Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026
Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026 Uitvoering Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026 Burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; en de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026; B e s l u i t e n: Vast te stellen: Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026 Uitvoering Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026 Hoofdstuk 1 Procedure Wmo Artikel 1 Quickscan, integrale vraaganalyse en plan van aanpak 1.Nadat de inwoner zich heeft gemeld met een hulpvraag, vindt er een quickscan plaats.2.Het doel van de quickscan is het bepalen van de passende vervolgstappen. In deze quickscan wordt het volgende beoordeeld: a.of de melding volledig is. Indien dit niet het geval is, worden aanvullende gegevens of documentatie opgevraagd; b.of de melding thuishoort bij de gemeentelijke toegang, dan wel dient te worden doorgeleid naar een andere instantie (zoals de zorgverzekeraar, huisarts of een voorliggende voorziening); c.of er sprake is van urgentie en de melding met voorrang behandeld dient te worden. 3.Op basis van de integrale vraaganalyse wordt per leefdomein in kaart gebracht wat de bestaande situatie van de inwoner is en wat de gewenste resultaten per leefdomein zijn.4.Voor het product Wmo-begeleiding wordt geen integrale vraaganalyse gehanteerd, in plaats daarvan wordt een ondersteuningsplan vanuit Siem opgesteld.5.In het plan van aanpak wordt per leefdomein bepaald welke gewenste resultaten dienen te worden bereikt. Artikel 2 Persoonlijk plan 1.Als de inwoner binnen zeven dagen na de melding schriftelijk een persoonlijk plan indient, wordt dit bij het onderzoek betrokken.2.Uit het persoonlijk plan moet in ieder geval blijken op welke manier de inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning vorm wil geven. Artikel 3 Aanvraag en beschikking 1.Het door de inwoner ondertekende en bij het college ingediende plan van aanpak kan als aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden aangemerkt.2.Het plan van aanpak wordt als bijlage bij de beschikking gevoegd.3.Voor het product Wmo-begeleiding wordt het plan van aanpak opgesteld door Siem. Het college heeft Siem gemandateerd om namens het college beschikkingen te nemen. Het door de inwoner ondertekende plan van aanpak wordt aan de inwoner toegezonden en geldt als beschikking. Hoofdstuk 2 Procedure Jeugdhulp Artikel 4 Quickscan, integrale vraaganalyse en plan van aanpak 1.Wanneer een hulpvraag wordt gemeld, bevestigt de toegang de ontvangst van de hulpvraag schriftelijk.2.Naar aanleiding van deze hulpvraag voert de toegang een quickscan uit, met als doel het bepalen van de passende vervolgstappen. In deze quickscan wordt het volgende beoordeeld: a.of de melding volledig is; b.of de melding behoort tot de gemeentelijke toegang, dan wel dient te worden doorgeleid naar het SamenZorgTeam (SZT); c.of er sprake is van urgentie en de melding met voorrang behandeld dient te worden. 3.Uitsluitend de onderstaande andere verwijzers hoeven geen melding van een hulpvraag te maken bij de toegang: a.de huisarts, jeugdarts en medisch specialist, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de Jeugdwet, tenzij het de inzet van hoogspecialistische jeugdhulp betreft; b.de gecertificeerde instelling, op grond van artikel 3.5, eerste lid, van de Jeugdwet, en de rechter indien het bieden van jeugdhulp rechtstreeks voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing als bedoeld in artikel 3.5 vierde lid, van de Jeugdwet, alsmede het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Jeugdwet; c.het college zelf, in de praktijk de burgemeester, op grond van artikel 6.1.2, eerste en vijfde lid, van de Jeugdwet, voor zover het betreft het verlenen van een machtiging tot opname van een jeugdige in een gesloten accommodatie; d.de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting indien zij jeugdhulp noodzakelijk achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, dan wel indien de gecertificeerde instelling jeugdhulp noodzakelijk acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering. 4.Na een melding voert het college een zorgvuldig onderzoek, dat wordt vastgelegd in een integrale vraaganalyse, uit naar: a.aard en ernst van de problematiek; b.ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige; c.eigen kracht van jeugdige en ouders; d.inzet van het sociale netwerk; e.beschikbare algemene of voorliggende voorzieningen. 5.Indien passend wordt een integraal plan van aanpak opgesteld waarin doelen, resultaten en ingezette ondersteuning zijn vastgelegd.6.De toegang informeert de jeugdige en/of ouder tijdens het gesprek over het verschil tussen ondertekenen van het plan van aanpak 'voor akkoord' of 'voor gezien'. Ondertekening 'voor akkoord' betekent dat de jeugdige en/of ouder heeft het plan van aanpak ontvangen, begrijpt wat er onder wordt verstaan en het eens is met de conclusies. Ondertekening 'voor gezien' betekent dat de jeugdige en/of ouder heeft het plan van aanpak ontvangen, begrijpt wat er onder wordt verstaan en het niet eens is met de conclusies. Artikel 5 Procedurele eisen aan het plan van aanpak toegang 1.De toegang legt het plan van aanpak binnen een redelijke termijn na het gesprek voor aan de jeugdige en/of ouder.2.De jeugdige en/of ouder kan via de toegang opmerkingen op het plan van aanpak laten opnemen. Deze opmerkingen vormen geen vervanging van het oorspronkelijke verslag, maar gelden als een aanvulling hierop. Daarnaast dient het plan van aanpak te worden ondertekend onder vermelding van ‘voor akkoord’ of ‘voor gezien’.3.Indien de jeugdige en/of ouder met ‘voor gezien’ tekent, kan deze gemotiveerd aangeven waarom het plan van aanpak niet akkoord is. Als deze van mening is in aanmerking te komen voor een (andere) individuele voorziening, kan dit in het plan van aanpak worden vermeld.4.Indien de jeugdige en/of ouder met ‘voor gezien’ heeft getekend, neemt de contactpersoon van de toegang opnieuw contact op. Indien de feedback aanleiding geeft tot een mogelijk ander resultaat of een andere voorziening, kunnen de bezwaren in een vervolggesprek worden besproken en wordt beoordeeld of en op welke wijze het plan van aanpak kan worden aangepast.5.De toegang kan andere deskundigen, waaronder het Regionaal Expertiseteam, consulteren bij het opstellen van het plan van aanpak. Artikel 6 Toegang tot jeugdhulp via het medisch domein Ten aanzien van de toegang tot Jeugdhulp via het medisch domein zijn binnen Regio Hart van Brabant regionale afspraken gemaakt. Voor de stappenplannen binnen de verschillende segmenten wordt verwezen naar de website https://www.zorginregiohartvanbrabant.nl/jeugdhulp/ Artikel 7 Aanvraag 1.De toegang levert het plan van aanpak aan bij het college, ondertekend door de jeugdige en/of ouder of gemachtigde en voorzien van naam, geboortedatum van de jeugdige en dagtekening.2.De datum waarop de toegang het plan van aanpak aanlevert aan het college geldt als aanvraagdatum van de individuele voorziening(en).3.Indien het plan van aanpak met ‘voor akkoord’ is ondertekend, geldt dit bij indiening bij het college als aanvraag.4.Indien het plan van aanpak met ‘voor gezien’ is ondertekend, geldt dit bij indiening bij het college niet (direct) als aanvraag. Indien na het tweede gesprek geen overeenstemming wordt bereikt tussen de toegang en de jeugdige en/of ouder over de inhoud van het plan van aanpak, kan het plan, met toestemming van de jeugdige en/of ouder, alsnog als aanvraag worden ingediend. Dit maakt bezwaar en beroep mogelijk.5.Jeugdigen en/of ouders kunnen een aanvraag voor jeugdhulp op basis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schriftelijk indienen bij het college. De schriftelijk ondertekende aanvraag dient voldoende concreet te zijn, waarbij de aard en omvang van de benodigde jeugdhulp duidelijk worden aangegeven.6.De jeugdige en/of ouder wordt tijdens het onderzoek geïnformeerd over de mogelijkheid om te kiezen uit verschillende jeugdhulpaanbieders, indien meerdere aanbieders de voorziening kunnen leveren. Deze keuze wordt vastgelegd in het plan van aanpak, dat met het verslag wordt meegestuurd. Op het moment van aanvragen is de jeugdhulpaanbieder al bekend en is de zorg afgestemd.7.Als de gecertificeerde instelling de verwijzer is, dan levert deze de bepaling jeugdhulp aan bij de jeugdhulpaanbieder.8.Als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de verwijzer is, dan levert deze de verwijzing aan bij de jeugdhulpaanbieder.9.De datum waarop de gecertificeerde instelling de bepaling jeugdhulp aanlevert aan de jeugdhulpaanbieder, of de datum waarop de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de verwijzing aanlevert bij de jeugdhulpaanbieder, geldt als de aanvraagdatum van de individuele voorziening(en).10.Uitsluitend de toegang, de andere verwijzers op grond van artikel 4, derde lid en de gemachtigde kunnen een aanvraag om een voorziening indienen bij het college. Een aanvraag met als verwijzer huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling (bepaling jeugdhulp), kinderrechter, openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting, is ook een aanvraag, ingediend bij het college, omdat het college eindverantwoordelijk blijft voor de inzet van passende en toereikende zorg op grond van de wet. Hoofdstuk 3 Algemeen gebruikelijk, gebruikelijke hulp en mantelzorg Artikel 8 Afwegingskader voor toeleiding basisstructuur en specialistische hulp 1.Indien de ondersteuningsvraag op eigen kracht, met gebruikmaking van het eigen netwerk en/of een algemeen gebruikelijke of anderszins voor de inwoner beschikbare voorziening kan worden opgelost, wordt deze ondersteuning ingezet. In dat geval bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 en Jeugdwet.2.Is de inzet van eigen kracht of het eigen netwerk onvoldoende om het gewenste resultaat te bereiken, maar is een algemene voorziening, een algemeen gebruikelijke voorziening of een voorliggende voorziening, waaronder kortdurende ambulante hulp, wel toereikend, dan wordt deze voorziening ingezet. In dat geval bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de wet.3.Zijn de onder het eerste en tweede lid genoemde mogelijkheden niet toereikend vanwege de aard, ernst of complexiteit van de