Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam voor de uitvoering van de Wet kinderopvang (Beleidsregels Handhaving Kinderopvang Edam-Volendam)

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op14 september 2026
Gepubliceerd doorGemeente Edam-Volendam

Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam voor de uitvoering van de Wet kinderopvang (Beleidsregels Handhaving Kinderopvang Edam-Volendam) Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam; gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; gelet op de artikelen 1.61, eerste lid, 1.65, eerste en vierde lid, 1.66 en 1.72, eerste lid, van de Wet kinderopvang; overwegende dat het toezicht op en de handhaving van kinderopvangorganisaties bij het college van burgemeester en wethouders is belegd; dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen over de afweging van belangen, de vaststelling van feiten en de uitleg van de Wet kinderopvang; dat het wenselijk is om daarbij aan te sluiten bij de regionale lijn binnen Zaanstreek-Waterland; B E S L U I T : vast te stellen van de volgende Beleidsregels Handhaving Kinderopvang Edam-Volendam. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 1. Toepassing beleidsregels Deze beleidsregels zijn van toepassing op de gemeentelijke inzet om toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang, aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang af te handelen, te handhaven naar aanleiding van het niet naleven van voorschriften en beperkingen van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving en preventieve activiteiten uit te voeren. Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle gastouderbureaus, voorzieningen voor kinderopvang en voorzieningen voor gastouderopvang binnen de gemeente Edam-Volendam. De dagelijkse uitvoering van deze beleidsregels vindt plaats overeenkomstig het geldende bevoegdhedenregister van de gemeente Edam-Volendam; de Mandaatregeling Edam-Volendam. Dit zijn besluiten ‘namens’ het college, waarbij het college verantwoordelijk is. Als zwaardere handhavingsmaatregelen ingezet moeten worden, beslist het college zelf. Het toezicht is gemandateerd aan de directeur van GGD Zaanstreek-Waterland. De directeur van de GGD wijst inspecteurs aan voor het toezicht. 2. De inhoud van deze beleidsregels Deze beleidsregels gaan in op de verschillende rollen, taken en verantwoordelijkheden als het gaat om toezicht en handhaving kinderopvang in de gemeente vanuit de wettelijke basis (hoofdstuk 2). Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de visie van het college (hoofdstuk 3). Daarna wordt ingegaan op de uitvoering van het toezicht (hoofdstuk 4), het starten van een nieuwe voorziening voor kinderopvang (hoofdstuk 5), het doorgeven van wijzigingen (hoofdstuk 6). Tot slot wordt ingegaan op de handhaving door het college (hoofdstuk 7 en 8). 3. Definities Hieronder zijn definities opgenomen van de belangrijkste in deze beleidsregels voorkomende termen. Voor alle overige begripsbepalingen wordt aangesloten bij de definities zoals deze zijn gegeven in de Wet kinderopvang en de daarop gebaseerde regelgeving. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: •Afwegingsmodel: in het afwegingsmodel worden per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven en voorzien van een hersteltermijn, de hoogte van de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom. Het afwegingsmodel is als bijlage aan deze beleidsregels toegevoegd; •Awb: Algemene wet bestuursrecht; •College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam; •Gemeente: gemeente Edam-Volendam; •GGD: Gemeenschappelijke Regeling GGD Zaanstreek-Waterland; •Houder: de rechtspersoon of natuurlijke persoon die een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau exploiteert, als bedoeld in de Wet kinderopvang. •Kindercentra: buitenschoolse opvang en dagopvang. •Kinderopvangvoorziening: buitenschoolse opvang op een specifiek adres, dagopvang op een specifiek adres, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang; •Kwaliteitseisen: de kwaliteitseisen vastgelegd in voorschriften, welke door de houder nageleefd moeten worden, staan genoemd in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving; •LRK: Landelijk Register Kinderopvang; •Toezichthouder: de aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport; •Wko: Wet kinderopvang. Hoofdstuk 2. De wettelijke basis voor de kwaliteit van kinderopvang 2.1 Waarom deze beleidsregels Deze beleidsregels geven aan hoe het college uitvoering geeft aan de gemeentelijke taken op grond van de Wet kinderopvang en de daarop gebaseerde regelingen. Daarbij wordt beschreven hoe het college belangen afweegt, feiten vaststelt en de wettelijke bepalingen uitlegt en toepast. Het vastleggen van dit beleid draagt bij aan een transparante werkwijze, omdat kinderopvanghouders (hierna: houders), ouders, toezichthouders en andere belanghebbenden vooraf geïnformeerd zijn over de mogelijkheden en bevoegdheden van het college. En hoe het college deze bevoegdheden gebruikt. Daarnaast beogen deze beleidsregels kwalitatief goede en veilige kinderopvang te stimuleren en bij te dragen aan een onbelemmerde ontwikkeling waarbij het kind centraal staat. 