Subsidieregeling broedplaatsen 2026

APV
Locatie
SoortAPV
Gepubliceerd op16 september 2026
Gepubliceerd doorGemeente Amsterdam

Subsidieregeling broedplaatsen 2026 Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Amsterdam 2023, gezien het op 24 april 2024 door de Amsterdamse Gemeenteraad vastgestelde Amsterdams atelier- en broedplaatsbeleid 2023-2026, besluit de volgende regeling vast te stellen: Subsidieregeling broedplaatsen 2026. Subsidieregeling broedplaatsen 2026 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Definities In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: –Broedplaats: een gebouw inclusief buitenruimte, waarvan minimaal 40% van het VVO verhuurd wordt als (woon)werkruimte voor CAWA-creatieven; –BVO: Bruto Vloer Oppervlak volgens de NEN 2580; –CAWA: Commissie voor Ateliers en (Woon)Werkpanden Amsterdam; –CAWA-creatieven: personen met een positieve (plus)toets van de CAWA; –CAWA-percentage: deel van het VVO van een broedplaats dat wordt verhuurd aan CAWA-creatieven als (woon)werkruimte; –instandhoudingsperiode: De afgesproken minimumtermijn waarbinnen de ruimtes voor CAWA-creatieven beschikbaar blijven; –onrendabele deel: het deel van de stichtingskosten dat niet uit de exploitatie kan worden terugverdiend; –programmering: het samenstellen, organiseren en uitvoeren van culturele activiteiten (zoals muziek, theater, beeldende kunst, erfgoed) –stichtingskosten: de totale kosten voor verwerving, (ver)bouw en direct gerelateerde advieskosten; –verbouwingskosten: kosten gerelateerd aan het bouwkundig veranderen, vernieuwen, of vergroten van een bestaand gebouw bestaand uit arbeid en materialen, met het doel het gebouw technisch of functioneel te verbeteren; –visiedocument: document waarin de visie, organisatie, gebouw, ruimtegebruik, programmering en financiën van de op te richten broedplaats wordt beschreven; –VVO: Verhuurbaar VloerOppervlak volgens de NEN 2580. Artikel 1.2 Toepasselijkheid Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023 De Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2023 is van toepassing. Artikel 1.3 Doel subsidieregeling Het doel van deze regeling is in het kader van het ‘Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2023 – 2026’: nieuwe en bestaande CAWA-creatieven in staat te stellen om gebruik te maken van woon-werk ruimtes (broedplaatsen) en deze toegankelijk en zichtbaar te laten zijn voor publiek, en zodoende vruchtbare voedingsbodem te laten ontstaan voor nieuwe artistieke expressie en culturele ontwikkelingen. Artikel 1.4 Te onderscheiden subsidiabele activiteiten Deze subsidieregeling bevat voorschriften over het verstrekken van subsidies voor de volgende te onderscheiden activiteiten: a.het onrendabele deel van de stichtingskosten voor een broedplaats; b.programmering van de broedplaats en de daarmee samenhangende noodzakelijke verbouwingskosten; c.het versterken van de bedrijfsvoering van een broedplaats. Artikel 1.5 De aanvrager Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een rechtspersoon. Artikel 1.6 Aanvraagtermijn 1.Een eenmalige subsidie als bedoeld in hoofdstuk 2 en 4 kan gedurende het hele jaar worden aangevraagd en wordt afgehandeld in volgorde van binnenkomst van een complete aanvraag. 2.Een aanvraag voor een tweejarige subsidie, inclusief een eventuele aanvraag voor verbouwingskosten als bedoeld in hoofdstuk 3 wordt ingediend voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het subsidietijdvak waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Artikel 1.7 Aanvullende weigeringsgronden 1.In aanvulling op artikel 8, eerste lid, van de ASA 2023 weigert het college een subsidie te verlenen als: a.de te subsidiëren activiteit onvoldoende past binnen het Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid; b.de investeringsbegroting niet realistisch is; c.de exploitatiebegroting niet realistisch is. 2.In aanvulling op artikel 8, tweede lid, van de ASA 2023 kan het college een subsidie weigeren of gedeeltelijk verlenen als: a.de aanvrager