problematiek, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet op grond van de wet. Paragraaf 1 Algemeen gebruikelijk Artikel 9 Algemeen gebruikelijk Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: •niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; •daadwerkelijk beschikbaar is; •een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; •financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Paragraaf 2 Gebruikelijke hulp Wmo Artikel 10 Gebruikelijke hulp Wmo Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van huisgenoten. Tot de huisgenoten worden gerekend de partner, ouders, inwonende kinderen en anderen met wie de inwoner duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert. Onder gebruikelijke hulp wordt bijvoorbeeld verstaan het helpen bij het koken, het uitvoeren van huishoudelijke taken zoals stofzuigen, het aankleden van kinderen en het begeleiden van kinderen naar school. In dit artikel en de daaropvolgende artikelen wordt onder huisgenoot verstaan de persoon van 18 jaar of ouder die tot het huishouden behoort. Artikel 11 Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp Van gebruikelijke hulp door een huisgenoot is geen sprake indien zich één van de volgende situaties voordoet: 1.De huisgenoot is overbelast of dreigt overbelast te raken. Daarbij geldt dat: a.indien voor de partner, ouder, het kind of een andere huisgenoot eigen mogelijkheden of voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, deze worden aangewend; b.van de partner, ouder, het volwassen kind of een andere volwassen huisgenoot wordt verwacht dat deze, voor zover redelijkerwijs mogelijk, maatschappelijke activiteiten beperkt. 2.De huisgenoot heeft beperkingen en beschikt niet over de kennis of vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het bieden van gebruikelijke hulp en kan deze niet aanleren. 3.De inwoner heeft een zeer korte levensverwachting. 4.De huisgenoot is, vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter, structureel afwezig. 5.Het college is van oordeel dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij in ieder geval stapeling van zorgtaken als een van de factoren wordt beschouwd. 6.Jeugdigen en jongvolwassenen tot 23 jaar die een opleiding volgen, worden niet geacht bij te dragen aan de uitvoering van huishoudelijke taken waarvoor anders een maatwerkvoorziening zou worden ingezet. Van hen wordt echter wel verwacht dat zij lichte huishoudelijke taken verrichten, zoals het inruimen van de vaatwasser of het opruimen van hun eigen kamer. Artikel 12 Gebruikelijke hulp bij ondersteuning bij het huishouden De regels rondom gebruikelijke hulp bij ondersteuning in het huishouden zijn opgenomen in de Beleidsregels Huishoudelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2026. Artikel 13 Gebruikelijke hulp bij ondersteuning zelfstandig leven en maatschappelijke deelname 1.Gebruikelijke hulp bij zelfstandig leven en maatschappelijke deelname wordt verwacht in een kortdurende zorgsituatie met een maximale duur van drie maanden, waarin uitzicht bestaat op herstel.2.In een zorgsituatie met een duur van meer dan drie maanden waarin uitzicht bestaat op herstel, alsmede in een zorgsituatie waarin geen uitzicht bestaat op herstel, wordt gebruikelijke hulp verwacht bij: a.begeleiding op het terrein van maatschappelijke deelname, waaronder in ieder geval het bezoeken van een huisarts en deelname aan dagbesteding wordt verstaan; b.begeleiding bij het normale maatschappelijke verkeer binnen de eigen levenssfeer, waaronder in ieder geval het bezoeken van vrienden en familie wordt verstaan; c.het overnemen van taken die behoren tot een gezamenlijke huishouding, waaronder in ieder geval het voeren van administratie wordt verstaan. Artikel 14 Gebruikelijke hulp bij het ondersteunen bij verplaatsingen binnen de leefomgeving Gebruikelijke hulp wordt verwacht bij: a.verplaatsingen met een incidenteel karakter die planbaar zijn. Hieronder wordt in ieder geval het bezoeken van vrienden, familie en de huisarts verstaan; b.structurele verplaatsingen, waarbij rekening wordt gehouden met de frequentie van de verplaatsingen en de daginvulling van de huisgenoot. Paragraaf 3 Gebruikelijke hulp Jeugdhulp Artikel 15 Gebruikelijke hulp Jeugdhulp 1.Onder gebruikelijke hulp wordt hulp verstaan die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders voor een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen. 2.Gebruikelijke hulp behoort tot de ouderlijke verantwoordelijkheid en leidt in beginsel niet tot inzet van een individuele voorziening. 3.Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp betrekt het college in ieder geval de volgende aspecten: a.de leeftijd en ontwikkeling van de jeugdige, waaronder begrepen de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, evenals de mate van toezicht en begeleiding en/of stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; b.de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; c.de aard, de frequentie, de planbaarheid en de intensiteit van de hulp; d.de duur van de ondersteuningsbehoefte; e.de belasting in tijd en energie voor ouders; f.de samenstelling van het gezin en overige zorgtaken. 4.Het college maakt bij deze beoordeling gebruik van de uitgangspunten uit de CIZ indicatiewijzer. Artikel 16 Algemene uitgangspunten 1.Ieder kind, ongeacht de leeftijd, heeft recht op een woonomgeving waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd. Ouders bieden een passend pedagogisch klimaat waarin zorg wordt gedragen voor de ontwikkeling van het kind gericht op zelfstandigheid en zelfredzaamheid, waaronder verzorging, begeleiding en stimulans. 2.Behandeling, gericht op het leren omgaan met de situatie door zowel de ouders als het kind, heeft in beginsel voorrang boven begeleiding en ontlasting. 3.Bij de beoordeling van de benodigde ondersteuning staat de zorgbehoefte van het kind centraal, waarbij wordt bezien welke ondersteuning passend en noodzakelijk is voor het betreffende kind. Artikel 17 Uitgangspunt eigen kracht 1.Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de verzorging en de opvoeding van hun kinderen. 2.Het college zet uitsluitend een individuele jeugdhulpvoorziening in indien is vastgesteld dat: a.de eigen kracht van jeugdige en de ouders ontoereikend is; b.ondersteuning vanuit het sociale netwerk onvoldoende beschikbaar of passend is; c.algemene of voorliggende voorzieningen niet toereikend zijn. 3.De beoordeling als bedoelt in het tweede lid vindt plaats op basis van een individuele en zorgvuldig gemotiveerde afweging. Artikel 18 Bovengebruikelijke hulp 1.Bovengebruikelijke hulp behoort in beginsel tot de verantwoordelijkheid van ouders. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurige bovengebruikelijke hulp: a.bij kortdurende gebruikelijke hulp is er uitzicht op herstel van het probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het betreft een aaneengesloten, eenmalige periode van maximaal drie maanden binnen één kalenderjaar. Hierbij wordt van ouders verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit, gelet op de aard van de hulp, redelijkerwijs niet van hen kan worden verwacht of sprake is van (dreigende) overbelasting waardoor zij de hulp niet kunnen bieden. Er dient in dat geval wel een aantoonbaar verband te bestaan tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. b.bij langdurende gebruikelijke hulp is er sprake van chronische situaties waarbij naar verwachting jeugdhulp langer dan drie maanden noodzakelijk is, dan wel meerdere periodes van drie maanden binnen één kalenderjaar omvat. 2.Het college kan ondersteuning inzetten indien is vastgesteld dat: a.de bovengebruikelijke hulp structureel van aard is; b.deze hulp leidt tot een onaanvaardbare verstoring van de balans tussen draagkracht en draaglast van de ouders; c.geen reële alternatieven beschikbaar zijn binnen het sociale netwerk. 3.Bij de beoordeling van bovengebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met het gegeven dat ieder kind zich ontwikkelt in een eigen tempo en dat ouders verschillende waarden en normen hanteren in de opvoeding. In beginsel wordt maximaal één uur bovengebruikelijke hulp per dag als passend beschouwd.4.In individuele gevallen kan worden afgeweken van het derde lid indien de draagkracht van de ouders ontoereikend is. Artikel 19 Overbelasting ouders 1.Er is sprake van overbelasting van ouders indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.de belasting is structureel van aard en niet tijdelijk; b.de belasting leidt tot risico’s voor de veiligheid, gezondheid of ontwikkeling van de jeugdige of de ouders zelf; c.het herstel van de situatie is niet mogelijk door inzet van de eigen kracht van de ouders of hun sociale netwerk; d.er dient een aantoonbaar verband te bestaan tussen de ervaren overbelasting en de zorg die wordt geboden aan de jeugdige. 2.Het college betrekt bij de beoordeling of sprake is van overbelasting in ieder geval de volgende factoren: a.de lichamelijke en psychische belastbaarheid van de ouders; b.de combinatie van zorgverplichtingen, arbeid en gezinsleven; c.de duur en de intensiteit van de zorgvraag, waarbij onder meer de mate van zorgbehoefte en de daarmee gemoeide tijdsinvestering in aanmerking worden genomen. 3.Indien ondersteuning wordt ingezet vanwege (dreigende) overbelasting van ouders, voldoet deze ondersteuning aan de volgende voorwaarden: a.de ondersteuning is van tijdelijke aard; b.de ondersteuning is gericht op het herstellen van de balans tussen de draagkracht van de ouders en de door hen ervaren draaglast. 4.De verleende ondersteuning wordt periodiek geëvalueerd om te beoordelen of de overbelasting is verminderd of opgeheven. Indien het herstel is bereikt, wordt de ondersteuning beëindigd.5.Van ouders wordt verwacht dat zij zich actief inspannen om hun draagkracht te vergroten en de belasting te verminderen. Daarbij geldt dat de oorzaak van de (dreigende) overbelasting in samenhang wordt beoordeeld met de zorg voor de jeugdige. Indien de overbelasting (mede) wordt veroorzaakt door factoren buiten de zorg voor de jeugdige, wordt van ouders verwacht dat zij eerst maatregelen treffen die gericht zijn op het wegnemen of verminderen van deze oorzaken. Hierbij geldt als uitgangspunt dat het verlenen van noodzakelijke zorg aan de jeugdige voorrang heeft op sociale en maatschappelijke activiteiten. Deze inspanningen kunnen onder meer bestaan uit: a.het herinrichten van de dagelijkse structuur binnen het gezin; b.het benutten van verlof- of ondersteuningsregelingen; c.het inzetten van het sociale netwerk; d.het aanpassen van werk of andere sociale en maatschappelijke activiteiten indien deze (mede) bijdragen aan de (dreigende) overbelasting; e.het treffen van maatregelen gericht op het verminderen van spanningen die voortkomen uit werk of andere externe factoren. 