Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2026
Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2026 Intitulé Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2026 De raad van de gemeente Waalwijk; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 mei 2026. Gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zesde lid, 2.1.4a, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo); Overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; Overwegend het besluit van 3 november 2022 van de raad om de uitgangspunten van de koers sociaal domein vast te stellen voert de gemeente Waalwijk een veranderopgave uit in het Sociaal Domein. Het belangrijkste resultaat hierbij is “Het vergroten van de bestaanszekerheid en de veerkracht van kwetsbare inwoners. door de omstandigheden waarin mensen leven te verbeteren en door de inzet op preventie en publieke voorzieningen.” De gemeente gaat de veerkracht van inwoners en gemeenschappen versterken, zodat de ‘samenredzaamheid’ wordt vergroot. Waar het zwaartepunt van de inzet lag op individuele zorg met een indicatie, wordt dit verschoven naar preventie, gericht op het versterken van individuen en gemeenschappen ofwel de sociale basis. BESLUIT: - Vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2026. Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. Algemeen gebruikelijke voorziening Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: -niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; -daadwerkelijk beschikbaar is; -een passende bijdrage levert aan het zorgen voor een situatie waarin de cliënt zelfredzaam kan zijn of kan participeren; en - met een inkomen op minimumniveau financieel kan worden gedragen; en - de voorziening naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen gangbaar is onder de gehele bevolking. 2. Algemene voorzieningAanbod van diensten en activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet. 3. Andere voorzieningVoorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 4. BeleidsregelsBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning Waalwijk. 5.BeschikkingEen beschikking zoals omschreven in artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht van het college van Waalwijk over de toegang tot voorzieningen. 6.CliëntPersoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. 7.Eigen bijdrageEigen bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet. 8. Financiële tegemoetkomingEen maatwerkvoorziening in de vorm van een forfaitair of gemaximeerd bedrag. 9. HoofdverblijfDe woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en - in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel - zal staan ingeschreven; dan wel - het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. 10.HulpvraagBehoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. 11.IngezetenePersoon die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Waalwijk. 12.GesprekGesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. 13.MaatwerkvoorzieningOp de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:a. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,b. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,c. ten behoeve van beschermd wonen en opvang door de centrumgemeente. 14. Melding Melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. 15.Persoonlijk plan Plan waarin de persoon de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatwerkvoorziening naar zijn mening het meest is aangewezen. 16. ProfessionalEen hulpverlener die ofwel met behulp van relevante diploma’s, met relevante werkervaring en/of met inschrijvingen in (een) kwaliteitsregister(s) voor de zorg kan aantonen over de juiste vaardigheden en expertise te beschikken voor de uitvoering van de voor de situatie relevante taken. 17. PgbPersoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet. 18.Sociaal netwerkHet sociale netwerk is een verzamelnaam voor de groep mensen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Mantelzorgers horen daarbij, net als (andere) familieleden, vrienden, buren en collega’s. Netwerken van mensen verschillen in grootte en samenstelling. Ze bestaan uit hechte contacten tussen mensen die elkaar regelmatig zien, maar ook uit contacten die meer op afstand zijn of een meer los karakter hebben. 19.Toezichthoudend ambtenaarEen persoon, aangewezen door het college, die is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde, bij of krachtens de Wmo 2015 (Wmo 2015, artikelen 4.3.1, 6.1 en 6.2) en Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. 20.UitvoeringsbesluitUitvoeringsbesluit Wmo 2015. 21.Wet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 22.ZelfredzaamheidIn staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. 23.HuisgenootHuisgenoot is iedereen die op het woonadres van cliënt verblijft en behoort tot de leefeenheid van cliënt. Van huisgenoten mag worden verwacht dat zij zich inspannen tot het bevorderen en in standhouden van een gezonde levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Van de leefeenheid mag worden verwacht dat - bij uitval van één van de leden van die leefeenheid - wordt gestreefd naar een herverdeling van de huishoudelijke taken. De vraag of een huisgenoot tot de leefeenheid c.q. de huishouding van cliënt behoort is afhankelijk van feitelijke omstandigheden. 24.Eigen kracht, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen De mogelijkheid van een persoon om zelf om te gaan met tegenslagen in het leven en/of zich hierbij in het kader van gebruikelijke hulp of vanuit het sociale netwerk te laten ondersteunen. 25.Gebruikelijke hulpOnder gebruikelijke hulp wordt verstaan de gebruikelijke hulp zoals omschreven in artikel 7. 