Beleidsregels Huishoudelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2026

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op24 augustus 2026
Gepubliceerd doorGemeente Hilvarenbeek

Beleidsregels Huishoudelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2026 Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a.huishoudelijke ondersteuning: gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor de ondersteuning van inwoners die 'niet in staat zijn zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren' (artikel 1.1.1 Wmo 2015 en artikel 2.1.1 Wmo 2015). In de Wmo 2015 is geen concrete definitie gegeven van een gestructureerd huishouden. In deze beleidsregels verstaan we er een schoon en leefbaar huis onder; b.schoon en leefbaar huis: onder 'schoon' wordt verstaan dat sprake is van een basishygiënische woning, waarbij vervuiling wordt voorkomen en geen gezondheidsrisico’s ontstaan voor de bewoners. Onder 'leefbaar' wordt verstaan dat de woning opgeruimd en functioneel is ingericht, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen; c.woning: de ruimten die door de inwoner(s) in dagelijks in gebruik zijn. Hieronder vallen de volgende basisruimtes: •sanitaire ruimte(s); •keuken; •woonkamer; •de door de bewoner(s) dagelijks gebruikte slaapkamer(s); •de gang/trap/overloop die naar bovengenoemde ruimtes leidt. Extra ruimtes die niet dagelijks in gebruik zijn: •logeerkamer; •waskamer. d.gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten elkaar geven; e.basisactiviteiten: taken die onder deze vorm van huishoudelijke ondersteuning vallen zijn (voor zover nodig) afnemen nat en droog, stofzuigen en dweilen, gordijnen en binnenzijde ramen wassen, bed verschonen, keuken en sanitair schoonmaken, opruimen; f.indirecte tijd: de tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de cliënt en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. Hierin kan eventueel ook een snel kopje koffie zitten, á la de ‘Italiaanse espresso aan de bar’. Deze indirecte tijd is even noodzakelijk als de directe tijd om de beoogde resultaten te behalen; g.leefeenheid: alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren. Hoofdstuk 2 Afwegingskader Meldt een inwoner zich met een hulpvraag, dan voert het college een onderzoek uit. De procedure rondom melding is vastgesteld in de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026. Het college verricht, overeenkomstig artikel 2.3.2 Wmo 2015, een onderzoek samen met de inwoner, waarbij het volgende wordt onderzocht: 1.Alle omstandigheden van de inwoner die van belang zijn. Hierbij wordt gekeken naar: a.de hulpvraag en behoefte van de inwoner; b.de mogelijkheden van de inwoner om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp de hulpvraag (gedeeltelijk) weg te nemen; c.de fysieke mogelijkheden van de inwoner om een bijdrage te leveren aan het eigen huishouden; d.de mentale omstandigheden van de inwoner om de dagelijkse organisatie van het huishouden te voeren of dit aan te leren. 2.De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de inwoner en eventuele vrijwilligers. 3.Of de hulpvraag geheel of gedeeltelijk kan worden weggenomen door een andere passende voorziening. Indien blijkt dat dezelfde ondersteuning kan worden geleverd op grond van een andere wet of door een andere beschikbare passende voorziening, kan geen beroep worden gedaan op ondersteuning door de gemeente op grond van de Wmo 2015. 4.Met welke maatwerkvoorziening een passende oplossing geboden kan worden, indien de hulpvraag met de voorgaande onderdelen niet voldoende kan worden weggenomen. Hoofdstuk 3 Gebruikelijke hulp In de Wmo 2015 wordt uitgegaan van het begrip gebruikelijke hulp. Hieronder wordt de normale, dagelijkse zorg en ondersteuning die huisgenoten elkaar onderling bieden omdat zij als leefeenheid gezamenlijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor het functioneren van het huishouden verstaan. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en is alleen aan de orde wanneer sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Tot de huisgenoten worden gerekend de partner, ouders, inwonende kinderen en anderen met wie de inwoner duurzaam een gezamenlijke huishouding voert. Uitwonende kinderen vallen hier niet onder. Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van huisgenoten. Hieronder vallen bijvoorbeeld het helpen bij het koken en het uitvoeren van huishoudelijke taken, zoals stofzuigen. 3.1 Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting Gebruikelijke hulp wordt niet verlangd van een huisgenoot of partner indien deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat het verrichten van de betreffende taken redelijkerwijs niet van hem of haar kan worden verwacht. Bij de beoordeling van het al dan niet toepassen van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de navolgende situaties onderscheiden: 1.Indien sprake is van gezondheidsproblemen of beperkingen als gevolg van de combinatie van een (voltijd of deeltijd) dienstverband of opleiding en het voeren van het huishouden, waardoor (dreigende) overbelasting ontstaat, kan worden afgeweken van het uitgangspunt van gebruikelijke hulp. De betrokkene dient deze overbelasting aannemelijk te maken door het overleggen van relevante (medische) gegevens. 