6.Van ouders wordt niet verwacht dat zij: a.structureel medische of specialistische zorg verlenen; b.ondersteuning bieden die hun eigen gezondheid, welzijn of bestaanszekerheid ernstig schaadt. Artikel 20 Motiveringsvereiste Een besluit tot weigering van een individuele voorziening wegens toereikende eigen kracht of gebruikelijke hulp bevat in ieder geval: a.een feitelijke beschrijving van de hulpvraag; b.een toetsing aan de relevante criteria zoals opgenomen in deze nadere regels; c.een gemotiveerde en expliciete afweging waaruit blijkt waarom inzet van jeugdhulp niet noodzakelijk wordt geacht. Artikel 21 Toekennen jeugdhulp (wegens overbelasting) Het college beoordeelt of de benodigde ondersteuning kan worden geleverd vanuit de eigen kracht van de ouders en het sociale netwerk. Gelet op de aard en de intensiteit van de zorg, de duur van de noodzakelijke ondersteuning en de belastbaarheid van de ouders, stelt het college vast dat deze ondersteuning niet langer redelijkerwijs van de ouders kan worden verwacht. In dat geval wordt een tijdelijke individuele voorziening ingezet. Artikel 22 Weigeren jeugdhulp (wegens gebruikelijke hulp) Het college stelt vast dat de gevraagde ondersteuning, gelet op de aard en omvang daarvan en de leeftijd van de jeugdige, behoort tot hetgeen redelijkerwijs van ouders mag worden verwacht. Deze ondersteuning wordt aangemerkt als gebruikelijke hulp en leidt derhalve niet tot de inzet van een individuele voorziening. Paragraaf 4 Mantelzorg Artikel 23 Mantelzorg 1.Tijdens het onderzoek wordt ook aandacht besteed aan de rol van de mantelzorger en de mogelijke ondersteuning die nodig is. De mantelzorger kan eveneens een verzoek om ondersteuning indienen. Deze ondersteuning kan, evenals voor de inwoner, bestaan uit een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.2.De ondersteuning als bedoeld in het eerste lid kan bestaan uit kortdurend verblijf, dagopvang en maatwerkvoorzieningen indien de situatie daartoe aanleiding geeft.3.Van mantelzorg is sprake indien intensieve en langdurige ondersteuning wordt verleend door familieleden of vrienden van de inwoner. Deze ondersteuning gaat verder dan gebruikelijke hulp en is zwaarder en langduriger van aard.4.Onder intensieve en langdurige ondersteuning wordt in beginsel verstaan dat, voor zover het gaat om zorg aan een persoon ouder dan twaalf jaar, gedurende meer dan acht uur per week en langer dan drie maanden ondersteuning wordt verleend.5.De mantelzorger is niet verplicht de ondersteuning te verlenen.6.De belastbaarheid van de mantelzorger maakt onderdeel uit van het onderzoek. Artikel 24 Jaarlijkse blijk van waardering mantelzorgers 1.Het college draagt zorg voor de mogelijkheid dat de inwoner aan wie mantelzorg wordt verleend, jaarlijks een blijk van waardering kan geven aan zijn of haar mantelzorger(s).2.Mantelzorgers kunnen aanspraak maken op een waardering in de vorm van een waardebon.3.De hoogte van de waardebon als blijk van waardering bedraagt €40. Het totale jaarlijkse budget voor financiële waardering van mantelzorgers bedraagt €24.000. Hoofdstuk 4 Algemene bepalingen maatwerkvoorzieningen Artikel 25 Goedkoopst compenserende voorziening Een verstrekking vindt plaats op basis van de goedkoopst compenserende voorziening. Indien meerdere voorzieningen als compenserend kunnen worden aangemerkt, wordt de voorziening verstrekt die naar objectieve maatstaven de laagste kosten met zich meebrengt. Indien de inwoner kiest voor een duurdere, maar eveneens adequate voorziening, komen de meerkosten voor rekening van de inwoner. In dat geval vindt de verstrekking plaats in de vorm van een persoonsgebonden budget, gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorziening. Een voorziening kan tevens bestaan uit de vergoeding van noemenswaardige meerkosten ten opzichte van de algemeen gebruikelijke kosten die noodzakelijk zijn voor de voorziening. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan een auto of fiets met vanwege de beperking noodzakelijke aanpassingen. De kosten van een auto of fiets zonder aanpassingen worden als algemeen gebruikelijk aangemerkt en komen niet voor vergoeding in aanmerking. Bij de beoordeling van de hoogte van deze kosten worden de normbedragen van het NIBUD als richtsnoer gebruikt. Artikel 26 Aanvaardbaar niveau Het streven is om de inwoner op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat aansluit bij diens persoonlijke situatie. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de situatie van betrokkene vóór het ontstaan van de beperkingen, de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie zonder beperkingen, alsmede de mogelijkheden die in het individuele geval aanwezig zijn. Onder een aanvaardbaar niveau van participatie en zelfredzaamheid wordt verstaan dat de inwoner zich in redelijkheid dient te realiseren dat beperkingen kunnen blijven bestaan en dat niet alle gevolgen daarvan kunnen worden weggenomen. De te bieden ondersteuning is beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid en participatie. Daarbij wordt geen rekening gehouden met persoonlijke voorkeuren, smaak, luxe of gewoonten van de inwoner, voor zover deze niet noodzakelijk zijn voor het bereiken van het beoogde resultaat. Paragraaf 1 Maatwerkvoorzieningen Wmo Om toegang te krijgen tot één van onderstaande maatwerkvoorzieningen, worden allereerst de stappen doorlopen zoals genoemd in artikel 8. Artikel 27 Huishoudelijke ondersteuning 1.Huishoudelijke ondersteuning kan worden aangevraagd wanneer iemand door ziekte of beperking niet in staat is om het huishouden zelf te doen en wanneer er geen gebruikelijke hulp of hulp vanuit het netwerk beschikbaar is. 2.De beleidsregels rondom de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning zijn opgenomen in de Beleidsregels Huishoudelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2026. Artikel 28 Begeleiding en dagopvang 1.Onder begeleiding en dagopvang wordt verstaan: a.begeleiding: ondersteuning die inwoners helpt bij het uitvoeren van dagelijkse handelingen en bij het aanbrengen van structuur en regie in diens persoonlijk leven; b.dagopvang: een vorm van ondersteuning waarbij personen met een ziekte of beperking gedurende de dag zorg, begeleiding en activiteiten ontvangen, zodat zij kunnen blijven functioneren wanneer het eigen netwerk onvoldoende ondersteuning kan bieden. 2.Als vastgesteld is dat een maatwerkwerkvoorziening nodig is vindt er een gesprek plaats met een contactpersoon van Siem. In het plan van aanpak wordt per leefdomein in kaart gebracht wat de bestaande situatie van de inwoner is en wat de gewenste doelen en resultaten zijn.3.Op basis van de gewenste doelen en resultaten wordt vastgesteld welke ondersteuning wordt ingezet en hoeveel uren daaraan gekoppeld worden.4.Het college heeft Siem gemandateerd om vast te stellen welke ondersteuning en hoeveel uren aan ondersteuning er noodzakelijk is om de gewenste doelen en resultaten te bereiken. Dit wordt vastgelegd in een ondertekend plan van aanpak, wat tevens de beschikking is. Het ondertekende plan van aanpak wordt aan de inwoner toegestuurd en hierin wordt de inwoner gewezen op zijn rechtsmiddelen. Artikel 29 Kortdurend verblijf 1.Kortdurend verblijf is een maatwerkvoorziening die wordt ingezet ter ondersteuning van de mantelzorger, met als doel de inwoner in staat te stellen zo lang mogelijk in de eigen woonomgeving te blijven. 2.Om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf, moet de inwoner afhankelijk zijn van ondersteuning en permanent toezicht vanwege het tijdelijk of gedeeltelijk wegvallen van de mantelzorg.3.Kortdurend verblijf wordt aangeboden in een instelling, met uitzondering van ziekenhuizen, of in een accommodatie van een door het college gecontracteerde zorgaanbieder. 4.Vervoer naar de instelling of accommodatie kan worden verstrekt door Siem, indien de mantelzorger niet in staat is de inwoner te brengen en er geen andere vervoersopties beschikbaar zijn. Artikel 30 Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding 1.Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding (OAD) betreft trajecten die gericht zijn op het bevorderen van de maximale ontwikkeling van participatie. Dit omvat participatie in de breedste zin van het woord, zoals het volgen van een opleiding, activering en (vrijwilligers)werk. De trajecten bestaan uit de volgende onderdelen: a.een integraal, op maat gemaakt plan van aanpak, gebaseerd op een grondige oriëntatie op de mogelijkheden en wensen van de inwoner; b.gerichte trajectbegeleiding om de vooruitgang te sturen op basis van de samen met de inwoner opgestelde doelen. De trajectbegeleider begeleidt de inwoner gedurende het proces en coördineert de te nemen stappen; c.de inzet op de juiste dagbestedingsplek, zodat de inwoner kan groeien in zijn ontwikkeling, of zodat de ontwikkeling gestabiliseerd en langdurig ondersteund kan worden. 