2.2 Het wettelijk kader voor kwaliteit Aan kinderopvang worden kwaliteitseisen gesteld. Deze kwaliteitseisen zijn neergelegd in de Wet kinderopvang en in de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en aanverwante regelingen. De regelgeving stelt kwaliteitseisen aan onder meer registratie, wijzigingen en administratie, het pedagogisch klimaat, personeel en groepen, veiligheid en gezondheid, accommodatie en ouderrecht. Daarnaast zijn specifieke eisen opgenomen voor gastouderopvang, gastouderbureaus, voorschoolse educatie en het personenregister kinderopvang. Direct vanaf de start van een opvanglocatie moet aan deze kwaliteitseisen worden voldaan. Ook stelt de wet eisen aan de manier waarop toestemming tot exploitatie, registratie van voorzieningen, wijzigingen in die registratie, het toezicht en de handhaving plaatsvinden. 2.3 De GGD is de toezichthouder kinderopvang De GGD is bij wet de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. De toezichthouder onderzoekt de kwaliteit en beoordeelt of kindercentra, gastouderbureaus, voorzieningen voor gastouderopvang, kinderopvanghouders en gastouders aan de eisen voldoen. De toezichthouder legt de bevindingen vast in een inspectierapport en adviseert het college over de naleving van de kwaliteitseisen en over eventuele handhaving. 2.4 Het college geeft toestemming voor exploitatie, heeft administratieve taken en is verantwoordelijk voor handhaving Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van een aantal wettelijke taken met betrekking tot kinderopvang. Het gaat daarbij onder meer om het verlenen, weigeren en intrekken van toestemming voor exploitatie, de administratie van registratie en wijzigingen in het LRK en het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit. Het college kan binnen de wettelijke kaders invulling geven aan deze taken. De procedures voor aanvragen, wijzigingen en handhaving zijn in deze beleidsregels vastgelegd. 2.5 Landelijke, gemeentelijke en regionale ontwikkelingen De Wet kinderopvang is sinds 2005 van toepassing. Sindsdien is het speelveld voortdurend in ontwikkeling. Zo bestaan sinds 2018 geen peuterspeelzalen meer en is in datzelfde jaar het personenregister kinderopvang ingevoerd om continue screening in de kinderopvang te versterken. Daarnaast is de wetgeving in 2018 en 2019 door de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang ingrijpend aangepast. Met ingang van 2022 is het voor gemeenten en GGD’en mogelijk om met de flexibele inspectieactiviteit keuzes te maken in de per inspectie te onderzoeken onderwerpen. Hierdoor is meer ruimte ontstaan voor maatwerk, minder voorspelbaarheid in het toezicht en diepgaander onderzoek waar dat nodig is. Binnen de regio Zaanstreek-Waterland vindt meerdere keren per jaar overleg plaats tussen de GGD en de regiogemeenten, waaronder Edam-Volendam, Purmerend, Waterland, Landsmeer, Oostzaan, Wormerland en Zaanstad. In dat overleg worden actuele onderwerpen, nieuwe wet- en regelgeving en casuïstiek besproken. Het college acht regionale afstemming van groot belang, omdat houders in meerdere gemeenten actief kunnen zijn en kinderen en ouders gebaat zijn bij een eenduidige bestuurlijke lijn. Daarnaast zijn per 1 juli 2026 de kwaliteitseisen voor de gastouderopvang aangescherpt. De wijzigingen zijn gericht op verdere professionalisering van de sector en zien onder meer op verplichte pedagogische coaching, permanente educatie, het werken met een pedagogisch werkplan en een versterkte rol van het gastouderbureau. Deze ontwikkelingen worden meegenomen in de uitvoering van het toezicht en de handhaving en kunnen aanleiding geven tot aanpassing van de uitvoeringspraktijk. Hoofdstuk 3. Visie op kinderopvang en handhaving 3.1 Het belang van goede kinderopvang en het waarborgen daarvan Kinderopvang vervult een belangrijke maatschappelijke functie. Een veilige en kwalitatief goede opvang ondersteunt de ontwikkeling van kinderen en biedt ouders de mogelijkheid om arbeid en zorg te combineren. In deze beleidsregels staat het waarborgen en bevorderen van de kwaliteit van de kinderopvang centraal. Kinderen moeten zich binnen de kinderopvang veilig en geborgen voelen en de kans krijgen zich optimaal te ontwikkelen. Dat betreft onder meer hun sociale, emotionele, cognitieve en taalontwikkeling. Goede kinderopvang levert daarmee een waardevolle bijdrage aan een succesvolle overgang naar het basisonderwijs en aan de verdere ontwikkeling van het kind. De verantwoordelijkheid voor het bieden van verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang ligt bij de houder van de kinderopvangvoorziening. Vanaf het moment dat een voorziening in exploitatie wordt genomen, moet aan de wettelijke kwaliteitseisen worden voldaan. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kind wordt opgevangen in een veilige, gezonde en pedagogisch verantwoorde omgeving. 