2.Als de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk, gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, hebben werk en gebruikelijke hulp voorrang boven overige activiteiten. Vrijetijdsbesteding doet geen afbreuk aan het verplichtende karakter van gebruikelijke hulp. 3.Indien leden van een leefeenheid dreigen overbelast te raken door de combinatie van werk en de verzorging van een zieke partner of huisgenoot, kan een maatwerkvoorziening worden geïndiceerd voor onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. Deze indicatie is in beginsel tijdelijk, om de leefeenheid in staat te stellen de onderlinge taakverdeling aan te passen aan de gewijzigde situatie. 4.Als een partner of ouder na het overlijden van de andere partner of ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en de verzorging van inwonende kinderen, kan een tijdelijke indicatie worden gesteld voor onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp behoren. Dit om de leefeenheid de gelegenheid te bieden de taakverdeling opnieuw vorm te geven. 5.In geval van een terminale situatie wordt in overleg met de huisgenoten vastgesteld welke belasting voor hen redelijkerwijs draagbaar is. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre gebruikelijke hulp in deze situatie haalbaar en verantwoord is. 6.Bij (chronische) uitval van een gezinslid wordt altijd beoordeeld of de leefeenheid daardoor onevenredig wordt belast en of sprake is van (dreigende) overbelasting. Indien noodzakelijk kan worden afgeweken van de toepassing van gebruikelijke hulp ten behoeve van maatwerk. 3.2 Fysieke afwezigheid door werk Uitgangspunt is dat bij de beoordeling van gebruikelijke hulp rekening wordt gehouden met de fysieke afwezigheid van een huisgenoot, als deze afwezigheid voortvloeit uit werkzaamheden en gaat over op aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen. Hierbij geldt dat alleen afwezigheid met een verplichtend karakter, die inherent is aan de aard van het werk, wordt meegewogen. Voorbeelden hiervan zijn offshore werkzaamheden, internationaal vrachtverkeer en werken in het buitenland. Er wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of een lange reistijd. Indien een huisgenoot aaneengesloten ten minste zeven etmalen afwezig is, wordt gedurende deze periode feitelijk uitgegaan van een eenpersoonshuishouden. In die periode kan geen gebruikelijke hulp door de afwezige huisgenoot worden verwacht of geleverd. 3.3 Bijdrage van kinderen Als de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, wordt ervan uitgegaan dat zij, afhankelijk van hun leeftijd, ontwikkelingsniveau en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan het huishouden. Van kinderen jonger dan vijf jaar wordt geen bijdrage aan huishoudelijke taken verwacht. Van kinderen tussen de vijf en twaalf jaar wordt verwacht dat zij, naar eigen mogelijkheden, betrokken worden bij lichte huishoudelijke werkzaamheden, zoals opruimen, tafeldekken en afruimen, afwassen of afdrogen, kleine boodschappen doen en het in de wasmand doen van kleding; bij jongere kinderen kan dit bijvoorbeeld beperkt blijven tot het opruimen van eigen spullen. Van kinderen van dertien jaar en ouder wordt verwacht dat zij naast deze lichte werkzaamheden ook taken kunnen uitvoeren zoals het op orde houden van de eigen kamer, stofzuigen en het verschonen van het eigen bed. Van een meerderjarige, gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze in staat is om, wanneer de primaire verzorger uitvalt, de huishoudelijke taken geheel of gedeeltelijk over te nemen. Daarnaast wordt verwacht dat zij, als zij hiertoe in staat worden geacht, jongere gezinsleden kunnen opvangen, verzorgen en begeleiden. Het niet gewend zijn aan huishoudelijke taken, het niet willen verrichten daarvan of het stellen deze niet te kunnen uitvoeren, vormt geen reden voor het toekennen van huishoudelijke ondersteuning. Indien nodig kan in dergelijke gevallen een tijdelijke en kortdurende indicatie worden afgegeven die gericht is op het aanleren van huishoudelijke vaardigheden, waarbij de ondersteuning instructief van aard is en niet bedoeld is om de taken structureel over te nemen. In afwijking van het voorgaande geldt dat jeugdigen en jongvolwassenen tot 23 jaar die een opleiding volgen, niet worden geacht bij te kunnen dragen aan de huishoudelijke taken waarvoor anders een maatwerkvoorziening wordt ingezet. Van hen mag wel worden verwacht dat zij lichte huishoudelijke taken verrichten, zoals het inruimen van de vaatwasser en het opruimen van de eigen kamer. 3.4 Zorgplicht voor kinderen Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Bij uitval van één van de ouders dient de andere ouder de zorg voor de kinderen over te nemen. Van de ouders wordt verwacht dat zij actief zoeken naar eigen oplossingen, zoals zorgverlof, mantelzorg of andere (voorliggende) voorzieningen. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie, maar er dient wel rekening gehouden te worden met eventuele afspraken die door de rechtbank zijn vastgelegd. 3.5 Uitzonderingen bij type leefsituaties Bij een aantal bijzondere leefsituaties wordt het uitgangspunt van gebruikelijke hulp op een andere wijze toegepast, namelijk: 1.In situaties waarin personen zelfstandig op één adres wonen en slechts gemeenschappelijke ruimten delen, zoals bij woongroepen of kamerverhuur, is geen sprake van een leefeenheid. In deze gevallen wordt uitsluitend het schoonmaken van de eigen woonruimte en een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten meegerekend. Dit geldt niet als het schoonmaken van (een deel van) de gemeenschappelijke ruimten is geregeld via de servicekosten op grond van de huurovereenkomst. 2.Bij leef- en woongemeenschappen is wel sprake van een leefeenheid, maar doorgaans is er sprake van een onderlinge taakverdeling. De inwoner kan ondersteuning ontvangen voor het schoonmaken van de eigen kamer en een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten, voor zover deze ruimten en werkzaamheden vallen binnen het niveau van de sociale woningbouw. Hoofdstuk 4 Uitgangspunten voor huishoudelijke ondersteuning Een inwoner kan in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning wanneer: 1.Er sprake is van beperkingen die het voeren van een huishouden geheel of gedeeltelijk, al dan niet tijdelijk, belemmeren; en 2.Uit het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, uitgevoerd conform het afwegingskader zoals beschreven in hoofdstuk 2, is gebleken dat de inwoner is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van ondersteuning bij het huishouden. Bij de beoordeling van de inzet van huishoudelijke ondersteuning worden de volgende uitgangspunten aangehouden: 1.De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het voeren van het eigen huishouden, inclusief het bevorderen en in stand houden van de gezondheid, de levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. 2.Huishoudelijke ondersteuning wordt uitsluitend ingezet als aanvulling op de eigen mogelijkheden van de leefeenheid. Tot deze eigen verantwoordelijkheid behoort ook dat de woning zodanig is ingericht dat deze in redelijkheid schoongehouden kan worden. 3.Het principe ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’ staat centraal. Dit betekent dat, waar mogelijk, wordt gestimuleerd en gemotiveerd dat de inwoner zelf huishoudelijke taken blijft uitvoeren of deze weer gaat uitvoeren. 4.Wanneer door een arts wordt vastgesteld dat er voor de aanwezige beperkingen nog behandelmogelijkheden zijn, wordt in beginsel geen huishoudelijke ondersteuning toegekend, met name wanneer ondersteuning een anti revaliderend effect kan hebben. 5.Huishoudelijke ondersteuning kan wel worden ingezet naast een behandeling of revalidatietraject, indien dit noodzakelijk wordt geacht. In dat geval vindt, met toestemming van de inwoner, afstemming plaats met de behandelaar en heeft de indicatie (of het indicatieadvies) in eerste instantie een kortdurende geldigheidsduur, afgestemd op de duur van het behandel of revalidatietraject. 4.1 Normen bij toekenning Bij de toekenning van huishoudelijke ondersteuning gelden de volgende normen: 1.Huishoudelijke ondersteuning wordt uitsluitend toegekend voor de noodzakelijke huishoudelijke activiteiten die gericht zijn op het behalen van de resultaten ‘een schoon en leefbaar huis’ en ‘wasverzorging’. 2.De ondersteuning wordt beperkt tot wat noodzakelijk is voor het uitvoeren van de essentiële woonfuncties van de inwoner en de overige huisgenoten, zoals een partner of kinderen. 3.Structurele ondersteuning bij het schoonmaken wordt uitsluitend toegekend voor de essentiële ruimten die daadwerkelijk en functioneel door de inwoner(s) in gebruik zijn. 4.2 Vervanging bij afwezigheid Vervanging tijdens ziekte of vakantie van de huishoudelijke hulp gaat in vanaf de derde week van afwezigheid, tenzij de gemeente van oordeel is dat continu doorleveren van de ondersteuning noodzakelijk is voor de betreffende cliënt. Hoofdstuk 5 HHM-Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning Het doel van het gebruik van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (NHO) is het bevorderen van een eenduidige en objectieve indicatiestelling bij de toekenning van huishoudelijke ondersteuning. Het normenkader fungeert hierbij als richtlijn en is gebaseerd op een gemiddelde cliëntsituatie waarin sprake is van een volledige overname van het huishouden. Iedere individuele situatie wordt afzonderlijk onderzocht conform artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. Op basis van dit onderzoek wordt, met behulp van het normenkader, ondersteuning op maat vastgesteld. Het college kan gemotiveerd afwijken van de normtijden door middel van een op- of neerwaartse bijstelling, indien de persoonlijke situatie van de inwoner daartoe aanleiding geeft. Daarbij wordt duidelijk onderbouwd waarom de inzet hoger of lager wordt vastgesteld dan de norm. De omvang van de ondersteuning wordt vastgesteld in minuten en afgerond