een rechtspersoon is, die de exploitatie van de broedplaats niet (volledig) zelf exploiteert of gaat exploiteren; b.het CAWA-percentage van de broedplaats minder bedraagt dan 40%; c.ruimtes die niet aan CAWA-creatieven worden verhuurd geen onderdeel zijn van het totaalconcept van de broedplaats. Artikel 1.8 Aanvullende verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 en 10 van de ASA 2023 zijn aan de subsidie en tijdens de instandhoudingsperiode de volgende verplichtingen verbonden: a.de broedplaats voldoet aan de vigerende Code Diversiteit en Inclusie; b.ruimtes die niet voor CAWA-creatieven worden gebruikt dienen onderdeel te zijn van het totaalconcept van de broedplaats, waarbij het kan gaan om ondersteunende horeca, bedrijfsruimten, woningen, een maatschappelijk cultureel programma. Artikel 1.9 Aanvraag vaststelling subsidies In aanvulling op artikel 16 van de ASA 2023 is de ontvanger van een subsidie hoger dan € 250.000,- verplicht bij de aanvraag voor vaststelling van de subsidie een controleverklaring in te dienen als bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.10 Aanvullende bepalingen In de volgende hoofdstukken zijn per te onderscheiden activiteiten als bedoeld in artikel 1.4 voorschriften opgenomen in aanvulling op het bepaalde in dit hoofdstuk. Hoofdstuk 2 Subsidie voor onrendabele deel van stichtingskosten Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het onrendabele deel van de stichtingskosten van een broedplaats. 2.Het maximale subsidiebedrag is € 447,- x CAWA-percentage x BVO; 3.Wanneer de instandhoudingsperiode van de broedplaats 20 jaar of langer is wordt het in het tweede lid genoemde bedrag verhoogd naar € 894,-. 4.De in dit artikel genoemde bedragen zijn vastgesteld op prijspeil 2026 en worden jaarlijks geïndexeerd volgens de ConsumentenPrijsIndex. Artikel 2.2 Subsidieplafond 1.Het college stelt voor de activiteiten die volgens dit hoofdstuk voor subsidie in aanmerking komen per kalenderjaar een subsidieplafond vast. 2.In afwijking van het eerste lid stelt het college in 2026 het subsidieplafond vast voor het gedeelte van dat jaar, waarin deze subsidieregeling van toepassing is. Artikel 2.3 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens In aanvulling op artikel 6, tweede lid, van de ASA 2023 worden bij de subsidieaanvraag verstrekt: a.een activiteitenplan met daarin opgenomen: i.de visie op de te vestigen Broedplaats en de bedrijfsvoering hiervan; ii.de organisatiestructuur; iii.het gebruik van het gebouw inclusief programmering; iv.het beoogde CAWA-percentage en de totale BVO van het gebouw; v.de beoogde instandhoudingsperiode; vi.de investeringsbegroting; vii.de concept-exploitatiebegroting voor de instandhoudingsperiode. b.het (concept) (onder)huurcontract; c.plan van uitvoering van de realisatie van de broedplaats. Artikel 2.4 Advies CAWA Het college laat zich over de beoordeling van de subsidieaanvraag adviseren door de CAWA. De CAWA beoordeelt aan de hand van het bij de aanvraag ingediende activiteitenplan of de te stichten broedplaats past binnen het Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid. Artikel 2.5 Weigeringsgronden 1.In aanvulling op artikel 1.7 kan het college een subsidie weigeren te verlenen als: a)de instandhoudingsperiode naar het oordeel van het college te kort is in verhouding tot de locatie en/of de hoogte van de gevraagde subsidie; b)de omvang van de broedplaats in relatie tot het programma naar oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen uit het Atelier en Broedplaatsenbeleid. Artikel 2.6 Aanvullende verplichtingen 1.Naast de verplichtingen op grond van artikel 1.8 is de subsidieontvanger verplicht om gedurende een door het college vast te stellen instandhoudingsperiode het CAWA-percentage van de broedplaats aan CAWA-creatieven te verhuren. 