26.Voorzieningen in de sociale basisHet totaal aan algemene voorzieningen in de gemeente. Als een algemene voorziening passend is wordt deze ingezet bij een ondersteuningsvraag in het kader van de Wmo. Pas als de algemene voorziening niet passend is of blijkt te zijn kan de inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Hoofdstuk 2 Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning Artikel 2. Melding hulpvraag 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding. Artikel 3. Onderzoek 1.Het college onderzoekt de hulpvraag samen met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger. Waar mogelijk spreekt het college ook met het sociale netwerk om te onderzoeken of gebruikelijke hulp passend is. Waar mogelijk verwijst het college de inwoner naar een voorzieningen in de sociale basis. Indien nodig spreekt het college met deskundigen om te onderzoeken of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Voor zover nodig betrekt het college de factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet, bij het onderzoek. 2.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. Het college wijst cliënt op de mogelijkheid om zich te laten ondersteunen door een onafhankelijke cliëntondersteuner. 3.Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek noodzakelijk zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 4.Tijdens het gesprek wordt aan de persoon dan wel diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze zijn. In een pgb-formulier motiveert cliënt de keuze voor een pgb en wie de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening is. Het college onderzoekt op welke wijze de kwaliteit van de zorg wordt gewaarborgd en of de voorgenomen hulpverlener beschikt over de juiste kwalificaties. Het college kan bij deze beoordeling onder andere een registratie in het Handelsregister, behaalde diploma’s, een HKZ certificaat, een ISO 9001 certificaat, SKJ registratie en of BIG registratie betrekken. 5.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 6.Het college wijst de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger op de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 5 in te dienen. 7.Als de cliënt en de hulpvraag genoegzaam bekend zijn, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel 4. Verslag 1.Het college zorgt voor een schriftelijke verslaglegging van het gesprek. 2.De cliënt tekent het verslag voor gezien of voor akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan afdeling Wijz. 3.Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 4.Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Hoofdstuk 3 De aanvraag van een maatwerkvoorziening Artikel 5. Aanvraag 1.Een cliënt of zijn vertegenwoordiger kan voor een maatwerkvoorziening een schriftelijke aanvraag indienen bij het college. Dat kan ook als het college voornemens is om de aanvraag af te wijzen vanwege verwijzing naar bijvoorbeeld eigen kracht of een algemene voorziening. 2.Het college kan een getekend gespreksverslag met plan van aanpak aanmerken als aanvraag. 3.Een aanvraag zal door het college in behandeling worden genomen, indien:a. deze is voorzien van vermelding om welke maatwerkvoorziening(en) het gaat;b. deze vermeldt of de voorkeur uitgaat naar zorg in natura of een pgb;c. deze is voorzien van ondertekening door de cliënt of diens vertegenwoordiger;d. deze is voorzien van naam, adres, geboortedatum en BSN van de cliënt, en – indien van toepassing – naam en adres van de vertegenwoordiger;e. in het geval de aanvraag wordt ingediend door een vertegenwoordiger een door de cliënt getekende volmacht is bijgevoegd, tenzij de vertegenwoordigingsbevoegdheid rechtstreeks voortvloeit uit de wet;f. is voldaan aan de identificatieplicht van de cliënt. Hoofdstuk 4 Beoordeling van de aanspraak Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt; ofb. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. 2.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; ofc. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 3.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:a. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Waalwijk;b. voor zover de cliënt, naar het oordeel van het college, de problematiek op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen; c. voor zover deze niet langdurig noodzakelijk is;d. indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak en passendheid achteraf nog kan worden vastgesteld;e. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van aanvragen heeft gemaakt, tenzij cliënt kan aantonen dat er sprake was van een acute situatie;f. voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;g. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de aanvraag tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;h. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande en bekende beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase;i. ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie indien er geen sprake is van geobjectiveerde beperkingen vastgesteld aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden; ofj. indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt of zijn huisgenoten niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8, eerste en derde lid van de wet of artikel 5 van deze Verordening. 4.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt aan een cliënt die beperkingen ondervindt in het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning, indien:a. sprake is van een woonvoorziening in woongebouwen die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat:1°. reeds voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimten; of2°. voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen;b. de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning waarvoor de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd;c. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud;d. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college. Na een periode van vijf jaar na de verhuizing vervalt deze automatische uitsluiting van een maatwerkvoorziening, maar wordt een nieuwe afweging gemaakt;e. de gevraagde voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning;f. de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd;g. de woonruimten niet geschikt of bedoeld zijn voor permanente bewoning zoals een hostel/pension, tweede woning, vakantie- en recreatiewoning. Bij kamerverhuur kan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt. 5.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 6.Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze, gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor zichzelf en zijn omgeving is en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. 7.Een maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen wordt verstrekt overeenkomstig de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg en de hierop gestoelde nadere regels en/of beleidsregels van de centrumgemeente Tilburg. 8.De omvang van een maatwerkvoorziening voor vervoer binnen de regio Midden-Brabant ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie bedraagt maximaal 1500 kilometer per jaar. 9.De cliënt moet zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb binnen 3 maanden gebruiken voor het resultaat waarvoor het is verstrekt. 10.Maatwerkvoorzieningen worden in het Nederlands verstrekt, tenzij maatwerk anderszins noodzakelijk maakt. Artikel 7. Gebruikelijke hulp 1.De cliënt komt pas in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als hij zelf geen oplossing kan vinden voor de hulpvraag met gebruikelijke hulp. 2.Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van:a. De inwonende echtgenoot, dan wel daaraan gelijkgestelde, zoals bedoeld in art. 1.1.2 Wmo 2015b. Inwonende oudersc. Inwonende kinderend. Of andere huisgenotenHet is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar onderling moeten bieden, omdat ze samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden en voor elkaar. 3.Het college maakt bij de beoordeling of de (gebruikelijke) hulp van de huisgenoot verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: a. Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Het gaat hierbij over een periode van maximaal drie maanden in één jaar. b. Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar de verwachting de hulp bij de zelfredzaamheid en/of participatie langer dan drie maanden aansluitend nodig is. 4.Het college verwacht van huisgenoten dat zij in kortdurende situaties de benodigde hulp bieden. Het gaat hierbij ook om hulp die meer omvat dan alleen de gangbare gebruikelijke hulp. 5.Het college verwacht van huisgenoten dat zij in langdurende situaties de gebruikelijke hulp bieden. Wat gebruikelijke hulp is, wordt bepaald aan de hand van de leden 6,7 en 8. 6.Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de cliënt:a. De aard van de relatie met de huisgenootb. De mate van hulp die cliënt nodig heeftc. De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteitd. De mate van planbaarheid van de hulpe. De behoefte en mogelijkheden van de cliënt 7.Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de huisgenoot:a. De leeftijd van de huisgenootb. De woonsituatiec. De beschikbaarheid om hulp te biedend. De kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te biedene. De lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenootf. Of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot (zoals relationele problemen of schulden)g. Welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingenh. Het belang van de huisgenoot om een inkomen uit arbeid te krijgeni. De vraag of financiële problemen (kunnen) ontstaan door het bieden van de hulp 8.Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt bovendien het volgende:- Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de hulp aan de cliënt.- Als de (over)belasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulpverlening aan de cliënt om, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.- Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.- Als de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht. Als sprake is van (dreigende) overbelasting wordt geen pgb voor het verlenen van hulp aan cliënt door een huisgenoot verstrekt. Een al eerder verleend pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener wordt ingezet voor de benodigde hulp. Artikel 8. Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Het college vergewist zich van de zorgvuldigheid van extern uitgevoerd onderzoek en advies alvorens dit over te nemen. Artikel 9. Inhoud beschikking In de beschikking tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven: - Of en zo ja, welke voorziening wordt verstrekt, waaronder omvang, doelen en eventuele voorwaarden, - de ingangsdatum en duur van de voorziening, - of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt, - in geval van een pgb het doel, de kwaliteitseisen voor besteding, de hoogte van het pgb en hoe dit is vastgesteld, - of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening, - binnen welke termijn de cliënt zich tot de aanbieder moet hebben gewend dat wel het pgb moet hebben gebruikt, - hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget en financiële tegemoetkomingen Artikel 10. Criteria voor een pgb 1.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2.Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op:a. kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt, tenzij sprake is van een acute situatie; en kosten die de cliënt na de melding en voor datum van besluit heeft gemaakt, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak en passendheid achteraf nog kan worden vastgesteld;b. bemiddelingskosten (zoals belangbehartigers of tussenpersonen);c. administratiekosten (zoals de extra kosten wanneer er met een acceptgiro wordt gefactureerd);d. een eenmalige uitkering (ter compensatie van het verlies van inkomsten van de particuliere zorgverlener);e. reiskosten voor woon-werkverkeer;f. feestdagenuitkering;g. vaste maandlonen (de budgethouder moet de zorgverlener via een declaratie of factuur laten uitbetalen). 