Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Wassenaar 2027

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op7 augustus 2026
Gepubliceerd doorGemeente Wassenaar

Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Wassenaar 2027 Het college van de gemeente Wassenaar; gelet op artikel 35 van de Participatiewet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Besluit: Vast te stellen de navolgende Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid Wassenaar 2027 ALGEMEEN Artikel 1. Begripsbepalingen 1.In deze beleidsregels verstaat het college onder: a.Alleenstaande ouder kop (ALO-kop) op het kindgebonden budget: verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders in de vorm van een ALO-kop. Dit bedrag wordt via de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) betaalbaar gesteld. b.De wet: de Participatiewet; c.IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; d.IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; e.Voormalig alleenstaande ouder: de ouder waarvan het recht op de alleenstaande ouder kop is beëindigd. f.Wlz: Wet langdurige zorg; g.Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; h.WSF; Wet studiefinanciering 2000; i.WTOS; Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; j.Wvggz: Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; k.WvSr: Wetboek van Strafrecht; l.Wzd: Wet zorg en dwang; m.ZVW; Zorgverzekeringswet. 2.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet bestuursrecht, de Wmo, de Jeugdwet en het Burgerlijk Wetboek;3.Waar in deze beleidsregels de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. Artikel 2. Algemeen 1.Bijstand ter voorziening in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan wordt verleend, indien de individuele omstandigheden van de persoon of het gezin leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan die door de belanghebbende niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de individuele inkomenstoeslag of het daarmee wat betreft hoogte vergelijkbare inkomen.2.Bij de vaststelling van het inkomen om het recht op bijzondere bijstand te beoordelen wordt de in aanmerking te nemen vakantietoeslag berekend op basis van de artikelen 11, 12, 13 en 14 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.3.Bijstand ter voorziening in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in de wet, de daarop gebaseerde regelingen en deze beleidsregels.4.Bijstand ter voorziening in de (individuele) bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan wordt niet verleend aan belanghebbenden van wie het inkomen hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm tenzij in deze beleidsregels anders aangegeven.5.Bijzondere bijstand die betrekking heeft op periodieke kosten wordt voor een periode van maximaal twaalf maanden achtereen toegekend.6.Indien de omstandigheden en mogelijkheden van de persoon of zijn gezin daartoe aanleiding geven kan de bijzondere bijstand verleend worden in afwijking van één of meer bepalingen van deze beleidsregels.7.Bijzondere bijstand wordt toegekend op de datum van aanvraag met een terugwerkende kracht tot maximaal 30 dagen, tenzij dit anders in de beleidsregels is aangegeven.8.Bij het vaststellen van het inkomen om het recht op bijzondere bijstand en minimaregelingen te beoordelen, is een marginale afwijking van toepassing, zodat incidentele, geringe overschrijdingen van de inkomensnorm niet in de weg staan van het recht op de bijstand of regeling.9.Bij het vaststellen van het inkomen om het recht op bijzondere bijstand en minimaregelingen te beoordelen, wordt niet meegerekend: a.Het deel van het inkomen waarover de belanghebbende als gevolg van executoriaal beslag, met inachtneming van de beslagvrije voet, niet feitelijk kan beschikken; b.Het deel van het inkomen boven het vastgestelde leefgeld dat de inwoner moet afdragen in een minnelijk of wettelijk schuldhulpverleningstraject (MSNP of WSNP). VOORLIGGENDE VOORZIENINGEN Artikel 3. Voorliggende voorzieningen Op deze beleidsregel is artikel 15 van de wet van toepassing. Artikel 4. Eigen bijdragen bij voorliggende voorzieningen Artikel 15 van de wet geldt ook indien: a.Bepaalde kosten uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van de voorziening zijn gelaten; b.Afwijzend is beslist op een verzoek om een financiële bijdrage. Artikel 5. Voorliggende voorziening en bijzondere bijstand voor medische kosten 1.Ten aanzien van medische kosten is het uitgangspunt, dat de Wmo, de ZVW, de Jeugdwet en de Wlz voorliggende voorzieningen zijn, die passend en toereikend geacht worden (artikel 15, eerste lid, van de wet). Indien de voorliggende voorziening de kosten niet vergoedt, zijn deze niet noodzakelijk en kan daarvoor geen bijzondere bijstand verleend worden (artikel 35 van de wet).2.Een reguliere/collectieve aanvullende zorgverzekering bij een zorgverzekeraar kan niet als voorliggende voorziening aangemerkt worden, omdat het om vrijwillig te maken kosten gaat. Voor de premie voor de reguliere/collectieve aanvullende ziektekostenverzekering kan daarom geen bijzondere bijstand verleend worden. Artikel 6. Uitzonderingen 1.In de volgende gevallen kan van het bepaalde in artikel 4 afgeweken worden: a.Ten aanzien van samenloop van inkomensafhankelijke bijdragen; b.Indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn op grond van artikel 16 van de wet. 2.Een uitzondering op artikel 5 lid 1 zijn de kosten die het college vergoedt middels de regeling Hoge Zorgkosten. De voorwaarden van deze regeling zijn vastgesteld in de Beleidsregels Regeling Hoge Zorgkosten Wassenaar 2026. WEIGERINGSGRONDEN Artikel 7. Weigeringsgronden Op deze beleidsregel is artikel 13 lid 1 van de wet van toepassing. BIJZONDERE BIJSTAND AAN VOORMALIGE ALLEENSTAANDE OUDERS Artikel 8. Garantietoeslag voormalige alleenstaande ouders 1.Een voormalig alleenstaande ouder heeft recht op een garantietoeslag als: a.Het recht op de ALO-kop is beëindigd; en b.Het kind tot het huishouden blijft behoren; en c.Het kind de 21-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt; en d.Het inkomen van het huishouden lager is dan de norm voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn, als bedoeld in artikel 21 van de wet. 2.De garantietoeslag bedraagt het verschil tussen de norm, als bedoeld in lid 1 onder d en de som van de inkomsten van de voormalig alleenstaande ouder en het kind.3.Als het kind aanspraak heeft op: a.Studiefinanciering op grond van de WSF, als bedoeld in artikel 33, lid 2 van de wet; of b.Een tegemoetkoming op grond van de WTOS, als bedoeld in artikel 33, lid 3 van de wet dan wordt het inkomen op grond van de WSF en WTOS vastgesteld op het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor een thuiswonende. BIJZONDERE BIJSTAND AAN BELANGHEBBENDEN VAN 18, 19 OF 20 JAAR Artikel 9. Beperkingen Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de op hem van toepassing zijnde norm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: a.De middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of b.Hij redelijkerwijs zijn onderhoudsplicht tegenover zijn ouders niet te gelde kan maken. Artikel 10. Bijzondere bijstand aan thuisinwonenden jonger dan 21 jaar De persoon jonger dan 21 jaar die thuisinwonend is bij zijn ouder(s) heeft geen recht op bijzondere bijstand, ongeacht zijn leefvorm – alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde/samenwonende. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening. Artikel 11. Bijzondere bijstand aan uitwonende alleenstaanden jonger dan 21 jaar 1.De alleenstaande persoon, die jonger dan 21 jaar en uitwonend is, heeft geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.2.In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing. Artikel 12. Bijzondere bijstand aan alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar 1.De alleenstaande ouder, jonger dan 21 jaar, heeft geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.2.In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing. 3.Indien het noodzakelijk is dat met toepassing van het gestelde in artikel 18, eerste lid en twaalfde lid van de wet algemene bijstand wordt verleend ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die minderjarig is, wordt die bijstand vastgesteld op 20% van de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 21 jaar of ouder zijn doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Deze algemene bijstand wordt beëindigd uiterlijk op het moment dat de minderjarige alleenstaande ouder meerderjarig wordt. Deze regeling is specifiek bedoeld voor de baby’s van tienermoeders. Artikel 13. Bijzondere bijstand aan gehuwden, beiden jonger dan 21 jaar 1.De gehuwden jonger dan 21 jaar hebben geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.2.In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing. Artikel 14. Bijzondere bijstand aan gehuwden, van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder 1.De gehuwden, van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder, hebben geen recht op bijzondere bijstand. De norm als bedoeld in artikel 20 van de wet, aangevuld met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouder(s) wordt in alle gevallen beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening.2.In uitzondering op lid 1, blijft tot 1 januari 2029 het recht op bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van bestaan van toepassing op lopende toekenningen voor 1 januari 2026, of toekenningen van alleenstaande ouders die zich vóór 1 januari 2026 meldden bij de gemeente. De norm als bedoeld in artikel 20 lid 3 en lid 4 van de wet is van toepassing. Artikel 15. Verhaal van bijzondere bijstand aan personen jonger dan 21 jaar 1.Verhaal van bijzondere bijstand aan personen jonger dan 21 jaar is alleen van toepassing op jongeren die bijzondere bijstand ontvangen op grond van artikel 11 lid 2, artikel 12 lid 2, artikel 13 lid 2 en artikel 14 lid 2 van deze beleidsregels.2.De kosten van de bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan van een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar worden op de onderhoudsplichtige ouder(s) verhaald voor zover de bijstand zich uitstrekt tot dat gedeelte van de bijzondere bijstand dat betrekking heeft op de alleenstaande ouder zelf.3.De kosten van de bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan van gehuwden van wie beide partners jonger dan 21 jaar zijn worden verhaald op de onderhoudsplichtige ouder(s) van beide partners. Ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag wordt de helft van de te verhalen bijstand toegerekend aan de ouder(s) van elk van de partners.4.De kosten van de bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan van gehuwden van wie een partner jonger is dan 21 jaar en de andere partner 21 jaar of ouder worden verhaald op de onderhoudsplichtige ouder(s) van de partner die jonger is dan 21 jaar. Ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag wordt de helft van de bijzondere bijstand toegerekend aan de ouder(s) van de echtgenoot die jonger is dan 21 jaar. Artikel 16. Bijzondere bijstand aan personen jonger dan 21 jaar bij verblijf in een inrichting 1.Ten aanzien van de verlening van bijstand aan personen jonger dan 21 jaar bij verblijf in een inrichting is het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de wet onverkort van toepassing.2.Belanghebbenden in de leeftijd van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de wet hebben, gelet op alle omstandigheden van de persoon of het gezin, recht op bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan.3.De bijzondere bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan wordt voor wat betreft de hoogte van de maandelijkse bijstand vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 van de wet. VERMOGEN Artikel 17. Vaststelling vermogen Voor alle vormen van bijzondere bijstand en minimaregelingen geldt dat het vermogen van de belanghebbende niet hoger mag zijn dan de vermogensgrenzen uit artikel 34 lid 3 van de wet, tenzij in deze beleidsregels expliciet anders wordt aangegeven. Voor de vaststelling in hoeverre het vermogen in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van het recht op bijstand, zijn de bepalingen van de Beleidsregels vaststellen vermogen en vaststellen vermogen in eigen woning Participatiewet Leidschendam-Voorburg 2015 van overeenkomstige toepassing. BIJZONDERE BIJSTAND VOOR DUURZAME GEBRUIKSGOEDEREN Artikel 18. Kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen De aanschafkosten van duurzame gebruiksgoederen worden geacht bestreden te kunnen worden uit het normaal ter beschikking staande inkomen. De bijstandsuitkering dan wel een inkomen, dat wat betreft de hoogte ervan niet hoger is dan 110% van de op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt in elk geval geacht toereikend te zijn. In het inkomen wordt voldoende ruimte aanwezig geacht om voor deze kosten te reserveren dan wel deze achteraf gespreid te betalen. Artikel 19. Leenbijstand Indien bijzondere bijstand wordt verleend voor duurzame gebruiksgoederen, gebeurt dat in de vorm van een renteloze geldlening. Artikel 20. Bijstand om niet In afwijking van het gestelde in artikel 19 kan bijstand voor duurzame gebruiksgoederen op grond van individuele omstandigheden van de persoon of het gezin om niet (als gift) verleend worden. Artikel 21. Reserveringscapaciteit 1.De belanghebbende wordt geacht 5% van het netto ter beschikking staande inkomen te gebruiken voor reservering voor de aanschaf en vervanging van duurzame gebruiksgoederen. De reserveringsruimte van 5% is ook van toepassing op inkomsten van belanghebbenden die in een inrichting verblijven.2.Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing ten aanzien van personen die gedurende een periode van drie jaar of langer onafgebroken een inkomen hebben (ontvangen) dat de grens van 110% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm niet overtreft c.q. heeft overtroffen. Artikel 22. Aflossingsbedragen leenbijstand 1.Het aflossingsbedrag voor geldleningen wordt bepaald op 5% van de toepasselijke maandelijkse bijstandsnorm.2.Wanneer er na de beëindiging van de uitkering alleen dient te worden afgelost op geldleningen, blijft de aflossing gehandhaafd op 5% van de toepasselijke maandelijkse bijstandsnorm.3.De bedragen die gehanteerd worden voor aflossing van leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen, alsmede die voor terugbetaling van andere vormen van bijzondere bijstand worden vastgelegd in aflossingstabellen. Artikel 23. Aflossingsbedragen voor belanghebbenden die in een inrichting verblijven Bij belanghebbenden die in een inrichting verblijven wordt de aflossing vastgesteld op 5% van de norm alleenstaande. Artikel 24. Overige bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening 1.Bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een renteloze geldlening indien: a.Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over de betreffende periode of ten aanzien van de kosten waarvoor bijstand wordt verleend over voldoende middelen zal beschikken om in de kosten van het bestaan te voorzien; b.De noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; c.De aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft; d.Het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft. 2.Ten aanzien van de geldlening als bedoeld in het eerste lid is artikel 22 van overeenkomstige toepassing. Artikel 25. Kwijtschelding van leenbijstand Indien de belanghebbende gedurende in totaal 36 maanden de vastgestelde aflossingsbedragen volledig en feitelijk heeft voldaan, wordt het dan resterende bedrag van de vordering kwijtgescholden, tenzij er leenbijstand is verstrekt op grond van artikel 48 lid 2 van de wet. BIJZONDERE BIJSTAND VOOR WOONKOSTEN Artikel 26. Definitie begrip woonkosten Wanneer in deze beleidsregels gesproken wordt over woonkosten, worden daaronder de volgende kosten verstaan: a.Voor een huurwoning: de op de aanvangsdatum van het lopende tijdvak geldende huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag; b.Voor een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning netto verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten; c.Voor een woonwagen in huur dan wel in eigendom: de tot een bedrag per maand herleide woonkosten; d.Voor een woonschip: de tot een bedrag per maand herleide geldende prijs die betaald moet worden voor een legale ligplaats voor het woonschip, vermeerderd met de door de eigenaar van het woonschip te betalen zakelijke lasten. Artikel 27. Voorliggende voorzieningen 1.Het recht op een tegemoetkoming van de Belastingdienst in de vorm van een huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag is in relatie tot bijstandsverlening voor woonkosten een voorliggende voorziening, die passend en toereikend wordt geacht.2.Bijzondere bijstand wordt niet verleend, indien het gaat om woonkosten die voor rekening van de belanghebbende blijven, waarin niet voorzien wordt door middel van de huurtoeslag als bedoeld in het eerste lid. Artikel 28. Weigeringsgronden Bijzondere bijstand kan niet worden verleend aan de Nederlander of de daarmee gelijkgestelde die geen recht op een huurtoeslag heeft, omdat hij medebewoning heeft van een niet rechthebbende vreemdeling met wie hij geen huwelijksrelatie of anderszins een nauwe (familie)relatie heeft. Het is de verantwoordelijkheid van de belanghebbende ervoor te zorgen dat hij zijn recht op een huurtoeslag te gelde kan maken. Het gemis aan een huurtoeslag ten gevolge van de keuze voor een illegale huisgenoot kan niet op de bijstand afgewenteld worden. De hogere woonkosten zijn vermijdbaar en derhalve niet noodzakelijk. Artikel 29. Bijzondere bijstand in afwachting van aanspraak op een huurtoeslag 1.De belanghebbende die een huurwoning bewoont waarvan de woonkosten niet hoger zijn dan de aftoppingsgrens als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag en die nog geen aanspraak kan maken op een huurtoeslag, heeft recht op een toeslag in de woonkosten. De hoogte van de toeslag wordt vastgesteld aan de hand van de Wet op de huurtoeslag-systematiek.2.De toeslag als bedoeld in onderdeel 1 wordt uiterlijk verleend tot het einde van de periode waarover de belanghebbende nog geen aanspraak op een huurtoeslag heeft en wordt daarna beëindigd. Wanneer een tussentijdse wijziging in de omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geeft, wordt verlening van de toeslag op dat moment gewijzigd dan wel beëindigd.3.De belanghebbende die Nederlander is of daarmee gelijkgesteld is en die medebewoning heeft van een illegale vreemdeling met wie hij een huwelijksrelatie of anderszins een nauwe (familie)relatie heeft, heeft geen recht op een huurtoeslag. Hij kan geen aanspraak maken op een voorliggende voorziening. Op basis van een afweging van alle omstandigheden in het individuele geval heeft hij recht op bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag. De hoogte van de toeslag wordt vastgesteld op basis van het inkomen als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. De toeslag wordt verleend tot het einde van de lopende periode, waarover de belanghebbende geen aanspraak heeft op een huurtoeslag. Artikel 30. Bijzondere bijstand voor woonkosten bij bewoning van een eigen woning 1.De belanghebbende die een eigen woning bewoont, waarvan de woonkosten niet hoger zijn dan de maximale huurgrens als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, heeft recht op een toeslag in de woonkosten. De hoogte van de toeslag wordt vastgesteld aan de hand van de Wet op de huurtoeslag-systematiek.2.Onder woonkosten bij de bewoning van een eigen woning vallen onder meer hypotheeklasten, onroerendezaakbelasting en rioolhefing. Artikel 31. Bijzondere bijstand voor woonkosten van een woning waarvan de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens 1.De belanghebbende die een huurwoning of een eigen