Beleidsregels Gebruiksinstructies bevoegdheid gebiedsontzegging gemeente Beuningen

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op6 augustus 2026
Gepubliceerd doorGemeente Beuningen

Beleidsregels Gebruiksinstructies bevoegdheid gebiedsontzegging gemeente Beuningen Geconsolideerde tekst van de regeling De burgemeester van de gemeente Beuningen, gelet op: •artikel 2:78 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Beuningen; •artikel 177 van de Gemeentewet; •artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; •artikelen 10:4, 10:6 en 10:9 van de Algemene wet bestuursrecht; •het Mandaatbesluit gemeente Beuningen artikel 2:78 APV; overwegende: •Dat het gewenst is om beleidsregels vast te stellen voor de uitvoering van het mandaat; besluit vast te stellen de: Beleidsregels Gebruiksinstructies bevoegdheid gebiedsontzegging gemeente Beuningen Hoofdstuk 1: Algemeen Artikel 1: Begripsomschrijvingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. Gebied: een geografische zone die wordt afgebakend door wegen, waterwegen of groenvoorzieningen, inclusief deze wegen, waterwegen en groenvoorzieningen zelf. b. Gebiedsontzegging: een op schrift gesteld bevel uit naam van de burgemeester om zich gedurende een in het bevel bepaalde periode niet anders dan in een openbaar middel van vervoer in aangewezen gebieden aanwezig te zijn. c. Zich op een openbare plaats ophouden: ergens aanwezig zijn. d. Samenscholing: een samenscholing als bedoeld in artikel 2.1 APV. Artikel 2: Feiten en termijnen 1. De gedragingen waarvoor de gemandateerde een gebiedsontzegging kan opleggen en de termijnen die hieraan verbonden zijn, staan in de feiten- en termijnentabel (bijlage 1). 2. Een constatering van een feit uit de feiten- en termijnentabel is de basis voor een gebiedsontzegging. De gedraging hoeft niet per se op straat plaats te vinden, maar er moet wel een verbinding met de openbare orde zijn. 3. Een gebiedsontzegging treedt in werking op het moment dat het besluit bij de betrokkene bekend is. Als er al een gebiedsontzegging geldt, gaat de termijn van de nieuwe ontzegging in na afloop van de lopende. Artikel 3: Opleggen gebiedsontzegging 1. De gemandateerde geeft in het besluit duidelijk aan in welk gebied, voor welk tijdvak en op grond van welke feiten de ontzegging geldt. 2. Een persoon krijgt in principe een gebiedsontzegging voor één aangewezen gebied. Slechts bij uitzondering krijgt een persoon een gelijktijdige ontzegging voor meerdere gebieden. Als deze uitzondering noodzakelijk is, dan staat in het besluit welke bijzondere omstandigheden een gelijktijdige ontzegging rechtvaardigen. 3. Als de politie een proces-verbaal opmaakt tegen een persoon voor het plegen van een feit uit de feiten- en termijnentabel (bijlage 1) in een aangewezen gebied, dan geldt de volgende werkwijze: a. Als een persoon in de zes maanden voor de delictsdatum geen waarschuwing of gebiedsontzegging kreeg, dan krijgt deze een schriftelijke waarschuwing. De waarschuwing geldt binnen de gehele gemeente Beuningen voor de duur van zes maanden. b. Als een persoon in de zes maanden voor de delictsdatum een waarschuwing kreeg, dan krijgt deze een gebiedsontzegging van ten hoogste 24 uur (artikel 2:78 lid 1 APV), omdat er een redelijke kans is dat deze de openbare orde opnieuw verstoort. De ontzegging geldt voor alle feiten uit de feiten- en termijnentabel (ongeacht de categorie). c. Als een persoon in de zes maanden voor de delictsdatum een gebiedsontzegging van ten hoogste 24 uur kreeg, dan krijgt deze een gebiedsontzegging conform de feiten- en termijnentabel (bijlage 1), maximaal 8 weken (artikel 2:78 lid 2 APV), omdat er een redelijke kans is dat deze de openbare orde opnieuw verstoort. 4. In afwijking van artikel 3, derde lid, onder a, legt de gemandateerde direct een gebiedsverbod van op 8 uur indien sprake is van een directe vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde en de vereiste spoed zich verzet tegen het geven van een waarschuwing. 