Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op16 september 2026
Gepubliceerd doorGemeente Berg en Dal

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026 Burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal, Gelet op: –de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; –de Jeugdwet; –de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026; –de Verordening en de beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van centrumgemeente Nijmegen voor wat betreft de regels voor opvang en beschermd wonen; B e s l u i ten vast te stellen: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026. Hoofdstuk 1 Inleiding In de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp heeft de gemeenteraad de regels voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en Jeugdwet vastgelegd. In deze beleidsregels is opgenomen hoe het college van burgemeester en wethouders deze verordening uitvoert. De beleidsregels leveren een bijdrage aan de ambities en doelen zoals opgenomen in de Wmo 2015 en Jeugdwet. De Wmo 2015 en de Jeugdwet leggen de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner voor zijn leven, zijn zelfredzaamheid en participatie. Deze verantwoordelijkheid uit zich op meerdere gebieden. Dit betekent dat van de inwoners en diens netwerk verwacht wordt dat zij actief bijdragen aan het realiseren van een oplossing, bijvoorbeeld door rekening te houden met veranderingen die horen bij een nieuwe levensfase of gewijzigde (gezins)omstandigheden. Waar een inwoner niet meer in staat is om zelf te voorzien in zijn zelfredzaamheid en participatie, mag hij een beroep doen op ondersteuning door het college. Voor deze ondersteuning heeft het college een sociaal team ingericht. Het sociaal team neemt niet over maar ondersteunt inwoners waar nodig om problemen en vragen op te lossen. Bij het uitvoeren van de beleidsregels moet altijd oog worden gehouden voor uitzonderlijke situaties. Bij uitzonderlijke situaties kan worden afgeweken van de beleidsregels. Deze beleidsregels sluiten aan bij de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Samen met de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp en regionale en lokale (werk)afspraken vormen ze het geheel voor de ondersteuning. Hoofdstuk 2 Het proces van melding tot aanvraag In de verordening staat beschreven hoe het college een hulpvraag beoordeelt. In dit hoofdstuk gaan wij nader in op verschillende specifieke situaties en onderwerpen waar een hulpvraag voor kan bestaan. Deze situaties en onderwerpen vragen om nuancering bij de beoordeling van passende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. 2.1 Onderzoek Om het recht op een maatwerkvoorziening goed te kunnen beoordelen is het van belang dat alle relevante informatie over de situatie van de inwoner in een onderzoek verzameld wordt. De grondslag hiervoor staat in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Verordening. Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) benadrukt daarnaast dat aan een besluit van een bestuursorgaan altijd een zorgvuldige voorbereiding vooraf moet gaan. De CRvB heeft vervolgens in jurisprudentie verduidelijkt welke stappen in het onderzoek minimaal gevolgd moeten worden om aan de eis van zorgvuldig onderzoek te voldoen: 1.Wat is de hulpvraag; 2.Welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. In het geval van een jeugdige en/of ouders: is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke zijn dit; 3.Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving. In het geval van een jeugdige en/of ouders: welke hulp is naar aard en omvang nodig om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 4.In hoeverre de eigen mogelijkheden dan wel eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen of andere voorzieningen kunnen helpen om de hulpvraag op te lossen. Het college heeft een onderzoeksplicht op basis van de Wmo 2015 en Jeugdwet. Dit houdt dus niet alleen in dat er een indicatie wordt gesteld, maar ook dat er eerst wordt gezocht naar oplossingen bijvoorbeeld via algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen dan wel voorzieningen op grond van een andere wet. Bij het onderzoek geldt dat verschillende leefgebieden aan bod kunnen komen om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag en mogelijke oplossingen. Deze leefgebieden zijn de volgende: 1.Gezondheid 2.Huiselijke relaties 3.Sociaal netwerk 4.Opvoeding (in het geval van jeugdhulp) 5.Activiteiten dagelijks leven 6.Scholing en opvang (in het geval van jeugdhulp) 7.(Vrije)tijdsbesteding en (maatschappelijke) participatie 8.Huisvesting 9.Financiën 10.Verslaving 11.Justitie Het resultaat moet zijn dat er een gedragen plan tot stand komt waarmee de beslissing op een eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening goed gemotiveerd wordt. Aanvaardbare maatschappelijke participatie Het doel is om de inwoner op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij zijn van belang de situatie van de inwoner voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen maar ook de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Dit kan ook betekenen dat de inwoner zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. De ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie, en breidt zich niet uit tot wat de inwoner noodzakelijk vindt in het kader van smaak. Het betekent ook niet per definitie dat hij alle hobby’s moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende. 2.2 Nadere toelichting beoordeling maatschappelijke ondersteuning Eigen kracht en (boven)gebruikelijke hulp in de Wmo In het onderzoek naar een hulpvraag in het kader van de Wmo 2015 wordt de benodigde hulp en ondersteuning bepaald. Daarbij wordt ook beoordeeld: –welk deel van deze hulp en ondersteuning gebruikelijke hulp is; –welk deel van de hulp bovengebruikelijk is; –of de inwoner over voldoende eigen kracht beschikt om de (boven)gebruikelijke hulp zelf of met het sociaal netwerk te bieden; –of de inwoner daarboven nog een voorziening nodig heeft, zoals bijvoorbeeld een algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen dan wel voorzieningen op grond van een andere wet of een maatwerkvoorziening. Onderzocht wordt wat voor een bepaalde persoon, gezien alle omstandigheden, boven de voor hem gebruikelijke hulp uitgaat. Afhankelijk van de situatie zijn mensen meer of minder in staat om iets te betekenen voor een ander. Het is maatwerk in hoeverre mantelzorg en steun vanuit het sociaal netwerk, bovenop gebruikelijke hulp, meeweegt in het besluit om al dan niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Na de beoordeling van gebruikelijke hulp, wordt met de inwoner en het netwerk besproken wat zij voor elkaar kunnen betekenen en in hoeverre aanvullende ondersteuning nodig is, bijvoorbeeld om de mantelzorger te ontlasten. Bovengebruikelijke hulp wordt alleen gecompenseerd als hierom wordt gevraagd. Dit betekent niet dat alle bovengebruikelijke hulp wordt gecompenseerd met een maatwerkvoorziening. Dit moet per situatie worden beoordeeld. Concretisering en motivering zijn dan ook noodzakelijk. In bijlage 1 van de Verordening staat beschreven wat in de Wmo 2015 onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Uitwonende kinderen of ouders als onderdeel van het sociaal netwerk Uitwonende kinderen of ouders zijn geen huisgenoten en daarom zijn zij in juridische zin ook niet verplicht tot het bieden van gebruikelijke hulp. Er mag echter wel een redelijke verwachting zijn dat zij vanuit hun sociale relatie zijn betrokken bij elkaar mits er al sprake is van betrokkenheid. Dit kan bijvoorbeeld betekenen: •Meegaan naar de huisarts of het ziekenhuis; •Meegaan naar activiteiten gericht op maatschappelijke participatie (bijvoorbeeld de bioscoop, een restaurant); •Ondersteuning bij regelzaken. 2.