woning bewoont, waarvan de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, heeft recht op bijzondere bijstand in de woonkosten indien er sprake is van een uit bijzondere omstandigheden voortkomende noodzaak om de dure woning te bewonen.2. a.De hoogte van de in lid 1 bedoelde bijzondere bijstand is voor inwoners met een eigen woning gelijk aan: -Een bedrag berekend aan de hand van de systematiek uit de Wet op de huurtoeslag over het deel tot aan het in die wet benoemde grensbedrag; plus -Een bedrag gelijk aan het deel van de huur dat boven het grensbedrag ligt. b.De grens zoals genoemd in lid 1 wordt jaarlijks gewijzigd in lijn met artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag. 3.De hoogte van de in lid 1 bedoelde toeslag is voor inwoners met een huurwoning gelijk aan het deel van het huurbedrag dat boven de in lid 1 genoemde grens ligt.4.Aan de verlening van de bijzondere bijstand voor woningeigenaren als bedoeld in lid 2 en voor huurders van particuliere huurwoningen als bedoeld in lid 3 kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden: a.Er geldt een verhuisverplichting, wat betekent dat belanghebbende zich onverwijld als woningzoekende dient te laten inschrijven voor een passende en betaalbare woonruimte; b.Belanghebbende dient elke woning als bedoeld in onderdeel a te accepteren, voor zover dat in redelijkheid van hem verlangd kan worden; c.Belanghebbende dient zelf ook pogingen te ondernemen om woonruimte te verwerven, waarvan de woonkosten in zodanige overeenstemming met zijn inkomen zijn, dat hij voor die kosten aanspraak kan maken op een huurtoeslag. Hieronder wordt ten minste verstaan het aanvragen van een urgentieverklaring voor bij de woningbouwvereniging om in aanmerking te komen voor een andere woning. 5.Aan de verlening van de toeslag voor een sociale huurwoning worden de volgende voorwaarden verbonden: a.Belanghebbende dient binnen een redelijke termijn na het toekenningsbesluit bij de woningbouwvereniging een verzoek in te dienen om de huur te verlagen en hiervan een bewijsstuk in te leveren. b.Belanghebbende dient bij een verlaging van de huur binnen een redelijke termijn een bewijsstuk van de nieuwe huur in te leveren. 6.Indien de belanghebbende niet aan één of meer van de in lid 4 en lid 5 genoemde voorwaarden voldoet, kan de toeslag in de woonkosten verlaagd dan wel beëindigd worden. BIJZONDERE BIJSTAND IN DE KOSTEN VAN VERZEKERING TEGEN ARBEIDSONGESCHIKTHEID Artikel 32. Bijzondere bijstand in de kosten van verzekering tegen arbeidsongeschiktheid 1.De belanghebbende die zelfstandige is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit Bijstandsverlening zelfstandigen en die aanspraak heeft op algemene bijstand op grond van dat Besluit, heeft recht op bijzondere bijstand in de kosten van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid.2.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het bedrag van de ten laste van de zelfstandige komende premie van verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, voor zover deze premie uit een oogpunt van bijstandsverlening aanvaardbaar is. BIJZONDERE BIJSTAND IN KOSTEN VAN LIJKBEZORGING Artikel 33. Kosten van lijkbezorging 1.De belanghebbende op wie overeenkomstig de bepalingen in het huwelijksgoederenrecht en het erfrecht de plicht rust de kosten van lijkbezorging van bloedverwanten te voldoen heeft, voor zover het zijn aandeel in de kosten betreft, recht op bijzondere bijstand.2.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt – indien een belanghebbende (of meer dan één belanghebbende) voor zijn (hun) deel aanspraak maakt (maken) op bijzondere bijstand – vastgesteld aan de hand van richtprijzen, zoals die in artikel 49 zijn opgenomen.3.Op de bijzondere bijstand als bedoeld in het tweede lid worden uitkeringen uit verzekeringen, slottermijnen of dergelijke, volledig in mindering gebracht. BIJZONDERE BIJSTAND OP BASIS VAN GROEPSKENMERKEN Artikel 34. Doelgroep personen met de pensioengerechtigde leeftijd 1.De belanghebbende die aantoonbare meerkosten heeft vanwege het feit dat belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd heeft of de belanghebbende die de pensioengerechtigde leeftijd heeft en de kosten voor sportieve, culturele of maatschappelijke activiteiten niet kan voldoen uit het inkomen van belanghebbende, die een inkomen ontvangt dat niet hoger is dan maximaal 110% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm, komt in aanmerking voor bijzondere bijstand voor deze kosten.2.De bijzondere bijstand als bedoeld in lid 1 wordt op basis van een aanvraag van de belanghebbende verstrekt. De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een tegemoetkoming om niet (als gift) en wordt als een bedrag ineens uitbetaald. De belanghebbende dient zich op verzoek van het college achteraf te verantwoorden ten aanzien van de bestemming van het ontvangen bedrag.3.De bijzondere bijstand als bedoeld in lid 1 is onder meer bedoeld ter dekking van de navolgende kosten: a.De aanschaf van duurzame gebruiksgoederen; b.De kosten van abonnementen, zoals het abonnement op een krant of een tijdschrift; c.De kosten ten behoeve van sport en/of culturele activiteiten; 4.De bijzondere bijstand wordt per huishouden toegekend tot een maximumbedrag per kalenderjaar, mits aangevraagd in dat kalenderjaar. BIJZONDERE BIJSTAND VOOR SPECIFIEKE KOSTENSOORTEN Artikel 35. Bijzondere bijstand in legeskosten bij verblijfsvergunningen 1.Bijzondere bijstand in de legeskosten bij verblijfsvergunningen is slechts mogelijk, indien de legeskosten verband houden met de eerste vestiging van kinderen tot 18 jaar die bij hun vestiging in Nederland tot het gezin gaan behoren van een reeds rechtmatig in Nederland gevestigde ouder en die tot zijn last komen. Deze kosten komen ten laste van de reeds rechtmatig gevestigde ouder en vinden hun oorsprong derhalve in Nederland.2.Indien de legeskosten bij verblijfsvergunningen verband houden met de eerste vestiging van de echtgenoot/echtgenote met een machtiging tot voorlopig verblijf, kan daarvoor geen bijzondere bijstand verleend worden. Deze belanghebbende is op het moment van het ontstaan van de kosten niet een met een Nederlander gelijkgesteld persoon (artikel 11, lid 2 en 3 van de wet). De kosten komen ten laste van de belanghebbende zelf en vinden hun oorsprong buiten Nederland.3.Indien de legeskosten bij verblijfsvergunningen verband houden met de verlenging van de verblijfsvergunning kan daarvoor geen bijzondere bijstand verleend worden. De kosten zijn voorzienbaar en dienen uit het normale ter beschikking staande inkomen bestreden te worden. Er is geen sprake van kosten die door bijzondere individuele omstandigheden bepaald kunnen worden. Artikel 36. Bijzondere bijstand in de kosten van verblijf in een hospice 1.De bijzondere bijstand voor verblijf in een hospice kan worden verstrekt voor de noodzakelijke eigen bijdrage voor verblijf, voor zover geen passende en toereikende voorliggende voorziening (zoals Zvw/Wlz) deze kosten vergoedt.2.Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand per situatie vast op basis van: a.De werkelijke (aantoonbare) kosten van het hospice; en b.De verzekering en overige voorzieningen van belanghebbende. Artikel 37. Bijzondere bijstand in de kosten van financieel beheer 1.Salariskosten voor bewindvoering in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP): voor deze kosten wordt geen bijzondere bijstand verleend.2.Geheel of gedeeltelijk beschermingsbewind, mentorschap en curatele: als de rechter geheel of gedeeltelijk beschermingsbewind, mentorschap of curatele heeft ingesteld, dan komen de kosten hiervan in aanmerking voor bijzondere bijstand waarbij voor de hoogte van deze kosten wordt uitgegaan van de tarieven als vermeld in Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.3.In afwijking van het tweede lid: indien de rechter in een individueel geval de vergoeding van beschermingsbewind, mentorschap of curatele afwijkend vaststelt van de in lid 2 genoemde tarieven dan komen deze kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking.4.Kosten van financieel beheer op vrijwillige basis en zaakwaarneming: deze vormen van financieel beheer komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.5.De kosten, indien achteraf gevraagd, kunnen met terugwerkende kracht worden verstrekt voor een periode van maximaal 12 maanden vanaf de aanvraagdatum. Artikel 38. Bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand Voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand wordt bijzondere bijstand verstrekt voor zover de kosten noodzakelijk zijn en dat door de Raad voor Rechtsbijstand is vastgesteld. Artikel 39. Bijzondere bijstand in de kosten van aanschaf van een digitaal middel voor huishoudens 1.Digitale middelen (zoals computers, smartphones en tablets) worden beschouwd als duurzame gebruiksgoederen. De aanschaf en vervanging van duurzame gebruiksgoederen dienen met inachtneming van artikel 35 van de wet uit het eigen, normaal ter beschikking staande inkomen gefinancierd te worden, hetzij door reservering vooraf dan wel door het treffen van een betalingsregeling of lening achteraf. Duurzame gebruiksgoederen behoren daarmee tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor in het algemeen geen bijzondere bijstand verleend kan worden.2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan wel bijzondere bijstand verleend worden in de aanschafkosten van een digitaal middel, in de vorm van bijstand per huishouden voor huishoudens met een inkomen niet hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. 3.De bijzondere bijstand voor aanschaf van het digitale middel wordt verleend als gift voor de werkelijke kosten van aanschaf tot maximaal het normbedrag zoals in de bijlage vermeld.4.Het college kent per huishouden de bijzondere bijstand voor de aanschaf van een digitaal middel niet vaker toe dan eens per 5 jaar. De periode van 5 jaar gaat in vanaf de datum die vermeld staat op de beschikking.5.Bijzondere bijstand voor de aanschaf van een digitaal middel per huishouden wordt niet verstrekt indien in de 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag het huishouden reeds bijzondere bijstand heeft ontvangen voor de aanschaf van een computer.6.De kosten die verband houden met het gebruik en het onderhoud (snoertjes, inkt, hoesjes en dergelijke) komen niet voor bijstandsverlening in aanmerking.7.Belanghebbende dient op verzoek van het college de gemaakte kosten aan te tonen. Artikel 40. Bijzondere bijstand in de kosten van aanschaf van een digitaal middel voor kinderen 1.In afwijking van artikel 39 lid 1 kan wel bijzondere bijstand worden verleend voor de aanschaf van een digitaal middel in de vorm van bijstand per kind voor huishoudens met een inkomen niet hoger dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.2.De bijstand kan door een ouder aangevraagd worden ten behoeve van tot diens last komende kinderen, die: a.Ten tijde van de aanvraag jonger zijn dan 18 jaar; en b.Het voortgezet onderwijs of een MBO-BOL-opleiding volgen. 3.De bijzondere bijstand voor aanschaf van het digitale middel voor het kind wordt verleend als gift voor de werkelijke kosten van aanschaf tot maximaal het normbedrag zoals in de bijlage vermeld.4.Het college kent per kind de bijzondere bijstand voor de aanschaf van een digitaal middel niet vaker toe dan eens per 5 jaar. De periode van 5 jaar gaat in vanaf de datum die vermeld staat op de beschikking. Ook voor huishoudens waaraan het college reeds bijstand heeft toegekend zoals omschreven in artikel 39, is de bijstand voor een digitaal middel voor kinderen mogelijk.5.Bijzondere bijstand voor de aanschaf van een digitaal middel voor kinderen wordt niet verstrekt indien in de 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag het betreffende kind reeds bijzondere bijstand heeft ontvangen voor de aanschaf van een tablet.6.De kosten die verband houden met het gebruik en het onderhoud (snoertjes, inkt, hoesjes en dergelijke) komen niet voor bijstandsverlening in aanmerking.7.Belanghebbende dient op verzoek van het college de gemaakte kosten aan te tonen. Artikel 41. Tegemoetkoming voor huishoudens met kinderen 1.De belanghebbende met ten laste komende kinderen en een inkomen niet hoger dan 110% van de bijstandsnorm, heeft recht op de tegemoetkoming voor huishoudens met kinderen eens per kalenderjaar.2.De bijzondere bijstand wordt per huishouden toegekend tot een maximumbedrag per kalenderjaar, mits aangevraagd in dat kalenderjaar.3.De bijzondere bijstand is bedoeld voor kosten die het sociale, fysieke, mentale of algemene welzijn van het kind bevorderen. Zoals, maar niet gelimiteerd tot, kosten voor school en buitenschoolse activiteiten.4.De hoogte van de bijstand is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en het aantal ten laste komende kinderen. De bedragen staan vermeld in de toelichting van deze beleidsregels.5.Belanghebbende dient op verzoek van het college de gemaakte kosten aan te tonen. Artikel 42. Bijzondere bijstand voor reiskosten voor het bezoeken van een inwonend gezinslid in ziekenhuis of andere inrichting of een inwonend gezinslid in detentie 1.Als inwonende gezinsleden in een ziekenhuis of een andere inrichting buiten de gemeente