Beleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting gemeente Roosendaal 2026
Beleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting gemeente Roosendaal 2026 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal; gelet op artikel 160, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gemeentewet, artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 7.21 tot en met 7.23, en tabel 3 en 4 van bijlage 3, van de Systeemcode elektriciteit 2026; besluit vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting gemeente Roosendaal 2026 Artikel 1. Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: –bestuursverklaring: door of namens het college afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde en vierde lid, van de Systeemcode Elektriciteit 2026; –BOPA: buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, zijnde een activiteit, inhoudende: a.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b.een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; –civielrechtelijke overeenkomst: koopovereenkomst, anterieure overeenkomst, erfpachtovereenkomst of ieder andere overeenkomst als bedoeld in tabel 4 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026 waaruit blijkt dat het project binnen een bepaalde tijd start; –college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal; –congestiegebied: gebied binnen de gemeente waarvoor de netbeheerder heeft vastgesteld dat de transportcapaciteit op het elektriciteitsnet ontoereikend is als bedoeld in artikel 7.18 van de Systeemcode Elektriciteit 2026; –netbeheerder: distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet die het distributiesysteem voor elektriciteit beheert in het congestiegebied; –project: realisatie van een basisbehoefte, zijnde de functie woonbehoefte of onderwijs als bedoeld in tabel 3 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026; –projectlocatie: locatie waar het project zal worden ontwikkeld; –projectontwikkelaar: een rechtspersoon, stichting, vereniging of natuurlijke persoon die een project realiseert of initieert; –prioriteringsverzoek: verzoek om prioriteit bij de toewijzing van transportcapaciteit als bedoeld in artikel 7.21 van de Systeemcode Elektriciteit 2026; –projectdossier: geheel van documenten ter onderbouwing van een prioriteringsverzoek en transportverzoek; –transportcapaciteit: capaciteit voor het transport van elektriciteit op het distributienet; –transportverzoek: verzoek tot het verzorgen van transport van elektriciteit als bedoeld in artikel 3.46, eerste lid, van de Energiewet; –volgordelijst: de door de gemeente vastgestelde rangordelijst van woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting conform tabel 3 van bijlage 3 Systeemcode Elektriciteit 2026, waarvoor de gemeente prioriteringsverzoeken indient bij de netbeheerder. Artikel 2. Toepassingsbereik 1.Deze beleidsregels zijn van toepassing op de plaatsing van projecten op de volgordelijst. Het gaat daarbij zowel om projecten van projectontwikkelaars als om projecten die de gemeente zelf realiseert of initieert.2.Als een project de gemeentegrens overschrijdt treedt de gemeente in overleg met de betreffende buurgemeente over wie het project opneemt op haar volgordelijst, waarbij de hoofdregel geldt dat de gemeente waarbinnen het project hoofdzakelijk is gelegen het project opneemt op haar volgordelijst. Artikel 3. Doel Deze beleidsregels hebben tot doel: a.het uitwerken van de gemeentelijke bevoegdheid tot eerder aanvragen van transportcapaciteit en prioritering zoals aan de gemeente toegewezen in de Systeemcode Elektriciteit 2026; b.het bijdragen aan de realisatie van woonbehoefte en onderwijshuisvesting in congestiegebieden, mede in uitvoering van de gemeentelijke zorgplicht voor voldoende woongelegenheid, die de grondslag vormt voor de opname van woonbehoefte en onderwijs in categorie 3 van bijlage 3 (het prioriteringskader) van de Systeemcode Elektriciteit 2026; c.het waarborgen van een transparante, gelijke, objectieve en niet-discriminatoire verdeling van posities op de volgordelijst, in overeenstemming met de Didam-jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2021:1778 en ECLI:NL:HR:2024:1661); d.het beperken van aansprakelijkheidsrisico's voor de gemeente als aanvrager van transportcapaciteit bij de netbeheerder, in het bijzonder het risico van schadevergoedingsclaims wegens ongelijke behandeling van projectontwikkelaars; en e.het bieden van rechtszekerheid over de wijze waarop de gemeente haar bevoegdheid als aanvrager van prioritering van transportcapaciteit uitoefent. Artikel 4. Gelijke behandeling projecten 1.Een project waarbij de gemeente zelf opdrachtgever is, wordt op basis van dezelfde regels beoordeeld als projecten van projectontwikkelaars.2.Een gemeentelijk project geniet geen voorrangspositie, tenzij een hogere positie op grond van de prioriteringsregels dit rechtvaardigt.3.De gemeente motiveert op transparante wijze de positie van gemeentelijke projecten op de volgordelijst. Artikel 5. Procedure verzoek opname volgordelijst 1.De periode voor het indienen van een verzoek tot plaatsing van een project op de volgordelijst vangt aan op de dag van publicatie van deze beleidsregels in het gemeenteblad. Indiening van het verzoek kan digitaal via het formulier op de website www.roosendaal.nl/eerder-aanvragen-transportcapaciteit/. 2.Het in het eerste lid bedoelde verzoek kan tot en met vrijdag 4 september 2026 bij het college worden ingediend.3.Opname van een project op de gemeentelijke volgordelijst resulteert in een inspanningsverplichting van (het college van) de gemeente om zich aantoonbaar in te spannen om transportcapaciteit voor het betreffende project te verkrijgen bij de netbeheerder, zonder dat de gemeente de beschikbaarheid of toewijzing van prioritering en transportcapaciteit garandeert. Artikel 6. Opname op de volgordelijst op verzoek projectontwikkelaar 1.De projectontwikkelaar zorgt voor een volledig projectdossier van een project bij een verzoek tot opname op de volgordelijst waarbij hij voor het indienen van het verzoek gebruik maakt van het daartoe beschikbaar gestelde formulier.2.Het college stuurt binnen drie werkdagen een ontvangstbevestiging van het verzoek waarbij tevens wordt gewezen op de in artikel 13 genoemde rechtsbeschermingsprocedure.3.Een verzoek dat onvolledig is, wordt niet in behandeling genomen. Het college stelt de projectontwikkelaar hiervan schriftelijk in kennis en informeert