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een voorziening is op grond van de Wmo 2015 algemeen gebruikelijk als die: 1.niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; 2.daadwerkelijk beschikbaar is; 3.een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; 4.financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de hele bevolking als gangbaar wordt gezien. Uiteraard worden ook de kosten voor onderhoud van een algemeen gebruikelijke voorziening als algemeen gebruikelijk gezien. Bij het criterium of een voorziening financieel draagbaar is met een minimuminkomen mag ook rekening worden gehouden met tweedehands aanbod. Voorzieningen in woongebouwen met een specifieke doelgroep In woongebouwen die bestemd zijn voor een specifieke doelgroep, zoals ouderen of personen met een beperking, kunnen bepaalde voorzieningen als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Dit is het geval wanneer: •het gebouw is bedoeld voor een doelgroep die de voorziening nodig heeft, én •op grond van wet, algemeen aanvaarde regels of contractuele afspraken volgt dat het gebouw over deze voorziening moet beschikken. Het is dan de verantwoordelijkheid van de eigenaar/verhuurder van het gebouw om deze voorzieningen (als onderdeel van de basisuitrusting) te realiseren. Deze lijn geldt ook voor gebouwen die niet formeel als doelgroepgebouw zijn aangewezen, maar feitelijk grotendeels door een specifieke doelgroep worden bewoond. In een woongebouw voor een specifieke doelgroep is er sprake van een Wmo-maatwerkvoorziening wanneer de gevraagde voorziening: •verder gaat dan de normale basisuitrusting voor alle bewoners; •voortkomt uit de individuele beperking of situatie van de inwoner, en niet uit de doelgroep waarvoor het gebouw is bedoeld; •niet verplicht voor rekening is van de eigenaar/verhuurder van het gebouw komt en niet als algemeen gebruikelijk voor deze woonvorm kan worden aangemerkt. 2.4 Algemene voorzieningen In onze gemeente is sprake van voorzieningen waar iedereen, of een bepaalde groep inwoners zoals ouderen of jeugdigen, gebruik van kan maken omdat het diensten of activiteiten betreft die gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Deze voorzieningen stellen inwoners in staat om, ondanks hun beperkingen, tot zelfredzaamheid, zelfstandigheid of participatie te komen. De toegang tot algemene voorzieningen is laagdrempelig. Een algemene voorziening is per definitie geen maatwerkvoorziening. Wmo 2015 Een algemene voorziening in het kader van de Wmo 2015 wordt aangeboden door de gemeente zelf of door een aanbieder. Dit is een natuurlijke persoon of rechtspersoon die daarover afspraken heeft gemaakt met de gemeente en daarmee tegenover de gemeente ook verplicht is om de voorziening te leveren. Voor het uitvoeren van de levering, kan de aanbieder wel direct met een inwoner afspraken maken. Voor een algemene voorziening is dus geen toestemming en doorverwijzing van de gemeente nodig. De Wmo-regels, bijvoorbeeld ten aanzien van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening, gelden niet. Voorbeelden zijn de inloop- en ontmoetingspunten in de verschillende dorpen en het laagdrempelig aanbod in het kader van preventieve GGZ (Geestelijke Gezondheidzorg). 2.5 Goedkoopst compenserende voorziening De voorwaarde goedkoopst compenserend betekent dat de te verstrekken voorziening(en) allereerst het probleem bij de participatie of zelfredzaamheid adequaat moet compenseren. Wanneer er meerdere oplossingen mogelijk zijn, wordt gekozen voor de goedkoopste (combinatie van) voorziening(en). Daarbij wordt gekeken naar de totale kosten over de te verwachten gebruiksduur. Als de inwoner een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat is) komen de meerkosten voor rekening van de inwoner. Bij de afweging goedkoopst compenserend gaat het in eerste instantie om de goedkoopst compenserende oplossing voor het college. Bij die afweging wordt echter ook rekening gehouden met de belangen van de inwoner. Zo is verhuizen naar een geschikte woning soms goedkoper dan aanpassen. Wanneer de inwoner als gevolg hiervan echter een restschuld overhoudt bij de verkoop van de oude woning zal meestal niet gekozen voor toepassen van het verhuisprimaat. Het is niet de bedoeling dat de inwoner onevenredig veel kosten maakt als gevolg van de keuze van het college voor de goedkoopste oplossing. Het college mag rekening houden met zogenaamde macro-overwegingen. Zo is bijvoorbeeld collectief vervoer voor het college goedkoop, juist vanwege de mogelijkheden combinatieritten te maken. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben. Uiteraard moet altijd een individuele afweging worden gemaakt. Het macro belang mag niet boven het belang van een voldoende compenserende oplossing worden gesteld. Hoofdstuk 3 Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Wmo) In dit hoofdstuk gaan wij nader in op de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die de gemeente kan toekennen op grond van de Wmo 2015. 3.1 Soorten maatwerkvoorzieningen De gemeente kan verschillende maatwerkvoorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning toekennen. Op hoofdlijnen gaat het om deze categorieën: –Hulpmiddelen; –Woningaanpassingen; –Hulp bij het huishouden; –Begeleiding; –Logeeropvang ofwel kortdurend verblijf; –Dagbesteding; –Beschermd wonen intramuraal, beschermd thuis en trainingshuis; –Maatschappelijke opvang, inclusief opvang huiselijk geweld; –Essentiële functies voor zintuigelijk gehandicapten; –Vervoersvoorzieningen. De categorieën bestaan veelal uit meerdere diensten of producten. Sommige voorzieningen worden lokaal door de gemeente georganiseerd. Andere voorzieningen worden samen met andere gemeenten georganiseerd. De essentiële functies voor zintuigelijk gehandicapten worden landelijk door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten georganiseerd. 3.2 Woningaanpassingen Het uitgangspunt van de Wmo is dat inwoners normaal en zelfstandig gebruik kunnen maken van de woning waar zij hun hoofdverblijf hebben. Als uit het onderzoek blijkt dat er geen voorliggende mogelijkheden zijn, kan de gemeente een woningaanpassing als maatwerkvoorziening verstrekken. Hieronder lichten wij nader toe hoe de gemeente afwegingen maakt bij specifieke situaties rondom woningaanpassingen. Verhuizen in plaats van aanpassen Bij woningaanpassingen boven een bedrag van € 20.000,- wordt onderzocht of een verhuizing naar een meer passende woning een doelmatige oplossing kan zijn. Alleen als verhuizen geen reële mogelijkheid is, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt (artikel 8, lid 2, sub e Verordening). In deze afweging spelen onder meer de volgende aspecten een rol: a.beschikbaarheid van een geschikte of eenvoudig aan te passen woning; b.verhouding tussen kosten van verhuizen en het aanpassen van de woning; c.snelheid waarmee de verhuizing of de aanpassing kan worden gerealiseerd; d.sociale omstandigheden; e.samenhang met andere voorzieningen (zoals vervoer of rolstoelen); f.gevolgen voor de woonlasten. Als uit het onderzoek door het college blijkt dat verhuizen de meest passende oplossing is, dan wordt er een financiële tegemoetkoming in de vorm van een verhuiskostenvergoeding verstrekt. Deze vergoeding wordt verstrekt voor het verhuizen naar en voor het stofferen van de nieuwe woning. De hoogte van de vergoeding wordt gebaseerd op: –De gemiddelde kosten van het verhuizen op basis van 2 door de inwoner overgelegde offertes van verhuisbedrijven; –De kosten van het stofferen van de woning op basis van de Nibud prijzengids voor de bijzondere bijstand. Voorzienbaarheid Een woningaanpassing kan worden geweigerd (artikel 8, lid 1 sub h en lid 2 sub e Verordening) als de inwoner bij de verhuizing naar zijn woning in redelijkheid had kunnen voorzien dat beperkingen in de woning zouden ontstaan. In deze beoordeling wordt altijd gekeken naar de concrete omstandigheden van de inwoner. Gebruikelijk onderhoud Onder algemeen gebruikelijke voorzieningen valt ook onderhoud en vervanging van bijvoorbeeld een badkamer of keuken. Kosten die hierbij naar maatschappelijke opvattingen gebruikelijk zijn, worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Bij woningaanpassingen wordt daarom rekening gehouden met de leeftijd en staat van bijvoorbeeld de badkamer of keuken. Als dat waarvoor een woningaanpassing wordt gevraagd afgeschreven is, ligt renovatie voor de hand en geen vergoeding vanuit de Wmo. Mantelzorgwoning De gemeente gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van mensen voor het hebben van een woning. Dit geldt ook voor het wonen nabij de mantelzorger. Daarbij is het uitgangspunt dat de huisvestingskosten (huur of hypotheek, energie, etc.) die de verzorgde(n) had(den) vóór de verhuizing naar de mantelzorgwoning, besteed kunnen worden aan de kosten voor de mantelzorgwoning. 3.3 Hulpmiddelen Hulpmiddelen kunnen vanuit verschillende wetgevingen worden verstrekt: de Wmo, de Wet langdurige zorg (met een Wlz-indicatie) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een hulpmiddel tijdelijk nodig is vanwege een operatie, blessure of ziekte. 