2.Tijdens deze instandhoudingsperiode gelden voor de subsidieontvanger de volgende aanvullende verplichtingen: a.De subsidieontvanger verstrekt binnen 8 maanden na afloop van een kalenderjaar aan het college: i.Een inhoudelijk jaarverslag dat een vergelijking met het activiteitenplan mogelijk maakt en waarin gerapporteerd wordt over: ode uitvoering van de broedplaats, onder andere in relatie tot de doelstellingen uit het activiteitenplan; ode programmering en onderlinge samenwerking tussen subsidieontvanger en de CAWA-creatieven; ode meerwaarde van de broedplaats voor de stad en directe omgeving; ode organisatie van de broedplaats, de wijze van bestuur en toezicht volgens de meest actuele Governance Code Cultuur; ode hantering van de meest actuele Code Diversiteit en Inclusie. ii.de jaarrekening; iii.plattegronden met nummering van de ruimte; iv.een volledig ingevuld en ondertekend Formulier Bewijs CAWA-percentage over het te rapporteren jaar, aansluitend op de plattegronden en daarin gehanteerde nummering; b.de huurprijs die de subsidieontvanger voor CAWA-creatieven hanteert, bedraagt maximaal € 370 per maand exclusief water, elektra, verwarming en internet, WEVI1 en btw voor een atelier of een werkplek prijspeil 2024, waarbij geldt dat de huurprijs jaarlijks kan worden verhoogd met de ConsumentenPrijsIndex (CPI); c.de subsidieontvanger neemt deel aan door het college geplande evaluatiegesprekken; d.in de reguliere schriftelijke en digitale publiekscommunicatie vermeldt de subsidieontvanger dat de broedplaats mede mogelijk is gemaakt door een subsidie van de gemeente Amsterdam; e.de subsidieontvanger draagt ervoor zorg dat zijn rechtsopvolger de verplichtingen zoals opgenomen in dit artikel in de resterende instandhoudingsperiode naleeft. Artikel 2.7 Verantwoording In aanvulling op artikel 1.9 bevat de aanvraag tot subsidievaststelling: a.het proces-verbaal van oplevering; b.de definitieve exploitatiebegroting voor de jaren vallend in de instandhoudingsperiode; c.de definitieve plattegronden met nummering van de ruimte; d.een volledig ingevuld en ondertekend Formulier Bewijs CAWA-percentage, aansluitend op de definitieve plattegronden en daarin gehanteerde nummering. Hoofdstuk 3 Subsidie programmering broedplaatsen Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten a.Het college kan een tweejarige subsidie toekennen van maximaal € 50.000,- als bijdrage in de kosten voor de Publieksprogrammering. b.Het college kan, als voor de Publieksprogrammering een verbouwing noodzakelijk is, eenmalig subsidie verlenen van maximaal € 50.000,-. Artikel 3.2 Subsidieplafond Het college stelt voor de activiteiten die volgens dit hoofdstuk voor subsidie in aanmerking komen, om het jaar een subsidieplafond vast voor een subsidietijdvak van telkens twee jaar, dat telkens loopt van 1 april tot 1 april twee jaar later. Artikel 3.3 Verdeelsleutel subsidieplafond 1.De aanvragen die niet worden geweigerd op grond van artikel 1.7 of 3.6 worden gerangschikt op een prioriteitenlijst. 2.Over de rangschikking van de aanvragen en de hoogte van de subsidie laat het college zich adviseren door een door hem in te stellen adviescommissie, bestaande uit leden met kennis en ervaring op het gebied van Programmering, verbouwingen, financiën, governance en diversiteit en inclusie. 3.De rangschikking wordt bepaald door het aantal punten dat een aanvraag behaalt op basis van de volgende beoordelingscriteria: a. Opzet en inhoud programmering i.De aanvrager heeft een heldere artistieke visie op de op te zetten programmering en een duidelijk doel met de programmering; ii.De visie is overtuigend vertaald naar de programmering iii.De programmering is concreet (het is duidelijk wat de broedplaats wil gaan doen en met wie) en spreekt tot de verbeelding. b. Doelgroep i.De aanvraag beschrijft wie de doelgroep is en hoe deze aansluit op de programmering. ii.Er is een overtuigend plan van aanpak om het publiek te bereiken c. Financiële onderbouwing i.De aanvraag maakt duidelijk wie welke rol heeft in de organisatie van de programmering, welke uren hiervoor zijn begroot en welk uurtarief wordt gehanteerd. ii.De exploitatiebegroting is realistisch en passend bij de programmering. De