de projectontwikkelaar over de al dan niet bestaande mogelijkheid om het dossier nog aan te vullen. Ook voor aanvullingen geldt de termijn van vrijdag 4 september 2026.4.Toewijzing op de volgordelijst is project en projectlocatie gebonden. Een verkregen toewijzing wordt niet overgeheveld naar een ander project of andere projectlocatie. Daarvoor moet een nieuw verzoek worden ingediend. Artikel 7. Opname op de volgordelijst van eigen projecten 1.Het college zorgt voor een volledig projectdossier van een project dat zij initieert of realiseert voor opname op de volgordelijst.2.Toewijzing op de volgordelijst is project en projectlocatie gebonden. Een verkregen toewijzing wordt niet overgeheveld naar een ander project of andere projectlocatie. Artikel 8. Bestuursverklaring De bestuursverklaring maakt onderdeel uit van het projectdossier en bevat: a.een deugdelijke motivering waaruit blijkt dat de gevraagde transportcapaciteit noodzakelijk is voor de taken in de omschrijving van woonbehoefte algemeen en collectief respectievelijk de onderwijsbehoefte, bedoeld in tabel 3 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026; b.een deugdelijke motivering waaruit blijkt dat de gevraagde transportcapaciteit noodzakelijk is om te starten met de activiteiten of de taken, bedoeld in tabel 3 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026 en niet kan starten zonder de gevraagde transportcapaciteit; c.een deugdelijke motivering waaruit blijkt dat de activiteit op korte termijn, na toekenning van de gevraagde transportcapaciteit en, voor zover van toepassing, na de realisatie van de aansluiting, zal starten; d.een verklaring dat de bewijsstukken, bedoeld in tabel 4 van bijlage 3 Systeemcode Elektriciteit 2026 compleet zijn; e.een verklaring dat de bestuursverklaring naar waarheid is ingevuld; f.instemming met het feit dat de met prioriteit toegekende transportcapaciteit wordt afgenomen als de verklaring niet naar waarheid is ingevuld of als er sprake is van vervalsing van de bewijsstukken genoemd in tabel 4, van bijlage 3 Systeemcode Elektriciteit 2026; g.als sprake is van kleinschalige onlosmakelijk verbonden activiteiten, een deugdelijke motivering waaruit blijkt dat deze activiteiten nodig zijn om de woonbehoefte te realiseren; en h.als sprake is van collectieve voorzieningen, een deugdelijke motivering waaruit blijkt dat deze voorzieningen nodig zijn voor de woonfunctie. Artikel 9. Rangordebepaling volgordelijst Het college bepaalt de rangorde op de volgordelijst stapsgewijs op basis van de volgende stappen en legt de uitkomst daarvan schriftelijk vast: Stap 1: start bouw Als eerste stap vindt een rangschikkingsplaats op basis van de maand van start bouw, waarbij een project hoger wordt gerangschikt als de bouw eerder start. Hierbij moet de maand van start bouw voldoende concreet zijn onderbouwd. Stap 2: projectrijpheid Na de rangschikking van stap 1 stelt het college de projectrijpheid van het project vast op basis van de beschikbare documenten in een onderrangorde van één tot en met zes: Rangorde: Beschikbare documenten: 1 Er is een civielrechtelijke overeenkomst én een onherroepelijk omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit verleend voor de projectlocatie. 2 Er is een civielrechtelijke overeenkomst én een onherroepelijk omgevingsplan vastgesteld of onherroepelijke vergunning voor een BOPA verleend voor de projectlocatie. 3 Er is alleen een onherroepelijke omgevingsvergunning verleend voor de projectlocatie. 4 Er is alleen een civielrechtelijke overeenkomst. 5 Er is alleen een omgevingsplan vastgesteld of vergunning voor een BOPA verleend voor de projectlocatie. 6 Er zijn andere bewijsstukken waardoor een project in aanmerking komt voor prioritering. Deze andere bewijsstukken zijn: –Overeenkomst tussen gemeente en het Rijk over rijkssubsidies voor woningbouw of onderwijs; –Prestatieafspraken tussen gemeenten en woningcorporaties; en/of –College- of raadsbesluit met gemeente als initiatiefnemer voor woningbouwontwikkeling of onderwijshuisvesting. Stap 3: maatschappelijk belang Binnen de op basis van de stappen 1 en 2 gemaakte onderverdeling vindt een onderverdeling plaats op basis van het maatschappelijk belang en de netimpact van het project. Daarbij wordt een project hoger gerangschikt als het redelijkerwijs een wezenlijke bijdrage naar omvang en/of doelgroep levert aan de verstedelijkingsopgave en/of de majeure opgaven waarvoor de gemeente Roosendaal staat, zoals verwoord en uitgewerkt in verschillende door de gemeentelijke organen vastgestelde documenten. Tot deze documenten behoren in ieder geval de Toekomstvisie Roosendaal ‘RSD 40’, het Nationaal Programma Roosendaal, de Woonagenda met de daarop gebaseerde jaarlijks geactualiseerde woningbouwprogrammering, de Visie en IHP Roosendaal 2025-2040 (onderwijs) en het Coalitieakkoord 2026-2030. Projecten binnen deze specifieke categorie krijgen nog eens een hogere prioriteit, als daarbij sprake is van een financiële of programmatische afhankelijkheid van rijks- of provinciale subsidie. Stap 4: datum oplevering Binnen de op basis van de stappen 1 tot en met 3 gemaakte onderverdeling vindt een onderverdeling plaats op basis van de verwachte opleverdatum, waarbij een project hoger wordt gerangschikt als de verwachte oplevering eerder plaatsvindt. Artikel 10. Loting bij gelijke rangordebepaling volgordelijst 1.Als twee of meer projecten op basis van artikel 8 dezelfde positie behalen, bepaalt het college de onderlinge volgorde door middel van een openbare loting.2.De loting vindt plaats op een vooraf bekendgemaakte datum en locatie.3.Betrokken projectontwikkelaars worden tijdig uitgenodigd om de loting bij te wonen.4.De uitkomst van de loting is bindend. Het college legt de uitkomst schriftelijk vast. Artikel 11. Transparantie en motivering 1.Het college motiveert de vastgestelde volgordelijst transparant en toetsbaar door per project de toepassing van de stappen 1 tot en met 4en eventuele loting te vermelden.2.Op verzoek van de projectontwikkelaar verstrekt het college een schriftelijke toelichting op de positie die aan zijn project is toegekend. Artikel 12. Bekendmaking volgordelijst 1.De gemeente maakt de vastgestelde volgordelijst openbaar via de gemeentelijke website en het gemeenteblad, uiterlijk twee weken voor de datum van indiening bij de netbeheerder.2.Op de gepubliceerde volgordelijst staat per project vermeld: de projectnaam, de locatie, het aantal