3.4 Hulp bij het huishouden De gemeente kan op basis van het onderzoek een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden toekennen. In bijlage 1 wordt door middel van het HHM Normenkader van Bureau HHM beschreven hoe de indicatiestelling verder tot stand komt. 3.5 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang In de Wmo is bepaald dat inwoners zich in alle gemeenten in Nederland kunnen melden als zij toegang willen tot beschermd wonen intramuraal of de maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang. Inwoners moeten daarbij de mogelijkheid krijgen om hun eigen woonplaats te kiezen. Voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen geldt dat de gemeente Nijmegen op grond van de wet als centrumgemeente verantwoordelijk is voor het organiseren van beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de regio Gelderland-Zuid (Rijk van Nijmegen en Rivierenland). De gemeente Nijmegen koopt beschermd wonen en maatschappelijke opvang in en draagt zorg voor de toegang voor de inwoner en van de regiogemeenten. Hierbij is het uitgangspunt dat alle samenwerkende gemeenten, dus niet alleen de centrumgemeente Nijmegen, de verantwoordelijkheid dragen en met elkaar samenwerken. Maatschappelijke opvang bestaat niet alleen als maatwerkvoorziening, maar ook als algemene voorziening. De eerste opvang en bemoeizorg zijn algemene voorzieningen. Alle vormen van voltijdopvang, de crisisopvang, vrouwenopvang en begeleidingstrajecten tijdens (bijv. budgetbeheer) of na de opvang (bijv. woonbegeleiding) zijn maatwerkvoorzieningen. De algemene voorzieningen zijn in principe toegankelijk voor elke persoon met (dreigende) dak- of thuisloosheid die onvoldoende zelfredzaam is. Mensen die eerste opvang nodig hebben kunnen zich melden bij de aanbieder van opvang. In de verordening en de beleidsregels van de gemeente Nijmegen staan de regels die gelden voor de inzet van en toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang. 3.6 Vervoersvoorzieningen Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor vervoer wanneer de inwoner zich, vanwege beperkingen, niet in aanvaardbare mate lokaal kan verplaatsen binnen de woon‑ en leefomgeving, ook niet met: •eigen kracht; •gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit sociaal netwerk; •een algemeen gebruikelijke voorziening, waaronder openbaar vervoer; •een algemene voorziening, waaronder vrijwilligersvervoer. Als een inwoner in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening, beoordeelt het college welke van de volgende voorzieningen de goedkoopst passende voorziening is: •gecontracteerd vervoer via aanbieder; •collectief vervoer; •een individuele vervoersvoorziening; •een pgb voor vervoerskosten •autoaanpassing. Geen vervoersvoorziening wordt verstrekt als: •de inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling voor vervoer (zoals Zvw, Wlz, UWV); •de inwoner of het gezin voldoende zelfredzaam is om vervoer zelf te regelen, al dan niet met inzet van netwerk of vrijwilligers; •het vervoer valt onder gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijk; •het bovenregionaal vervoer betreft (>25 km). Vraagafhankelijk Wmo-vervoer Uitgangspunt is dat dit vervoer wordt geboden in de vorm van collectief vervoer. De voorziening moet de inwoner in staat stellen binnen een straal van circa 25 kilometer rond de woning sociale contacten te onderhouden, boodschappen en dagelijkse activiteiten te verrichten en andere voor het leven van alledag noodzakelijke bestemmingen te bereiken. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer. Het college hanteert een maximum van 2.000 km per jaar. Vervoerspas voor 80-plussers De praktijk laat zien dat bij ouderen die de leeftijd van 80 jaar bereiken de mobiliteitsbeperkingen dusdanig toenemen dat zelfstandig reizen en/of gebruik maken van het openbaar vervoer een probleem oplevert. In de meeste gevallen is een vervoerspas niet alleen wenselijk maar ook noodzakelijk. In dergelijke gevallen wordt een verkorte procedure uitgevoerd, waarbij aan de inwoner na een onderzoek een vervoerspas wordt toegekend. Hierbij wordt ook verwezen naar algemeen toegankelijke vervoersvoorzieningen. Vervoer naar dagbesteding, begeleiding of kortdurend verblijf Voor het vervoer van en naar de locatie waar dagbesteding, begeleiding of kortdurend verblijf plaatsvindt, verwijzen we naar bijlage 2, en meer specifiek het toetsingskader, van deze beleidsregels. Autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing gelden de volgende voorwaarden: •De auto verkeert in een goede technische staat, is APK-gekeurd en heeft naar verwachting een resterende levensduur die minimaal gelijk is aan de economische levensduur van de aanpassing; •De auto is niet ouder dan 10 jaar en heeft een kilometerstand van maximaal 200.000 km, tenzij uit onafhankelijk technisch advies blijkt dat de auto nog voldoende restlevensduur heeft; •De auto staat structureel ter beschikking van de inwoner. Als redelijkerwijs te verwachten is dat de auto op korte termijn vervangen moet worden, kan het college de aanvraag voor een autoaanpassing weigeren. Hoofdstuk 4 Tegemoetkoming meerkosten Op grond van artikel 41 van de Verordening kan de gemeente een eenmalige tegemoetkoming in de meerkosten verstrekken. Het doel is om inwoners die meerkosten hebben in verband met hun beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen financieel te ondersteunen, waardoor zij zich kunnen handhaven in de samenleving. Het gaat hierbij om een forfaitaire vergoeding die in de Verordening wordt genoemd. Dit hoofdstuk gaat over de voorwaarden waaraan inwoners moeten voldoen. 4.1 Sportvoorziening 1.Een eenmalige tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen ten behoeve van een sportvoorziening kan worden verstrekt, als: –er sprake is van actieve sportbeoefening; –er vanwege de beperking extra kosten worden gemaakt voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij deze sportbeoefening; en, –de tegemoetkoming noodzakelijk is om in voldoende mate te kunnen participeren. 2.Als de sportvoorziening drie jaar na verstrekking nog adequaat is, wordt geen eenmalige tegemoetkoming voor een sportvoorziening verstrekt. 4.2 Bezoekbaar/logeerbaar maken woning 1.In bijzondere situaties kan de gemeente een eenmalige tegemoetkoming verstrekken voor het bezoekbaar/logeerbaar maken van één woonruimte. Dit kan alleen wanneer: a.de inwoner zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling, én b.de woning die bezoekbaar/logeerbaar gemaakt wordt in de gemeente Berg en Dal ligt. 2.De aanvraag voor het bezoekbaar maken van een woning van een partner of familielid wordt aangevraagd door de aanvrager die zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken en gebruiken. 4.3 Woningsanering 1.Er kan een eenmalige tegemoetkoming voor vloerbedekking – inclusief rolstoeltapijt – en gordijnen worden verstrekt, wanneer een woonvoorziening bestaat uit: a.een rolstoeltapijt welke noodzakelijk is voor het gebruik van de rolstoel binnenshuis; of, b.een woningsanering welke volgens medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of een chronische bronchitis. 4.4 Tijdelijke huisvesting 1.Het college kan ten behoeve van tijdelijke huisvesting een eenmalige tegemoetkoming meerkosten aan personen met een beperking of chronische problemen verlenen, als deze moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van: a.De huidige woonruimte van belanghebbende; b.De door belanghebbende nog te betrekken woonruimte. 2.De eenmalige tegemoetkoming meerkosten ten behoeve van tijdelijke huisvesting wordt uitsluitend verleend voor de periode waarin de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en belanghebbende als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan die redelijkerwijs niet voorkomen kunnen worden. 3.De hoogte van een eenmalige tegemoetkoming meerkosten ten behoeve van tijdelijke huisvesting bedraagt: a.Maximaal 80% van de op dat moment geldende maximale huurprijs per maand van een sociale huurwoning zoals vastgesteld door de Rijksoverheid, in verband met het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte; b.Maximaal 40% van de op dat moment geldende maximale huurprijs per maand voor een sociale huurwoning zoals vastgesteld door de Rijksoverheid, in verband met het tijdelijk betrekken van niet-zelfstandige woonruimte. 