam de spil in de toegang tot ondersteuning op het gebied van wonen, werk, welzijn en zorg. Bij het gemeentelijk Wijkteam kunnen alle inwoners van 0 tot 100 jaar terecht met vragen of problemen. Dit is een multidisciplinair team met beroepskrachten vanuit verschillende disciplines. Inwoners hebben vaak hulpvragen op meerdere leefgebieden. Die vragen beïnvloeden elkaar. Daarom werkt het Sociaal Wijkteam volgens een integrale werkwijze, waarbij de vragen in samenhang worden benaderd. Deze aanpak heet 1Gezin 1Plan 1Regisseur. De medewerkers die ondersteuning bieden in het kader van de Jeugdwet zijn SKJ geregistreerde jeugdprofessionals. De ondersteuning van het Wijkteam richt zich op: 1.het versterken van het sociale netwerk, waaronder familieleden, buren, vrienden, vrijwilligers en mantelzorgers en het toe leiden naar collectieve activiteiten in de nabije omgeving, waaronder sport, cultuur, vrije tijd en welzijn; 2.kortdurende ondersteuning gericht op de dagelijkse levensverrichtingen, opgroei- en opvoedondersteuning; 3.begeleiding naar lichte hulp en consultatie bij de (jeugd)gezondheidszorg en het onderwijs. Hoofdstuk 3 Behandeling Ondersteuningsvraag In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe de gemeente de toeleiding naar jeugdhulp uitwerkt. In artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en ouders die jeugdhulpvragen hebben. Er bestaat geen instrument of een set van richtlijnen die de toegang tot individuele jeugdhulp kan bepalen. Er zijn een aantal factoren, inschattingen, van belang bij de besluitvorming van professionals. De weging van deze factoren maakt de besluitvorming voor de toegang tot de Jeugdwet een professionele verantwoordelijkheid. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het College of de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 2 van deze verordening. Indien dit het geval is worden voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen geacht aanwezig te zijn. Artikel 9 Behandeling ondersteuningsvraag Lid 4 bepaalt dat het Wijkteam in overleg met de jeugdige en zijn ouders alle voor het gesprek noodzakelijk en toegankelijke gegevens verzamelt. Deze gegevensverzameling kan ook tijdens het gesprek plaatsvinden als door vraagverheldering alle relevante informatie vergaard wordt om een volledig beeld van de ondersteuningsvraag te krijgen. Lid 6 bepaalt wat de ondersteuningsvraag is, wat de opgroei- en opvoedingsproblemen zijn, of en welke ondersteuning nodig is en op welke wijze de ondersteuningsvraag kan worden opgelost. Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen. Dit volgt uit onder andere de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Voor het onderzoek is in ieder geval het volgende van belang: •Wat is de hulpvraag van jeugdige en/of ouder(s)? •Wat kunnen de jeugdige en/of ouders zelf en met behulp van hun netwerk aan hun hulpvraag doen? •Zijn er andere mogelijkheden bijvoorbeeld algemene voorzieningen of andere wetten (bijv. Wlz)? •Wat is nodig vanuit de Jeugdwet? Deze onderwerpen worden genoemd in de verordening om een beeld te scheppen van de inhoud van het gesprek en om aan te geven welke afwegingen spelen bij het in behandeling nemen van een jeugdhulpvraag. Het Wijkteam is deskundig en bepaalt met de jeugdige en/of de ouders de inhoud van het gesprek. Bij het gesprek kunnen ook andere personen aanwezig zijn. Deze andere betrokkenen zijn personen die van belang zijn voor de jeugdige en/of de ouders en voor het bespreken van de jeugdhulpvraag. Dit kunnen bijvoorbeeld mensen zijn uit het sociale netwerk van de jeugdige of ouders, iemand van een specialistische jeugdhulpvoorziening of school. De jeugdige en/of ouders bepalen in overleg met de hulpverlener van het Wijkteam of er andere personen uitgenodigd zullen worden. Onder i van lid 6d wordt er bepaald dat alleen een individuele jeugdhulpvoorziening kan worden verstrekt als de jeugdige niet op eigen kracht of met hulp van zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving een oplossing voor zijn jeugdhulpvraag kan vinden. Lid 7 bepaalt de vastlegging van het ondersteuningsplan. Als tijdens het gesprek is afgesproken dat er een ondersteuningsplan wordt opgesteld, wordt dit plan samen met de jeugdige en/of de ouders en mogelijk andere betrokkenen door de hulpverlener van het Wijkteam opgesteld. Het ondersteuningsplan wordt opgesteld aan de hand van de werkwijze één gezin - één plan. In het