woningen, en de positie op de lijst. Artikel 13. Rechtsbescherming 1.Een projectontwikkelaar die het niet eens is met zijn positie op de volgordelijst of tegen de afwijzing van zijn verzoek tot plaatsing op de volgordelijst kan binnen vijf kalenderdagen na bekendmaking van de volgordelijst zijn zienswijze hierop schriftelijk indienen bij de gemeente. Na deze termijn vervalt het recht om een zienswijze in te dienen.2.Een projectontwikkelaar die het niet eens is met zijn positie op de volgordelijst of tegen de afwijzing van zijn verzoek tot plaatsing op de volgordelijst kan na de in het eerste lid bedoelde zienswijzeprocedure binnen tien kalenderdagen een kort geding aanhangig maken. Na deze termijn vervalt het recht om een kort geding aanhangig te maken.3.Door indiening van een verzoek overeenkomstig artikel 6 stemt de projectontwikkelaar uitdrukkelijk in met de in dit artikel geregelde rechtsbeschermingsprocedure. Artikel 14. Wijziging en intrekking van de volgordepositie 1.Het college kan de positie van een project op de volgordelijst wijzigen of intrekken als: a.een zienswijze of kort geding als bedoeld in artikel 13 van deze Beleidsregels daartoe aanleiding geeft; b.de projectontwikkelaar aantoonbaar onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt; c.het project naar het oordeel van de gemeente aantoonbaar niet meer voor realisatie in aanmerking komt; d.de projectontwikkelaar het project heeft gewijzigd en dit een herbeoordeling vergt; e.het project naar het oordeel van de gemeente onuitvoerbaar is geworden. 2.Een herbeoordeling na wijziging van het project kan betekenen dat het project een andere (hogere of lagere) plek op de volgordelijst zal krijgen.3.Het college stelt de intrekking of wijziging vast en stelt de projectontwikkelaar hiervan onverwijld in kennis.4.Wijzigen op grond van dit artikel is slechts mogelijk zolang de volgordelijst nog niet door het college bij de netbeheerder is ingediend. Artikel 15. Indienen verzoek conform volgordelijst 1.Het college verzoekt de netbeheerder conform de positie op de volgordelijst het prioriteringsverzoek en transportverzoek in behandeling te nemen nadat de termijn, bedoeld in artikel 13 is verstreken, dan wel – als tijdig een zienswijze is ingediend of een kort geding is geëntameerd – nadat op de zienswijze inhoudelijk is gereageerd of op het kort geding is beslist.2.Het college dient uitsluitend prioriteringsverzoeken en transportverzoeken in waarvoor financiële dekking bestaat voor de aanbetaling aan de netbeheerder op grond van: a.financiële afspraken met een projectontwikkelaar, waarbij de projectontwikkelaar zich verplicht tot het voldoen van de financiële verplichtingen aan de netbeheerder en daarvoor materiële zekerheid biedt; of b.voorfinanciering via de gemeentelijke balans. 3.Het college stemt zo nodig het indienen van de prioriteringsverzoeken af met de andere gemeenten binnen het congestiegebied. Artikel 16. Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op de dag na publicatie. Artikel 17. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als de: Beleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting gemeente Roosendaal 2026. Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 augustus 2026. De burgemeester,De secretaris. Toelichting bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal tot vaststelling van de Beleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting gemeente Roosendaal 2026 (Beleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting gemeente Roosendaal 2026) Algemeen Inleiding Met deze beleidsregels geeft de gemeente Roosendaal invulling aan de wijze waarop zij omgaat met haar op grond van de Systeemcode Elektriciteit 2026 en de Energiewet bestaande bevoegdheid om prioriteringsverzoeken en transportcapaciteitsverzoeken in te dienen voor de functies woonbehoefte en onderwijshuisvesting bij de netbeheerder. Aanleiding Netbeheerders hebben onvoldoende elektriciteitstransportcapaciteit om aan alle aanvragen voor nieuwe of zwaardere aansluitingen te voldoen. Voor onder andere woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting heeft dit concrete gevolgen. Projecten die planologisch gereed zijn, komen niet van de grond door een gebrek aan beschikbare aansluiting. In veel regio’s dreigen projecten vertraging op te lopen of te stranden. Netbeheerders kenden transportcapaciteit tot voor kort toe op volgorde van binnenkomst, het zogenaamde ‘first come, first served’-principe. Dit systeem houdt echter niet genoeg rekening met de maatschappelijke urgentie van bepaalde projecten en de behoefte om die voorrang te verlenen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft daarom op 2 december 2025 het Codebesluit prioriteringsruimte transportverzoeken vastgesteld (gepubliceerd in Staatscourant 2025, nr. 42323, in werking getreden op 31 december 2025 (conform Stcrt. 2025, 42323-n1).). Dit Codebesluit verplicht netbeheerders om in congestiegebieden af te wijken van het 'first come, first served'-beginsel en in plaats daarvan te werken met landelijke voorrangsregels op basis van maatschappelijk belang. Binnen de prioritering categorieën 2 en 3, evenals voor niet-prioritaire partijen, blijft ‘first come, first served’ bestaan, waarbij de datum van aanvraag van transportcapaciteit leidend is. Dit kader is later opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit 2026 en aangevuld tot het nu geldend recht. De Systeemcode Elektriciteit 2026 onderscheidt drie prioriteitscategorieën: 1.Netcongestieverzachters — partijen die direct bijdragen aan het vergroten van de beschikbare netcapaciteit; 2.Veiligheid — partijen waarvan het niet aansluiten een directe bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of volksgezondheid; 3.Basisbehoeften — partijen die voorzien in een eerste levensbehoefte, waaronder woonbehoefte. Vanaf 1 juli 2026 worden groot- en kleinverbruikers in één en dezelfde rangorde beoordeeld. Er is geen overgangsperiode voorzien: alle aanvragen worden vanaf dat moment aan de nieuwe voorrangsregels getoetst. Gemeenten kunnen vanaf 1 oktober 2026 gebruikmaken van de werkwijze ‘Eerder aanvragen in het planproces’. Deze werkwijze stelt gemeenten in staat om al in een vroeg planningsstadium transportcapaciteit te reserveren voor woningbouw en onderwijshuisvesting, ook al voordat een ontwikkelaar definitief betrokken is. De bewijsvereisten voor dit aanvragen zijn hiervoor specifiek op gemeenten toegesneden (tabel 4 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026). Als aanvrager van transportcapaciteit ten behoeve van derden, bevindt de gemeente zich in een dubbele rechtsrelatie. Enerzijds als contractpartij jegens de netbeheerder, anderzijds met projectontwikkelaars en andere initiatiefnemers die aanspraak maken op die capaciteit. Hoewel het aanvragen van transportcapaciteit een privaatrechtelijke bevoegdheid is, moet de gemeente daarbij op grond van artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, en met name het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in de Didam-arresten (ECLI:NL:HR:2021:1778 en ECLI:NL:HR:2024:1661). De VNG heeft gemeenten bij ledenbrief van 16 april 2026 opgeroepen vóór 1 oktober 2026 beleidsregels vast te stellen, zodat aanvragen op die datum gereed zijn voor indiening. De onderhavige beleidsregels zijn opgesteld om een juridisch houdbaar vertrekpunt te bieden voor de inrichting van de gemeentelijke aanvraagrol. Doelstelling De doelstelling van deze beleidsregels is om de gemeentelijke bevoegdheid tot het aanvragen van elektriciteitstransportcapaciteit voor woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting op een transparante, objectieve en niet-discriminatoire wijze in te richten. De gemeente geeft daarmee uitvoering aan haar taak om te voorzien in voldoende woon- en onderwijsgelegenheid. Deze taak kan in gebieden met netcongestie niet meer vanzelfsprekend tot uitvoering worden gebracht. De gemeente heeft via de Systeemcode Elektriciteit 2026 de mogelijkheid om als aanvrager vroeg in het planproces transportcapaciteit te reserveren voor woningbouw en onderwijshuisvesting. Deze aanvragen hebben gevolgen voor de verdeling van schaarse transportcapaciteit door de netbeheerder. Gelet op de impact op deze schaarsteverdeling is een transparante, objectieve en niet-discriminatoire werkwijze vereist op grond van artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Deze beleidsregels voorzien daarin. De beleidsregels stellen de rangschikkingscriteria vast, beschrijven de aanvraagprocedure en borgen de gelijke behandeling van gemeentelijke en andere projecten. Verhouding tot andere regelgeving De beleidsregels zijn vastgesteld op grond van: •Artikel 160, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gemeentewet: het college is bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten. •Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht: een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende bevoegdheid. •De artikelen 7.21 tot en met 7.23, en tabel 3 en 4 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026: het ACM-prioriteringskader stelt eisen aan de verdeling van transportcapaciteit in congestiegebieden en de gemeentelijke rol. •Artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek: een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiek recht. Hieruit vloeit de verplichting voort het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen bij privaatrechtelijk handelen. De beleidsregels vullen het ACM-prioriteringskader aan op het niveau van de gemeente. Daarbij beperken de beleidsregels zich tot de prioriteitsfunctie: woonbehoefte (subfuncties: algemeen en collectieve woonvormen) en onderwijs. Deze beleidsregels hebben geen betrekking op andere functies waarvoor de gemeente gelet op artikel 7.21 en tabel 3 van bijlage 3, van de Systeemcode Elektriciteit 2026 bevoegd is een prioriteringsverzoek in te dienen. Zij bepalen ook niet welke projecten prioriteit krijgen ten opzichte van andere aanvragers bij de netbeheerder, dat is immers de exclusieve bevoegdheid van de netbeheerder op grond van het ACM-prioriteringskader, maar regelen de interne gemeentelijke rangschikking die bepaalt welke verzoeken de gemeente indient en in welke volgorde. De beleidsregels laten de bevoegdheden op grond van de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Huisvestingswet onverlet. De gemeente kan Omgevingswet-instrumenten, zoals het regionale programma en het omgevingsplan benutten om projecten voor te bereiden op het ACM-prioriteringskader. VNG-modelbeleidsregels Bij het opstellen van deze beleidsregels is gebruik gemaakt van de VNG-modelbeleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten. In afwijking van het VNG-model zijn bij artikel 9 eigen keuzes gemaakt, die beter aansluiten bij de situatie van de gemeente Roosendaal. Verder heeft de gemeente Roosendaal de rechtsbeschermingsprocedure als toegelicht in artikel 13 privaatrechtelijk georganiseerd, omdat de algehele systematiek tot verdeling van de beschikbare transportcapaciteit door de netbeheerder eveneens privaatrechtelijk van aard is. Inspraak Bij het opstellen van deze beleidsregels is geen inspraakprocedure gevolgd. De aansprakelijkheidsrisico’s voor de gemeente als gevolg van het niet tijdig vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de aanvraag van prioriteit voor transportcapaciteit maken dat sprake is van spoedeisend belang bij het vaststellen van deze beleidsregels, waardoor inspraak niet kon worden afgewacht (zie artikel 4 sub e van de Participatieverordening gemeente Roosendaal). Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht. Artikel 1. Definities De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Energiewet en de Systeemcode elektriciteit 2026. De in die regelingen gedefinieerde begrippen worden dan ook niet opnieuw gedefinieerd in deze beleidsregels. Civielrechtelijke overeenkomst De definitie van 'civielrechtelijke overeenkomst' volgt de bewijslastcriteria van tabel 4 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026. Project De definitie van ‘project’ volgt tabel 3 van bijlage 3 van de Systeemcode elektriciteit 2026. Als een project meerdere fases bevat dan wordt elke fase op grond van deze definitie als afzonderlijk project beschouwd. Dit sluit aan bij de systematiek van de Systeemcode elektriciteit 2026, op basis waarvan voor elke fase een afzonderlijke aanvraag wordt ingediend. Volgordelijst De definitie van 'volgordelijst' sluit aan bij het prioriteringskader van artikel 7.21 van de Systeemcode Elektriciteit en de werkwijze 'Eerder aanvragen' zoals beschreven in de VNG-ledenbrief lbr-26-010 (april 2026). Artikel 2. Toepassingsbereik Door het toepassingsbereik helder af te bakenen wordt voorkomen dat deze beleidsregels worden toegepast op situaties waarvoor zij niet zijn geschreven. De gemeente vervult bij de werkwijze ‘Eerder aanvragen’ een