2.Als vastgesteld is dat er een maatwerkwerkvoorziening nodig is vindt er een gesprek plaats met een contactpersoon van Kikmaat. In het plan van aanpak wordt per leefdomein in kaart gebracht wat de bestaande situatie van de inwoner is en wat de gewenste doelen en resultaten zijn.3.Op basis van de gewenste doelen en resultaten wordt vastgesteld welke ondersteuning wordt ingezet en hoeveel uren daaraan gekoppeld worden. Artikel 31 Beschermd wonen 1.Beschermd wonen is bedoeld voor inwoners die vanwege psychische of psychosociale problemen 24 uur per dag ondersteuning nodig hebben. Dit kan plaatsvinden in een instelling wanneer er continu toezicht vereist is, of het kan een vorm van zelfstandig wonen zijn, waarbij begeleiding op afstand of op afroep voldoende is.2.Centrumgemeente Tilburg voert namens de colleges van de gemeenten in Regio Hart van Brabant de opdracht voor beschermd wonen uit. Het regionaal toegangsteam beschermd wonen is verantwoordelijk voor de praktische uitvoering van de opdracht.3.Als vastgesteld is dat er een maatwerkwerkvoorziening nodig is vindt er een gesprek plaats met een contactpersoon van Siem. In het plan van aanpak wordt per leefdomein in kaart gebracht wat de bestaande situatie van de inwoner is en wat de gewenste doelen en resultaten zijn.4.Op basis van de gewenste doelen en resultaten wordt vastgesteld welke ondersteuning wordt ingezet en hoeveel uren daaraan gekoppeld worden.5.Het college heeft Siem gemandateerd om vast te stellen welke ondersteuning en hoeveel uren aan ondersteuning er noodzakelijk is om de gewenste doelen en resultaten te bereiken. Dit wordt vastgelegd in een ondertekend plan van aanpak, wat tevens de beschikking is. Het ondertekende plan van aanpak wordt aan de inwoner toegestuurd en hierin wordt de inwoner gewezen op zijn rechtsmiddelen. Artikel 32 Woonvoorzieningen 1.Een woonvoorziening is een maatwerkvoorziening, zoals een (bouwkundige) woningaanpassing of een hulpmiddel, die het mogelijk maakt voor kinderen, jongeren en volwassenen om (langer) in hun eigen huis te blijven wonen. Een woonvoorziening kan worden toegekend wanneer er sprake is van een beperking in de zelfredzaamheid. 2.Er zijn verschillende voorzieningen die het mogelijk maken om langer zelfstandig te blijven wonen in de eigen leefomgeving. Het doel van deze voorzieningen is om het normale gebruik van de woning te waarborgen. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de essentiële woonfuncties, zoals slapen, lichaamsreiniging, toiletgebruik, het bereiden en eten van voedsel, en het verplaatsen binnen de woning, mogelijk blijven.3.Inwoners zijn zelf verantwoordelijk voor het bewonen van een geschikte woning en tijdige verhuizing naar een geschikte woning. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat inwoners rekening houden met bekende en voorzienbare beperkingen. Bij ieder huisbezoek in het kader van de Wmo wordt de woonsituatie bekeken door de consulent. De consulent zal een advies uitbrengen over de woonsituatie met betrekking tot de verdere ontwikkeling van de beperkingen en dit vastleggen in een beschikking. De uitkomsten daarvan kunnen consequenties hebben voor aanvragen voor woonvoorzieningen die in de toekomst worden gedaan. 4.Het college stelt na een aanvraag voor een woonvoorziening een Programma van Eisen op waarmee minimaal twee offertes opgevraagd moeten worden door de aanvrager/inwoner. In het Programma van Eisen zijn de vereisten voor de woonsituatie op basis van de beperkingen van de inwoner opgenomen. Daarin wordt ook de voorzienbare situatie met betrekking tot de verdere ontwikkeling van de beperkingen meegenomen. De woonvoorziening dient conform het Programma van Eisen te worden gerealiseerd.5.Bij een grote dan wel complexe woningaanpassing vraagt het college een bouwtechnisch onderzoek aan bij een externe adviseur waar een kostenraming onderdeel van uitmaakt. De uitkomsten van dit onderzoek maken ook onderdeel uit van het Programma van Eisen. 6.Eisen aan de aan te passen woning: a.de woning dient in de gemeente Hilvarenbeek te staan; b.de woning is een zelfstandige woning; c.de woning is of zal het hoofdverblijf van de inwoner zijn. 7.Woningen die niet geschikt of beschikbaar zijn, of waar het planologisch niet toegestaan is om het hele jaar te (be)wonen worden niet als hoofdverblijf erkend.8.Als de gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud problemen veroorzaken bij het normale gebruik van de woning, kan er geen aanspraak worden gemaakt op een woonvoorziening.9.Als de inwoner een woonvoorziening aanvraagt in verband met een verhuizing en uit het onderzoek blijkt dat voor deze verhuizing geen aanleiding bestond op grond van de beperkingen van de inwoner of een andere belangrijke reden, wordt er geen woonvoorziening verstrekt. 10.Als de inwoner niet is verhuisd naar de meest geschikte beschikbare woning, wordt er geen woonvoorziening verstrekt.11.Tot de subsidiabele kosten van een woningaanpassing behoren in ieder geval: a.De aanneemsom (hier inbegrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de woonvoorziening. Indien de woonvoorziening door de inwoner zelf wordt aangebracht vervallen de loonkosten; b.De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; c.De door het bestuur (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; d.De kosten van (her)aansluiting op de openbare nutsvoorzieningen. 12.Als uit onderzoek blijkt dat verhuizen de goedkoopst compenserende voorziening is wordt er geen woonvoorziening verstrekt voor de woning waar de inwoner op dat moment zijn hoofdverblijf heeft en wordt het primaat van verhuizen opgelegd. Indien er na een afgestemde zoekperiode blijkt dat er zich geen reële mogelijkheid tot verhuizen heeft voorgedaan kan het college besluiten om alsnog een woonvoorziening toe te kennen.13.In het onderzoek zoals bedoeld in het vorige lid zullen in ieder geval de volgende aspecten worden meegenomen: •aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; •kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen; •passende bijdrage aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; •volkshuisvestelijke factor; •of de woning binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar is; •sociale omstandigheden; •afstemming met andere voorzieningen; •werksituatie verandering in woonlasten; •wooncomfort; •of de inwoner huurder of eigenaar van de woning is; •de wil van de inwoner om te verhuizen; •overige specifieke omstandigheden. 14.Indien de inwoner zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling en regelmatig een woning in de gemeente Hilvarenbeek bezoekt, zoals die van een partner, ouder(s) of kind, kan deze woning bezoekbaar worden gemaakt. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a.voor de inwoner kan slechts één woning bezoekbaar gemaakt worden; b.de aan te passen woning moet zich bevinden in de gemeente Hilvarenbeek; c.het moet gaan om regelmatig bezoek (wekelijks); d.alleen het bereikbaar/toegankelijk maken van de woning en het bereikbaar maken van de woonkamer en het toilet behoren tot het bezoekbaar maken. 15.Voor voorzieningen met betrekking tot woningsanering, die noodzakelijk zijn vanwege COPD en/of allergische aandoeningen, of voor de vervanging van tapijt dat niet geschikt is voor rolstoelgebruik, worden de maximale vergoedingsbedragen berekend. De hoogte van de vergoedingsbedragen wordt gebaseerd op de meest actuele NIBUD-prijzengids. Artikel 33 Hulpmiddelen 1.Een cliënt kan een hulpmiddel, niet zijnde een woonvoorziening, aanvragen indien sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, waarbij ondersteuning noodzakelijk is om deze beperkingen te compenseren.2.Het college verstrekt een hulpmiddel in beginsel in bruikleen. Aan de verstrekking kan de verplichting worden verbonden dat de cliënt een bruikleenovereenkomst sluit met de leverancier of eigenaar van het hulpmiddel en de daarin opgenomen voorwaarden naleeft.3.In afwijking van het tweede lid kan het college een hulpmiddel in eigendom verstrekken, indien de kosten van het hulpmiddel, na aftrek van de omzetbelasting, niet meer bedragen dan €600,00. Artikel 34 Verhuiskostenvergoeding 1.Voor de inwoner die op grond van artikel 32, twaalfde lid niet in aanmerking komt voor een woonvoorziening, kan het college een eenmalige verhuiskostenvergoeding toekennen. Deze vergoeding wordt verstrekt als financiële tegemoetkoming en bestaat uit stofferingskosten en de huur van een vervoermiddel. Bij het vaststellen van de hoogte voor de verhuiskostenvergoeding wordt uitgegaan van de bedragen die het NIBUD hanteert voor de aanschaf van stoffering voor een woning. Voor de huur van een vervoermiddel wordt de prijs voor het huren van een verhuisbus of kleine vrachtwagen zonder chauffeur als uitgangspunt genomen.2.Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te voorzien of te voorspellen was. In het geval van een verhuizing die in de levensloop verwacht of als voorspelbaar wordt beschouwd, wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend.3.Wanneer inwoners voor wie het primaat van verhuizen geldt besluiten om niet te verhuizen, kan een verhuiskostenvergoeding verstrekt worden wanneer de woning technisch aanpasbaar is. Deze vergoeding moet worden gebruikt voor het uitvoeren van aanpassingen in de eigen woning conform het Programma van Eisen. Na deze aanpassingen komen inwoners niet meer in aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding of verdere woningaanpassingen voor dezelfde beperkingen en de voorzienbaarheid van het verloop daarvan. 4.Een indicatie voor een verhuiskostenvergoeding wordt verstrekt voor een periode van zes maanden, mits het college de reële verwachting heeft dat er binnen deze termijn daadwerkelijk een geschikte woning beschikbaar komt. Indien er niet binnen de in de beschikking vastgestelde termijn wordt verhuisd, zal er een heronderzoek plaatsvinden. De indicatie kan eenmalig met zes maanden worden verlengd, indien er in de eerste zes maanden geen geschikte woningen beschikbaar waren en de noodzaak om te verhuizen nog steeds aanwezig is.5.Indien de inwoner niet binnen de vastgestelde termijn is verhuisd, terwijl er aantoonbaar wel mogelijkheden beschikbaar waren binnen de gemeente Hilvarenbeek en een straal van tien kilometer daaromheen, zal er geen woningaanpassing worden uitgevoerd. Een verhuiskostenvergoeding kan echter wel worden verstrekt, mits deze aantoonbaar wordt besteed aan het aanpassen van de huidige woning conform het Programma van Eisen. Artikel 35 Vervoersvoorziening collectief vervoer 1.Een vervoersvoorziening is een maatwerkvoorziening die het mogelijk maakt voor een inwoner om zich te verplaatsen binnen de directe leefomgeving, met als doel de zelfredzaamheid en participatie te bevorderen. Onder de directe leefomgeving wordt verstaan: lokaal, plaatselijk en regionaal, tot een afstand van maximaal 25 kilometer van de woning. 