kosten zijn direct gerelateerd aan de doelstelling zoals beschreven in artikel 1.4, aanhef en onder b. en de activiteiten, die in het kader van de programmering worden uitgevoerd; iii.De exploitatiebegroting maakt een duidelijk onderscheid tussen de reguliere exploitatie en de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en waarbij inzichtelijk wordt gemaakt dat de kosten direct verband houden met de doelstelling zoals weergegeven in artikel 1.3 en 1.4 onder b. 4.Ieder deelcriterium zal worden beoordeeld aan de hand van de onderstaande waarderingsschaal: Waardering Cijfer Toelichting Zeer goed 5 Uitsluitend positief, er zijn geen punten van kritiek Goed 4 Positief, slechts lichte punten van kritiek Voldoende 3 Positief, met een aantal punten van kritiek Zwak 2 Matig, met substantiële punten van kritiek Onvoldoende 1 Onder de maat, kritische punten hebben de overhand 5.De drie hoofdcriteria uit het derde lid onder a., b., en c. hebben een gelijke weging. 6.Voor de drie criteria genoemd in het derde lid en onder a moet per criterium minimaal 3 punten worden verkregen, anders wordt de aanvraag geweigerd Artikel 3.4 mondelinge toelichting 1.De adviescommissie, als bedoeld in artikel 3.3 tweede lid, geeft schriftelijke aanvragen een voorlopige score op basis van de criteria in artikel 3.3 derde en vierde lid. 2.De adviescommissie nodigt aanvragers met een voorlopige score van 10 punten of meer uit om hun plan mondeling toe te lichten. 3.Wanneer meer dan 14 aanvragers 10 of meer punten hebben gehaald worden de 14 aanvragers met de hoogste voorlopige score uitgenodigd. 4.Op basis van de mondelinge toelichting geeft de adviescommissie een definitieve score aan de plannen zoals gemaakt op basis van artikel 3.3 leden 3 en 4. Artikel 3.5 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens 1.In aanvulling op artikel 6, tweede lid, van de ASA 2023 worden bij de subsidieaanvraag de volgende gegevens verstrekt: a.Programmering: i.een exploitatiebegroting van de broedplaats voor de periode waarvoor wordt aangevraagd; ii.een artistiek plan met de omschrijving van de beoogde programmering (maximaal 5 pagina's, alles na de 5e pagina wordt niet gelezen); iii.de organisatiestructuur voorzien van CV’s van het bestuur van de organisatie (van de stichting of vereniging) en de betrokkenen bij programmering en met de beschrijvingen van hun rol(len). Bij het opstellen van deze documenten dient ook te worden ingegaan op de beoordelingscriteria als bedoeld in artikel 3.3., derde lid. b.Verbouwingskosten: i.een onderbouwing van waarom de verbouwing voorafgaand aan de uitvoering van de programmering noodzakelijk is; ii.de investeringsbegroting inclusief dekking van de verbouwing met duidelijk herkenbaar de onderdelen waarvoor subsidie wordt aangevraagd; iii.plan van uitvoering van de verbouwing en een daarbij behorende planning. 2.Alleen volledige aanvragen worden in behandeling genomen. Artikel 3.6 Weigeringsgronden 1.In aanvulling op artikel 1.7 weigert het college een subsidie te verlenen als de aanvrager voor twee achtereenvolgende subsidietijdvakken een subsidie op grond van dit hoofdstuk heeft ontvangen. 2.In aanvulling op artikel 1.7 kan het college een subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren te verlenen als: a.de overheadkosten meer bedragen dan 7% van de totale kosten van de programmering; b.organisaties gevestigd in de broedplaats voor de uitvoering van activiteiten die onderdeel uitmaken van de programmering, een meerjarige subsidie in het kader van kunstenplan 2025 -2028 ontvangen; c.er subsidie is aangevraagd voor verbouwing ten behoeve van publieksprogrammering en deze verbouwing geheel of gedeeltelijk niet noodzakelijk is om de programmering te kunnen uitvoeren; d.de verbouwing van de broedplaats te lang duurt in verhouding tot periode waarin de uitvoering van de programmering plaatsvindt. Artikel 3.7 Aanvullende verplichtingen 1.In aanvulling op artikel 1.8 is een subsidieontvanger verplicht om uiterlijk 10 maanden na de subsidieverlening een tussentijdse verantwoording in te dienen met daarin een inhoudelijk verslag van de uitgevoerde programmerings- en bouwactiviteiten en een (bijgesteld) plan voor de uitvoering van de programmering in de resterende gesubsidieerde periode. 