intermediaire rol tussen netbeheerder en marktpartijen. Deze intermediaire positie brengt een dubbele rechtsrelatie mee: enerzijds met de netbeheerder als contractspartij voor transportcapaciteit, anderzijds met projectontwikkelaars die aanspraak maken op die capaciteit. Artikel 2 bakent af op welke beslissingen de beleidsregels van toepassing zijn. Het gaat om realisatie van de basisbehoeften wonen en onderwijs als bedoeld in tabel 3 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026. In dat kader hanteert de gemeente een volgordelijst, waarop projecten geplaatst worden met het oog op het indienen van een transportverzoek en prioriteringsverzoek bij de netbeheerder. De regels hebben daarmee ook betrekking op de keuze om projecten niet op de volgordelijst te plaatsen. De gemeente gaat niet over de wijze waarop een buurgemeente haar bevoegdheden uitoefent. Op het moment dat een project de gemeentegrens overschrijdt, treedt de gemeente daarom in overleg met de buurgemeente om af te stemmen wie het prioriteringsverzoek in zal dienen bij de netbeheerder. Uitgangspunt voor de inzet daarbij is dat de gemeente waarbinnen het project hoofdzakelijk is gelegen het project opneemt op haar volgordelijst en het prioriteringsverzoek indient. Artikel 3. Doel De rol die de gemeente heeft op grond van de Systeemcode Elektriciteit 2026 betreft het uitoefenen van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Het gaat om het contracteren van transportcapaciteit met de netbeheerder. Dit is het sluiten van een overeenkomst. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht is geen sprake. Besluiten ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn uitgesloten van de mogelijkheid van bezwaar en beroep (artikel 8:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Eventuele conflicten zullen aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd. De gemeente oefent de bevoegdheid tot het aanvragen van transportcapaciteit bij de netbeheerder uit als een privaatrechtelijke bevoegdheid en is daarbij gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op grond van artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, waaronder de wettelijke grondslag van het gelijkheidsbeginsel in de zogenaamde ‘Didam-jurisprudentie’. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur De Hoge Raad heeft in het Didam-I arrest (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778) bepaald dat overheden bij vervreemding van onroerend goed het gelijkheidsbeginsel in acht moeten nemen en gelijke kansen aan potentiële gegadigden moeten bieden. In het Didam-II arrest (15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661) heeft de Hoge Raad deze lijn aangescherpt en de toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur – waaronder zorgvuldigheid, gelijkheid, evenredigheid en motivering – ook buiten de context van gronduitgifte bevestigd. Artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk wetboek bepaalt dat een bevoegdheid krachtens burgerlijk recht niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven recht. De gemeente handelt bij het aanvragen van prioriteit en transportcapaciteit privaatrechtelijk, maar is desondanks als bestuursorgaan gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het gelijkheidsbeginsel verplicht de gemeente niet tot een formele aanbesteding, maar wel tot een openbare, transparante procedure met vooraf bekendgemaakte, objectieve en toetsbare criteria. Afwijking is slechts gerechtvaardigd als slechts één gegadigde in aanmerking kan komen (de 'unieke gegadigde'-uitzondering), en dit moet vooraf gemotiveerd en gepubliceerd worden. De beleidsregels hebben tot doel uitwerking te geven aan deze plichten. Zo dragen deze beleidsregels bij aan de realisatie van woningen in congestiegebieden binnen de kaders waaraan de gemeente moet voldoen. Artikel 4. Gelijke behandeling projecten Artikel 4 borgt het gelijkheidsbeginsel door expliciet te bepalen dat gemeentelijke projecten niet worden bevoordeeld en dat de gemeente transparant is over de motivering van de rangorde van eigen projecten ten opzichte van projecten van projectontwikkelaars. Artikel 5. Procedure verzoek opname volgordelijst De beleidsregels voorzien in een transparante selectieprocedure als bedoeld in de Didam-jurisprudentie, waarbij artikel 5 voorziet in het vooraf kenbaar maken van het proces en de daaraan verbonden tijdvakken. Door de aanvraagperiode direct te koppelen aan de publicatie van de beleidsregels is voor iedere projectontwikkelaar onmiddellijk duidelijk wanneer een verzoek kan worden ingediend. Door het benoemen van een concrete einddatum kan er ook geen misverstand bestaan over voor welke datum het verzoek moet worden ingediend om in aanmerking te komen voor plaatsing op de volgordelijst op basis waarvan de gemeente het verzoek om prioritering in zal dienen. De gemeente gaat uitsluitend een inspanningsverplichting aan jegens de projectontwikkelaar. Bij een resultaatsverplichting zou de gemeente instaan voor de daadwerkelijke toewijzing van transportcapaciteit, waarbij aansprakelijkheid op grond van wanprestatie open zou staan bij niet levering. Dat is niet mogelijk, nu niet de gemeente hiertoe bevoegd is, maar de netbeheerder daarover gaat. Artikel 6. Opname op de volgordelijst op verzoek projectontwikkelaar Een helder aanvraagproces is essentieel voor een rechtmatige uitvoering. Artikel 6 regelt daarom de aanvraagprocedure en bepaalt de informatiestroom tussen de projectontwikkelaar en de gemeente die de basis vormt voor de rangschikking. Voor de aanvraag van transportcapaciteit en prioritering moeten gemeenten zorgen voor een volledig projectdossier dat kan worden ingediend bij de netbeheerder. Van de projectontwikkelaar die de gemeente verzoekt om een project op de prioriteringslijst te zetten met het oog op het doen van een transportverzoek en prioriteringsverzoek wordt verwacht dan hij daartoe de noodzakelijke informatie aanlevert. De gemeente stelt met het oog hierop een standaardaanvraagformulier beschikbaar waarin alle vereiste gegevens worden gevraagd. Dit formulier is te vinden op de gemeentelijke website www.roosendaal.nl/eerder-aanvragen-transportcapaciteit/ en bevat tevens het in artikel 13, derde lid genoemde akkoord met de van toepassing zijnde bepalingen omtrent de rechtsbescherming. Aanvraag transportcapaciteit Een volledig projectdossier bevat voor het onderdeel transportcapaciteit ten minste: a.naam, contactgegevens en rechtsvorm van de gemeente, dan wel naam, contactgegevens en rechtsvorm van de projectontwikkelaar; b.omschrijving en locatie van het project, onder vermelding van het type bouw (hoogbouw, laagbouw of een combinatie) en de geografische begrenzing van het projectgebied (bij voorkeur als polygoon); c.het verwachte totale aantal en type woningen (sociaal, midden huur, koop); d.de verwachte elektrische belasting van het project, omvattende: 1het aantal en de grootte (doorlaatwaarde) van de benodigde aansluitingen, uitgesplitst naar wooneenheden, collectieve voorzieningen en onlosmakelijk verbonden activiteiten; 2de op planniveau gehanteerde wijze van verwarmen, als meest bepalende factor in de netbelasting; 3de gewenste datum van de definitieve aansluitingen, uitgesplitst per projectfase en met een maximale loopduur van tien jaar na datum van indiening. Aanvragen van prioritering volgens het prioriteringskader Een volledig projectdossier bevat voor de aanvraag van prioritering (overeenkomstig tabel 4 van bijlage 3 Systeemcode Elektriciteit 2026) de volgende bewijsstukken die per subfunctie als volgt zijn vereist: Woningbouw — algemeen: 1.Bestuursverklaring (zie artikel 8); 2.Civiele overeenkomst gemeente–ontwikkelaar (primair) óf omgevingsplan (fallback); 3.Optioneel: aanvullende bestuursverklaring (artikel 7.21, vierde lid, van de Systeemcode Elektriciteit 2026) + bewijsstuk bij kleinschalige activiteiten/collectieve voorzieningen. Woningbouw — collectieve woonvormen: 1.Bestuursverklaring (zie artikel 8); 2.Overeenkomst over collectieve woonvorm (primair) óf omgevingsplan (fallback). Onderwijs: 1Bestuursverklaring (zie artikel 8); 2Verwijzing naar (de door het wettelijk geborgde ‘Op Overeenstemming Gericht Overleg’ (OOGO) vastgestelde planning van) het Integraal Huisvestingsplan waarin de onderwijslocatie is vermeld (primair) óf omgevingsplan (fallback); 3Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel als nader omschreven in tabel 4 van bijlage 3 Systeemcode Elektriciteit 2026 bij de desbetreffende onderwijssector; 4Een document waaruit blijkt dat de projectontwikkelaar is geregistreerd als erkende instelling in het register Registratie Instellingen en Opleidingen. De gegevens dienen overeen te komen met de informatie uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Verder is van belang: 1.Een verklaring afgegeven door de projectontwikkelaar over de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens, ondertekend door een bevoegde vertegenwoordiger van de projectontwikkelaar, welke de gemeente vrijwaart voor aansprakelijkheden van onjuiste informatie jegens de netbeheerder; 2.Een verklaring afgegeven door de projectontwikkelaar over dat hij instemt met de op de procedure van toepassing zijnde rechtsbeschermingsprocedure, en dat zij hierbij expliciet akkoord gaat met hetgeen is opgenomen in artikel 13, waaronder in het bijzonder de daarin bepaalde vervaltermijnen; 3.Een verklaring dat het gaat om een inspanningsverplichting van de gemeente tot het aanvragen van prioritering en transportcapaciteit, niet een resultaatsverplichting; en 4.Indien voor het project op grond van de Omgevingswet een instructie als bedoeld in artikel 2.33 van de Omgevingswet is gegeven door gedeputeerde staten van de provincie, dan wel het project valt onder instructieregels van de provinciale omgevingsverordening (artikel 2.22 jo. artikel 2.6 van de Omgevingswet), of voor het project een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet door de provincie is genomen, dient de aanvrager bij het projectdossier aan te tonen dat het project in overeenstemming is met deze provinciale besluiten dan wel dat de vereiste afstemming met of toestemming van gedeputeerde staten heeft plaatsgevonden. Het projectdossier wordt ingediend via het door de gemeente aangewezen digitale kanaal www.roosendaal.nl/eerder-aanvragen-transportcapaciteit/. De gemeente bevestigt ontvangst van het dossier binnen drie werkdagen. Dit sluit aan bij de systematiek van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Een verzoek dat onvolledig is wordt niet in behandeling genomen. Het in het verzoek opgenomen project komt dan ook niet op basis van het verzoek in aanmerking voor opname op de volgordelijst. De gemeente stelt de projectontwikkelaar hiervan schriftelijk in kennis, waarbij ook wordt aangegeven in hoeverre het nog mogelijk is alsnog een volledig verzoek in te dienen. Dit is alleen mogelijk als de in artikel 5, tweede lid genoemde termijn voor het indienen van een verzoek nog niet is verstreken. Dit is nog eens vermeld in artikel 6 lid 3. Het is niet mogelijk om op basis van een al ingediend verzoek een ander project aan te dragen dan waarvoor het verzoek is gedaan. Daarvoor moet, conform de daarvoor geldende bepalingen een nieuw verzoek worden ingediend. Artikel 8. Bestuursverklaring De bestuursverklaring is het centrale bewijsstuk van het prioriteringsverzoek. Deze stelt de netbeheerder in staat te toetsen of het verzoek daadwerkelijk betrekking heeft op een prioriteitswaardige activiteit en of de gevraagde transportcapaciteit noodzakelijk en reëel is. Zonder deugdelijk ingevulde bestuursverklaring is het verzoek incompleet en zal de netbeheerder de aanvraag afwijzen. De elementen in artikel 8 zijn cumulatief: alle onderdelen moeten zijn opgenomen. De eisen komen overeen met de eisen die zijn opgenomen in artikel 7.21, derde en vierde lid van de Systeemcode Elektriciteit 2026. De Systeemcode Elektriciteit 2026 stelt dat partijen in de bestuursverklaring moeten onderbouwen dat de gevraagde transportcapaciteit nodig is voor de uitoefening van hun geprioriteerde taken, dat de capaciteit noodzakelijk is om te starten, en dat de activiteit op korte termijn na toekenning zal aanvangen. De elementen uit artikel 8 corresponderen rechtstreeks met deze Systeemcode Elektriciteit 2026-vereisten. Artikel 9. Rangordebepaling volgordelijst De prioriteringscriteria vormen de kern van deze beleidsregels. Zij bepalen de volgorde op de volgordelijst en dienen objectief, toetsbaar en redelijk te zijn. Dit zijn de drie eisen die de Didam-jurisprudentie stelt aan selectiecriteria. Artikel 9 werkt de prioritering uit in vier achtereenvolgende stappen. Elke volgende stap is uitsluitend van toepassing wanneer de voorgaande stap geen onderscheid oplevert. Stap 1 – Start bouw Projecten met een eerder geplande maand van start bouw staan hoger op de volgordelijst dan