ondersteuningsplan staan in de eerste plaats de afspraken over wat de jeugdige en/of de ouders zelf gaan oppakken. Daarnaast wordt beschreven welke vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen en welke individuele jeugdhulpvoorzieningen nodig zijn. Het ondersteuningsplan vormt de verbinding met ondersteuning vanuit andere voorzieningen. Ook de eventuele wachtlijsten van jeugdhulpaanbieders en mogelijke tussenoplossingen om deze wachttijden te overbruggen worden in het ondersteuningsplan meegenomen. Het ondersteuningsplan is geen statisch document. Er kunnen afspraken aan toegevoegd worden, wanneer dat naar inzicht van de jeugdige en/of de ouders en het Wijkteam van belang is of indien er meerdere vragen/problemen in een gezin zijn, waardoor deze niet allemaal tegelijkertijd kunnen worden opgepakt. Artikel 10 Toegang jeugdhulp via het medisch domein Dit artikel borgt dat, ongeacht de wijze van verwijzing, de beoordeling van de ondersteuningsvraag volgens één uniform kader plaatsvindt. Het maakt mogelijk dat een medisch professional de hulpvraag ter consultatie en advies kan voorleggen aan het lokaal team. Daarnaast wordt vastgelegd dat de aanbieder na een verwijzing werkt volgens dezelfde uniforme werkwijze als het lokaal team, gericht op verheldering en planvorming én op toepassing van het gemeentelijke kader voor afbakening en reikwijdte (waaronder eigen kracht/gebruikelijke hulp en – waar passend – algemene voorzieningen). Artikel 11 Toekennen individuele jeugdhulpvoorziening Geen toelichting Artikel 12 Vervoer Geen toelichting Hoofdstuk 4 Kaders Jeugdhulp Artikel 13 Kaders Jeugdhulp Geen toelichting Artikel 14 Passende Onderwijsplek Geen toelichting Artikel 15 Van 18- naar 18+ Als de jeugdige na het 18e jaar nog hulp nodig heeft, waarborgt het college de continuïteit van de hulp en de ondersteuning. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleid wordt of dat verlengde jeugdhulp tijdig wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van de ingezette hulp wordt al voor het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan hulp. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Als inzet van (extra) hulp kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten zoals huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar. Artikel 16 Voorwaarden aan de jeugdhulpaanbieder Dit artikel maakt duidelijk onder welke voorwaarden een jeugdhulpaanbieder mag worden ingezet. De gemeente moet kunnen garanderen dat jeugdigen veilige, integere en betrouwbare jeugdhulp ontvangen. Daarom wordt vastgelegd dat geen individuele voorziening wordt ingezet bij aanbieders waarbij misbruik, fraude, integriteitsproblemen of ernstige kwaliteits- en veiligheidsrisico’s zijn vastgesteld. Dit biedt het College een duidelijke grond om aanbieders te kunnen weigeren die strafbare feiten hebben gepleegd, onder toezicht staan van de IGJ of niet financieel gezond zijn, waardoor de continuïteit van zorg in gevaar kan komen. Voor inwoners betekent dit dat zij erop kunnen vertrouwen dat alleen aanbieders worden ingezet die zorgvuldig, professioneel en verantwoord werken. Ook wordt voorkomen dat pgb’s terechtkomen bij partijen die eerder contractueel zijn beëindigd of die zich niet aan wet- en regelgeving houden. Artikel 17 Kwaliteitskaders Geen toelichting Artikel 18 Crisishulp In dit artikel staat dat het College in crisisgevallen een tijdelijke voorziening kan treffen. Dit is het geval als een spoedmachtiging is afgegeven door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet kan worden afgewacht. De Jeugdwet noemt de inzet jeugdhulp in crisissituaties in artikel 6.1.3 en 6.1.8. Het kan zijn dat vanwege de crisis er nog geen goed gemotiveerde aanvraag is en dat nog niet duidelijk is of aan de voorwaarden voor een individuele voorziening is voldaan. Na het treffen van een tijdelijke voorziening zal daarin later worden voorzien. Artikel 19 Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet. In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of een andere instantie) kan worden uitgevoerd. Hiervoor verstrekt het College geen beschikking als bedoeld in artikel 11. Lid 2 regelt dat na een verwijzing van de familierechter het Wijkteam een eigen beoordeling kan toepassen. Dit is anders dan bij een verwijzing door een gecertificeerde instelling. Artikel 20. Afstemming met gecertificeerde instellingen Dit artikel regelt de mogelijkheid om betere samenwerkingsafspraken te maken tussen gecertificeerde instellingen en het Wijkteam bij een verwijzing. Dit artikel vormt de basis voor verdere samenwerkingsafspraken. Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget Artikel 21. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb Dit artikel regelt onder welke voorwaarden een jeugdige of ouder(s) een pgb kunnen krijgen en welke waarborgen gelden om de kwaliteit, veiligheid en doelmatigheid van ingekochte jeugdhulp te garanderen. Het pgb-plan verplicht aanvragers om goed te motiveren waarom zorg in natura niet passend is en inzichtelijk te maken welke hulp wordt ingekocht, tegen welke kosten en hoe de kwaliteit wordt geborgd. Daarnaast toetst het College zowel de pgb-vaardigheid van de budgethouder als de integriteit en geschiktheid van de beoogde hulpverlener. Door heldere weigeringsgronden wordt voorkomen dat pgb’s worden ingezet bij risico’s op fraude, ontoereikende kwaliteit of onvoldoende veiligheid. Voor informele hulp gelden extra begrenzingen om te waarborgen dat complexe jeugdhulp niet onterecht bij het sociale netwerk wordt belegd. Artikel 22 Pgb-vaardigheid Dit artikel werkt het begrip pgb-vaardigheid uit. Een persoonsgebonden budget vraagt van de budgethouder of budgetbeheerder dat hij of zij in staat is om regie te voeren over de hulp, de administratie te beheren, de kwaliteit van de zorg te beoordelen en zorgverleners aan te sturen. Het college beoordeelt of de beoogde budgethouder deze taken op een veilige en verantwoorde manier kan uitvoeren. Daarnaast bevat het artikel een limitatieve opsomming van omstandigheden waarin iemand in beginsel niet pgb-vaardig wordt geacht, om risico’s op misbruik, financiële problemen en onveilige zorg te voorkomen. Hiermee wordt geborgd dat een pgb alleen wordt ingezet wanneer dit daadwerkelijk een passende en verantwoorde vorm van ondersteuning is. Artikel 23 Onderscheid formele en informele hulp Dit artikel verduidelijkt wanneer sprake is van formele jeugdhulp (geleverd door beroepskrachten of BIG-geregistreerden) en wanneer van informele jeugdhulp (geleverd door personen uit het sociale netwerk of andere niet-professionele hulpverleners). Dit onderscheid is nodig omdat verschillende eisen gelden voor kwaliteit, tariefbepaling en toetsing van pgb-aanvragen. Door dit expliciet te maken wordt voor jeugdigen, ouders en het College duidelijk welke vorm van hulp onder welke categorie valt. Artikel 24 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb Dit artikel beschrijft aan welke kwaliteitseisen uitvoerders van jeugdhulp moeten voldoen wanneer hulp wordt ingekocht via een pgb. Het maakt onderscheid tussen algemene eisen (geldend voor iedere uitvoerder) en aanvullende eisen voor formele hulpverleners. Door deze eisen vast te leggen wordt geborgd dat pgb-gefinancierde hulp verantwoord, veilig en doelgericht wordt uitgevoerd, aansluit bij de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en goed is afgestemd met andere betrokken hulpverleners. Het artikel voorkomt tevens dat informele hulp wordt ingezet wanneer de problematiek professionele expertise vereist. Artikel 25 Hoogte pgb Dit artikel bepaalt hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. De verordening bevat het normatieve kader, zoals vereist door artikel 2.9 Jeugdwet en recente jurisprudentie, door maximale tarieven voor formele en informele hulp vast te leggen. Hiermee wordt geborgd dat pgb-tarieven aansluiten bij de regionale tarieven voor gecontracteerde jeugdhulp en dat informele hulp billijk wordt vergoed zonder onnodige kostenstijging. Het College kan een lager tarief vaststellen wanneer de benodigde hulp aantoonbaar voor minder kan worden ingekocht. Artikel 26 Niet vergoedbare kosten en uitgesloten van Pgb Dit artikel verduidelijkt welke kosten niet via een pgb kunnen worden vergoed. Het pgb wordt als all-in tarief toegekend om uitvoeringslast te beperken en ongewenste kostenstapeling te voorkomen. De uitgesloten kosten sluiten aan bij de Jeugdwet, jurisprudentie en regionale inkoopafspraken: een pgb is bedoeld voor directe jeugdhulp en niet voor aanvullende services, bemiddeling, administratie, of kosten die samenhangen met de bedrijfsvoering van de aanbieder. Ook kosten die al gemaakt zijn vóór de aanvraag of die buiten het domein van jeugdhulp vallen, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Hoofdstuk 6 Overige bepalingen Artikel 27 