4.De eenmalige tegemoetkoming meerkosten ten behoeve van tijdelijke huisvesting kan maximaal zes maanden worden verleend. Hoofdstuk 5 Mantelzorgondersteuning 5.1 Mantelzorgondersteuning en respijtzorg Mantelzorgers dragen vaak in belangrijke mate bij aan de zelfredzaamheid en participatie van inwoners en aan de mate waarin hun naasten nog in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. De mantelzorger is vertrouwd voor de inwoner die ondersteuning behoeft en daardoor wordt deze vaak beter geaccepteerd dan professionele ondersteuning. Een groot risico is dat mantelzorgers overbelast raken. Om dat te voorkomen kan ondersteuning aan de mantelzorger worden geboden. We noemen dit respijtzorg. Respijtzorg is een overkoepelende term voor verschillende vormen van ondersteuning die mantelzorgers (tijdelijk) ontlasten. Bijvoorbeeld door de inwoner voor één of meer dagdelen per week naar de dagbesteding te laten gaan, zodat de mantelzorger even iets voor zichzelf kan doen. Of door een vrijwilliger in te zetten. Ook respijtzorg in de vorm van logeren is mogelijk, bijvoorbeeld om de mantelzorger een aantal weekenden per jaar te ontlasten. Ook kan de mantelzorg ondersteund worden door het inzetten van een zorgpauze vanuit het steunpunt Mantelzorg. 5.2 Mantelzorg Berg en Dal Mantelzorgers die op zoek zijn naar informatie en of contact willen met andere mantelzorgers of willen weten welke vormen van ondersteuning er in de gemeente zijn, kunnen terecht bij Mantelzorg Berg en Dal. Mantelzorg Berg en Dal richt zich o.a. op: –gelegenheid geven tot een persoonlijk gesprek of het bieden van een luisterend oor; –hulp bij praktische vragen zoals over hulpmiddelen, regelingen, administratie; –organiseren van themamiddagen of cursussen; –hulp bij het zoeken naar iemand die bij de inwoner thuis kan oppassen zodat de mantelzorger er even tussen uit kan. Visie op mantelzorg De gemeenteraad stelt elke vier jaar een Visie op mantelzorg vast, waarin de gemeentelijke ondersteuning van mantelzorgers en het mantelzorgcompliment wordt vastgelegd. Hoofdstuk 6 Jeugdhulp In de Verordening staat beschreven hoe de gemeente een hulpvraag beoordeelt. In hoofdstuk 2 van deze beleidsregels gaan we hier verder op in. In dit hoofdstuk gaan wij nader in op verschillende specifieke situaties en onderwerpen waar een hulpvraag voor kan bestaan in het kader van de Jeugdwet. Deze situaties en onderwerpen vragen om nuancering bij de beoordeling van passende jeugdhulp. Ook gaan wij nader in op de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die de gemeente kan toekennen. 6.1 Nadere toelichting beoordeling jeugdhulp Respijtzorg in het kader van de Jeugdwet Respijtzorg in relatie tot jeugdwet is een overkoepelende term voor verschillende vormen van ondersteuning om ouders (tijdelijk) te ontlasten. Op deze manier kunnen zij bij (dreigende) overbelasting in staat worden gesteld hun rol als ouder te blijven vervullen. Ook kan respijtzorg worden ingezet als uit onderzoek blijkt dat dit noodzakelijk is om plaatsing in een instelling te voorkomen. Het gaat om ouders van jeugdigen die langdurig bovengebruikelijke hulp nodig hebben. Veelal gaat het om jeugdigen: –met zware fysieke beperkingen; –die een intensieve ondersteuningsbehoefte hebben waarbij continu hulp en begeleiding nodig is bij (vrijwel) alle dagelijkse taken; –bij wie het noodzakelijk is om te kunnen ingrijpen bij gedragsproblemen, veroorzaakt door een psychiatrische beperking of een verstandelijke handicap. Als de ouders niet over voldoende eigen kracht beschikken om de hulp zelf of met ondersteuning van het sociaal netwerk of andere voorzieningen te bieden, kan er aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening (artikel 8, lid 5 verordening). De maatwerkvoorziening kan gericht zijn op de jeugdige of de ouder. Het uitgangspunt is dat er, in die gevallen waarin dat mogelijk is, naast het tijdelijk ontlasten van de ouders ook wordt gewerkt aan het duurzaam versterken van de draagkracht van het gezin en het sociale netwerk, zodat de inzet van respijtzorg niet meer nodig is. Ouders kunnen bovendien ook gebruik maken van voorliggende voorzieningen als Buurtgezinnen en Zorgoppas. In die gevallen waarin er sprake is van zwaardere problematiek, waarbij het doel is om plaatsing in een instelling te voorkomen, wordt blijvend gekeken naar wat de ouders en het netwerk zelf kunnen, Passend onderwijs Het uitgangspunt is dat ondersteuning die primair gericht is op onderwijs en het leerproces valt onder de Wet passend onderwijs. Het gaat dan om ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs, leren en het behalen van leerdoelen. Ondersteuning die niet primair gericht is op onderwijs, maar op opgroei-, opvoedings- of psychische problematiek of problemen in de zelfredzaamheid, bijvoorbeeld persoonlijke verzorging, valt wel onder de Jeugdwet. Huiswerkbegeleiding wordt nooit vergoed vanuit de Jeugdwet. Dit is namelijk de verantwoordelijkheid van ouders en school. Als begeleiding bij planning en structureren van huiswerk primair gericht is op het doorlopen van het onderwijsprogramma, valt de ondersteuning onder de zorgplicht van de Wet passend onderwijs en niet onder de Jeugdwet. Stage en voorbereiding naar werk Zolang een jeugdige leerplichtig en nog niet kwalificatieplichtig is, moet hij ingeschreven staan bij een school. Die school is dan verantwoordelijk voor passend onderwijs. Onder deze zorgplicht valt ook de (extra) begeleiding die de leerling tijdens de stage nodig heeft, terwijl hij staat ingeschreven bij een school. De zorgplicht van school geldt ook voor een leerling die speciaal onderwijs volgt met een uitstroomprofiel dagbesteding. Als deze leerling een stage wil lopen, moeten deze kosten ook door de school worden betaald. Ondersteuning bij het krijgen van werk wordt evenmin vanuit de Jeugdwet geregeld. Deze ondersteuning kan mogelijk geboden worden op grond van de Participatiewet. Het enkele motiveren van jeugdigen voor school of werk, valt niet onder de Jeugdwet. 6.2 Soorten maatwerkvoorzieningen De gemeente kan verschillende maatwerkvoorzieningen op het gebied van jeugdhulp toekennen. Deze maatwerkvoorzieningen worden veelal samen met andere gemeenten georganiseerd. Op hoofdlijnen gaat het om deze categorieën van maatwerkvoorzieningen: –Begeleiding en persoonlijke verzorging; –Logeeropvang; –Onderwijstoeleidende dagbesteding; –Dagbehandeling; –GGZ en orthopedagogische behandeling; –Dyslexiezorg; –Jeugdhulp met verblijf (zoals pleegzorg, gezinshuizen, residentiële voorzieningen of gesloten jeugdhulp); –Essentiële functies hoogspecialistische jeugdhulp; –Preventieve jeugdbescherming in het vrijwillige kader; –Vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. De categorieën bestaan veelal uit meerdere producten. Zorg Binnen Onderwijs Zorg Binnen Onderwijs (ZBO) kan worden ingezet onder de maatwerkvoorziening 'reguliere begeleiding', maar kan soms worden geboden vanuit de Wet passend onderwijs. Als dit laatste het geval is, dan is er sprake van een voorliggende voorziening, en dan wordt er geen maatwerkvoorziening verstrekt voor ZBO. 6.3 Vervoer van en naar de locatie van jeugdhulp In artikel 44 van de Verordening worden de voorwaarden voor vervoer van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden beschreven. In aanvulling hierop wordt verwezen naar het toetsingskader in bijlage 2 van deze beleidsregels. Op deze manier wordt duidelijk hoe een melding/aanvraag voor dergelijk vervoer wordt beoordeeld. Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden budget (pgb) Een pgb kan een geschikt instrument zijn voor een inwoner om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. Het is een vorm die passend is voor inwoners die zelf en/of met behulp van een vertegenwoordiger de regie over hun leven kunnen voeren. Wanneer recht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp bestaat, kunnen inwoners onder voorwaarden voor een pgb in plaats van zorg in natura kiezen. Criteria voor het verstrekken van een pgb zijn onder andere opgenomen in de artikelen 11 tot en met 17 van de Verordening. In dit hoofdstuk een nadere uitwerking hoe deze criteria worden getoetst. 