5. Als er sprake is van een staandehouding of aanhouding op heterdaad, dan wordt de gebiedsontzegging onmiddellijk uitgereikt. Indien een persoon buiten heterdaad wordt aangehouden, wordt de gebiedsontzegging alsnog onmiddellijk uitgereikt, voor zover de duur van de op te leggen gebiedsontzegging op dat moment nog niet is verstreken. Daarbij geldt dat de tussenliggende periode in mindering wordt gebracht op de termijn van de gebiedsontzegging. Met andere woorden: de termijn begint te lopen op de delictsdatum. Artikel 4: Zienswijze 1. De persoon aan wie een gebiedsontzegging wordt opgelegd, wordt in de gelegenheid gesteld mondeling zijn zienswijze kenbaar te maken overeenkomstig artikel 4:8 en 4:11 Awb. 2. Als deze persoon aantoont dat hij een zwaarwegend belang heeft om zich in het gebied op te houden (wonen, werken, school, huisarts, hulpverlening), dan wordt in het besluit een looproute opgenomen. Het is de persoon in dat geval uitsluitend toegestaan om via deze looproute naar de betreffende locatie te gaan en deze locatie weer te verlaten. De persoon begeeft zich daarbij rechtstreeks naar de locatie en mag zich niet op andere openbare plaatsen binnen het gebied ophouden. 3. De persoon toont zelf aan of hij een zwaarwegend belang heeft om zich op te houden in het gebied. Meestal gaat het om belangen in de persoonlijke sfeer, zoals wonen, werken, naar school gaan of een bezoek aan een huisarts, advocaat of hulpverleningsinstantie. Artikel 5: Informatieplicht 1. De gemandateerde informeert de burgemeester over de uitgereikte waarschuwingen en de opgelegde ontzeggingen. Dit gebeurt ten minste één keer per maand, of vaker op verzoek van de burgemeester. 2. De beleidsadviseur Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Beuningen informeert de politie over ingediende bezwaren, beroepen, hogere beroepen en voorlopige voorzieningen evenals over de voorgenomen beslissingen op bezwaar. Artikel 6: Inwerkingtreding 1. Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking. 2. Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als de Beleidsregels ‘Gebruiksinstructies bevoegdheid gebiedsontzegging’ gemeente Beuningen. Aldus besloten op 21 juli 2026De burgemeester van Beuningen,D. Bergman Bijlage 1: Feiten- en termijnentabel Categorie 1 De onderstaande feiten leiden tot een ontzegging van twee weken: Samenscholing en ongeregeldheden (art. 2:1 APV) Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen (art. 2:47 APV) Verboden drankgebruik (art. 2:48 APV) Verboden gedrag bij of in gebouwen (art. 2:49 APV) Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten (art. 2:50 APV) Natuurlijke behoefte doen (art. 4:8 APV) Baldadigheid (art. 424 WvSr) Openbare dronkenschap (art. 426 WvSr) Categorie 2 De onderstaande feiten leiden tot een ontzegging van vier weken: Vervoer inbrekerswerktuigen (art. 2:44 APV) Drugshandel op straat (art. 2:74 APV) Huisvredebreuk (art. 138 WvSr) voor zover er een duidelijke relatie met de openbare orde bestaat Openlijke geweldpleging gericht op goederen (art. 141 WvSr) Weerspannigheid (art. 180 WvSr) Negeren van een bevel of vordering (art. 184 WvSr) Beledigen van een ambtenaar in functie (art. 267, lid 1, sub 2 WvSr) Bedreiging met openlijk geweld of de dood (art. 285 WvSr) Eenvoudige mishandeling (art. 300 WvSr) Eenvoudige diefstal, zoals zakken- en tassenrollerij (art. 310 WvSr) Flessentrekkerij (art. 326a WvSr) Vernieling en beschadiging (art. 350 WvSr) Verboden toegang voor onbevoegden (art. 461 WvSr) Het vervaardigen van meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs (lijst II) (art. 3 Opiumwet) Het vervaardigen van meer dan een gebruikershoeveelheid harddrugs (lijst I en Ia) (art. 2 en 2a Opiumwet) Voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie van categorie IV (art. 13 Wet wapens en munitie) Categorie 3 De onderstaande feiten leiden tot een ontzegging van acht weken: Overtreden gebiedsontzegging (art. 2:78 APV) Openlijke geweldpleging gericht op personen (art. 141 WvSr) Doodslag en poging daartoe (art. 287 WvSr) Zware mishandeling (art. 302 WvSr) Afpersing (art. 317 WvSr) Afdreiging (art. 318 WvSr) Het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben ('dealen') van softdrugs of harddrugs (lijst I, Ia en II) (art. 2, 2a en 3 Opiumwet) Voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie van categorie I, II of III (art. 26 en art. 27 Wet wapens en munitie)

Meer informatie