3.2 Het college stimuleert en waarborgt kwaliteit Het college vindt het belangrijk dat ieder kind gebruik kan maken van veilige en kwalitatief goede kinderopvang, waarin ruimte is voor ontwikkeling en ontplooiing. Het college heeft daarbij een rol in het bevorderen van de kwaliteit van de kinderopvang en het waarborgen van de veiligheid van kinderen. Waar nodig ondersteunt en stimuleert het college houders om verbeteringen door te voeren. Het uitgangspunt is dat houders zelf verantwoordelijk zijn voor het naleven van de wettelijke kwaliteitseisen. Het college gaat ervan uit dat houders deze verantwoordelijkheid nemen en onderhoudt hierover het gesprek met de sector. Signalen, ontwikkelingen en aandachtspunten worden daarbij betrokken. Wanneer blijkt dat niet aan de gestelde kwaliteitseisen wordt voldaan, treedt het college handhavend op. Bij handhaving staat het bereiken van duurzaam herstel centraal. Bij de keuze voor een passend instrument worden de aard en ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden meegewogen. De ingezette maatregel is erop gericht de tekortkoming op te heffen en herhaling te voorkomen. In situaties waarin dit noodzakelijk is, kan het college naast herstelgerichte maatregelen ook een bestuurlijke boete opleggen. Een zorgvuldige handhaving vraagt ook om inzicht in de situatie en de zienswijze van de houder. Het college betrekt deze aspecten bij de afweging, zodat maatregelen gericht kunnen worden ingezet en bijdragen aan blijvend herstel en het versterken van de kwaliteit van de kinderopvang. 3.3 Het college stemt landelijk en regionaal af Het college sluit met het gemeentelijk beleid voor toezicht en handhaving in de kinderopvang aan bij de landelijke uitgangspunten voor de uitvoering van de Wet kinderopvang. Hiermee wordt bijgedragen aan een herkenbare en eenduidige werkwijze binnen het toezicht- en handhavingsdomein. Naast de landelijke afstemming vindt samenwerking plaats binnen de regio Zaanstreek-Waterland. De betrokken gemeenten delen de ambitie om de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang te bevorderen en hanteren daarom waar mogelijk een gezamenlijke lijn. Deze beleidsregels sluiten aan bij de uitgangspunten van de regiogemeenten Waterland, Landsmeer, de Over-gemeenten en Purmerend. Wanneer een houder kinderopvangvoorzieningen exploiteert in meerdere gemeenten, kunnen de betrokken gemeenten afstemming zoeken over de aanpak en uitvoering van handhaving. 3.4 Ambitie en speerpunten Het college vindt kwalitatief goede kinderopvang zeer belangrijk. Toezicht en handhaving worden passend ingezet. De gemeente streeft een goede relatie met de houder na en werkt vanuit vertrouwen. Het college heeft daarbij de volgende ambities: •kwalitatief goede kinderopvang; •veilige kinderopvang; •ruimte voor nieuwe ontwikkelingen binnen de wettelijke kaders; •kinderopvang die bijdraagt aan een onbelemmerde ontwikkeling van het kind. Het college kan daarnaast bepaalde kwaliteitseisen of thema’s extra aandacht geven. Dit kan door intensiever toezicht op voorschriften die al onderdeel uitmaken van het onderzoek, maar ook door extra voorschriften of thema’s in het onderzoek te laten opnemen. Speerpunten zijn afhankelijk van het verloop van inspecties in het betreffende kalenderjaar of van nieuwe wet- en regelgeving. Houders worden hierover geïnformeerd. Hoofdstuk 4. Kwaliteitsbewaking en toezicht binnen de kinderopvang 4.1 Toezicht draagt bij aan veilige en verantwoorde kinderopvang Het toezicht op de kinderopvang heeft als doel de kwaliteit en veiligheid van de opvang te bewaken. Door toezicht wordt gecontroleerd of voorzieningen voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen. Daarnaast draagt toezicht bij aan het vertrouwen van ouders en samenleving in de kwaliteit van de kinderopvang. Binnen het huidige toezicht is steeds meer aandacht voor het gesprek tussen de toezichthouder en de houder. Bij een geconstateerde overtreding kunnen de omstandigheden waaronder deze is ontstaan van invloed zijn op de beoordeling. De toezichthouder legt deze omstandigheden vast in het inspectierapport. De GGD Zaanstreek-Waterland is belast met het toezicht op de kinderopvang en voert deze taak uit op basis van de Wet kinderopvang en bijbehorende regelgeving. Het toezicht vindt plaats volgens de landelijke uitgangspunten, waarbij onder meer sprake is van risicogericht toezicht en het gebruik van flexibele inspectieactiviteiten. 4.2 Onderzoeken door de toezichthouder De GGD beoordeelt tijdens inspecties of kinderopvangvoorzieningen voldoen aan de geldende kwaliteitseisen. De bevindingen worden opgenomen in een inspectierapport. Op basis hiervan adviseert de toezichthouder het college over eventuele handhaving. Deze werkwijze geldt voor zowel kindercentra, gastouderbureaus als voorzieningen voor gastouderopvang. De toezichthouder kan verschillende soorten onderzoeken uitvoeren: • een onderzoek voordat een voorziening wordt opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK); • een onderzoek na registratie; • een jaarlijks onderzoek; • een incidenteel onderzoek; • een nader onderzoek naar aanleiding van eerder vastgestelde tekortkomingen. Kindercentra en gastouderbureaus worden minimaal eenmaal per jaar onaangekondigd bezocht. Voor gastouderopvang geldt dat jaarlijks minimaal 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang wordt geïnspecteerd. 