3.Het college kan de verlening van een pgb weigeren indien:a. de cliënt geen volledig ingevuld pgb-formulier heeft overlegd volgens het door het college vastgestelde model, weigert het pgb-formulier desgevraagd met het college te bespreken of zonder geldige reden niet verschijnt op de afspraak om het pgb-formulier te bespreken, waardoor niet beoordeeld kan worden of de cliënt in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen of tot een verantwoorde uitvoering van de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken;b. de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen;c. de cliënt het beheren van het persoonsgebonden budget overlaat aan de aanbieder die de ondersteuning levert of een persoon die werkzaam is bij of voor deze aanbieder en deze naar het oordeel van het college niet in staat is tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt;d. naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat met het pgb zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit. 4.Om belangenverstrengeling te voorkomen zal de persoon uit het sociaal netwerk, de zorgverlener of zorginstelling, van wie de dienst wordt betrokken niet het pgb-budget beheren. Het college kan hiervoor bij uitzondering toestemming geven vanwege bijzondere omstandigheden. Dit laatste is ter beoordeling aan het college. Artikel 11. De hoogte van een pgb 1. De hoogte van een pgb:a. is gebaseerd op een door de cliënt ingevuld pgb-formulier waarin staat hoe het pgb wordt besteed;b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering; enc. bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Indien geen maatwerkvoorziening is ingekocht, wordt het pgb berekend op basis van de kosten voor een soortgelijke voorziening in natura. Jaarlijks kan indexering van het pgb-bedrag plaatsvinden, gebaseerd op kostenontwikkelingen en prijsafspraken met aanbieders. 2.De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor:a. een zaak: op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop het product technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhouds- en verzekeringskosten. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhouds- en verzekeringskosten.b. dienstverlening:1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt:a. Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform art. 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;b. Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform art. 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van desbetreffende taken. 3. Informele hulp is:a. Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;b. Hulp die geboden wordt door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van cliënt horen; De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor:1. Formele hulp werkzaam bij een geregistreerde zorgaanbieder of een zelfstandige: op 85% van het gecontracteerde zorg in natura aanbod.2. De hoogte van het pgb voor informele hulp is gelijk aan het minimumloon, vermeerderd met de vakantiebijslag en, zo nodig, tegenwaarde van de verlofuren en werkgeverslasten.c. vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren;d. taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke Wmo-tarief en uitgaande van 1.500 kilometers per jaar;e. een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen op basis van ten minste twee of meerdere offertes; f. het bezoekbaar maken van een woning: op de goedkoopst adequate offerte van één of meer offertes, rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer;g. een woningaanpassing die niet door een verhuurder wordt uitgevoerd: op de goedkoopst adequate offerte van één of meer offertes, rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. 4.Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk onder de volgende voorwaarden:a. dat deze persoon een tarief hanteert voor zijn diensten dat niet hoger is dan het op grond van het eerste en tweede lid gehanteerde tarief enb. dat tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb mogen worden betaald.c. dat het informele pgb niet wordt ingezet ter bekostiging van gebruikelijke zorg of mantelzorg. d. dat het informele pgb niet wordt toegekend als er sprake is van een (mogelijke) overbelasting van degene die de ondersteuning gaat bieden. 5.Er is geen vrij besteedbaar deel binnen het pgb. 6.De actuele kostprijzen die gebruikt worden voor het berekenen van de hoogte van de toe te kennen voorzieningen in pgb worden benoemd op de website ‘www.waalwijk.nl’. 7.Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het persoonsgebonden budget. Artikel 12. Financiële tegemoetkoming 1.Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie en het gaat om één van de volgende voorzieningen:a. De kosten voor verhuizen en herinrichting ten bedrage van €2.400,-b. De kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is én cliënt geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. De hoogte bedraagt € 447,75 per jaar. Indien men een voorziening voor het verplaatsen op de korte afstanden zoals b.v. een scootmobiel verstrekt heeft gekregen, wordt de vergoeding met 50% gekort vanwege samenvallende vervoersbehoefte.c. De kosten voor een sportvoorziening. De hoogte is gebaseerd op de feitelijk gevraagde voorziening, inclusief onderhoud, verzekering en dergelijke, met een maximum van € 2.600,- per drie jaar. Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten Artikel 13. Regels voor eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1.Een cliënt is een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.Voor de maatwerkvoorzieningen die niet genoemd worden in lid 3 en 4 bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen de kostprijs, tot aan het bedrag genoemd in art.2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten samen. 