projecten met een latere start bouw. Het gaat hier niet om een wens, maar om een start bouwmaand die is onderbouwd met: een planning, een overeenkomst, subsidievoorwaarden of een vergunning planning. De projectontwikkelaar moet de opgegeven start bouwdatum concreet en plausibel kunnen maken, op basis van bewijsstukken zoals opgesomd in de rangorde van stap 2. Een omgevingsplan of BOPA zonder verdere planningsonderbouwing volstaat in de regel niet om een specifieke start bouwmaand te staven. Een combinatie van een civielrechtelijke overeenkomst met een planning, subsidieafspraken of vergunningsconditie biedt dat wel. De gemeente beoordeelt per geval of de bewijsstukken de opgegeven datum afdoende onderbouwen. Stap 2 – Projectrijpheid Stap 2 is gebaseerd op de planologische en de privaatrechtelijke positie van het project. De rangschikking weerspiegelt de mate van realisatiezekerheid: hoe concreter de positie, hoe groter de kans dat de aangevraagde transportcapaciteit ook daadwerkelijk en tijdig wordt benut. De hiërarchie van de bewijsstukken berust op de planologische zekerheid en de privaatrechtelijke binding. Voor de rangschikking zijn drie soorten bewijsstukken relevant: de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, de civielrechtelijke overeenkomst en het onherroepelijk omgevingsplan of de onherroepelijke vergunning voor een BOPA. Elk bewijsstuk vertegenwoordigt een andere mate van zekerheid over de realisatie van het project. Een project wordt ingedeeld in de hoogste subcategorie waaraan het de vereiste bewijsstukken kan overleggen. Voldoet een project aan meerdere subcategorieën tegelijk, dan geldt de hoogste. De gemeente motiveert de indeling per project transparant. Civielrechtelijke overeenkomsten zoals een anterieure overeenkomst, koopovereenkomst of exploitatieovereenkomst die voor 1 juli 2026 is gesloten, verleent geen automatisch recht op transportcapaciteit en levert evenmin een bevoorrechte positie op de volgordelijst op. Dergelijke overeenkomsten worden voor de toepassing van stap 2 gelijkgesteld met andere civielrechtelijke overeenkomsten die na 1 juli 2026 zijn gesloten. Zij kunnen bijdragen aan de projectrijpheidonderbouwing, maar worden beoordeeld aan de hand van dezelfde rangorde als overeenkomsten die na inwerkingtreding zijn gesloten. Onder categorie 6 onder stap 2 worden projecten bedoeld met de volgende bewijsstukken: –Overeenkomst tussen gemeente en het Rijk over rijkssubsidies voor woningbouw. –Prestatieafspraken tussen gemeenten en woningcorporaties. –College- of raadsbesluit met gemeente als initiatiefnemer voor woningbouwontwikkeling. Stap 3 – Maatschappelijk belang De gemeente acht het van belang om het maatschappelijk belang van een project een rol te geven bij de verdere rangschikking van gelijkwaardige aanvragen, nadat stap 1 en stap 2 geen onderscheid hebben opgeleverd. De in deze stap opgenomen criteria houden verband met de majeure opgaven (‘kwaliteitssprong’) waar de gemeente Roosendaal voor staat om het leven en wonen in haar gemeente duurzaam te verbeteren (zie o.m. coalitieakkoord 2026-2030). Verder heeft de gemeente Roosendaal als centrumgemeente in de regio te voldoen aan een verstedelijkingsopgave van minimaal 10.000 woningen in 2040. De gemeente Roosendaal heeft de verwezenlijking van deze opgaven en verplichtingen afgelopen jaren zorgvuldig voorbereid. Hiervoor hebben de gemeentelijke organen onder meer verschillende documenten vastgesteld, zoals de Toekomstvisie Roosendaal ‘RSD 40’, het Nationaal Programma Roosendaal, de Woonagenda met de daarop gebaseerde jaarlijks geactualiseerde woningbouwprogrammering, de Visie en IHP Roosendaal 2025-2040 (onderwijs) inclusief de jaarlijkse actualisering daarvan door het wettelijk geborgde ‘Op Overeenstemming gericht Overleg’ (OOGO) en het Coalitieakkoord 2026-2030 ‘We doen het samen!’. De gemeente Roosendaal ontvangt voor de financiering van haar majeure opgaven subsidies van het Rijk en provincie waaraan bepaalde verplichtingen zijn verbonden, bijvoorbeeld de Wokt-middelen met een omvang van afgerond € 51 miljoen. De komende periode ligt de nadruk op het concretiseren en daadwerkelijk realiseren van de majeure opgaven en de verstedelijkingsopgave, mede met behulp van de genoemde subsidies. Deze periode valt samen met de huidige maatschappelijke problemen rondom de netcongestie. Voor de noodzakelijke kwaliteitssprong die Roosendaal op het gebied van leven en wonen evengoed moet maken, is het nodig om aan projecten die hieraan een wezenlijke bijdrage leveren prioriteit te geven. Daarin voorziet de derde stap als omschreven in artikel 9 van de Beleidsregels. Projecten binnen deze categorie krijgen een nog hogere prioriteit, wanneer zij een financiële of programmatische afhankelijkheid hebben van rijks- of provinciale subsidie. Zo kunnen de verplichtingen bij zo’n subsidie de gemeente Roosendaal verplichten een bepaald aantal woningen te bouwen, al dan niet binnen een bepaald tijdsbestek. Stap 4 – Datum van oplevering Stap 4 is van toepassing wanneer na toepassing van de eerdere stappen nog geen onderscheid bestaat. De verwachte maand waarop het project wordt opgeleverd biedt de laatste onderscheiding tussen gelijkwaardige projecten. Een eerder verwacht tijdstip van oplevering geeft een sterkere aanwijzing dat de toegewezen transportcapaciteit ook daadwerkelijk en snel wordt benut. Dit sluit aan op het doel van het ACM-prioriteringskader: transportcapaciteit wordt toegewezen aan de partij die die capaciteit het eerst benut. Een project dat eerder zijn eerste woningen oplevert, doet al eerder een beroep op het net. Artikel 10. Loting bij gelijke rangordebepaling volgordelijst Loting als tiebreaker is noodzakelijk om te voorkomen dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. De overgangsperiode bij de werkwijze ‘Eerder aanvragen’ brengt een specifiek risico mee: als alle projecten gelijktijdig worden ingediend en de selectiecriteria geen onderscheid bieden, kan loting als enige objectieve methode gelden. Loting is een door de rechtspraak erkende en objectieve methode bij gelijkwaardigheid van aanvragen. De openbaarheid van de loting is vereist om de transparantie te waarborgen en bezwaren te voorkomen. De trekking kan digitaal uitgevoerd worden door een onafhankelijk systeem in aanwezigheid van een onafhankelijke getuige. De onafhankelijke getuige hoeft niet een notaris te zijn. De aanwezigheid van een onafhankelijke getuige neemt