2.Voor zover de verbouwing van de broedplaats is gerealiseerd, dient de tussentijdse verantwoording te zijn voorzien van een door de gemeente Amsterdam ondertekend proces-verbaal van oplevering. Hoofdstuk 4 Subsidie sterke broedplaatsen Artikel 4.1 Subsidiabele activiteiten Het college kan een eenmalige subsidie verlenen aan een broedplaats van maximaal € 7,500,- als bijdrage in de kosten voor het versterken van de bedrijfsvoering. Artikel 4.2 Subsidieplafond Het college stelt voor de activiteiten die volgens dit hoofdstuk voor subsidie in aanmerking komen een subsidieplafond per kalenderjaar vast. Artikel 4.3 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens In aanvulling op artikel 6, tweede lid, van de ASA 2023 wordt in de aanvraag beknopt onderbouwd waarom met de te subsidiëren activiteit een versterking van de bedrijfsvoering wordt bereikt. Artikel 4.4 Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.7 weigert het college een subsidie te verlenen als de aanvrager in hetzelfde of het vorige kalenderjaar al een subsidie heeft ontvangen op grond van dit hoofdstuk. Hoofdstuk 5 Slotbepalingen Artikel 5.1 Overgangsbepaling De Subsidieregeling broedplaatsen 2020 wordt ingetrokken, met dien verstande dat: a.een subsidie die is verleend op grond van de Subsidieregeling broedplaatsen 2020, wordt vastgesteld volgens de bepalingen van die subsidieregeling, zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt. b.een subsidieaanvraag die voor de inwerkingtreding van deze regeling is ingediend, maar waarover het college nog niet heeft besloten, wordt afgehandeld op grond van deze regeling. Artikel 5.2 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking. Artikel 5.3 Looptijd regeling Deze regeling loopt tot 1 april 2029. Artikel 5.4 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als “Subsidieregeling Broedplaatsen 2026”. Aldus vastgesteld in de vergadering van 8 september 2026. De burgemeester Femke Halsema De gemeentesecretarisCatrien Lenstra Toelichting Algemeen deel In een rechtvaardige stad zorgt de gemeente Amsterdam ervoor dat kunstenaars met lage- en middeninkomens een werkplek kunnen vinden. Broedplaatsen kunnen deze ruimte bieden. Jaarlijks zoeken bijna 1.700 kunstenaars een plek in Amsterdam. Het inkomen van de meeste kunstenaars is laag, zeker voor het gemiddeld hoge opleidingsniveau. Daarom wordt sinds 2000 gewerkt aan de realisatie van nieuwe betaalbare ruimte in de vorm van zogenaamde broedplaatsen. Dit zijn gebouwen met ateliers, expositie- en projectruimten, soms woonruimte of horeca. Deze ruimten zijn in gebruik bij kunstenaars, ambachtslieden, culturele en creatieve bedrijfjes. In broedplaatsen ontmoeten ideeën en mensen elkaar. Er vindt productie plaats van kunst, cultuur en wijkprogrammering. De broedplaatsen vormen gemeenschappen met meerwaarde en betekenis voor de betrokken creatieven zelf, de wijk en de creatieve stad Amsterdam. Broedplaatsen vormen een basis voor artistieke talenten die een ruimte zoeken om zich in Amsterdam te vestigen. Zij kunnen vanuit hier hun carrières starten als ‘kunstenaars pur sang’ of creatieve ondernemers. Die instroom van talent is essentieel voor de vitaliteit van de creatieve stad Amsterdam. De stad moet daarom uitnodigend en toegankelijk zijn en een aantrekkelijke omgeving vormen voor deze creatieve nieuwkomers. Daarnaast bieden broedplaatsen ruimte voor programmering, bijeenkomsten, kennismaking en ontwikkeling. In deze rol zijn ze, naast hun impact voor de creatieven die in het gebouw werken, belangrijk voor de buurt, de wijk en de stad. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.4 Te onderscheiden subsidiabele activiteiten De drie omschreven activiteiten worden in hoofdstuk 2,3 en 4 verder toegelicht. Punt b: Met “in en/of rondom de broedplaats” wordt bedoeld de ruimte binnen het gebouw van de broedplaats, en de directe omgeving rondom de broedplaats, zoals een (binnen) tuin, oprit, erf die valt onder het beheer van de broedplaats. Artikel 1.7 Aanvullende weigeringsgronden Op grond van het tweede lid onderdeel a. kan een subsidie worden geweigerd als de aanvragende rechtspersoon zelf de broedplaats niet volledig gaat exploiteren of exploiteert. Hierbij kan gedacht worden aan het onderbrengen van een deel van de exploitatie (horeca of verhuur) bij andere rechtspersonen die door de rechtspersoon zijn opgericht of waar de rechtspersoon invloed op uit kan oefenen. Het kan natuurlijk ook gaan om de overdracht van een deel van de exploitatie aan een commerciële partij. Door deze constructies kunnen mogelijk subsidiegelden wegvloeien naar de gelieerde rechtspersonen, dan wel de opbrengst van winstgevende activiteiten ten goede komen aan dochterondernemingen of horecauitbaters en niet aan de broedplaats zelf. Hierdoor wordt deze minder rendabel. Hoofdstuk 2 Subsidie voor onrendabele deel van stichtingskosten Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten Wanneer het niet mogelijk blijkt een broedplaats rendabel te exploiteren kan door middel van een subsidie een bijdrage worden gedaan aan het onrendabele deel van de stichtingskosten. Het doel is om door deze bijdrage tot een sluitende exploitatie van de broedplaats te komen en zo de realisatie en exploitatie van de broedplaats mogelijk te maken. Het maximale subsidiebedrag wordt berekend op basis van de volgende formule: € 420,- x CAWA-percentage x BVO = maximale subsidiebedrag Uit een BVO van 2.500 m² en een CAWA-percentage van 40% volgt de volgende maximale subsidie: € 420,- x 40% x 2.500 m² = € 420.000,-. Wanneer de instandhoudingsperiode meer dan 20 jaar bedraagt, wordt het maximale subsidiebedrag berekend met een dubbel zo hoog bedrag (€ 840,-) in bovenstaande formule. Het doel hiervan is om de totstandkoming van broedplaatsen met een lange instandhoudingsperiode te stimuleren. Het daadwerkelijke subsidiebedrag wordt vastgesteld op basis van de concept investerings- en exploitatiebegroting. Alleen kosten die niet kunnen worden terugverdiend uit de exploitatie zijn subsidiabel, waarbij wordt uitgegaan van een sobere en doelmatige (ver)bouw, eventueel verhoogd met onderling overeengekomen duurzaamheidsmaatregelen. Artikel 2.4 Advies CAWA De Commissie voor Ateliers en (Woon)Werkpanden Amsterdam (CAWA) is in 2008 ingesteld door het College van B&W. De CAWA is samengesteld uit leden met een gevarieerde expertise en achtergrond. De CAWA beoordeelt enerzijds de broedplaatsplannen die betrekking hebben op de transformatie van een geheel gebouw tot broedplaats en anderzijds toets de CAWA het kunstenaarschap van kandidaat-huurders voor deze nieuwe broedplaatsen. Artikel 2.5 Weigeringsgronden Een subsidie kan worden geweigerd als er geen balans is tussen de instandhoudingsperiode, de locatie en of/ de hoogte van de gevraagde subsidie. Wanneer een broedplaats bijvoorbeeld op een locatie komt waar al meerdere broedplaatsen zijn en de gevraagde subsidie maximaal is, is het denkbaar dat deze balans er niet is omdat de aanvrager met de exploitatie van de broedplaats onvoldoende inkomen zal genereren om de broedplaats in stand te houden. Bovendien zal met een korte instandhoudingsperiode de broedplaats onvoldoende passen binnen het doel van de subsidieregeling. Artikel 2.6 Aanvullende verplichtingen Het college monitort gedurende de instandhoudingsperiode op basis van deze stukken of de broedplaats voldoet aan de verplichtingen zoals vastgelegd in de beschikking. Door in de verplichtingen op te nemen dat de huurprijs aan een maximumbedrag is verbonden, wordt gegarandeerd dat de huren gedurende de instandhoudingsperiode betaalbaar zijn voor CAWA-creatieven. De afdeling Ateliers en Broedplaatsen voert samen met de CAWA-evaluatiegesprekken om een goed beeld te houden van hoe het met het broedplaatsenbestand