3.In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, bedraagt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor het collectief vervoer het tarief zoals vastgesteld door Regiovervoer Midden-Brabant. 4.Voor ritten zoals bedoeld in lid 3 heeft Regiovervoer Midden-Brabant piektijden vastgesteld. 5.De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na een consultatie in de markt of in overleg met de aanbieder. 6.De kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening in natura, anders dan voor dienstverlening, wordt als volgt vastgesteld:a. als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt gehuurd, wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is gelijk aan de huur die de gemeente voor de voorziening over die periode verschuldigd is aan de verhuurder van de voorziening;b. als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt ingekocht, wordt de kostprijs vastgesteld op de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is aan de door de gemeente gecontracteerde leverancier van de voorziening. 7.De kostprijs van dienstverlening in natura wordt per periode vastgesteld en is gelijk aan de vergoeding die de gemeente voor de dienstverlening over die periode verschuldigd is aan de door de gemeente gecontracteerde aanbieder. 8.De kostprijs van een eenmalig pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb dat is verstrekt. 9.De kostprijs van een periodiek verstrekt pgb is per periode gelijk aan de hoogte van het pgb dat over deze periode is verstrekt. 10.Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene op wie een verplichting als bedoeld in artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek rust, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. Hoofdstuk 7 Kwaliteit en veiligheid Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Het college ziet erop toe dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard, daaronder in ieder geval begrepen, door:a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; 2.Het college ziet erop toe dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende kenmerken tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden, ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, het houden van een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 4.Het college merkt de Richtlijn ZorgLeefPlan en de Richtlijn Verpleegkundige en verzorgende verslaglegging aan als zijnde in overeenstemming met de op de professional rustende verantwoordelijkheid - voortvloeiende uit de professionele standaard – als bedoeld in artikel 3.1. van de wet. Artikel 15. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst daarvoor een toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit die en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 16. Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2.Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van een verzoek op grond van het eerste lid. Hoofdstuk 8 Handhaving Artikel 17. Misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet 1.Het college informeert cliënten, hun vertegenwoordiger en zorgaanbieders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet dan wel hetgeen krachtens de wet is verstrekt of toegekend. 2.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de kwaliteit en de recht- en doelmatigheid. 3.Het college stelt onderzoek in naar de rechtmatigheid van een maatwerkvoorziening of pgb indien een gegrond vermoeden bestaat van misbruik of van oneigenlijk gebruik van de wet door cliënten dan wel door zorgaanbieders. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat sprake is van misbruik en of oneigenlijk gebruik. 5.Verhaal van kosten geschied in overeenstemming met artikel 2.4.1. van de wet indien de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden. 6.Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen. Hoofdstuk 9 Overige bepalingen Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst als bedoeld in artikel 13 stelt het college vast:a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; ofb. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht als bedoeld in artikel 13 en; b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:a. de kosten van de beroepskracht;b. redelijke overheadkosten;c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;d. reis en opleidingskosten;e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; enf. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel 19. Waardering mantelzorgers Het college kan nadere regels bepalen waaruit de blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. Artikel 20. Klachtregeling Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders. Artikel 21. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders. Artikel 22. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente, cliënten en cliëntgroepen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, via de Sociale Adviesraad Waalwijk. 2.Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid. Artikel 23. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens 4 jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Artikel 24. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 25. Privacy Op de gegevensverwerking, privacy en toestemming op grond van deze verordening zijn de wettelijke bepalingen in de Wmo 2015 en daaruit afgeleide regelgeving, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Verordening Gegevensbescherming van toepassing. Hoofdstuk 10 Slotbepalingen Artikel 26. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2024 wordt ingetrokken. 2.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2024 of eerdere verordeningen totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of totdat de looptijd van de oorspronkelijke beschikking is verstreken. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de werking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2024 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4.Bezwaarschriften, gericht tegen besluiten die zijn genomen onder de werking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2024, waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2024 tenzij de Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2026 en het beleid op het moment van heroverweging meer rechten en of waarborgen voor cliënt biedt. Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag, na die waarop deze is bekend gemaakt. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2026. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 25 juni 2026. De raad van Waalwijk, De griffier, de voorzitter, Jeroen Deneer, Sacha Ausems Toelichting Verordening Maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2026 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken zijn toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Een van de uitgangspunten hierbij was en is dat er telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk en de inzet van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om: -de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, -om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, -om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen bezwaar maken conform de gemeentelijke bezwaarprocedure en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of: -de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, -de gemeente het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht, -de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering en toewijzing van hulp zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige (senior) regisseurs, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. De artikelen zoals opgenomen in deze verordening zijn in overeenstemming met de gemeentelijke voorschriften zoals opgenomen in de Wmo 2015. Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens heeft vastgesteld. In dit beleidsplan is op hoofdlijnen aangegeven wat de gemeente gaat doen om de visie en uitgangspunten op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning te realiseren. Artikelsgewijs HOOFDSTUK 1 Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven. -aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; -begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven; -cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; -gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; -maatschappelijke ondersteuning:1° bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,2° ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,3° bieden van beschermd wonen en opvang; -mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; -participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; -persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; -vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. HOOFDSTUK 2 Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning Artikel 2. Melding hulpvraag Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet eerder kan worden gedaan dan, nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een bericht elektronisch (onder meer per e-mail) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende melding te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Artikel 3. Onderzoek Bij het onderzoek zal in samenspraak met de cliënt en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een maatwerkvoorziening. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger) wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de cliënt en de thuissituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de cliënt (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger). De factoren waarnaar verwezen wordt in het eerste lid betreffen: a.de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b.de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c.de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d.de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e.de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f.de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang en; g.welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet, verschuldigd zal zijn. Het gesprek moet plaatsvinden binnen de wettelijke termijn van 6 weken. In onderdeel b van artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”. Het vierde lid van dit artikel biedt criteria om de vrije keuze voor een persoonsgebonden budget en de kwaliteit van de zorg(verlener) reeds in het onderzoek duidelijk te hebben. Deze zorgvuldigheid is een uitvloeisel van de Algemene wet bestuursrecht. Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het zevende lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Artikel 4. Verslag Deze bepaling is overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Doordat de gemeente aan de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt, wordt deze in staat gesteld een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Een verslag bevat echter geen volledige weergave van de in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken. Alleen gegevens die noodzakelijk zijn voor om te kunnen voorzien in de behoefte van de cliënt worden opgenomen. Een goede weergave hiervan maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek anders zijn naar gelang de uitkomsten van het onderzoek variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente het verslag ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien worden vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. De uiterlijke termijn voor afronding van het plan van aanpak is 10 werkdagen na het onderzoek. HOOFDSTUK 3 De aanvraag van een maatwerkvoorziening Artikel 5. Aanvraag In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. De wet bepaalt verder dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet). In