worden verpleegd, is er bijzondere bijstand mogelijk voor de reiskosten voor het op bezoek gaan. Er wordt hierbij rekening gehouden met een mogelijke vergoeding vanuit de zorgverzekering als voorliggende voorziening.2.Als inwonende gezinsleden buiten de gemeente in detentie zitten, is er bijzondere bijstand mogelijk voor de reiskosten voor het op bezoek gaan.3.De hoogte voor de in lid 1 en lid 2 genoemde kosten is één keer per maand goedkoopste vorm van vervoer.4.Wegens sociale en/of medische redenen kan van lid 3 worden afgeweken. Artikel 43. Bijzondere bijstand voor stookkosten 1.Stookkosten behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan. Aangezien de algemene bijstand voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.2.In afwijking van het eerste lid komen personen die als gevolg van ouderdom, ziekte of handicap geconfronteerd worden met extra stookkosten in aanmerking voor bijzondere bijstand voor deze kosten indien het een medische noodzakelijkheid is, aangetoond door brief huisarts, GGD of andere plausibele wijze. MAATSCHAPPELIJKE PARTICIPATIE Artikel 44. Regeling maatschappelijke participatie 1.Personen met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm komen in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van maatschappelijke participatie.2.Deze tegemoetkoming kan ingezet worden voor sociale, culturele en sportieve activiteiten die de participatie aan de samenleving bevorderen c.q. die dienen om een sociaal isolement te voorkomen of te doorbreken.3.De tegemoetkoming bestaat uit een vast bedrag per persoon per jaar.4.De aanvrager krijgt bij een aanvraag een beschikking voor het maximale bedrag waarop diens huishouden een beroep kan doen. Dit bedrag wordt ook uitbetaald. In de beschikking en in de communicatie over deze regeling wordt opgenomen dat bewijsstukken bewaard moeten worden ten bate van een mogelijke steekproefsgewijze controle achteraf. BIJZONDERE BIJSTAND AAN PERSONEN DIE RECHTENS GEDWONGEN ZIJN OPGENOMEN IN PSYCHIATRISCHE ZIEKENHUIZEN Artikel 45. Doelgroepen Bijzondere bijstand aan personen die rechtens gedwongen zijn opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen is beschikbaar voor de volgende doelgroepen: a.Mensen die gedwongen opgenomen worden in psychiatrische ziekenhuizen op grond van de Wvggz of Wzd; b.Mensen die gedwongen opgenomen worden in psychiatrische ziekenhuizen op grond van artikel 37, eerste lid, WvSr; c.Mensen die op grond van artikel 37b WvSr in een Tbs-kliniek opgenomen worden na ontslag van alle rechtsvervolging. Artikel 46. Beperkingen Bijzondere bijstand voor de kostensoorten als bedoeld in deze beleidsregels kan slechts worden verleend voor zover de belanghebbende daarin niet kan voorzien vanuit het inkomen en het aanwezige vermogen. Artikel 47. Huisvestingskosten 1.Gelet op artikel 13 lid 3 van de wet maken belanghebbenden die gedwongen zijn opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen aanspraak op bijzondere bijstand in de huisvestingskosten.2.Onder huisvestingskosten worden verstaan: de voor rekening van de belanghebbende blijvende huurlasten – na aftrek van de door de belanghebbende ontvangen huurtoeslag – voor de door hem bewoonde woning, zo nodig verhoogd met de door hem verschuldigde energielasten (vastrecht).3.Wanneer de belanghebbende een door hemzelf bewoonde koopwoning bewoont, worden onder huisvestingskosten verstaan: de rentelasten die aan de door belanghebbende afgesloten hypotheek verbonden zijn, zo nodig verhoogd met de door hem verschuldigde energielasten (vastrecht). Artikel 48. Periode waarover de bijzondere bijstand verstrekt wordt 1.De bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 47 wordt verstrekt gedurende maximaal zes maanden na de datum waarop de belanghebbende rechtens gedwongen is opgenomen;2.De in lid 1 genoemde periode kan – na een daartoe separaat ingesteld onderzoek – éénmalig met maximaal zes maanden verlengd worden. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 49. Richtprijzen Het college stelt een lijst met richtprijzen voor de verlening van de bijzondere bijstand vast. Als zodanig gebruikt het college de meest recente uitgave van het Prijzenboek Wassenaar: Richtprijzen voor de verlening van bijstand. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s. Artikel 50. Vaststelling en herziening van beleidsregels Indien de vaststelling van deze beleidsregels dan wel toekomstige herzieningen daarvan leiden tot vermindering van lopende uitkeringsrechten, treedt die vermindering pas in op de eerste dag van de volgende periode van twaalf maanden. Artikel 51. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid gemeente Wassenaar 2027’. Artikel 52. Datum van inwerkingtreding 1.Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2027. Op dat moment worden de ‘Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid gemeente Wassenaar 2020-1’ ingetrokken. Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 juli 2026, het college van burgemeester en wethouders, drs. A.P.A. Oostermeijer,gemeentesecretaris Drs L.A. de Lange,burgemeester Toelichting op de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid ALGEMEEN Artikel 1. Deze beleidsregel bevat de omschrijving van een aantal begripsbepalingen die van belang zijn voor de uitvoering van deze beleidsregels. Voor zover mogelijk zijn zij rechtstreeks uit de wet afgeleid en behoeven zij geen nadere toelichting. Het begrip ‘rechtens zijn vrijheid ontnomen’ gaat verder dan alleen een gevangenisstraf. Voor mensen die gedwongen worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis geldt ook, dat ‘rechtens hun vrijheid is ontnomen’. Voor deze groepen mensen kan het gevolg van de gedwongen opname zijn, dat hun inkomen wegvalt. Een aantal socialezekerheidswetten kent de bepaling, net als de wet, dat men geen recht op uitkering heeft als men rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Deze beleidsregels hebben betrekking op de verlening van bijzondere bijstand voor de huisvestingskosten en eventuele persoonlijke uitgaven. Artikel 2. Marginale afwijking De marginale afwijking uit het achtste lid is conform uitspraak ECLI:NL:CRVB:2021:1895 en ECLI:NL:CRVB:2017:1825 van de Centrale Raad van Beroep. Executoriaal beslag Als op (een deel van) het inkomen executoriaal beslag is gelegd met inachtneming van de beslagvrije voet, kan de inwoner over dat deel van het inkomen niet feitelijk beschikken. Het bedrag dat onder beslag valt, wordt daarom niet tot het inkomen gerekend bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. Het college rekent dus alleen met het geld dat de belanghebbende over heeft om van