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Volgens de Jeugdwet is een jeugdige en/of de ouders verplicht mede te delen wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op het persoonsgebonden budget kunnen zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1. Met deze Verordening wordt geregeld dat deze informatieplicht ook geldt voor zorg in natura. In lid 2 wordt aangegeven dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een beslissing over individuele jeugdhulpvoorziening te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen. Artikel 28 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s Dit artikel verduidelijkt hoe het College toezicht houdt op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van zowel individuele voorzieningen in natura als pgb’s. Met deze bepalingen wordt een heldere gemeentelijke grondslag opgenomen om toezicht te organiseren op de rechtmatige en doelmatige inzet van individuele voorzieningen (natura en pgb). De bepaling verduidelijkt de reikwijdte van het gemeentelijk toezicht (verordening, beleid, beschikking en contract) en borgt dat de toezichthouder uitsluitend gebruikmaakt van Awb-toezichtsbevoegdheden binnen de wettelijke grenzen (waaronder evenredigheid en noodzakelijkheid). Tegelijk wordt expliciet gemaakt dat het toezicht niet ziet op professionele of zorginhoudelijke kwaliteit (dat is primair het domein van de IGJ), maar op rechtmatigheid, doelmatigheid en controleerbaarheid van de inzet en besteding van middelen. Artikel 29 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik Geen toelichting Artikel 30 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering In artikel 2.12 van de Jeugdwet staat omschreven dat de gemeente in de verordening moet regelen dat het College hierover afspraken moet maken. Via dit artikel voldoet de gemeente hieraan en geeft de raad deze opdracht aan het College. Naast de in dit artikel genoemde aspecten kunnen ook andere zaken in overweging genomen worden, zoals de NZA-richtlijnen (Nederlandse Zorgautoriteit) voor prijzen van jeugdhulp. Artikel 31 Vertrouwenspersoon De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert. Artikel 32 Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Artikel 33 Klachtregeling en Second Opinion Deze bepaling is aanvullend op de klachtregeling uit artikel 4.2.1 van de Jeugdwet en hoofdstuk 9 Klachtenbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht. Het is zo dat de aanbieder in eerste instantie zal (moeten) worden aangesproken bij klachten van jeugdigen en/of ouders over de behandeling. Het Programmaplan zegt daarover ‘Het effectief en laagdrempelig bemiddelen bij en afhandelen van klachten van cliënten is een verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen’. Artikel 34 Toepassen verordening en stellen nadere regels Omdat de interpretatie van de verordening tot misverstanden kan leiden is in lid 1 van dit artikel geregeld dat bij dergelijke misverstanden moet worden teruggegrepen naar de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting). Zo kan worden achterhaald wat er precies met een bepaald woord of bepaalde term wordt bedoeld. In lid 2 geeft de raad aan het College de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening. Lid 3 regelt dat het College met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen afspraken zal maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid plaatsvindt. Dit komt overeen met artikel 2.7, lid 4 van de Jeugdwet. Waarschijnlijk zullen deze afspraken regionaal of op landelijk niveau worden gemaakt en worden daarna lokaal onder regie van de gemeente uitgewerkt. Artikel 35 Hardheidsclausule Dit artikel geeft het College de bevoegdheid om van deze verordening af te wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens de regelgeving mogelijk is. De hardheidsclausule kan dan door het College ingezet worden bij uitzonderingsgevallen. Artikel 36 Intrekking oude verordening en overgangsrecht De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen die recht hebben op een lopende voorziening een overgangsperiode krijgen waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 37 Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Artikel 38 Citeertitel Dit artikel geeft de officiële benaming weer. De verordening zal via deze naam zijn terug te vinden (conform de wet elektronische bekendmaking). Bijlage 1 bij verordening Jeugdhulp Katwijk 2026

Meer informatie