2.Bij het onderzoek wordt beoordeeld of een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening een adequate oplossing kan bieden. Een inwoner kan aanspraak maken op een vervoersvoorziening wanneer: a.er belemmeringen ondervonden worden bij het zich verplaatsen in de directe leefomgeving; b.vervoer en/of gebruikelijke begeleiding uit het eigen netwerk niet mogelijk is; c.gebruik van en/of het bereiken van het openbaar vervoer, niet mogelijk is; d.gebruik van een vervoersvoorziening uit de basisstructuur niet mogelijk is. 3.Als uit onderzoek blijkt dat collectief vervoer de goedkoopst compenserende oplossing is, komt de inwoner niet in aanmerking voor een duurdere maatwerkvoorziening.4.De omvang van een vervoersvoorziening wordt afgestemd op: a.de eigen mogelijkheden van de inwoner en zijn sociaal netwerk; b.de vervoersbehoefte met inachtneming van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Het uitgangspunt is dat 1500 kilometer per kalenderjaar voldoende is om de inwoner in staat te stellen tot participatie; c.algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen die beschikbaar en passend zijn voor de inwoner; d.andere vervoersvoorzieningen die als maatwerkvoorziening zijn of worden verstrekt. Artikel 36 Algemene bepalingen collectief vervoer 1.De inwoner die in aanmerking komt voor het collectief vervoer, ontvangt een Wmo-Regiovervoerpas, waarmee tegen betaling van een rit gebruik kan worden gemaakt van de Regiovervoer.2.Voor de tarifering wordt aangesloten bij het systeem van het openbaar vervoer. De inwoner betaalt een instaptarief, gevolgd door een bedrag per kilometer, zoals vastgesteld door Regiovervoer Midden-Brabant.3.Het vervoer wordt onderscheiden op basis van afstand. Regionaal vervoer betreft vervoer binnen een gebied van maximaal 25 kilometer vanaf het woonadres en bovenregionaal vervoer betreft vervoer over een afstand van meer dan 25 kilometer vanaf het woonadres.4.Binnen de regio kan op vertoon van de Regiovervoerpas maximaal 1500 kilometer per (kalender)jaar worden gereisd met de Regiovervoer.5.Extra kilometers kunnen worden toegekend aan inwoners die in aanmerking komen voor collectief vervoer en kunnen aantonen dat voor mantelzorg of vrijwilligerswerk meer dan 1.500 kilometer per kalenderjaar wordt gereisd. Hierdoor kunnen deze activiteiten worden voortgezet.6.De inwoner met een Wmo-Regiovervoerpas is een betaling verschuldigd voor het vervoer met de Regiovervoer. De betaling van de reiziger met een Wmo-Regiovervoerpas wordt door de vervoerder in ontvangst genomen, in naam en voor rekening van de gemeente die het vervoer aanbiedt.7.De inwoner mag zich laten begeleiden door één begeleider. Wanneer het college medische begeleiding noodzakelijk acht, is de begeleider geen bijdrage verschuldigd. De inwoner kan in dat geval uitsluitend gebruikmaken van het Wmo-tarief indien wordt gereisd in aanwezigheid van een medisch begeleider. Een begeleider dient ten minste 18 jaar oud te zijn.8.Voor vervoer dat buiten de reikwijdte van de Wmo valt, zoals vervoer naar medische behandelingen, woon-werkverkeer en leerlingenvervoer, kunnen inwoners en hun begeleiders gebruikmaken van het vervoer tegen de daarvoor door Regiovervoer Midden-Brabant vastgestelde tarieven. Voor iedere rit is een instaptarief verschuldigd, aangevuld met een tarief per kilometer. Artikel 37 Vervoersvoorzieningen voor bovenregionaal vervoer 1.Het college is in beginsel uitsluitend verantwoordelijk voor vervoer binnen de gemeentegrenzen. Het bereik van de Regiovervoer is maximaal 25 kilometer vanaf het woonadres.2.Voor inwoners van de gemeente Hilvarenbeek is het ETZ TweeSteden ziekenhuis aangemerkt als algemene puntbestemming voor vervoer. Paragraaf 2 Maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp Artikel 38 Voorzieningen Jeugdhulp 1.In overeenstemming met de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026 en de Jeugdwet kan het college individuele voorzieningen op grond daarvan inzetten met of zonder verblijf.2.Wanneer de individuele voorzieningen zoals opgenomen in deze nadere regels en de verordening onvoldoende aansluiten op de hulpvraag en het te behalen resultaat dan kan het college besluiten om een andere voorziening in te zetten. Het college kan hiertoe aanbod, dat niet onder overige en individuele voorzieningen valt, beschouwen als jeugdhulp op grond van de hardheidsclausule. Artikel 39 Individuele voorzieningen op grond van de Jeugdwet 1.Het college kan zorg inzetten binnen vijf segmenten. Een uitgebreide omschrijving van de segmenten is terug te vinden op www.wegwijzerhvb.nl/jeugdhulp •Segment 1 Hoog specialistische zorg •Segment 2 Wonen Jeugdhulp •Segment 3 Dagbegeleiding en respijtzorg •Segment 4 Veel voorkomende jeugdhulp •Segment 5 Crisishulp 2.Binnen segment twee, drie en vier vallen verschillende producten. Het is mogelijk om deze producten naast elkaar in te zetten.3.Het college kan aanvullende voorwaarden stellen voor het naast elkaar beschikken van verschillende productenen/of segmenten. Artikel 40 Zorgaanbod naast de segmenten Het college kan naast de zorg uit de vijf segmenten ook andere producten inzetten. Dit zorgaanbod valt buiten de segmenten in verband met specifieke inzet en/of afspraken. Voor de beschrijving van de producten zie de website www.zorginregiohartvanbrabant.nl Artikel 41 Vervoer 1.Het college stelt de noodzaak voor vervoer van en naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden vast op basis van het afwegingskader Vervoer, dat terug te vinden is op www.zorginregiohartvanbrabant.nl/vervoer-jeugdhulp2.Het college kent maximaal de kosten van de goedkoopst mogelijk adequate vervoersvoorziening toe.3.Om voor een vervoersvoorziening in aanmerking te komen, bedraagt de afstand tot de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt minimaal zes en maximaal zestig km.4.Als ouders een persoonsgebonden budget verkiezen boven een gecontracteerde aanbieder met een gelijkwaardig zorgaanbod en daarbij een vervoersvoorziening nodig hebben, worden maximaal de vervoerskosten vergoed gelijk aan de afstand tot de gecontracteerde aanbieder. Hoofdstuk 5 Bijdrage in de kosten Artikel 42 Eigen bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen De gemeente Hilvarenbeek vraagt voor alle maatwerkvoorzieningen, waarvoor dit binnen het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning is toegestaan, een eigen bijdrage in de kosten volgens het abonnementstarief die op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (Staatsblad 2019-319) is toegestaan, tenzij in het vervolg van deze nadere regels hiervan wordt afgeweken. Deze eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het Centraal Administratiekantoor (CAK) conform artikel 2.1.4, zesde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De eigen bijdrage voor beschermd wonen wordt via de centrumgemeente Tilburg geëffectueerd. Artikel 43 Omvang van de eigen bijdrage De omvang van de eigen bijdrage per maand wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel 44 Beperkingen 1.De eigen bijdrage bedraagt ten hoogste de kostprijs van de voorziening in natura, het bedrag van het persoonsgebonden budget dan wel de maandhuur die de gemeente voor de verstrekte voorziening verschuldigd is.2.De inwoner is geen eigen bijdrage verschuldigd op grond van de in artikel 3.8, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde gronden.3.Geen eigen bijdrage wordt opgelegd indien de voorziening een algemene voorziening betreft. Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden budget Paragraaf 1 Algemene bepalingen persoonsgebonden budget Artikel 45 Verstrekking op verzoek 1.Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt uitsluitend plaats op verzoek van de inwoner en na beoordeling van dat verzoek. Voor de jeugdige wordt de aanvraag ingediend door de ouder met gezag of de wettelijke vertegenwoordiger. Daarnaast is toestemming vereist overeenkomstig de in de Jeugdwet vastgelegde leeftijdsgrenzen.2.De inwoner verstrekt desgevraagd de inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen maatwerkvoorziening. Artikel 46 Uitsluiting persoonsgebonden budget Indien voor een maatwerkvoorziening gelijktijdig een voorziening in natura wordt verstrekt, wordt voor diezelfde voorziening geen persoonsgebonden budget verstrekt aan dezelfde aanbieder. Artikel 47 Trekkingsrecht 1.Het college stelt het persoonsgebonden budget beschikbaar via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB verricht, na ontvangst van het toekenningsbericht van het college, de betalingen aan de zorgaanbieder met wie de inwoner een zorgovereenkomst heeft gesloten.2.Voor eenmalige persoonsgebonden budgetten heeft de SVB aan het college mandaat verleend om deze uit te betalen. Artikel 48 Pgb-vaardigheden 1.Het college beoordeelt of de inwoner die een persoonsgebonden budget aanvraagt voldoende in staat is de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken uit te voeren, door middel van een pgb-vaardighedentest. 2.Het college kan besluiten dat de aanvrager van een persoonsgebonden budget niet in staat wordt geacht om de pgb-taken uit te voeren, indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a.de inwoner is handelingsonbekwaam en krijgt onvoldoende hulp van een vertegenwoordiger uit zijn sociale netwerk of van zijn bewindvoerder, mentor of curator; b.de inwoner heeft onvoldoende inzicht in de eigen situatie, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke beperking, psychische problemen of psychiatrische aandoening; c.de inwoner is de Nederlandse taal in woord en geschrift onvoldoende machtig; d.de inwoner heeft ernstige verslavingsproblematiek; e.de inwoner heeft problematische schulden; f.de inwoner heeft een zodanig progressief ziektebeeld dat de verwachting is dat hij op termijn het budgethouderschap niet meer goed kan invullen; g.de inwoner heeft in de drie jaren voorafgaand aan de datum van melding een persoonsgebonden budget ontvangen maar daarbij niet aan de voorwaarden voldaan. 3.Onder de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken, zoals bedoeld in het eerste lid, vallen onder ander het beheren van het persoonsgebonden budget, het behartigen van de belangen, het inkopen van passende ondersteuning, het opstellen van het budgetplan en plan van aanpak (pgb-ondersteuningsplan) en het bewaken van de kwaliteit van de in te zetten zorg. 4.Indien een andere situatie zich voordoet, waarin het verstrekken van een persoonsgebonden budget niet gewenst is, kan het college het persoonsgebonden budget gemotiveerd weigeren. 