4.3 Toezicht wordt afgestemd op risico’s Om een betrouwbaar beeld te krijgen van de dagelijkse praktijk vinden inspecties, met uitzondering van onderzoeken voor registratie, in principe onaangekondigd plaats. Voor kindercentra en gastouderbureaus wordt het toezicht waar mogelijk afgestemd op de risico’s. Locaties waar meer aandacht nodig is, worden intensiever gevolgd, terwijl toezicht bij voorzieningen waar minder risico’s aanwezig zijn beperkter kan worden ingezet. Hiervoor gebruikt de GGD een risicoprofiel. Dit profiel is bedoeld om de toezichtinzet te bepalen en vormt geen zelfstandig oordeel over de kwaliteit van een voorziening. 4.4 Mogelijkheid tot herstel tijdens het toezichtonderzoek Wanneer tijdens een onderzoek een overtreding wordt vastgesteld, kan de toezichthouder in bepaalde situaties de houder de mogelijkheid bieden om deze binnen een afgesproken termijn te herstellen. Dit wordt een herstelaanbod genoemd. Een herstelaanbod houdt in dat de houder tijdens het lopende onderzoek de gelegenheid krijgt om maatregelen te treffen waarmee de geconstateerde tekortkoming wordt beëindigd. De toezichthouder bepaalt, op basis van de aard van de overtreding en de omstandigheden, of een herstelaanbod passend is. Een herstelaanbod kan worden toegepast bij een onderzoek na registratie, een jaarlijks onderzoek en een incidenteel onderzoek. Het instrument wordt niet ingezet bij een onderzoek voor registratie of een nader onderzoek. De hersteltermijn bedraagt maximaal vier weken. In de afspraken tussen gemeente en GGD kan worden bepaald welke overtredingen niet in aanmerking komen voor een herstelaanbod. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan exploitatie zonder toestemming, tekortkomingen rond het personenregister kinderopvang, opleidingseisen, de beroepskracht-kindratio of situaties waarin sprake is van herhaling van eerdere overtredingen. De toezichthouder neemt het verloop en de uitkomst van het herstelaanbod op in het inspectierapport. Deelname aan een herstelaanbod is vrijwillig voor de houder. Het college betrekt zowel de oorspronkelijke overtreding als het resultaat van het herstelaanbod bij de afweging of handhaving noodzakelijk is. 4.5 De GGD kan een schriftelijk bevel afgeven Indien de toezichthouder tijdens een onderzoek een situatie aantreft waarin het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder zelf ingrijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding of overtredingen zijn, welke actie de houder moet ondernemen en binnen welke termijn dit dient te gebeuren. De toezichthouder informeert de gemeente direct over het opgelegde schriftelijk bevel. Hierdoor is de gemeente tijdig op de hoogte om eventueel vervolgstappen te nemen, waaronder verlenging van het schriftelijk bevel. 4.6 Signalen over kinderopvang kunnen worden gemeld Het college hecht veel waarde aan signalen die bijdragen aan het waarborgen van veilige en kwalitatief goede kinderopvang. Ouders, medewerkers en andere betrokkenen kunnen informatie aandragen die inzicht geeft in mogelijke tekortkomingen of onveilige situaties. De gemeente en de GGD stimuleren het melden van zorgen of signalen over kinderopvang. Bij de registratie, beoordeling en opvolging van meldingen wordt gewerkt volgens de geldende landelijke richtlijnen. Hoofdstuk 5. Starten en exploiteren van kinderopvang 5.1 Exploitatie is alleen toegestaan na toestemming van het college Een kinderopvangvoorziening of gastouderbureau mag pas starten nadat hiervoor toestemming is verleend door het college. Dit geldt ook wanneer wijzigingen plaatsvinden die gevolgen hebben voor de registratie en waarvoor een nieuwe beoordeling of toestemming noodzakelijk is. De houder ontvangt voorafgaand aan de start een schriftelijk besluit van het college. In dit besluit wordt opgenomen vanaf welke datum de exploitatie mag beginnen. Zonder deze toestemming mag geen kinderopvang worden aangeboden. Een aanvraag voor toestemming tot exploitatie moet tijdig worden ingediend. Het college heeft op grond van de Wet kinderopvang in beginsel tien weken de tijd om een besluit te nemen. Deze termijn kan, wanneer daarvoor aanleiding bestaat, gemotiveerd worden verlengd. Bij een positieve beslissing wordt de voorziening opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang. 5.2 Beoordeling vooraf: kwaliteit vanaf de start Het college vindt het belangrijk dat kinderen vanaf de eerste opvangdag gebruik kunnen maken van veilige en verantwoorde kinderopvang. Daarom wordt voorafgaand aan de start beoordeeld of een nieuwe voorziening naar verwachting aan de wettelijke kwaliteitseisen kan voldoen. Het uitgangspunt hierbij is dat een houder pas mag starten wanneer aannemelijk is dat de kwaliteit van de opvang vanaf het begin op orde is. Deze werkwijze wordt ook wel aangeduid als ‘streng aan de poort’. Bij nieuwe aanvragen voert de toezichthouder een uitgebreide beoordeling uit. Hierbij wordt gekeken naar verschillende onderdelen die bepalend zijn voor de kwaliteit van de opvang, zoals het pedagogisch beleid, de accommodatie, de inzet en geschiktheid van personeel, de organisatie, het kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering. Bij de beoordeling worden ook relevante gegevens betrokken, zoals de kwaliteit en eventuele handhavingsgeschiedenis van andere voorzieningen van dezelfde houder. Daarnaast kunnen andere aspecten worden meegewogen die van belang zijn voor een veilige start, zoals voorschriften op het gebied van brandveiligheid, bouwregelgeving en het gebruik van de locatie volgens het bestemmingsplan. 