te leven. Daarbij doet het college een controle op de juiste toepassing van de beslagvrije voet. Ook geeft het college de inwoner voorlichting en informatie over schuldhulpverlening. Minnelijke en wettelijke schuldhulpverlening (MSNP of WSNP) Bij de WSNP wordt een vrij te laten bedrag vastgesteld, als bedoeld in artikel 295 van de Faillissementswet. Al het inkomen boven dat bedrag, gaat direct naar de aflossing van schulden. Bij de MSNP stelt de schuldhulpverlener het leefgeld vast. Ook dan gaat al het inkomen boven het leefgeldbedrag direct naar schuldeisers. Het college rekent bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand het deel van het inkomen dat in het kader van een MSNP- of WSNP-traject verplicht naar schuldeisers gaat, niet mee tot het inkomen. Het college rekent dus alleen met het geld dat de belanghebbende overhoudt om van te leven. VOORLIGGENDE VOORZIENINGEN Artikel 5. Uitgangspunt is dat de wetgever heeft bepaald dat alle vergoedingen krachtens de Wmo, de ZVW, de Jeugdwet en de Wlz, voldoende zijn en dat kennelijk een uitgebreidere vergoeding niet noodzakelijk is. Dit betekent dan ook dat alle extra kosten, die dus niet gedekt worden door de Wmo, de ZVW, de Jeugdwet of de Wlz, ook niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Immers, de wetgever heeft bepaald dat die kosten niet noodzakelijk zijn, anders waren ze wel ondergebracht in het standaardpakket en dus vergoed. Logisch gevolg daarvan is lid 2, waarin staat dat het iemand natuurlijk vrij staat om een aanvullende verzekering af te sluiten, maar dat wederom de wetgever heeft bepaald dat het standaardpakket voldoende is en een uitbreiding dus niet noodzakelijk. De premie voor die aanvullende verzekering komt dus niet in aanmerking om vergoed te worden vanuit de bijzondere bijstand. BIJZONDERE BIJSTAND AAN VOORMALIGE ALEENSTAANDE OUDERS Artikel 8. Alleenstaande ouders ontvangen een ALO-kop van de Belastingdienst (indien zij hier recht op hebben). De ALO-kop is een verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders. Dit bedrag is een extra tegemoetkoming in het levensonderhoud. Het komt voor dat de ALO-kop wegvalt, terwijl het kind nog thuis woont. Een veelvoorkomend voorbeeld is wanneer het kind 18 jaar oud wordt. Dit kan ervoor zorgen dat het gezinsinkomen daalt tot onder het sociaal minimum. In dit geval heeft de voormalige alleenstaande ouder mogelijk recht op een garantietoeslag vanuit de gemeente. Het doel van de garantietoeslag is om een terugval in het gezinsinkomen te compenseren, wanneer de ALO-kop wegvalt terwijl het kind nog thuis woont. Lid 1 beschrijft de voorwaarden voor de garantietoeslag. De garantietoeslag vult het inkomen van de voormalig alleenstaande ouder en het kind aan tot de norm, als bedoeld in artikel 21 van de wet. Lid 2 en 3 beschrijft wat de gemeente bij de berekening van de hoogte van de garantietoeslag als inkomen ziet. BIJZONDERE BIJSTAND AAN BELANGHEBBENDEN VAN 18, 19 OF 20 JAAR. Artikel 9 t/m 14. Jongeren vallen onder het regime van de (algemene) bijstand. Als hij zelf geen recht heeft op een periodieke bijstandsuitkering, heeft hij ook geen recht op aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Vanaf 1 januari 2026 is de jongerennorm binnen de algemene bijstand verhoogd. Dat betekent dat jongeren geen recht meer hebben op een aanvulling vanuit de bijzondere bijstand, om te voorzien in de kosten voor levensonderhoud. Jongeren die voor 1 januari 2026 een lopende voorziening hebben of zich voor deze datum meldden bij de gemeente, vallen onder het overgangsrecht. Dat betekent dat deze groep tot 1 januari 2029 recht houdt op de aanvulling vanuit de bijzondere bijstand. Voor de jongeren die onder de overgangsnorm vallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de normen uit de Participatiewet. Indien het noodzakelijk is dat algemene bijstand wordt verleend ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die minderjarig is (tienermoeder) wordt die bijstand bepaald op 20% van de gehuwdennorm zoals vermeld in deze beleidsregel. BIJZONDERE BIJSTAND OP BASIS VAN GROEPSKENMERKEN Artikel 34. De bijzondere bijstand voor aantoonbare, verborgen meerkosten voor personen met de pensioengerechtigde leeftijd, bedraagt per kalenderjaar maximaal: per persoon € 175. BIJZONDERE BIJSTAND VOOR SPECIFIEKE KOSTENSOORTEN Artikel 37. Lid 1 Salariskosten voor bewindvoering i.h.k.v. de WSNP De bewindvoering in het kader van de WSNP komt voort uit de faillissementswet (Fw). De bewindvoerder/curator ontvangt een vergoeding op grond van het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering en het Besluit salaris bewindvoerder schuldsanering. Het salaris wordt uit de boedel (het meerdere boven de beslagvrije voet) betaald. Als de boedel niet toereikend is, vervalt het salaris van de bewindvoerder. Bijzondere bijstand is niet aan de orde. Lid 2 Geheel of gedeeltelijk beschermingsbewind, mentorschap of curatele De wettelijke bepalingen liggen vast in het Burgerlijk Wetboek. De rechter kan dit uitspreken als de belanghebbende niet (volledig) in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen. Als de rechter geheel of gedeeltelijk beschermingsbewind, mentorschap of curatele heeft ingesteld, dan komen de kosten hiervan in aanmerking voor bijzondere bijstand waarbij voor de hoogte van deze kosten wordt uitgegaan van de tarieven als vermeld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Als er sprake is van een rechterlijke uitspraak waarin de hoogte van de vergoeding voor de bewindvoerder afwijkend van deze tarieven is vastgesteld, komen deze kosten in aanmerking voor bijzondere bijstand. Indien de kantonrechter beschermingsbewind heeft ingesteld en de kosten daarvan heeft vastgesteld, moet het college de noodzaak van de kosten in beginsel aannemen. Het college kan bij twijfel wel een onderzoek instellen om te verifiëren of de met de bewindvoering betrokken werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd daadwerkelijk zijn gemaakt Lid 3 Financieel beheer op vrijwillige basis en zaakwaarneming Zaakwaarneming houdt het behartigen van de belangen van een ander in, zonder dat diegene daar uitdrukkelijk om heeft gevraagd. Dit komt neer op het oplossen van een probleem als de verantwoordelijke daar zelf niet toe in staat is, omdat hij afwezig is. Zaakwaarneming en financieel beheer op vrijwillige basis en komen in het algemeen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Artikel 38. De Raad voor Rechtsbijstand besluit of iemand in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Indien dit niet het geval is, dan volgt de gemeente dit oordeel dat een gang