gaat. Daarnaast worden deze gesprekken gebruikt om onderling informatie en kennis uit te wisselen om zowel de broedplaats als het Broedplaatsenbeleid van de gemeente Amsterdam verder te ontwikkelen. Hoofdstuk 3 Subsidie programmering broedplaatsen Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten Met deze subsidie stimuleert het college dat broedplaatsen niet slechts plekken van productie zijn, maar ook plekken van ontmoeting en publieke presentatie. De scheiding tussen programmeringskosten en verbouwingskosten is strikt: de verbouwing moet direct ten dienste staan van de publieksfunctie. Denk hierbij aan het creëren van een podium, het aanpassen van de akoestiek of het verbeteren van de toegankelijkheid (zoals een invalidentoilet of hellingbaan) in de publieke ruimtes van de broedplaats. Artikel 3.4 Mondelinge toelichting Het opnemen van een mondelinge toelichting in de procedure is bedoeld om eventuele onduidelijkheden in de begroting of de organisatiestructuur direct op te helderen. Om de belasting voor zowel de aanvragers als de commissie te beperken, vindt er een voorselectie plaats op basis van de schriftelijke score (minimaal 10 punten). De commissie kan op basis van het gesprek de eerder gegeven punten naar boven of beneden bijstellen voordat het definitieve advies aan het college wordt uitgebracht. Artikel 3.5 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens Van de aanvrager wordt een integrale visie verwacht. Een aanvrager moet kunnen aantonen dat de fysieke aanpassing van het pand direct bijdraagt aan de mogelijkheid om publiek te ontvangen. Een verbouwing zonder directe link met de gepresenteerde programmering komt niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 3.6 Weigeringsgronden In het eerste lid is als harde weigeringsgrond opgenomen dat na twee aansluitende tweejarige boekjaarsubsidies de subsidie wordt geweigerd. Verder kan op grond van het tweede lid een subsidie worden geweigerd als voor de uitvoering van de activiteiten in de programmering organisaties subsidies ontvangen op grond van een van de subsidieregelingen behorend bij het Kunstenplan 2025-2028. Ook kan het college kan een subsidie weigeren als een aanvrager meer dan 7% van subsidie wil inzetten voor overheadkosten. Overheadkosten zijn indirecte kosten, zoals: •Beheer (bijv. administratie), •Management (bijv. salarissen van leidinggevenden), • Kantoorkosten (bijv. huur, kantoorbenodigdheden, ICT), • Andere algemene bedrijfskosten die niet direct aan een specifieke activiteit of projectoutput zijn toe te rekenen. Daarnaast kan het college een subsidie (deels) weigeren als een verbouwing niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de programmering. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het wel subsidiëren van het toegankelijk maken van het gebouw voor mindervaliden, maar het weigeren van een subsidie voor het aanpassen van een publieksruimte. Tenslotte mag een verbouwing niet zo lang duren dat het de uitvoering van de programmering in de weg staat. Daar moet een goede balans tussen bestaan. Artikel 3.7 Aanvullende verplichtingen Dit verslag dient als voortgangscontrole: zijn de beoogde activiteiten opgestart en verloopt een eventuele verbouwing volgens plan? Het proces-verbaal van oplevering is hierbij het noodzakelijke bewijs dat de fysieke randvoorwaarden voor de programmering daadwerkelijk zijn gerealiseerd. Wanneer er vertragingen zijn, biedt dit moment de mogelijkheid om in overleg met de gemeente het plan voor het tweede jaar bij te stellen. Hoofdstuk 4 Subsidie sterke broedplaatsen Artikel 4.1 Subsidiabele activiteiten Bij de subsidie voor het versterken van de bedrijfsvoering van de broedplaats kan worden gedacht aan de volgende activiteiten: inhuur van expertise op het gebied van bijvoorbeeld organisatieontwikkeling of financiële administratie, uitvoeren van verbeteringen op het vlak van governance, diversiteit en inclusie, sociale veiligheid, duurzaamheid of maatschappelijke ontwikkeling.

Meer informatie