5.3 Exploitatie zonder toestemming is niet toegestaan Het aanbieden van kinderopvang zonder voorafgaande toestemming van het college is verboden. Wanneer een voorziening start zonder toestemming of doorgaat met exploiteren nadat de toestemming is ingetrokken, is sprake van niet-gemelde kinderopvang. Het college beschouwt illegale kinderopvang als een ernstige overtreding en treedt hiertegen op. Op grond van de Wet op de economische delicten kan hiervan aangifte worden gedaan bij het Openbaar Ministerie. Daarnaast kan het college een bestuurlijke boete opleggen. 5.4 Onderzoek na registratie en nieuwe aanvraag na afwijzing Binnen drie maanden na de registratiedatum beoordeelt de toezichthouder of de kinderopvangvoorziening, niet zijnde een voorziening voor gastouderopvang, in de praktijk aan de kwaliteitseisen voldoet. Daarbij wordt met name gekeken naar de uitvoeringspraktijk van het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze waarop de kinderen worden opgevangen. Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om een nieuwe aanvraag in behandeling te nemen, moet sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. 5.5 Houderwijziging en verhuizing Een houderwijziging wordt ingediend met een wijzigingsverzoek, maar wordt inhoudelijk behandeld als een nieuwe aanvraag. Dat betekent dat ook bij een overname streng wordt getoetst. De naleving van de kwaliteitseisen bij andere voorzieningen van de nieuwe houder en de handhavingshistorie worden daarbij meegewogen. Wanneer een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist, wordt dit eveneens behandeld als een nieuwe aanvraag. Voor een gastouderbureau geldt de afzonderlijke wettelijke procedure voor wijziging van het vestigingsadres. Hoofdstuk 6. Wijzigingen registratiegegevens LRK 6.1 Houders moeten wijzigingen direct doorgeven aan het college Na het verkrijgen van toestemming voor exploitatie kunnen wijzigingen plaatsvinden in de geregistreerde gegevens. Iedere wijziging moet direct aan het college worden doorgegeven. Het college kan dan bepalen of voorafgaand aan het besluit op de gevraagde wijziging een onderzoek moet plaatsvinden door de toezichthouder. Wijzigingen moeten worden ingediend met het daarvoor bestemde wijzigingsformulier. De houder moet het wijzigingsverzoek in beginsel minimaal acht weken voor de gewenste wijzigingsdatum indienen. Voor een houderwijziging of wijziging van rechtsvorm geldt een termijn van tien weken. Het college beoordeelt of onderzoek door de toezichthouder noodzakelijk is en besluit binnen de geldende termijn of de wijziging kan plaatsvinden en kan worden geregistreerd. Het college kan een boete opleggen als een wijziging niet of te laat is doorgegeven. Wijzigingen die in ieder geval moeten worden doorgegeven zijn onder meer wijzigingen van adres- en contactgegevens, beëindiging van exploitatie, wijziging van houder of rechtsvorm, wijziging van het aantal kindplaatsen, wijzigingen in bemiddelingsrelaties bij gastouderopvang en verhuizing. Hoofdstuk 7. Handhaving door het college 7.1 Handhaving is gericht op structureel herstel Houders zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun aanbod. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat het college adequate maatregelen neemt als de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet. Of de kwaliteit tekortschiet, blijkt doorgaans uit inspectierapporten van de toezichthouder, maar kan ook door het college zelf worden vastgesteld. Het college verwacht van houders dat zij verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang aanbieden en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en te voorkomen. Daar waar dat nodig is, grijpt het college in via handhaving. Het college gebruikt verschillende handhavingsinstrumenten om kinderopvangorganisaties tot naleving van de kwaliteitseisen te bewegen. Bij de keuze voor de best passende maatregel sluit het college aan bij de volgende uitgangspunten: •vasthouden van kwalitatief goede kinderopvang; •verbeteren van minder goede kinderopvang; •snel structureel herstel daar waar de kwaliteit tekortschiet; •sluiting van locaties waar de kwaliteit ernstig en/of structureel tekortschiet. Gezien het algemene belang van handhaving ziet het college alleen in uitzonderlijke gevallen af van handhaving. Het college weegt bij elke handhaving af welke maatregel geschikt, passend en noodzakelijk is. 7.2 Het college handhaaft ook preventief In het belang van kwalitatief goede kinderopvang en om het naleven van kwaliteitseisen te stimuleren, onderhoudt het college ook buiten het traject van bestuurlijke handhaving contact met kinderopvanghouders in de gemeente. Wanneer het college een aanvraag ontvangt van een houder die nog niet in de gemeente actief is, kan het college een voorgesprek voeren met deze houder. Tijdens dit gesprek wordt gewezen op de beleidsregels en worden de verwachtingen en eisen bij het starten van een kinderopvangvoorziening besproken. De GGD heeft eveneens een rol in de preventieve handhaving, bijvoorbeeld door voorlichting in houdergesprekken en nieuwsbrieven. 