5.Als de inwoner een pgb-vertegenwoordiger heeft of heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het persoonsgebonden budget te behartigen en deze wel in staat is om de pgb-taken uit te voeren, dan kan er afgeweken worden van de bepalingen uit het eerste lid. Artikel 49 Verantwoording besteding persoonsgebonden budget 1.Een deel van de verantwoording van het persoonsgebonden budget vindt vooraf plaats via de zorgovereenkomst die de inwoner met de zorgaanbieder afsluit. Deze zorgovereenkomst wordt door de SVB beoordeeld en goedgekeurd. De gemeente beoordeelt de zorgovereenkomst op zorginhoudelijke aspecten. Daarnaast vindt jaarlijks achteraf verantwoording plaats via de SVB.2.De pgb-budgethouder bewaart alle documenten die betrekking hebben op het persoonsgebonden budget en de besteding daarvan, waaronder de aanschaf van voorzieningen en de inhuur van zorgaanbieders.3.De pgb-budgethouder bewaart de in het tweede lid bedoelde documenten gedurende vijf jaar en verstrekt deze op verzoek (een kopie van) de gevraagde stukken aan de gemeente. De gemeente kan deze stukken opvragen in het kader van steekproefsgewijze controles op de rechtmatigheid en/of kwaliteit van het persoonsgebonden budget, dan wel naar aanleiding van een controle.4.Jaarlijks wordt een door het college vast te stellen bedrag niet in de verantwoording betrokken. Artikel 50 Verplichtingen De inwoner is verplicht de verstrekte voorziening of de aangeschafte zaak gedurende de gebruiksduur adequaat te onderhouden en, voor zover van toepassing, toereikend te verzekeren. Artikel 51 Persoonsgebonden budget bij tijdelijk verblijf in buitenland 1.De inwoner meldt het college tijdig wanneer die tijdelijk in het buitenland verblijft.2.Het college onderzoekt de reden van het tijdelijke verblijf in het buitenland en beoordeelt de noodzaak daarvan.3.Indien het tijdelijke verblijf in het buitenland noodzakelijk wordt geacht, kan het persoonsgebonden budget voor diensten worden voortgezet, mits wordt voldaan aan de daaraan verbonden voorwaarden.4.De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt afgestemd op het tarief waartegen de betreffende diensten in het buitenland kunnen worden ingekocht, maar bedraagt niet meer dan het tarief dat voor vergelijkbare dienstverlening in Nederland geldt.5.Bij tijdelijk verblijf in het buitenland kan het persoonsgebonden budget gedurende een aaneengesloten periode van maximaal dertien weken per kalenderjaar worden doorbetaald. Artikel 52 Algemene bepalingen economische levensduur en restwaarde bij persoonsgebonden budget 1.Indien de economische levensduur van een voorziening die met een persoonsgebonden budget is aangeschaft nog niet is verstreken, kan een (aanvullend) pgb worden verstrekt indien: a.sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor aanpassing of vervanging van de voorziening noodzakelijk is; b.sprake is van een calamiteit die de inwoner niet kan worden toegerekend. 2.Indien een inwoner een met pgb aangeschafte voorziening binnen de economische levensduur niet langer gebruikt, omdat deze niet meer adequaat is, wordt de restwaarde van de voorziening in mindering gebracht op een eventueel nieuw te verstrekken pgb. Daarnaast wordt een eventueel verstrekt pgb voor instandhoudingskosten verrekend naar rato van de resterende periode van de economische levensduur.3.Indien een inwoner een met pgb aangeschafte voorziening niet langer gebruikt, is de inwoner of zijn nabestaanden verplicht om binnen een redelijke termijn: a.de voorziening in te leveren bij de gemeente; b.de restwaarde van de voorziening aan de gemeente terug te betalen. 4.Bij verhuizing van een inwoner naar of vanuit de gemeente Hilvarenbeek wordt aangesloten bij de bepalingen uit het landelijke convenant Meeverhuizen van individuele mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen bij verhuizing.5.De restwaarde, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, wordt berekend volgens de formule uit het in het vierde lid genoemde convenant: restwaarde = (vastgesteld pgb/economische levensduur in maanden) × resterende termijn in maanden6.De economische levensduur (afschrijvingstermijn) bedraagt: a.voor mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen 7 jaar; b.voor hulpmiddelen voor kinderen 5 jaar; c.voor een keuken 15 jaar; d.voor een toilet 15 jaar; e.voor een badkamer 25 jaar. Paragraaf 2 Persoonsgebonden budget Wmo Artikel 53 Persoonsgebonden budget woningaanpassing 1.Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor het realiseren van een woningaanpassing wordt binnen zes maanden na het toekenningsbesluit aangevangen met de werkzaamheden.2.Voor een persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing gelden de volgende voorwaarden: a.met de werkzaamheden voor de woningaanpassing wordt geen aanvang gemaakt voordat het college op de aanvraag heeft beslist; b.het college heeft, na voorafgaande aankondiging, op door het college te bepalen tijdstippen toegang tot de woning of het gedeelte daarvan waar de aanpassing wordt gerealiseerd; c.de inwoner verstrekt desgevraagd inzage in de bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing; d.de inwoner biedt het college desgevraagd de gelegenheid de gerealiseerde woningaanpassing te controleren. 3.Direct na voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen vijftien maanden na het toekenningsbesluit, meldt de inwoner schriftelijk aan het college dat de woningaanpassing is voltooid.4.De melding, bedoeld in het derde lid, gaat vergezeld van bewijsstukken waaruit blijkt dat de woningaanpassing is gerealiseerd conform de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget is toegekend, bijvoorbeeld facturen.5.De inwoner aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt voor een woningaanpassing in de eigen woning is verplicht te zorgen voor een opstalverzekering die in voldoende mate dekking biedt voor de verzekerde waarde van de woning en de aangebrachte aanpassingen.6.De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing kan in ieder geval worden afgestemd op: a.de aanneemsom, waaronder begrepen loon- en materiaalkosten. Indien de woningaanpassing door de inwoner zelf wordt uitgevoerd, vervallen de loonkosten; b.de leges, voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; c.door het college schriftelijk goedgekeurde kostenverhogingen die ten tijde van de kostenraming redelijkerwijs niet voorzienbaar waren; d.de kosten van (her)aansluiting op openbare nutsvoorzieningen. Artikel 54 Persoonsgebonden budget hulpmiddelen 1.Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel worden, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden gesteld: a.de inwoner schaft een maatwerkvoorziening van goede kwaliteit aan, die voldoet aan de door het college gestelde eisen zoals opgenomen in het Programma van Eisen; b.de inwoner sluit een onderhoudscontract af met een leverancier waarin in ieder geval zijn opgenomen: 24 uursservice, het recht op een leenvoorziening, jaarlijks onderhoud en periodieke keuring. 2.De inwoner stelt het college desgevraagd in de gelegenheid de met het persoonsgebonden budget aangeschafte maatwerkvoorziening te bezichtigen en te beoordelen.3.De hoogte van het persoonsgebonden budget bedraagt ten hoogste de huur- of aanschafprijs van de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura, inclusief onderhouds- en verzekeringskosten, zoals deze door het college aan de gecontracteerde aanbieder verschuldigd zijn.4.Indien voor het hulpmiddel geen vergelijking kan worden gemaakt met een gecontracteerde maatwerkvoorziening in natura, wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget vastgesteld op basis van één of meerdere offertes waaruit de kosten van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening blijken. Artikel 55 Persoonsgebonden budget vervoersvoorziening collectief vervoer 1.Indien een inwoner vanwege zijn specifieke situatie geen gebruik kan maken van het collectief vervoer, kan een gemaximeerd persoonsgebonden budget worden verstrekt om in de vervoersbehoefte te voorzien.2.Bij gebruik van een (eigen) auto wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget gebaseerd op de voorziening in natura, uitgaande van maximaal 1.500 kilometer per (kalender)jaar. Voor de geldende kilometertarieve, zie de website van Regiovervoer Midden-Brabant. 3.Indien geen gebruik kan worden gemaakt van openbaar vervoer, collectief vervoer niet mogelijk is en geen passend eigen vervoer beschikbaar is, en geen goedkopere passende vervoersvoorziening kan worden ingezet, kan een persoonsgebonden budget worden verstrekt voor vervoer per reguliere (rolstoel)taxi. De hoogte van dit budget wordt vastgesteld op basis van het feitelijke vervoerspatroon van de inwoner, met een maximum van 1.500 kilometer per jaar tegen het laagste tarief van de reguliere (rolstoel)taxi. Het college kan de inwoner verzoeken om één of meer offertes over te leggen en kan zelf een offerte opvragen ter toetsing. Artikel 56 Persoonsgebonden budget voor begeleiding, dagopvang, OAD en kortdurend verblijf 1.Indien een maatwerkvoorziening noodzakelijk is voor begeleiding, dagbesteding, OAD of kortdurend verblijf, stelt het college allereerst vast of de inwoner, dan wel diens vertegenwoordiger, beschikt over voldoende regievaardigheden om de aan het persoonsgebonden budget (pgb) verbonden taken uit te voeren.2.In het pgb-ondersteuningsplan worden de beoogde resultaten, alsmede de aard en omvang van de benodigde ondersteuning, vastgelegd.3.Het college kan Siem raadplegen voor een deskundig advies over de aard en omvang van de benodigde voorziening.4.De inwoner en/of diens vertegenwoordiger stelt een budgetplan op, waarin wordt aangegeven op welke wijze de ondersteuning wordt vormgegeven. Het college beoordeelt of met dit budgetplan de doelen, zoals opgenomen in het pgb-ondersteuningsplan, in voldoende mate kunnen worden behaald.5.Het ondertekende budgetplan en het ondertekende pgb-ondersteuningsplan worden gezamenlijk aangemerkt als aanvraag voor een maatwerkvoorziening.6.Indien het persoonsgebonden budget wordt ingezet voor ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk (informele zorg), beoordeelt het college in ieder geval: a.de motivatie van de inwoner om ondersteuning vanuit het sociaal netwerk in te schakelen; b.of de betreffende persoon in staat is de gevraagde ondersteuning te bieden; c.of de kwaliteit en continuïteit van de ondersteuning voldoende zijn geborgd. 