elke schijn van partijdigheid van de gemeente weg. De uitslag moet vastgelegd worden in een officieel proces-verbaal. Alle deelnemers worden individueel geïnformeerd over de uitslag en krijgen transparantie over hoe het proces is verlopen. Zij worden ook uitgenodigd om de loting bij te wonen. Artikel 12. Bekendmaking volgordelijst De publicatietermijn van twee weken vóór de datum van indiening door de gemeente is afgestemd op de termijnen van de rechtsbeschermingsprocedure van artikel 13. Aanvragers kunnen tot vijf kalenderdagen na bekendmaking van de volgordelijst een schriftelijke zienswijze bij de gemeente indienen. De resterende dagen binnen de twee-wekentermijn bieden de gemeente de benodigde verwerkingstijd om eventuele correcties naar aanleiding van een zienswijze (of kort geding) door te voeren en de definitieve volgordelijst in te dienen. Artikel 13. Rechtsbescherming Het aanvragen van transportcapaciteit is een privaatrechtelijke rechtshandeling van de gemeente op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet. De volgordebeslissing is een handeling ter voorbereiding van die rechtshandeling. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht is dan ook geen sprake. Bestuursrechtelijk bezwaar en beroep staan niet open voor de projectontwikkelaar. Daarom is gekozen voor het openstellen van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen en wordt er tijd geboden om desgewenst een kort geding te entameren. De zienswijzetermijn van vijf kalenderdagen en aanvullend een termijn van tien kalenderdagen voor het entameren van een kort geding wijkt bewust af van de gebruikelijke twintig-dagentermijn die voor een kort geding in het aanbestedingsrecht geldt. De totale periode van 15 kalenderdagen is voldoende, omdat aanvragers voorafgaand aan indiening volledig zijn geïnformeerd over de selectiecriteria en de rangschikkingsmethode, en omdat het spoedeisende belang van de werkwijze 'Eerder aanvragen' — in het bijzonder de deadline van 1 oktober 2026 — een compacte procedure vereist die tijdige indiening van prioriteringsverzoeken bij de netbeheerder niet in gevaar brengt. Hierdoor krijgen aanvragers een concrete termijn om hun positie te beoordelen en zo nodig privaatrechtelijke rechtsmiddelen aan te wenden, zonder dat de procedure onnodig lang blokkerende werking heeft op de indiening bij de netbeheerder. Artikel 15, eerste lid, verankert die standstill. Het tweede en derde lid introduceren een contractuele vervaltermijn voor twee onderscheiden rechtsmiddelen: de zienswijze bij de gemeente en een kortgedingprocedure bij de civiele rechter. De mogelijkheid van het indienen van een zienswijze bij de gemeente vervalt vijf kalenderdagen na bekendmaking van de volgordelijst, tien kalenderdagen hierna vervalt het recht om een kortgedingprocedure aanhangig te maken. De contractuele grondslag maakt de termijn robuuster dan een eenzijdig door de gemeente vastgestelde termijn: zij berust op de wilsovereenstemming van de aanvrager, zodat een beroep op rechtsverwerking wegens het niet-tijdig aanwenden van een rechtsmiddel een sterkere basis heeft. De VNG Handreiking Toepassing Didam-regels in de gemeentelijke gronduitgiftepraktijk beveelt een dergelijke constructie aan. Artikel 14. Wijziging en intrekking van de volgordepositie De volgordepositiebepaling is een handeling ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling; van een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is geen sprake. Een volgordepositie wordt toegekend op basis van de informatie en het programma die de projectontwikkelaar op het moment van indiening heeft aangeleverd, of waarover de gemeente bij eigen projecten zelf over beschikt. De limitatieve gronden in het eerste lid kunnen rechtvaardigen dat de gemeente de positie herziet. Intrekking of wijziging op andere gronden vindt niet plaats. Relevante wijzigingen zijn wijzigingen die van invloed zijn op de plaatsing op de volgordelijst, zoals bijvoorbeeld het moment van start bouw. Over de wijziging in rangorde wordt transparant gecommuniceerd. Uiteraard kan wijziging alleen plaatsvinden voor zolang de volgordelijst nog niet is ingediend bij de netbeheerder. Op het moment dat de lijst is ingediend ligt de verdere verantwoordelijkheid bij de netbeheerder en kan die, op grond van de hem toekomende bevoegdheden, naar bevinden handelen. Hier speelt ook mee dat een wijziging die meer transportcapaciteit of een andere locatie vergt, op grond van de Systeemcode Elektriciteit 2026 kwalificeert als een nieuw verzoek en daarmee de bestaande prioriteitspositie doet vervallen. Artikel 15. Indienen verzoek conform volgordelijst Het indienen van de transportverzoeken en prioriteringsverzoeken vormt het sluitstuk van een zorgvuldige selectieprocedure door de gemeente. Dit indienen vindt dan ook niet plaats eerst nadat projectontwikkelaars nog de gelegenheid hebben gehad om een zienswijze in te dienen tegen de volgordelijst. Daarmee kunnen eventuele omissies worden hersteld, voordat er vervelende consequenties ontstaan. De gemeente volgt bij het indienen van de verzoeken de vastgestelde volgordelijst. Met het indienen van een transportverzoek en een prioriteringsverzoek bij de netbeheerder gaat de gemeente financiële verplichtingen aan jegens de netbeheerder. Er moet namelijk een aanbetaling worden gedaan. Hiervoor is financiële dekking noodzakelijk. Deze dekking kan bestaan uit het feit dat een bij het project betrokken projectontwikkelaar zich verbindt tot het voldoen van deze kosten en daarvoor materiële zekerheid stelt, zodat de gemeente geen financieel risico loopt. Anders moet de gemeente voor het aangaan van deze verplichting financiële dekking hebben op de begroting of anderszins. Het budgetrecht ligt namelijk bij de gemeenteraad. Deze financiële dekking kan verwerkt zijn binnen de begroting van het project of op basis van een andere begrotingspost waarmee de raad hiervoor middelen beschikbaar heeft gesteld. Deze bepaling betreft dan ook een financieringsvoorbehoud met betrekking tot het indienen van verzoeken bij de netbeheerder. De netbeheerder hanteert op grond van artikel 7.22, eerste lid, aanhef en onder b, van de Systeemcode elektriciteit 2026 voor de behandeling van de van gemeenten afkomstige verzoeken de volgorde op basis van volgorde van binnenkomst. Het college stemt zo nodig het indienen van de prioriteringsverzoeken af met de andere gemeenten binnen het congestiegebied.
Meer informatie