7.3 Het college weegt af welke handhaving passend is Vanuit de eigen taak en verantwoordelijkheid besluit het college welke handhavingsmaatregel passend en noodzakelijk is. Dit wordt per overtreding, locatie en houder afgewogen. Het college heeft daarbij de mogelijkheid om herstellend en/of bestraffend te handhaven. Bij de inzet van handhaving richt het college zich in alle fasen van toezicht en handhaving op het beoogde effect. Dat betekent dat het college kiest voor de instrumenten die het snelst en het meest effectief leiden tot structureel herstel. Bij de besluitvorming betrekt het college in elk geval het inspectierapport, reacties van de houder, de handhavingsgeschiedenis op locatie- en organisatieniveau, de inspectiegeschiedenis en alle betrokken belangen, waaronder het zwaarwegende belang van ouders en kinderen. Handhavingsmiddelen Het college kan de volgende herstellende en bestraffende handhavingsmiddelen inzetten: Traject Handhavingsmiddel Informeel herstellend Overleg en overreding (schriftelijke) Waarschuwing Formeel herstellend Aanwijzing Last onder dwangsom Last onder bestuursdwang Exploitatieverbod Intrekken toestemming tot exploitatie Formeel bestraffend Bestuurlijke boete 7.4 Informeel herstellend handhaven: overleg, overreding en waarschuwing Het college zet, waar de aard en ernst van de overtreding dit toelaten, eerst in op informeel herstellend handhaven. Hierbij wordt de houder in de gelegenheid gesteld de overtreding zonder formeel handhavingsbesluit te beëindigen. Informeel herstellend handhaven kan plaatsvinden door middel van overleg en overreding of door het geven van een (schriftelijke) waarschuwing. Deze instrumenten zijn bedoeld om overtredingen snel en effectief te beëindigen en herhaling te voorkomen. Indien de overtreding niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, sprake is van een ernstige overtreding of de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het college alsnog overgaan tot formeel herstellende of bestraffende handhaving. 7.5 Herstellend handhaven: aanwijzing en last onder dwangsom Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding wordt hersteld en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. De aanwijzing is doorgaans het meest geschikte instrument als het gaat om herstellende handhaving. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder moet nemen en binnen welke termijn dat moet gebeuren. De aanwijzing blijft relevant voor opvolgende handhavingsbesluiten gedurende drie jaar. Als de aanwijzing niet leidt tot structureel herstel van de overtreding, legt het college in beginsel een last onder dwangsom op. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder eerst een aanwijzing te geven, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Een last onder dwangsom verplicht de houder om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als de houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en niet herhaalt, hoeft de dwangsom niet te worden betaald. Wordt vastgesteld dat de overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan wordt de dwangsom verbeurd. 7.6 Bestraffend handhaven: de bestuurlijke boete Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels zijn hersteld. Bestraffende handhaving wordt vaak gecombineerd met herstellende handhaving. Voor enkele ernstige overtredingen kan het college direct een boete opleggen, ook als de houder maatregelen neemt om herhaling of voortduring van een overtreding te voorkomen. De boete heeft naast een bestraffende ook een preventieve werking. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete af op de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Daarbij houdt het college rekening met de omvang van de organisatie. 7.7 Recidive, exploitatieverbod en intrekking van de toestemming Wanneer een houder een overtreding binnen drie jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, legt het college voor nieuwe overtredingen doorgaans een last onder dwangsom op. Wordt een overtreding herhaald na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of na het opleggen van een bestuurlijke boete, dan kan het college een hogere dwangsom of boete opleggen. Wanneer een houder structureel niet voldoet aan de minimale kwaliteitseisen of wanneer uit inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake meer is van verantwoorde kinderopvang, kan het college overgaan tot tijdelijke sluiting van de locatie. Indien herstel uitblijft, kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken en de voorziening uit het LRK verwijderen. 7.8 Handhaving in de gastouderopvang en bij voorschoolse educatie De eerder beschreven werkwijze is ook van toepassing op de gastouderopvang. Daarbij houdt het college rekening met de aard van de gastouderopvang. Voor gastouders en gastouderbureaus gelden, mede gelet op de schaal en organisatievorm, aparte aandachtspunten bij toezicht en handhaving. Indien sprake is van overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie informeert de toezichthouder de Inspectie van het Onderwijs. Het college kan daarnaast de in deze beleidsregels beschreven handhavingsmiddelen inzetten. 