7.1 Beoordeling en controle pgb-voorwaarden Een inwoner, in het geval van ondersteuning in het kader van de Jeugdwet kan dit ook de ouder zijn, kan tijdens het onderzoek naar een maatwerkvoorziening (hoofdstuk 2 van de verordening) aangeven dat hij een pgb wil. Het college kan de inwoner dan vragen een pgb-plan in te vullen of een offerte te overleggen. Op basis hiervan en/of een gesprek wordt tijdens het onderzoek getoetst of de inwoner in redelijkheid aan de pgb-voorwaarden voldoet. De bekwaamheid en vaardigheden tot regie van de inwoner worden getoetst. Daarnaast wordt getoetst of de door de inwoner voorgestelde invulling van voldoende kwaliteit is en tot de beoogde resultaten van de maatwerkvoorziening leidt. Bij toepassing van de Jeugdwet wordt ook getoetst of voldoende is gemotiveerd waarom zorg in natura niet passend is. De toetsing van de pgb-voorwaarden tijdens het onderzoek kan minder of meer uitgebreid plaatsvinden, afhankelijk van de omstandigheden, de voorziening en resultaten waarvoor de inwoner een pgb wil. Het is altijd een individuele weging en vereist daarom maatwerk. Ook tijdens de looptijd van het pgb controleert het college of aan de pgb-voorwaarden wordt voldaan. Het college kan via een steekproef bij de budgethouder, huisbezoek of administratieve controle toetsen of het pgb besteed is aan het doel waarvoor het is verstrekt (rechtmatigheid). Ook een onderzoek bij de aanbieder die uit het pgb is betaald, behoort tot de mogelijkheden. Bij het evalueren van de voortgang op de resultaten, bespreekt het college de inhoudelijke zorgverlening en ondersteuningsvraag met de budgethouder (doelmatigheid). Bij beschermd wonen vindt deze evaluatie minstens één keer per jaar plaats. In een steekproef kunnen daarnaast jaarlijks een aantal dossiers worden onderworpen aan een intensieve controle. Als onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het pgb wordt geconstateerd, kan het college besluiten om voorwaarden te stellen aan de voortzetting van het pgb of het verstrekken van het pgb heroverwegen en beëindigen. Bij signalen van fraude kan het college na onderzoek besluiten het pgb terug te vorderen. De budgethouder moet meewerken aan onderzoek en controles en alle gevraagde stukken indienen bij het college. Het niet of niet volledig indienen van gevraagde stukken kan leiden tot volledige of gedeeltelijke terugvordering van het pgb. 7.2 Nadere toelichting pgb-plan Het college vraagt de inwoner een pgb-plan in te vullen. Het invullen van dit plan stimuleert de inwoner na te denken over invulling van het pgb, deze uit te werken en te concretiseren. In het pgb-plan kan onder andere worden gevraagd: a)wat de motivatie is om een pgb te willen; b)waarom de zorg van de specifieke aanbieder de meest geschikte vorm van zorg is; c)wat het beoogde resultaat van de ondersteuning is; d)hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd (o.a. kwalificatie van de zorgverlener(s)); e)hoe de veiligheid is gewaarborgd; f)hoe het toezicht of de 24/7 beschikbaarheid- of bereikbaarheid is geborgd; g)hoe de ondersteuning is afgestemd op de inwoner; h)wat de verwachte duur en omvang van de ondersteuning is en wanneer en hoe deze wordt geëvalueerd; i)hoe de vervanging bij vakantie en ziekte wordt geregeld. j)een begroting (o.a. wat de zorg kost en hoe deze kosten zijn berekend). 7.3 Nadere toelichting motivatie De inwoner wordt gevraagd zijn keuze voor een pgb te motiveren. Het is daarbij altijd belangrijk dat de keuze voor een pgb een keuze is. Ook is het belangrijk dat het de keuze van de inwoner is en niet die van de in te huren persoon uit het sociaal netwerk of pgb-aanbieder. Aanvullend is het bij toepassing van de Jeugdwet belangrijk dat is gemotiveerd dat het bestaande aanbod van zorg in natura niet passend is. Daarmee moet duidelijk worden dat de ouder zich voldoende heeft georiënteerd op maatwerkvoorzieningen in natura. Wanneer de motivatie is beargumenteerd, mag het college de aanvraag niet weigeren. Er zijn enkele concrete voorbeelden te noemen die de ouder kan aanvoeren om te motiveren dat zorg in natura niet passend is: 1)de benodigde jeugdhulp is niet goed vooraf in te plannen; 2)de benodigde jeugdhulp moet op ongebruikelijke tijd geleverd worden; 3)de benodigde jeugdhulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden; 4)de benodigde jeugdhulp moet op verschillende locaties geleverd worden; 5)als het noodzakelijk is om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren; 6)als de jeugdhulp door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden. 7.4 Nadere toelichting op beoordeling bekwaamheid De budgethouder kan zowel opdrachtgever/werkgever als ontvanger van ondersteuning zijn. De budgethouder moet daarom op verschillende terreinen over een aantal vaardigheden en kwaliteiten beschikken wil sprake zijn van adequate zelfregie en voldoende bekwaamheid. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft een 'infographic met 10 punten pgb-vaardigheid1' gepubliceerd. Het college sluit hierbij aan, wat betekent dat de volgende punten worden beoordeeld: 1)Heeft voldoende inzicht en overzicht: a.is voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen en stelt het belang van de inwoner, en bij toepassing van de jeugdwet jeugdige, centraal; b.heeft voldoende inzicht in (het effect van) de beperkingen; c.heeft een duidelijk beeld van de hulpvraag; d.weet welke hulp nodig is en kan beargumenteren dat deze passend en kwalitatief goed is; e.is op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het pgb-beheer; f.heeft voldoende kennis over het opdrachtgever- of werkgeverschap; g.heeft inzicht in de besteding van het pgb. 2)Is in staat tot: a.zelfstandig handelen; b.onafhankelijk voor een pgb-aanbieder dan wel informele ondersteuner te kiezen; c.voldoende communicatief vaardig, bijvoorbeeld om proactief te communiceren over wijzigingen met instanties zoals de gemeente; d.het bijhouden van een correcte administratie; e.het opstellen van een begroting; f.het maken van een pgb-plan; g.het aangaan van een overeenkomst en het maken en vastleggen van afspraken; h.het aansturen van personen; i.het aanspreken van personen op hun functioneren; j.het coördineren van inzet waardoor de ondersteuning door kan gaan, ook bij verlof en ziekte. 7.5 Nadere toelichting beoordeling kwaliteit Een budgethouder is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg die hij inkoopt. De budgethouder is hiermee opdrachtgever/werkgever voor de door hem ingehuurde ondersteuning. De kwaliteit van de zorg die ingezet wordt met een pgb moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als dienstverlening in zorg in natura. In bijlage 2 van de verordening is een overzicht opgenomen van de kwaliteitseisen gesteld aan pgb-aanbieders. Degene die de aanvraag in behandeling heeft, beoordeelt of de kwaliteit voldoende geborgd is en of de ingekochte hulp veilig, doeltreffend en inwonergericht is. Hierbij weegt mee of de diensten, hulpmiddelen en andere maatregelen geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. Het college kan bij uitzondering afwijken van de eis om een VOG te overleggen in het geval van informele hulp. Als het gaat om jeugdhulp kan dit niet; het overleggen van een VOG is dan altijd noodzakelijk. 7.6 Nadere uitwerking weigeringsgronden pgb In artikel 16 van de Verordening staan weigeringsgronden voor pgb geformuleerd. Voor bepaalde resultaten, omstandigheden of maatwerkvoorzieningen is pgb een minder passende verstrekkingsvorm. Voor andere resultaten, omstandigheden of maatwerkvoorzieningen is verder onwaarschijnlijk dat met de inzet van een zzp'er of informele ondersteuners aan de pgb-voorwaarden kan worden voldaan. In deze paragraaf worden een aantal voorbeelden beschreven. Hulp gericht op vaardigheden die noodzakelijk worden geacht voor pgb-bekwaamheid (7.4) Als de hulp is gericht op het verminderen van afhankelijkheid van hulp, ofwel het toewerken naar zelfredzaamheid, is een pgb minder passend. Voor een pgb is het immers van belang zelfstandig te kunnen handelen. Een pgb is ook een minder passende verstrekkingsvorm voor inwoners die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen. Dit vanwege het belang om zelfstandig te kunnen communiceren met instanties (zoals de gemeente en Sociale Verzekeringsbank), informatie te kunnen opzoeken rondom rechten en plichten rondom het pgb en/of werkgever-/opdrachtgeverschap en het begrijpen van formulieren zoals de zorgovereenkomst. Een pgb is ook minder passend als de maatwerkvoorziening wordt ingezet om overbelasting te voorkomen of verminderen. Een pgb geeft immers ook een bepaalde belasting. Jeugdhulp gericht op (de interactie met) de ouder (7.4) Het ‘belang van de inwoner centraal zetten’ betekent voor een pgb bij jeugdhulp dat de ouder het belang van de jeugdige centraal zet en vooropstelt. Dit betekent ook dat het belang van de