naar de rechter niet noodzakelijk is. Artikel 39. De tegemoetkoming in de werkelijke kosten voor de aanschaf van een digitaal middel met toebehoren bedraagt voor huishoudens bedraagt maximaal € 200. Artikel 40. De tegemoetkoming in de werkelijke kosten voor de aanschaf van een digitaal middel met toebehoren bedraagt voor kinderen bedraagt maximaal € 300. Artikel 41. De tegemoetkoming voor huishoudens met kinderen bedraagt maximaal: -Bij 1 kind: € 300 -Bij 2 kinderen: € 400 -Bij 3 kinderen of meer: € 500 Artikel 42. In lid 4 wordt gesteld dat wegens sociale en/of medische redenen van lid 3 kan worden afgeweken. Hiermee wordt bedoeld dat de noodzakelijke bezoekfrequentie afhankelijk is van diverse factoren, zoals de familierelatie, de leeftijd van de zieke en/of de ernst van de ziekte. Deze factoren dienen meegenomen te worden in de beoordeling of van lid 3 wordt afgeweken. Artikel 43. Voor de bijzondere bijstand voor stookkosten gelden de volgende bedragen: •Gedurende koude maanden maximaal per maand: ○€ 127,06 bij alleen het woonvertrek; ○€ 285,88 bij het woon- en slaapvertrek. •Gedurende het hele jaar maximaal per jaar: ○€ 217,81 bij alleen het woonvertrek; ○€ 490,08 bij het woon- en slaapvertrek. Artikel 44. Voor de regeling Maatschappelijke Participatie geldt dat de bijstand aan alle gezinsleden kan worden toegekend. De tegemoetkoming bedraagt € 110 per persoon per jaar. Sport en recreatie: Zwembadabonnement, meerbadenkaart en lesgeld voor zwemlessen Contributie voor een sportvereniging/sportschool Aan het abonnement of lidmaatschap verbonden sportkleding Seizoen-entreekaarten van een sportvereniging Contributie van een volkstuinvereniging Seizoen-entreekaarten van een sportvereniging Contributie van een volkstuinvereniging Lidmaatschap hobbyclub Culturele activiteiten Lidmaatschap bibliotheek Lidmaatschap amateuristische kunst of culturele vereniging Cursuskosten van dans- of muziekschool Theaterabonnementen Abonnement op krant of tijdschrift Schoolreisje, -excursies, -zwemmen Kortingspassen Museumjaarkaart Cultureel Jongeren Paspoort NS voordeelurenkaart, i.v.m. bezoek van activiteiten buiten de gemeente Kosten cursussen Inschrijfkosten en lesgeld cursussen Volksuniversiteit Inschrijfkosten en lesgeld cursussen Vrije Akademie Etc. BIJZONDERE BIJSTAND AAN PERSONEN DIE RECHTENS GEDWONGEN ZIJN OPGENOMEN IN PSYCHIATRISCHE ZIEKENHUIZEN Artikel 45. Degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, heeft op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de wet geen recht op bijstand. Het begrip ‘rechtens zijn vrijheid ontnomen’ omvat zowel gevangenisstraf als andere vormen van vrijheidsontneming, zoals dwangopname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 WvSr dan wel in een Tbs-kliniek op grond van artikel 37b WvSr na ontslag van alle rechtsvervolging. Als gevolg van het wegvallen van de uitkering kan de persoon die rechtens gedwongen is opgenomen niet langer zijn ziektekostenpremie en andere (vaste) lasten voldoen. Om aan deze maatschappelijk ongewenste situatie tegemoet te komen heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de gemeenten de bevoegdheid gegeven om door middel van bijzondere bijstand voor deze groepen cliënten een financiële oplossing te bieden. De gemeente kan daarmee voorzien in onder meer de kosten van de premie voor een ziektekostenverzekering, de doorbetaling van vaste lasten die verbonden zijn aan de woning (huur, energielasten) en eventuele persoonlijke uitgaven. De beoordeling van de uiteenlopende situaties van de doelgroep met de daaruit voortvloeiende verschillen in noodzakelijke bestaanskosten is afhankelijk van een combinatie van factoren, die van geval tot geval moet worden gewogen. De staatssecretaris is van mening, dat de bijzondere bijstand vanuit het maatwerkprincipe het aangewezen kader voor deze vorm van bijstandsverlening vormt. Het is de uitdrukkelijke verantwoordelijkheid van de gemeente om uitvoering te geven aan dit maatwerkprincipe en de bijstand adequaat af te stemmen op de individuele situatie waar het betreft de ziektekostenpremie, huisvestingskosten en persoonlijke uitgaven. Deze beleidsregels hebben betrekking op drie doelgroepen: •Mensen die gedwongen opgenomen worden in een psychiatrisch ziekenhuis. Dit betreft mensen die na een daartoe door de burgemeester afgegeven verklaring gedwongen worden opgenomen, omdat zij een gevaar zijn voor zichzelf, voor anderen, of voor de algemene veiligheid van personen of goederen; •Mensen die gedwongen worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37, eerste lid, WvSr. Het betreft hier mensen die een strafbaar feit hebben begaan maar aan wie dat wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend. De rechter kan dan gelasten dat deze mensen voor de termijn van een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst worden. Dat kan echter alleen als de personen gevaarlijk zijn voor zichzelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen; •Mensen die op grond van artikel 37b WvSr in een Tbs-kliniek worden opgenomen na ontslag van alle rechtsvervolging, Het betreft hier mensen van wie de rechter heeft bevolen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist. Daaraan is in beginsel geen termijn verbonden. Artikel 48. Dit artikel voorziet erin, dat de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 47, slechts voor een beperkte periode wordt verleend. Die periode wordt gesteld op maximaal zes maanden. Het zal in het algemeen zo zijn, dat de gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis een vooropgezet tijdelijk karakter zal hebben. Wanneer de redenen die tot de gedwongen opname hebben geleid niet meer aanwezig zijn, is de grond onder de gedwongen opname vervallen en zal de cliënt in het algemeen terugkeren in zijn normale woon- en leefsituatie. Het college gaat ervan uit dat daarover binnen een termijn van zes maanden in het algemeen duidelijkheid zal ontstaan. Het kan echter voorkomen dat de gedwongen opname in een enkel geval ook na de periode van zes maanden nog zal voortduren. Het is dan mogelijk om de termijn van zes maanden eenmaal met zes maanden te verlengen. In totaal kan de bijzondere bijstand dus gedurende maximaal een jaar verleend worden. Het college sluit daarbij aan bij de termijn die genoemd wordt in artikel 37 WvSr. De rechter kan gelasten dat een persoon gedurende een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst wordt. Het college is van mening, dat als het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis na twaalf maanden nog voortgezet wordt, er niet meer sprake is van een tijdelijk karakter.

Meer informatie