7.9 Publicatie van handhavingsbesluiten Het college maakt handhavingsbesluiten openbaar in het LRK zodra deze onherroepelijk zijn. In elk besluit staat beschreven hoe bezwaar of beroep kunnen worden ingesteld. Hoofdstuk 8. Afwegingsmodel: bedragen dwangsommen en boetes 8.1 Toepassing van het afwegingsmodel Het college hanteert voor het opleggen van lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes een afwegingsmodel. De uitwerking hiervan is opgenomen in de bijlage bij deze beleidsregels. In deze bijlage zijn per overtreden voorschrift de sanctiebedragen opgenomen en is de relatie weergegeven tussen de normbedragen en de omvang van de houder. Bij het vaststellen van de bedragen is rekening gehouden met de ernst van de overtreding en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang. Overtredingen die direct invloed hebben op de kwaliteit van de opvang wegen daarbij zwaarder. Het college sluit voor de gehanteerde bedragen aan bij de regionale werkwijze zoals deze onder meer is uitgewerkt in Purmerend. 8.2 Normbedragen en omvang van de houder Bij het bepalen van de hoogte van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete wordt onderscheid gemaakt naar de omvang van de houder. De wijze waarop deze differentiatie wordt toegepast, is opgenomen in de bijlage. 8.3 Uitwerking in bijlage De concrete sanctiebedragen, hersteltermijnen en overige uitgangspunten voor de toepassing van het afwegingsmodel zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt integraal onderdeel uit van deze beleidsregels. Hoofdstuk 9. Slotbepalingen 9.1 Intrekking De beleidsnota Toezicht en Handhaving Wet kinderopvang & kwaliteitseisen peuterspeelzalen (2016) wordt ingetrokken. In plaats daarvan treden de Beleidsregels Handhaving Kinderopvang Edam-Volendam in werking. 9.2 Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na die waarop zij zijn bekendgemaakt. 9.3 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Handhaving Kinderopvang Edam-Volendam. Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 8 september 2026,het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam,de secretaris, de burgemeester,N.A. Hellingman-Kuiper. R.J. Beukers. Bijlage als bedoeld in artikel 8.1: Afwegingsmodel In deze bijlage zijn per overtreding de bedragen opgenomen voor een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. Ook is een overzicht opgenomen waarin de normbedragen zijn gekoppeld aan de omvang van de houder. Bij het bepalen van de bedragen is rekening gehouden met de impact van overtredingen op de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang. Overtredingen binnen onder meer de domeinen administratie, pedagogisch klimaat, personeel en groepen en veiligheid en gezondheid wegen hierbij zwaarder. Voor gastouderbureaus geldt daarnaast het domein kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht. Het college sluit voor de hoogte van de bedragen aan bij de categorieën uit artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Voor kindercentra en gastouderbureaus wordt daarbij vooral aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. De bedragen voor gastouders (met uitzondering van gastouderbureaus) en ouderparticipatiecrèches wijken hiervan af en zijn afzonderlijk opgenomen. De opgenomen bedragen gelden als maximum bij een eerste overtreding. Bij recidive wordt het maximale bedrag verdubbeld. Wanneer nieuwe wettelijke kwaliteitseisen niet binnen de bestaande tabellen passen, geldt voor kindercentra en gastouderbureaus een standaardbepaling waarbij de last onder dwangsom wordt vastgesteld op de helft van het bedrag van de tweede categorie. Normbedragen en formaat van de houder Omvang van houders voorzieningen voor kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang Aantal kindplaatsen Boete of last onder dwangsom Grote organisatie (BSO/KDV) Meer dan 500 kindplaatsen Normbedrag Middelgrote organisaties 151 tot en met 500 kindplaatsen 75% normbedrag Kleine organisaties 51 tot en met 150 kindplaatsen 50% normbedrag Zeer kleine organisatie Tot en met 50 kindplaatsen 25% normbedrag Omvang van het gastouderbureau Aantal gekoppelde gastouders Boete of last onder dwangsom Groot gastouderbureau Meer dan 100 gekoppelde gastouders Normbedrag Klein gastouderbureau Tot en met 100 gekoppelde gastouders 50% normbedrag Dwangsommen Dwangsommen kindercentra Domein Onderdeel Hoogte last onder dwangsom Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving Administratie De tweede categorie Maatregelen aanpak A-ziekten De tweede categorie Pedagogisch klimaat Pedagogisch beleid De helft van de tweede categorie Pedagogische praktijk De tweede categorie Voorschoolse educatie De helft van de tweede categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie De helft van de tweede categorie Personeel en groepen Verklaring Omtrent het Gedrag en personenregister kinderopvang (per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling) De helft van de tweede categorie Opleidingseisen (per ontbrekende kwalificatie) De helft van de tweede categorie Aantal beroepskrachten (per beroepskracht te weinig) De tweede categorie Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs (per onberekende beroepskracht) De helft van de tweede categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers De helft van de tweede categorie Stabiliteit van de opvang voor kinderen De helft van de tweede categorie Voertaal De helft van de tweede categorie Veiligheid en gezondheid Veiligheids- en gezondheidsbeleid De helft van de tweede categorie Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling De helft van de tweede categorie Meld- overleg- en aangifteplicht De helft van de tweede categorie Accommodatie Eisen aan ruimtes De helft van de tweede categorie Ouderrecht Informatie De helft van de tweede categorie Oudercommissie De helft van de tweede categorie Klachten en geschillen De helft van de tweede categorie Dwangsommen gastouderbureau Domein Onderdeel Hoogte last onder dwangsom Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving Administratie De tweede categorie Maatregelen aanpak A-ziekten De tweede categorie Pedagogisch klimaat Pedagogisch beleid De helft van de tweede categorie Pedagogische praktijk De tweede categorie Voorschoolse educatie De helft van de tweede categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie De helft van de tweede categorie Personeel Verklaring Omtrent het Gedrag en personenregister kinderopvang (per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling) De helft van de tweede categorie Personeelsformatie per gastouder De helft van de tweede categorie Veiligheid en gezondheid Veiligheids- en gezondheidsbeleid De helft van de tweede categorie Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling De helft van de tweede categorie Meld- overleg- en aangifteplicht De helft van de tweede categorie Ouderrecht Informatie De helft van de tweede categorie Oudercommissie De helft van de tweede categorie Klachten en geschillen De helft van de tweede categorie Kwaliteit en zorgplicht gastouderbureau Kwaliteitscriteria De tweede categorie Administratie gastouderbureau De tweede categorie Dwangsommen gastouder Het maximum dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan. Dwangsommen ouderparticipatiecrèche Het maximum dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan. Bestuurlijke boetes Een bestuurlijke boete wordt opgelegd per overtreding van het voorschrift, tenzij in de tabel anders is beschreven. Voor enkele overtredingen legt het college, naast een herstelsanctie, in beginsel altijd een boete op. Deze overtredingen staan per soort voorziening steeds in de eerste tabel: Directe boete. Voor de overige overtredingen kan naast een herstelsanctie ook een boete worden opgelegd. Deze staan in de tweede tabel per soort voorziening. In de tabellen is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive kan het college het maximum boetebedrag verdubbelen. Boetes kindercentra Domein Directe boete voor Hoogte boete Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving Exploitatie zonder toestemming college De vierde categorie Schenden medewerkingsplicht De helft van de tweede categorie Niet opvolgen bevel De vierde categorie Overtreden exploitatieverbod De vierde categorie Niet (tijdig) melden wijzigingen (per niet of te laat gemelde wijziging) De helft van de tweede categorie Personeel en groepen Verklaring Omtrent het Gedrag (per ontbrekende VOG) De helft van de tweede categorie Personenregister kinderopvang (per ontbrekende inschrijving en/of koppeling) De helft van de tweede categorie Beroepskracht-kindratio (per ontbrekende beroepskracht) De tweede categorie Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet. De helft van de tweede categorie Kwalificatie (per ontbrekende kwalificatie) De helft van de tweede categorie Domein Boete mogelijk voor Hoogte boete Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving Niet opvolgen aanwijzing De helft van de tweede categorie Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst De helft van de tweede categorie Pedagogisch klimaat Het bieden van onverantwoorde opvang De tweede categorie Personeel en groepen Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers De tweede categorie Boetes gastouderbureau Domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving Personeel (ook van toepassing op gekoppelde gastouders) Kwaliteit en zorgplicht gastouderbureau Domein Boete mogelijk voor Hoogte boete Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving Niet opvolgen aanwijzing De helft van de tweede categorie Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst De helft van de tweede categorie Kwaliteit en zorgplicht gastouderbureau Onvoldoende zorg voor de groepssamenstelling bij de gastouder (per gastouder) De tweede categorie Onvoldoende zorg voor veiligheid en gezondheid bij de gastouder (per gastouder) De tweede categorie Onvoldoende zorg voor eisen aan ruimtes bij de gastouder (per gastouder) De tweede categorie Boetes gastouderopvang Directe boete voor Hoogte boete Overschrijding groepsgrootte en groepssamenstelling Eerste categorie Ontbreken geldige beroepskwalificatie Eerste categorie Boete mogelijk voor Hoogte boete Ontbreken Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), inschrijving- en/of koppeling personenregister Eerste categorie Niet opvolgen aanwijzing Eerste categorie Onverantwoorde opvang Eerste categorie

Meer informatie