ouder niet mag botsen met het belang van de jeugdige. Bij jeugdhulp die (ook) gericht is op de interactie met de ouder, is hier sprake van. Denk hierbij aan hulp gericht op het doorbreken van interactie-/systeemproblematiek of hulp gericht op opvoedvaardigheden. Datgene dat in het belang is van het kind, is niet per definitie in het belang van de ouder. Het vooropstellen van het belang van het kind is niet geborgd en een goede beoordeling van de kwaliteit van hulp ook niet. Dit maakt een pgb in veel situaties geen passende verstrekkingsvorm voor de maatwerkvoorzieningen orthopedagogische behandeling, specialistische GGZ en specialistische Jeugdhulp. Jeugdhulp die om meerdere deelnemers en/of professionals en/of een locatie vraagt In de kwaliteitseisen gesteld aan verschillende maatwerkvoorzieningen is bepaald dat er sprake moet zijn van een minimale- en/of maximale groepsgrootte. De groepsgrootte is nodig om het noodzakelijke geachte pedagogische klimaat en het van elkaar leren (in de interactie) te realiseren en daarmee de effectiviteit van de hulp te borgen. Voor deze groepsvoorzieningen geldt bovendien dat er minimaal 2 hulpverleners, met vaak ook verschillende deskundigheden, bij de groep betrokken moeten zijn. Niet alleen om de kwaliteit van de hulp, maar ook de veiligheid van de jeugdigen te borgen. Ook moeten er rondom deze groepsvoorzieningen allerlei randvoorwaarden worden georganiseerd. Zo vraagt de doelgroep om beschikbaarheid van specialistische expertise (bijv. gedragswetenschapper) bij de aanbieder, moet er een duurzame samenwerkingsrelatie tussen de hulpverleners/het team bestaan en is er een vaste locatie nodig. Deze kwaliteitseisen maken het zeer onwaarschijnlijk dat deze maatwerkvoorzieningen kunnen worden ingekocht bij een informele ondersteuner of zzp’er. Voorbeelden van dit soort maatwerkvoorzieningen zijn: onderwijstoeleidende dagbesteding, dagbehandeling, BSO+, logeeropvang en jeugdhulp met verblijf. Essentiële functies Een aantal zorgvormen (de zogenaamde ‘essentiële functies’) stellen dusdanig veel eisen aan zorgaanbieders dat de beschikbaarheid ervan alleen kan worden gerealiseerd door deze zorg bovenregionaal/landelijk te contracteren. Het gaat hierbij veelal om hoogspecialistische zorg die een kapitaal- en kennisintensieve infrastructuur vraagt die niet eenvoudig kan worden opgezet. Organisaties die deze specialistische zorg bieden, hebben deze expertise vaak over langere tijd opgebouwd. Ook gaat het (in ieder geval bij de bovenregionale ingekochte essentiële functies) om zorg die uitsluitend door samenwerkingsverbanden van organisaties kan worden geboden. Het gaat namelijk niet alleen om het bieden van zorg, maar ook om het meelopen met/ondersteunen van andere organisaties in het bieden van die zorg. Het vraagt veel randvoorwaarden om een dergelijke samenwerking te realiseren. Dit aanbod bestaat daarom ook niet binnen pgb. Er is langjarige financiering én een institutionele regisseur om op de samenwerking te sturen. Hoofdstuk 8 Slotbepalingen 8.1 Inwerkingtreding 1.Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag volgende op die van de bekendmaking en vervangen de Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Groesbeek 2018. 2.Meldingen en aanvragen in het kader van de Wmo 2015 en die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden beoordeeld op grond van de Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Groesbeek 2018. 8.2 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal in de vergadering van 1 september 2026. Bijlage 1. Normenkader huishoudelijke hulp gemeente Berg en Dal In deze bijlage wordt een richtlijn gegeven op basis waarvan huishoudelijke hulp geïndiceerd kan worden. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een richtlijn, waarbij indien nodig alle basisactiviteiten geïndiceerd worden. Van de normen wordt afgeweken als de situatie van de inwoner hier aanleiding toe geeft. Uitgangspunt is dat de hulpvraag van de inwoner centraal staat, rekening houdend met onder andere de gezondheids- en leefsituatie. Het gaat te allen tijde om het leveren van maatwerk, zodat een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid van de inwoner geleverd wordt zonder dat hierbij de verantwoordelijkheid voor het eigen huishouden van de inwoner wordt overgenomen. Resultaten en uitgangspunten Als ondersteuning door het college bij het schoon houden van het huis noodzakelijk blijkt, wordt een maatwerkvoorziening Huishoudelijke hulp toegekend. Om de totale omvang van de ondersteuning te bepalen wordt de benodigde ondersteuningstijd van verschillende resultaten vastgesteld. Deze resultaten zijn: –Het huis is schoon en leefbaar: Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Met ‘schoon’ bedoelen we: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. ‘Leefbaar’ staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken hier geen onderdeel van uit; –De inwoner beschikt over schoon linnen- en beddengoed en schone kleding; –De bewoner beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijden; –Er wordt gezorgd voor minderjarige kinderen; –Er is sprake van regie over het doen van het huishouden. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening Huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 (2025, bureau HHM). Zodra er een nieuwere versie is, maken we gebruik van deze nieuwste versie. De meest recente en volledige versie is te raadplegen via de volgende link: https://www.hhm.nl/werk/normenkaders/. Het uitgangspunt is dat onderzocht wordt of met gebruikelijke hulp en/of oplossingen op basis van algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of voorzieningen op basis van andere wetten de noodzaak van ondersteuning door het college kan worden weggenomen of verminderd. Hierbij kan gedacht worden aan de inzet van hulpmiddelen zoals algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine, droger of stofzuiger, maar ook kan worden gedacht aan een robotstofzuiger. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing zouden bieden, is de aanschaf van deze hulpmiddelen voorliggend op het inzet van huishoudelijke hulp. Verder kan het gaan om het gebruik van een glazenwasser, een particuliere schoonmaakhulp of maaltijdondersteuning vanuit de Zvw. Het normenkader ziet op maatwerk voor de individuele inwoner. In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als sprake is van volledige overname van het huishouden bij de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (ofwel ‘ijkcliënt’) en op grond waarvan minder als mogelijk of meer als nodig ondersteuning wordt geboden. Gemiddelde cliëntsituatie De basisuren richten zich op het uitvoeren van het lichte en zware schoonmaakwerk. Denk aan het afnemen van stof, stofzuigen, reinigen van ramen, vloeren en sanitair en bedden verschonen. Uit objectief, onafhankelijk onderzoek is gebleken dat er 125 minuten per week nodig is om het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ te behalen in een ‘gemiddelde situatie’. Hieronder wordt verstaan: 1.een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; 2.wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; 3.er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; 4.de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak; 5.de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; 6.er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; 7.er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; 8.de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. Het normenkader betreft de voor de hulp beschikbare totale tijd, inclusief de indirecte tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de inwoner en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. De activiteiten benodigd voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis staan onder kopje ‘Basisactiviteiten’. De inwoner is vrij de uren naar eigen inzicht in te zetten voor het realiseren van het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’. De inwoner stemt zelf met de door hem/haar gekozen aanbieder af met welke taken met welke frequentie dit wordt ingevuld. Inwoners passen niet altijd precies in deze omschrijving van ‘de gemiddelde cliëntsituatie’. Er is sprake van invloedsfactoren die minder of juist meer ondersteuning nodig maken (eigen kracht e.d. versus vaker of beter moeten schoonmaken). Door een zorgvuldige afweging te maken hiervan voor iedere inwoner, komt de consulent tot individuele ondersteuning op maat (maatwerk). Minder of meer inzet De volgende drie groepen invloedsfactoren maken dat inzet van minder ondersteuningstijd mogelijk is of inzet van meer ondersteuningstijd nodig is: Kenmerken inwoner 1. Mogelijkheden inwoner zelf: de fysieke mogelijkheden van de inwoner om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de inwoner mee. 2. Beperkingen en belemmeringen van de inwoner, die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, is leidend, niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken: a.Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremors, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus). b.Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de inwoner voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. 3. Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers: de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de inwoner en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan. Kenmerken huishouden 1. Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk, gebruikelijke hulp). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is. 2. Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen. Kenmerken woning 1. Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden. 2. Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. 3. Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd. Extra inzet voor kenmerken van de woning worden alleen in uitzonderlijke situaties toegekend. Van de inwoner wordt verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door zorg te dragen dat de woning toegankelijk, praktisch ingericht, opgeruimd en onderhouden is. Een voorbeeld hiervan is het beperken van beeldjes, fotolijstjes en andere losse accessoires op plekken die regelmatig gestoft moet worden. N.B. Er zijn cliëntsituaties denkbaar die niet passen in het normenkader. Deze zijn zo uitzonderlijk dat hiervoor geen algemene normstelling mogelijk is. Het college zal daarom tijdens het onderzoek in gezamenlijk overleg bepalen welke ondersteuningsbehoefte er in deze cliëntsituaties is. Dit normenkader is daarbij veelal wel ondersteunend. Resultaat: schoon en leefbaar huis Bij volledige overname 125 minuten Minder inzet Eigen mogelijkheden inwoner of netwerk - Stof afnemen middenniveau + algemeen opruimen - 15 minuten - Overige ‘licht’ huishoudelijk werk - 15/30 minuten - Hulp netwerk/gebruikelijke hulp - 15 of meer minuten Kenmerken die kunnen leiden tot meer inzet Beperkingen en belemmeringen (meer vervuiling en/of hoger niveau van hygiene vereist) Veel extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede werkmoment per week van de hulp noodzakelijk is. Enige extra inzet + 30 minuten Veel extra inzet + 60 minuten Samenstelling huishouden Afwegen noodzaak meer inzet door extra vervuiling/ ondersteuningsbehoefte versus minder inzet door aanwezigheid eigen kracht en/of gebruikelijke hulp Extra kamer in gebruik als slaapkamer + 18 minuten Extra kamer niet in gebruik als slaapkamer + 5 minuten Extra inzet vanwege vervuiling door huisdier + 15 minuten Omvang, inrichting of bewerkelijkheid van de woning + 15 minuten Alleen in uitzonderlijke situaties In minuten per week Als een inwoner zodanig veel eigen kracht heeft (of inzet vanuit het netwerk of andere passende voorzieningen) dat sprake kan zijn van ondersteuning op maat door niet wekelijks, maar eenmaal per twee weken ondersteuning bij het huishouden te bieden, dan wordt dit gezien als een passende oplossing in de specifieke situatie van deze inwoner. Basisactiviteiten: schoon en leefbaar huis Dit gaat om uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden voor de in gebruik zijnde ruimtes, waarbij de inwoner zelf, of met behulp van het sociaal netwerk, de regie voert. De inwoner kan zelf (of met behulp van het sociaal netwerk) aangeven wat er moet gebeuren. Taken die onder deze vorm van huishoudelijke hulp vallen zijn (voor zover nodig) afnemen nat en droog, stofzuigen en dweilen, gordijnen en binnenzijde ramen wassen, bed verschonen, keuken en sanitair schoonmaken, opruimen. Schoon en leefbaar huis Woonruimten Woonkamer Slaapkamer(s) Keuken Schoonmaak- activiteiten Afnemen nat en droog Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Zitmeubels afnemen (droog/nat) Radiatoren reinigen Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Deuren/deurposten afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Stofzuigen en dweilen Stofzuigen Dweilen Stofzuigen Dweilen Stofzuigen Dweilen Ramen en gordijnen Gordijnen wassen Lamellen/luxaflex reinigen Ramen binnenzijde wassen Gordijnen wassen Lamellen/luxaflex reinigen Ramen binnenzijde wassen Gordijnen wassen Lamellen/luxaflex reinigen Ramen binnenzijde wassen Bed verschonen Bed verschonen Matras draaien Keuken schoonmaken Keukenblok en apparatuur (buitenzijde) Afval opruimen Keukenkastjes (binnenzijde) Koelkast (binnenzijde) Oven/magnetron Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) Afzuigkap reinigen (binnenzijde) Bovenkant keukenkastjes Tegelwand (los van keukenblok) Sanitair schoonmaken Opruimen Opruimen Opruimen Schoon en leefbaar huis Woonruimten Badkamer en toilet Hal Schoonmaak- activiteiten Afnemen nat en droog Deuren/deurposten afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten Radiatoren reinigen Stofzuigen en dweilen Stofzuigen Dweilen Trap stofzuigen (binnenshuis) Ramen en gordijnen Gordijnen wassen Lamellen/luxaflex reinigen Ramen binnenzijde wassen Bed verschonen Keuken schoonmaken Sanitair schoonmaken Badkamer schoonmaken (incl. stofzuigen en dweilen) Toilet schoonmaken Tegelwand badkamer afnemen Opruimen Schoon linnen- en beddengoed en schone kleding Iedere inwoner dient te beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding evenals schoon en gedroogd textiel (handdoeken en beddengoed). Ondersteuning bestaat uit wassen, in uitzonderlijke gevallen aangevuld met strijken. Ondersteuning ten behoeve van dit resultaat wordt geboden als de inwoner een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van het linnen- en/of beddengoed en kleding. De verzorging van de was zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van kleding en linnen- en beddengoed. Gestreken bovenkleding is in het algemeen niet noodzakelijk om te kunnen participeren in de maatschappij of voor de zelfredzaamheid. Inwoners kunnen hun eigen kracht inzetten door voor strijkvrije bovenkleding te kiezen. Daarnaast is het niet noodzakelijk om keukenlinnen en beddengoed te strijken. In uitzonderlijke gevallen kunnen de beperkingen van de client er voor zorgen dat een (medische) noodzaak bestaat voor het indiceren van strijken. Bij het beoordelen daarvan kan bij uitzondering een onafhankelijk medisch advies ingezet worden om de noodzaak objectief vast te stellen. Verwacht mag worden dat de inwoner beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het realiseren van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de inwoner. Van betrokkene wordt tevens verwacht dat hij/zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om het ontstaan van extra zware was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. Resultaat: schoon linnen- en beddengoed en schone kleding Gemiddelde situatie bij noodzaak tot overname Was eenpersoonshuishouden 41 minuten Was tweepersoonshuishouden 50 minuten Strijken een- of tweepersoonshouden (in uitzonderlijke situaties) 22 minuten Minder inzet Eigen mogelijkheden inwoner - 20 minuten Meer inzet Extra was per week t.g.v. beperkingen en belemmeringen + 19 minuten In minuten per week Boodschappen Dit heeft betrekking op boodschappen die nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Van de inwoner wordt in principe verwacht dat hij met op eigen kracht, met behulp van gebruikelijke hulp, het netwerk, algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen de boodschappen doet. Verschillende supermarkten bezorgen boodschappen aan huis. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen wordt ondersteuning door het college bezien. Bijvoorbeeld wanneer de inwoner vanwege een medische oorzaak voor de dagelijkse levensbehoeften aangewezen is op een groot aantal verschillende winkels waardoor de bezorgkosten niet door de inwoner te dragen zijn. De taken bestaat uit het eenmaal per week opstellen van een boodschappenlijst, het doen van de boodschappen en het opruimen van de boodschappen. Resultaat: de inwoner beschikt over primaire levensbehoeften Passende oplossingen Boodschappenservices Overname boodschappen 51 minuten Eigen mogelijkheden inwoner/netwerk - 10 minuten In minuten per week Het klaarzetten of bereiden van maaltijden Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag 2 broodmaaltijden worden bereid en/of 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. De taken bestaan uit: tafel dekken, eten en drinken eventueel opwarmen en klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen. Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Kan betrokkene op eigen kracht of met hulp van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen? Is er een huisgenoot aanwezig of een van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Ook wordt er in het onderzoek gekeken of algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals kant en klaar maaltijden, de maaltijd op een (basis)ontmoetingsplek, maaltijdbezorging aan huis etc. oplossingen bieden. Komt de algemene of algemeen gebruikelijke voorziening niet tegemoet aan de eisen die aan de maaltijd worden gesteld (bv. bij een dieet dat voorgeschreven is door een arts) dan kan de warme maaltijd wel geïndiceerd worden. Bij het onderzoek dient ook betrokken te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn zorgverzekering of de Wet langdurige zorg. Indien dit er niet of onvoldoende tot de noodzakelijke oplossing leidt, kan ondersteuning door het college worden bezien. Het aansporen tot het nuttigen van een maaltijd valt niet onder de huishoudelijke hulp, maar onder persoonlijke verzorging (Zorgverzekeringswet). Resultaat: de inwoner beschikt over maaltijden Passende oplossingen Zorgverzekering Kant en klaar maaltijden, de maaltijd op een (basis)ontmoetingsplek, maaltijdbezorging aan huis 1 x 2 broodmaaltijden 20 minuten per dag Warme maaltijd 20 minuten per dag Verzorging kinderen Het zorgen voor kinderen is een taak van ouder en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en (het organiseren van de noodzakelijke) verzorging van zijn of haar kinderen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Op grond van gebruikelijke hulp hoeft het college niet te compenseren. Het college ondersteunt ouders alleen bij acuut ontstane problemen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een definitieve oplossing. Een indicatie wordt afgegeven om ouder(s) of verzorger(s) de mogelijkheid te bieden in een oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. De zorg voor kinderen omvat het wassen, douchen, aankleden, verschonen van luiers en het voeden van baby's. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Zijn er algemene, collectieve of overige voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Of kan de inwoner op eigen kracht, of met behulp van de mensen om hem heen zorgen voor de kinderen? De zorg voor kinderen kan bestaan uit de volgende activiteiten: wassen, aankleden, eten geven, structuur bieden, was verzorgen, kamers opruimen, eten maken, tasjes school klaarmaken, meer tijd huishoudelijke taken, brengen naar school/crèche, naar bed brengen, afstemmen met andere hulp/informele zorg, afstemming/sociaal contact. Resultaat: Er wordt gezorgd voor minderjarige kinderen Kindzorg Op maat (tijdelijk) Regie op gestructureerd huishouden Regie bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer de inwoner niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. De hulp heeft signalerende, aansturende en regietaken. De ondersteuning bestaat uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden, waaronder het opslaan en beheer van levensmiddelen. Voor de hulp geldt een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren (en doorgeven aan de gemeente) van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de inwoner. Waaronder het bewaken of het nog verantwoord is dat de inwoner zelfstandig woont. De hulp dient de inwoner zoveel mogelijk te betrekken bij het maken van keuzes. Daarbij dient aangesloten te worden bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en leervermogen van de inwoner. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de inwoner verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt (bijv. een terminale situatie) of als disfunctioneren dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Bij een deel van deze groep zal geen sprake zijn van ontwikkelvermogen, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Regie bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt niet ingezet wanneer de inwoner een Wmo-indicatie voor individuele begeleiding heeft. Dit omdat individuele begeleiding gericht is op de algehele zelfredzaamheid in het dagelijks leven van de inwoner, waar het huishouden onderdeel van uitmaakt. Ondersteunen met advies, instructie en voorlichting Een andere vorm van regie is het ondersteunen met advies, instructie en voorlichting gericht op het aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen. Soms is het dan praktisch hiervoor aan de (vaak al vertrouwde) huishoudelijke hulp voor een aantal weken extra tijd toe te kennen. Deze ondersteuning is altijd van korte duur. De taken bestaan uit het aanleren en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de was verzorging. In uitzonderlijke situaties wordt ook ondersteuning ingezet voor het aanleren en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden. Resultaat: er is sprake van regie over het doen van het huishouden Samen met inwoner organiseren van huishoudelijke taken 30 minuten Advies, instructie en voorlichting Maximaal 90 minuten (tijdelijk) In minuten per week Bijlage 2. Toetsingskader Vervoer naar dagbesteding, dagbehandeling en (kortdurend) verblijf Jeugdhulp en Wmo Het toetsingskader heeft betrekking op: –het vervoer van en naar een (jeugd)hulplocatie; –het vervoer van en naar een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo, betreffende begeleiding; –dagbesteding of kortdurend verblijf; –zowel lokaal, regionaal als bovenregionaal vervoer. Het toetsingskader heeft geen betrekking op het sociaal vervoer vanuit de Wmo. Criteria 1. We verstrekken de goedkoopst adequate voorziening Dit betekent dat wanneer er een maatwerk of individuele voorziening voor vervoer wordt ingezet we uitgaan van de dichtstbijzijnde adequate (jeugdhulp)voorziening.Wanneer een cliënt kiest voor een aanbieder verder weg dan de dichtstbijzijnde aanbieder met een kwalitatief goed/voldoende aanbod, kan dit consequenties hebben voor het te verstrekken vervoer. 2. We verstrekken geen vervoersvoorziening wanneer: a)er een andere regeling is op grond waarvan een cliënt gebruik kan maken van vervoer; b)er een eigen oplossing is voor vervoer of een oplossing vanuit het eigen netwerk, met vrijwilligers of maatjes; Eigen oplossing: Bij het bepalen van de mate van zelf organiseren van het vervoer geldt de eis van redelijkheid en billijkheid, daarbij wordt gekeken naar de financiële situatie (eventuele bijstandsuitkering of Wajong). Bij jongeren wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van voorliggende voorzieningen die jongeren in staat stellen om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. c)het vervoer valt onder de gebruikelijke hulp/zorg of algemeen gebruikelijk is; Het betreft hier hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. In geval van jeugdhulp is dit ook gerelateerd aan de leeftijd van het kind. Onder gebruikelijke hulp valt in ieder geval het halen en brengen van en naar jeugdhulp binnen een straal van 6 kilometer voor kinderen onder de 12 jaar. d)het vervoer niet langdurig noodzakelijk is of het vervoer slechts een geringe intensiteit heeft (beperkt aantal keren per maand). Hieronder vallen de meeste vormen van ambulante behandeling of begeleiding en vervoer van en naar kortdurend verblijf (logeerfunctie). Hardheidsclausule (afwijken van de beleidsregels) Er kan een uitzondering worden gemaakt op bovenstaande als er sprake is van: a.ernstige ontwrichting van het gezinsleven door het halen en brengen van een kind naar jeugdhulp; b.ernstig overbelaste mantelzorgers; c.bij jeugdhulp in het gedwongen kader; d.situaties onbillijk van aard Er kan een vangnet worden toegepast waarbij inwoners wel zelf vervoer kunnen regelen, maar waarbij de financiële draagkracht onvoldoende is: •Taxi-vergoeding: vergoeding van kosten van een taxirit. •Vergoeding OV: vergoeding van de kosten op basis van 2e klas van de snelste route van woonadres naar locatie van (jeugd)hulp. Toetsingskader vervoer Regio Nijmegen Het toetsingskader heeft geen betrekking op sociaal vervoer vanuit de Wmo.

Meer informatie