op vijf minuten. Het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ is gebaseerd op een gemiddelde cliëntsituatie, zoals gehanteerd in het meest actuele NHO. Door uit te gaan van een gemiddelde situatie krijgen de normtijden een algemeen en objectief karakter. Hiermee wordt voorkomen dat voor alle mogelijke uitzonderingssituaties afzonderlijk beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan: a.een huishouden met één of twee volwassenen zonder thuiswonende kinderen; b.wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; c.er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; d.de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak; e.de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; f.er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; g.er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; h.de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. Er kunnen factoren aanwezig zijn die maken dat er sprake is van een niet gemiddelde cliëntsituatie. In dergelijke situaties kan een andere inzet, frequentie van activiteiten of tijdsbesteding noodzakelijk zijn om het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ te bereiken. Op basis van maatwerk kan, na individueel onderzoek, zowel opwaarts als neerwaarts worden afgeweken van de normtijden. De in het normenkader genoemde minuten bij meer of minder inzet fungeren daarbij als richtlijn en zijn niet dwingend. Aan de hand van de persoonlijke omstandigheden van de inwoner, de woning en het gebruik daarvan wordt beoordeeld of en in welke mate een afwijkende tijdsbesteding noodzakelijk is. Deze afweging wordt gemotiveerd vastgelegd en besproken met de inwoner. 5.1 Wasverzorging Iedere inwoner moet kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding, evenals over schoon en droog textiel, zoals handdoeken en beddengoed. Onder 'wasverzorging' wordt verstaan het wassen en, indien noodzakelijk, strijken van kleding en textiel. Wasverzorging wordt uitsluitend ingezet in combinatie met ondersteuning gericht op het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ en wordt niet als een zelfstandige maatwerkvoorziening verstrekt. Bij de vaststelling wordt uitgegaan van een gemiddelde cliëntsituatie. Door uit te gaan van deze gemiddelde situatie krijgen de normtijden een algemeen en objectief karakter. Hiermee wordt voorkomen dat voor iedere mogelijke uitzonderingssituatie afzonderlijk beleid moet worden ontwikkeld. Er kunnen factoren aanwezig zijn die maken dat sprake is van een niet gemiddelde cliëntsituatie. In dat geval kan een andere inzet, frequentie van activiteiten of tijdsbesteding noodzakelijk zijn. Op basis van individueel onderzoek en maatwerk kan de inzet, conform het normenkader, zowel opwaarts als neerwaarts worden bijgesteld. De in het normenkader genoemde minuten bij meer of minder inzet gelden daarbij als richtlijn en zijn niet dwingend. Op basis van de persoonlijke omstandigheden van de inwoner wordt beoordeeld of en in welke mate een afwijking in tijdsbesteding noodzakelijk en passend is. Deze afweging wordt gemotiveerd vastgelegd en besproken met de inwoner. Het strijken van kleding wordt in beginsel niet geïndiceerd. Hiervoor zijn voorliggende oplossingen beschikbaar, zoals het gebruik van strijkvrije of strijkarme kleding. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat ondersteuning alleen wordt ingezet wanneer dit noodzakelijk is om het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ te bereiken. Uitsluitend indien sprake is van een medische noodzaak kan strijken worden ingezet. In dat geval betreft het uitsluitend het strijken van bovenkleding, beperkt tot het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is. Hoofdstuk 6 Slotbepalingen 6.1 Intrekking oude beleidsregels De ‘Beleidsregels Huishoudelijke Ondersteuning 2022’ en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregels ingetrokken. 6.2 Overgangsrecht 1.Aanvragen voor ondersteuning die bij het college zijn ingediend voor de inwerkingtreding en waarop nog niet is beslist bij het inwerkingtreden van deze beleidsregels, worden afgehandeld krachtens deze beleidsregels.2.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Beleidsregels Huishoudelijke ondersteuning 2022 wordt beslist met inachtneming van de beleidsregels waarop het besluit is gebaseerd.3.Van het tweede lid kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken.4.Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van de Beleidsregels Huishoudelijke Ondersteuning 2022 te herzien met toepassing van deze beleidsregels: a.indien er wijzigingen plaats vinden in de omstandigheden waarop het besluit is gebaseerd; b.indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van deze beleidsregels een afwijkend besluit zou zijn genomen. 6.3 Inwerkingtreding De beleidsregels behorende bij de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026, treden in werking een dag na bekendmaking. 6.4 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels Huishoudelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2026 of verkort Bho2026.

Meer informatie