7.De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op basis van het aantal noodzakelijk geachte uren, dagdelen of etmalen, vermenigvuldigd met het geldende tarief.8.De inwoner maakt in overleg met de zorgverlener afspraken over het tarief per uur, dagdeel of etmaal en legt deze vast in het budgetplan.9.Het is toegestaan een hoger tarief met de zorgverlener overeen te komen. Dit leidt echter niet tot een verhoging van het toegekende persoonsgebonden budget of tot een uitbreiding van het aantal toegekende uren, dagdelen of etmalen.10.Het college beoordeelt of de in het budgetplan voorgestelde ondersteuning, in samenhang met het pgb-ondersteuningsplan, naar verwachting zal leiden tot het behalen van de beoogde resultaten. Indien het college van oordeel is dat dit onvoldoende aannemelijk is, wordt de aanvraag afgewezen. Hoofdstuk 7 Kwaliteitseisen Artikel 57 Eisen ten aanzien van de zorgverlening Om goede kwaliteit van zorgverlening te kunnen waarborgen stellen we eisen aan de kwaliteit van zorg(aanbieders). Paragraaf 1 Kwaliteitseisen Wmo Artikel 58 Kwaliteitseisen algemeen 1.Dit artikel is van toepassing op alle zorgverleners die ondersteuning bieden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning, zowel professioneel als informeel, in de vorm van begeleiding, dagbesteding, logeeropvang of beschermd wonen.2.De gemeente verstrekt uitsluitend opdrachten of contracten aan zorgverleners die aantoonbaar voldoen aan de in dit artikel opgenomen kwaliteitseisen.3.De zorgverlener: a.verleent ondersteuning die veilig, doeltreffend en cliëntgericht is; b.werkt actief en integraal samen met andere betrokken hulpverleners en aanbieders, voor zover dit in het belang is van de cliënt; c.werkt aantoonbaar en planmatig aan het realiseren van de doelen zoals opgenomen in het ondersteuningsplan van de cliënt; d.kan, indien hierom wordt verzocht, een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag overleggen; e.is niet bekend wegens het leveren van ondeskundige zorg, handelen in strijd met relevante wet- en regelgeving of beleidsregels, dan wel wegens misleiding of fraude. Artikel 59 Kwaliteitseisen professioneel zorgverlener Professionele zorgverleners dienen voor het verlenen van zorg voor begeleiding, dagbesteding, logeeropvang of beschermd wonen naast de eisen zoals opgenomen in artikel 58, derde lid, ook aan de navolgende eisen te voldoen om in aanmerking te komen voor het tarief van de professionele zorgverlener: a.inschrijving bij de Kamer van Koophandel; b.de zorgverleners beschikken over ervaringen, kwalificaties en/of opleidingen die passend zijn bij de te verrichten activiteiten, complexiteit en aard van de problematiek(en) van de cliënt. Dit kan blijken uit een registratie bij het registerplein voor een van de relevante beroepen of als voldaan wordt aan de eisen die vanuit dit beroepenregister gesteld worden aan opleiding en gedrag. Dit kan ook blijken uit een diploma van een relevante opleiding die is erkend door het Centraal Register Beroepsopleidingen (Crebo); c.medewerkers ontvangen een salaris dat overeenkomstig is met de betreffende ondersteuning die wordt geboden; d.eigenaar en medewerkers zijn geen eerste- of tweedegraads familie van de cliënt; e.een professionele zorgverlener beschikt over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven, als (tijdelijk) verblijf aan de orde is; f.een professionele zorgverlener heeft een meldplicht bij calamiteiten en geweld; g.een professionele zorgverlener werkt volgens de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling; h.een professionele zorgverlener werkt met een systematische kwaliteitsbewaking, bijvoorbeeld ISO 9001, EN 15224, HKZ, Kiwa (ZZP en kleine ondernemers), Prezo of vergelijkbaar. Artikel 60 Kwaliteitseisen professioneel pgb-zorgverlener begeleiding, dagbesteding en OAD Om in aanmerking te komen voor een professioneel persoonsgebonden budget voor begeleiding individueel, dagbesteding, kortdurend verblijf en/of persoonlijke verzorging dient de zorgaanbieder op verschillende gebieden aan de volgende eisen te voldoen. 1.Ondersteuning en uitvoering De pgb-zorgverlener: a.zorgt voor een ondersteuningsplan waaruit blijkt welke kansen, mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften de cliënt heeft en welke voorziening wordt geboden; b.zorgt ervoor dat de voorziening passend is bij de doelen van de cliënt op basis waarvan de maatwerkvoorziening is verstrekt; c.legt de beoogde (sub)doelen met de cliënt vast, inclusief de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze worden behaald; d.evalueert de verleende ondersteuning tussentijds op basis van het ondersteuningsplan en stelt deze waar nodig bij. Indien een evaluatie leidt tot bijstelling, wordt dit vastgelegd in het ondersteuningsplan; e.maakt afspraken met de cliënt over de bereikbaarheid; f.draagt zorg voor continuïteit van de personele inzet en voldoende ondersteuning. 2.Veiligheid en meldplichten De pgb-zorgverlener: a.brengt de fysieke en sociale veiligheid van cliënten in kaart en houdt hier bij de geboden voorziening rekening mee; b.zorgt ervoor dat de inhoud van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voldoet aan de wettelijk gestelde eisen; c.draagt er zorg voor dat medewerkers op de hoogte zijn van de meldcode en weten hoe zij hiernaar moeten handelen; d.handelt conform het meest recente protocol inzake toezicht en onderzoek van calamiteiten en geweldsincidenten; e.meldt onverwijld bij de toezichthouder wanneer zich een calamiteit heeft voorgedaan of wanneer sprake is van geweld bij de verstrekking van een voorziening, overeenkomstig artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015. De calamiteit of geweldsincident dient binnen drie dagen gemeld te worden via www.ggdhvb.nl/toezichtWmo; f.verstrekt bij en naar aanleiding van een melding aan de toezichthouder de gegevens die noodzakelijk zijn voor het onderzoek, waaronder persoonsgegevens en bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg). 3.Kwaliteit en professionaliteit De pgb-zorgverlener: a.zorgt ervoor dat medewerkers cliënten passend en correct bejegenen; b.is bekend met en handelt conform de geldende wet- en regelgeving, richtlijnen en de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026; c.wordt niet onderzocht door het college van de gemeente Hilvarenbeek of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en er is geen sprake van een lopende justitiële maatregel. Indien hiervan wel sprake is, wordt dit gemeld en wordt toestemming overgelegd; d.meldt aan de cliënt en het college indien in de afgelopen vijf jaar een maatregel is opgelegd door een toezichthoudende instantie; e.draagt er zorg voor dat medewerkers vakbekwaam zijn en beschikken over passende ervaring, kwalificaties en/of opleidingen; f.draagt er zorg voor dat de medewerkers handelen conform de voor hen geldende beroepscode; g.draagt er zorg voor dat vrijwilligers, ervaringsdeskundigen en stagiairs uitsluitend aanvullend worden ingezet en worden begeleid door gekwalificeerd personeel; h.beschikt over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag voor alle medewerkers die in contact komen met cliënten. Bij indiensttreding is deze niet ouder dan drie maanden en wordt deze elke vijf jaar vernieuwd; i.draagt er zorg voor dat medewerkers hun taalgebruik afstemmen op de cliënt en de Nederlandse taal in woord en geschrift beheersen op minimaal niveau A2 van het Europees Referentiekader. 4.Organisatie en bedrijfsvoering De pgb-zorgverlener: a.staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, waarbij de activiteiten overeenkomen met de te verlenen ondersteuning; b.treft een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten die voor hen van belang zijn; c.beschikt over een toegankelijke klachtenregeling die voorziet in een onafhankelijke afhandeling van klachten; d.draagt er zorg voor dat cliënten, hun vertegenwoordigers en mantelzorgers op de hoogte zijn van de klachtenregeling en handelt klachten tijdig en passend af; e.draagt er zorg voor dat verslagen van evaluatiegesprekken, geaccordeerd door de cliënt of diens vertegenwoordiger, worden vastgelegd en bewaard overeenkomstig de wettelijke bewaartermijn; f.hanteert de meest actuele Governancecode Zorg en licht desgevraagd toe op welke wijze deze binnen de organisatie wordt toegepast; g.voert een deugdelijke administratie waarin inkomsten, uitgaven, verplichtingen en cliëntdossiers herleidbaar zijn naar bron en bestemming; h.verschaft desgevraagd volledig inzicht in de administratie en bedrijfsvoering, inclusief gelieerde rechtspersonen of ondernemingen. Artikel 61 Kwaliteitseisen professioneel pgb-zorgverlener huishoudelijke ondersteuning Om in aanmerking te komen voor een professioneel persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning dient de zorgaanbieder op verschillende gebieden aan eisen te voldoen. 1.Ondersteuning en uitvoering. De zorgverlener: a.maakt met de cliënt afspraken over welke huishoudelijke taken binnen de beschikte tijd worden uitgevoerd en legt deze vast; b.maakt afspraken met de cliënt over de wederzijdse bereikbaarheid; c.draagt zorg voor continuïteit op het gebied van personele inzet en voldoende ondersteuning; d.draagt er zorg voor dat dat de aangewezen medewerker ervaring heeft met huishoudelijke werkzaamheden, beschikt over goede mondelinge uitdrukkingsvaardigheden in de Nederlandse taal, een dienstbare instelling heeft en sociaal vaardig is; e.is in staat om huishoudelijke hulp te bieden met voldoende medewerkers die de ervaring en vaardigheden hebben om een hoge standaard van dienstverlening te leveren. 2.Veiligheid en meldplichten De zorgverlener: a.draagt er zorg voor dat de fysieke en sociale veiligheid van de cliënten en personeel tijdens de uitvoering van de huishoudelijke hulp; b.draagt er zorg voor dat de inhoud van de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling voldoet aan de wettelijk gestelde eisen; c.draagt er zorg voor dat medewerkers op de hoogte zijn van de meldcode en weten hoe zij hiernaar moeten handelen; d.de medewerkers die werkzaam zijn, verstrekken bij en naar aanleiding van een melding aan de toezichthoudende ambtenaar de gegevens, waaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens, als bedoeld in de Avg, voor zover deze voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn; e.beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag voor alle personeelsleden (ook vrijwilligers en stagairs) die in contact komen met cliënten die niet ouder is dan drie jaar. 3.Kwaliteit en professionaliteit De zorgverlener: a.is bekend met en handelt conform de Nederlandse wet- en regelgeving, richtlijnen, verdragen en de geldende Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026; b.draagt er zorg voor dat de inhoud van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voldoet aan de wettelijk gestelde eisen; c.heeft een vastgestelde klachtenregeling en garandeert een onafhankelijke afhandeling van klachten binnen twee weken; d.informeert cliënten over zijn klachtenprocedure en publiceert deze op zijn site. 4.Organisatie en bedrijfsvoering De zorgverlener: a.wordt niet onderzocht door het college van de Gemeente Hilvarenbeek of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Tevens mag er geen sprake zijn van een justitiële maatregel. Indien er sprake is van een lopend onderzoek dient toestemming voor het leveren van zorg te worden overlegd bij de aanvraag voor het persoonsgebonden budget; b.staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten bestaan uit het bieden van huishoudelijke hulp; c.voert een deugdelijke administratie, waarbij in ieder geval inkomsten, uitgaven, verplichtingen, cliëntdossiers en verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming. Artikel 62 Kwaliteitseisen professioneel pgb-zorgverlener beschermd wonen Om in aanmerking te komen voor een professioneel persoonsgebonden budget voor beschermd wonen, dient de zorgaanbieder te voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in de geldende verordening van de centrumgemeente Tilburg en de daarop gebaseerde nadere regels. Paragraaf 2 Kwaliteitseisen Jeugdhulp Artikel 63 Kwaliteitseisen algemeen Dit artikel is van toepassing op alle jeugdhulpaanbieders die ondersteuning bieden aan jeugdigen en hun ouders. De jeugdhulpaanbieder voldoet aan de volgende kwaliteitseisen: 1.De jeugdhulpaanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. 2.Indien de jeugdhulpaanbieder niet is geregistreerd, bevestigt deze door middel van het invullen en ondertekenen van het formulier 'Niet geregistreerde zorgaanbieder' dat de hulp wordt verleend conform de norm van verantwoorde werktoedeling. 3.De jeugdhulpaanbieder werkt met een familiegroepsplan of een plan van aanpak. 4.De jeugdhulpaanbieder past systematische kwaliteitsbewaking toe en kan dit op verzoek aantonen. 5.De jeugdhulpaanbieder beschikt voor alle medewerkers en vrijwilligers over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag. De budgethouder kan hierom verzoeken. 6.De jeugdhulpaanbieder is bekend met de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en is in staat deze toe te passen. 7.De jeugdhulpaanbieder voldoet aan de geldende meldplicht bij calamiteiten. 8.De jeugdhulpaanbieder voldoet aan de meldplicht bij geweld bij de verlening van jeugdhulp. 9.De jeugdhulpaanbieder stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid diens taak uit te oefenen. Dit is niet van toepassing op zelfstandigen zonder personeel. 10.De jeugdhulpaanbieder is bij de gemeente niet bekend vanwege het leveren van ondeskundige jeugdhulp, het handelen in strijd met relevante wet- en regelgeving of nadere regels, dan wel wegens misleiding of fraude. 11.De jeugdhulpaanbieder meldt aan de budgethouder, diens eventuele vertegenwoordiger en de gemeente indien hij onderwerp is, was of wordt van een onderzoek door een toezichthoudende instantie, zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de Nederlandse Zorgautoriteit, een zorgverzekeraar of een andere gemeente. 12.De jeugdhulpaanbieder handelt in overeenstemming met de meest actuele Governancecode Zorg en licht op verzoek toe op welke wijze deze binnen de organisatie wordt toegepast. 13.De jeugdhulpaanbieder voert een deugdelijke administratie, waarbij in ieder geval inkomsten, uitgaven, verplichtingen, cliëntdossiers en verantwoording herleidbaar zijn naar bron en bestemming. 14.Jeugdhulpaanbieders die nieuw toetreden tot de markt melden zich bij het Inspectieloket Sociaal Domein en Jeugd. 15.Indien het college een controle uitvoert, verleent de jeugdhulpaanbieder hieraan kosteloos medewerking. Deze controles kunnen onder meer betrekking hebben op de inhoudelijke kwaliteit, de feitelijke levering en de doel- en rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdhulp. De jeugdhulpaanbieder verstrekt alle gevraagde gegevens en biedt inzage in relevante administraties, waaronder personele en financiële gegevens. De uitvoering van controles mag de continuïteit van de dienstverlening niet in gevaar brengen, ter beoordeling van het college. 16.De jeugdhulpaanbieder biedt de jeugdige, diens ouder(s) of gemachtigde en de gemeente desgevraagd inzage in bewijsstukken waaruit blijkt dat aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Artikel 64 Kwaliteitseisen informeel pgb-zorgverlener 1.De budgethouder kan een individuele voorziening betrekken van een informeel zorgverlener, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.de ondersteuning betreft uitsluitend de individuele voorzieningen persoonlijke verzorging en/of begeleiding; b.de beoogde informele zorgverlener verklaart dat het verlenen van de ondersteuning niet leidt tot overbelasting. 2.De individuele voorziening beschermd wonen kan niet worden uitgevoerd door een informele zorgverlener.3.Indien de jeugdige en/of diens ouder(s) een persoonsgebonden budget inzet voor ondersteuning door een informele zorgverlener, verklaart deze zorgverlener in het budgetplan dat hij verantwoorde hulp biedt en voldoet aan de van toepassing zijnde kwaliteitseisen, zoals opgenomen in artikel 63, derde, vijfde, zevende en achtste lid. Artikel 65 Kwaliteitseisen professioneel pgb-zorgverlener 1.De budgethouder kan een individuele voorziening betrekken van een informeel zorgverlener, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.de jeugdhulpaanbieder organiseert de hulpverlening zodanig en beschikt over voldoende en gekwalificeerd personeel dat verantwoorde hulp wordt geboden, conform de norm van verantwoorde werktoedeling. Daarvan is in ieder geval sprake indien: i.medewerkers worden ingezet met kwalificaties die passend zijn bij de aard van de hulpverlening. Hierbij wordt uitgegaan van relevante beroeps- en kwaliteitsregistraties, zoals het BIG-register, het SKJ-register, het SRVB en het KRHB, alsmede de geldende regionale eisen zoals opgenomen in de tariefonderbouwing voor gecontracteerde jeugdhulp in Regio Hart van Brabant. De kwalificaties van medewerkers zijn op verzoek beschikbaar voor inzage door de gemeente en, voor zover passend binnen de geldende privacywetgeving, door de cliënt; ii.een passend personeelsbeleid wordt gevoerd, waaronder in ieder geval een verantwoorde inzet van vrijwilligers en ervaringsdeskundigen, scholing ten aanzien van de omgang met (gevoelige) persoonsgegevens en een verantwoorde inzet van medewerkers die nog niet beschikken over de vereiste kwalificaties wordt verstaan. b.indien sprake is van behandeling in het kader van jeugd- en opvoedhulp, is een gekwalificeerde gedragswetenschapper beschikbaar onder wiens verantwoordelijkheid de behandeling wordt uitgevoerd. Deze gedragswetenschapper is geregistreerd in het BIG-register, het Kwaliteitsregister Jeugd of een ander relevant beroepsregister; c.indien sprake is van behandeling in het kader van jeugd-GGZ, is een gekwalificeerde en BIG-geregistreerde hoofdbehandelaar beschikbaar onder wiens verantwoordelijkheid de behandeling wordt uitgevoerd. De rol en verantwoordelijkheden van de hoofdbehandelaar zijn vastgelegd in een kwaliteitsstatuut dat is geregistreerd bij het Zorginstituut Nederland. 2.De zorgaanbieder beschikt over een toegankelijke klachtenregeling. In geval van een zorginstelling betreft dit een klachtencommissie. In het geval van een zelfstandige zonder personeel betreft dit een duidelijk vastgelegde klachtenprocedure. De zorgaanbieder maakt deze kenbaar aan de jeugdige en diens ouder(s).3.De jeugdhulpaanbieder is aangesloten bij, of handelt overeenkomstig, een voor de sector relevante landelijke cao en kan dit desgevraagd aantonen. Dit geldt voor alle professionals in loondienst, waaronder tevens personeel van onderaannemers.4.De jeugdhulpaanbieder beschikt over een cliëntenraad. Deze bepaling is niet van toepassing op zelfstandigen zonder personeel. Hoofdstuk 8 Financiële tegemoetkoming meerkosten Artikel 66 Financiële tegemoetkoming meerkosten sportrolstoel of een vergelijkbare sportvoorziening 1.De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming voor een sportrolstoel of een vergelijkbare sportvoorziening bedraagt € 3.818,00 in 2026. In dit budget is tevens het onderhoud inbegrepen en dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor hulpmiddelen in natura. Een sportvoorziening wordt verstrekt indien de inwoner gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij een gehandicaptensportvereniging of via http://www.unieksportenbrabant.nl een voorziening te lenen om te bezien of hij daadwerkelijk de sport gaat beoefenen. Een sportvoorziening kan ook verstrekt worden als de inwoner aantoonbaar lid is van een sportvereniging waar de maatwerkvoorziening voor nodig is en de inwoner deze sport al langer uitoefent.2.De tegemoetkoming wordt maximaal eenmaal per drie jaar verstrekt en alleen als de met een al eerder toegekende tegemoetkoming aangeschafte voorziening technisch is afgeschreven dan wel niet meer geschikt is.3.Uitbetaling van de tegemoetkoming voor de sportrolstoel of een vergelijkbare sportvoorziening vindt plaats direct na de toekenning ervan. Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 67 Overgangsrecht Het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2023 wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van deze nadere regels, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van deze nadere regels zijn verstrekt, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken dan wel indien de looptijd van de indicatie is verstreken. Artikel 68 Inwerkingtreding De aangepaste nadere regels behorende bij de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026, treed in werking een dag na bekendmaking. Artikel 69 Citeertitel Deze nadere regels worden aangehaald als ‘Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026’ of verkort ‘Nmo&j 2026’.
Meer informatie