dit artikel is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. In het derde lid is aangegeven aan welke vereisten een aanvraag moet voldoen. Deze vereisten vloeien voort Afdeling 4.1.1. ‘De aanvraag’ van de Awb. HOOFDSTUK 4 Beoordeling van de aanspraak Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van cliënten per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Het eerste lid is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet. Het gebruik van ‘of’ tussen de twee onderdelen van het eerste lid maakt duidelijk dat deze onderdelen niet cumulatief zijn bedoeld. In het tweede, derde en vierde lid worden weigeringsgronden genoemd voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Voorliggende voorzieningen (algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen) gaan voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Onderdeel h van het derde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Het vijfde lid van artikel 6 kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostengoeding. De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert. Het achtste lid betreft het budget van 1500 kilometer dat met ingang van 1 januari 2024 gehanteerd wordt voor vervoersvoorzieningen zoals collectief vervoer. Onder de Wmo 2015 kan het college volstaan met een voorziening waarmee een cliënt 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar kan reizen. Deze afstandscriteria zijn algemeen aanvaard in de jurisprudentie. Tot 1500 km betaalt men het Wmo-tarief. Op de website https://regiovervoermiddenbrabant.nl staan de actuele tarieven vermeld. Artikel 7. Gebruikelijke hulp Van inwoners die hun hoofdverblijf hebben met een huisgenoot die gebruik wil maken van ondersteuning vanuit de Wmo 2015 wordt verwacht dat zij zorgdragen voor het functioneren van het huishouden als er tijdelijk hulp nodig is. Er wordt een verschil gemaakt tussen kortdurende hulp van minder dan drie maanden in een jaar of van langdurende hulp van meer dan drie maanden in een jaar. In een kortdurende situatie wordt geen hulp ingezet vanuit de gemeente, maar wordt van de huisgeno(o)t(en) verwacht dat zij alle benodigde hulp op zich nemen. Bij hulp langer dan drie maanden houdt de gemeente rekening met de relatie tot de hulpvragende huisgenoot, de situatie van de hulpverlenende huisgenoot en of er door de hulp sprake kan zijn van (dreigende) overbelasting van de huisgenoot. Afhankelijk van deze factoren wordt gekeken of er hulp wordt ingezet en hoeveel hulp wordt ingezet. Als geconstateerd wordt dat er sprake is van (dreigende) overbelasting door het bieden van hulp door de huisgenoot kan de huisgenoot geen PGB aanvragen of benutten. Een andere zorgverlener moet in dat geval worden ingezet. Artikel 8. Advisering Aan het onderzoeksproces (zie artikel 4) zitten allerlei zorgvuldigheidseisen vast. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Artikel 9. Inhoud beschikking In de verordening is de bepaling over de inhoud van de beschikking algemeen gehouden. Het college moet de mogelijkheid hebben om, indien nodig, een meer algemene beschikking af te geven waarbij de inhoud van de voorziening nog niet tot in detail is vastgelegd. De inhoud van de beschikking wordt in de geldende Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Waalwijk verder gespecificeerd. HOOFDSTUK 5 Persoonsgebonden budget Artikel 10. Criteria voor een pgb In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel (2.3.6) van de wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de cliënt te geven. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. Dit artikel is met name van belang voor pgb's die met terugwerkende kracht worden aangevraagd. De toevoeging 'tenzij sprake is van spoedeisend belang' verwijst naar artikel 2.3.3 van de Wet. Bij een aanvraag met terugwerkende kracht moet de cliënt aantonen dat er sprake was van een spoedeisend belang. Hiermee wordt voorkomen dat het college achteraf de noodzaak van een voorziening met terugwerkende kracht moet aantonen. Daarnaast worden in het tweede lid kostenposten opgenomen die eveneens niet leiden tot een pgb. Het derde lid bevat een aantal weigeringsgronden die het college kan gebruiken de aanvraag voor een pgb af te wijzen. Deze sluiten aan bij de verplichting voor de cliënt om een budgetplan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen voor een pgb, en overige verplichtingen die voortkomen uit artikel 2.3.6., tweede lid van de wet. Artikel 11. De hoogte van een pgb Het eerste tot en het tweede lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in 2025 twee uitspraken gedaan over het tarief voor pgb van het sociale netwerk CRvB 30-9-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1380 en CRvB 30-9-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1276. De uitspraken betreffen informele hulp in de Jeugdwet, maar zijn ook van toepassing voor de Wmo Uit deze uitspraken blijkt dat bij informele hulp de hoogte van het PGB-tarief gelijk is aan het minimumloon vermeerderd met vakantietoeslag. Wanneer er sprake is van een PGB-arbeidsovereenkomst is er sprake van verlofuren en werkgeverslasten. De PGB-arbeidsovereenkomst geldt niet voor gezinsleden in de eerste of tweede graad. In die gevallen is er geen sprake van werkgeverslasten en verlofuren. Bij formele hulp hanteert de gemeente Waalwijk 85% van het gecontracteerde aanbod. In dit tarief is rekening gehouden met een lagere overhead en dat we qua administratie en verantwoording lagere eisen stellen aan een niet gecontracteerde zorgaanbieder die zorg verleent in het kader van een PGB. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. In het tweede lid wordt aangegeven hoe de hoogte van het pgb berekend wordt. Ten aanzien van het derde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). Het zesde lid verwijst naar de website. Op de website worden de tarieven gebruikt die de basis vormen voor de berekening van een pgb. Artikel 12. Financiële tegemoetkoming Deze bepaling is opgenomen naar aanleiding van de constatering van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dat het (ook) onder de Wmo 2015 mogelijk is om een financiële maatwerkvoorziening te verstrekken. Het betreft hier nadrukkelijk niet de (financiële) tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen. Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de cliënt aanspraak maakt als zijn voorkeur hiernaar uitgaat en de aanvraag aan de vereisten van artikel 2.3.6 van de wet voldoet. De wet verplicht weliswaar niet om specifiek iets te regelen ten aanzien van financiële maatwerkvoorzieningen. Toch is er voor gekozen, om de inzet van financiële maatwerkvoorzieningen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Met ‘financiële maatwerkvoorziening’ wordt op zichzelf overigens geen inhoudelijke kwalificatie gegeven, het betreft een verstrekkingswijze (in zekere zin de 3e variant, naast in natura en als pgb). Wel geldt – net als bij alle maatwerkvoorzieningen – dat de (financiële) maatwerkvoorziening ‘een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven’. Het gaat in dit geval om een forfaitaire, niet noodzakelijk kostendekkende tegemoetkoming. HOOFDSTUK 6 Bijdrage in de kosten Artikel 13. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de wet. De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeenteraad bepalen en deze mag kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. Voor maatwerkvoorzieningen bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt samen. Bij cliënten die gebruik maken van beschermd wonen, zorg in natura of maatschappelijke opvang kan een wettelijk bepaalde inkomensafhankelijke bijdrage van toepassing zijn. Conform het vierde lid van artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, geldt de maximale periodebijdrage niet voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens. Voor die groep is de eigen bijdrage op nihil vastgesteld. De eigen bijdrage voor het collectief vraagafhankelijk vervoer is niet opgenomen in het abonnementstarief. De tarieven voor gebruik van dit type vervoer zijn vermeld op de website https://regiovervoermiddenbrabant.nl/. De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde lid, tweede zin). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in de drie onderdelen van het vijfde lid. Het zesde tot en met het negende lid betreffen uitwerkingen van de bepaling over de kostprijs. HOOFDSTUK 7 Kwaliteit en veiligheid Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Artikel 15. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 15 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 16. Opschorting betaling uit het pgb In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Door opschorting kan ruimte worden geboden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Het is aan de Sociale verzekeringsbank (SVB) om te beslissen om over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt (artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Gemeenten die deze mogelijkheid wenselijk achten, moeten dit artikel (of enig artikel ter uitvoering van artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) in de verordening opnemen. Voor de termijn van dertien weken is gekozen na overleg met het ministerie van VWS en op verzoek van de SVB (VWS en SVB wijzen erop dat een uniforme regeling bij gemeenten de praktische uitvoerbaarheid voor de SVB zeer ten goede komt). Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien. HOOFDSTUK 8 Handhaving Artikel 17. Misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet Dit artikel is een uitvloeisel van de wettelijke opdracht aan de gemeente (artikel 2.1.3 lid 4 en Hoofdstuk 6 Wmo 2015) om toe te zien op rechtmatigheid, op handhaving en het bestrijden van misbruik dan wel van oneigenlijk gebruik binnen de zorg. Deze bepaling sluit aan op de inzet van de gemeente Waalwijk bij het voorkomen en bestrijden van misbruik dan wel van oneigenlijk gebruik door cliënten en of zorgaanbieders. HOOFDSTUK 9 Overige bepalingen Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering diensten door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een dienst gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Het tweede lid benoemt de twee factoren waar het college bij vaststelling van prijzen rekening mee moet houden. Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het vijfde lid is opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 18. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 van de wet en artikel 1 van de toelichting bij deze verordening). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Artikel 19. Waardering mantelzorgers Mantelzorgers van cliënten in de gemeente komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering (artikel 2.1.6 van de wet). Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Artikel 20. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Met dit artikel is een instrument aan het college gegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 21. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de maatwerkvoorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In het tweede lid is een instrument voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 22. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Artikel 23. Evaluatie Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten. Artikel 24. Hardheidsclausule Dit artikel is opgenomen voor situaties waarin de verordening voorwaarden en beperkingen stelt die in een enkel bijzonder geval tot onbillijkheden van overwegende aard zouden leiden. Het college kan in uitzonderlijke gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van het vastgestelde beleid. Artikel 25. Privacy In het kader van het verlenen van de toegang tot het sociale domein en de inzet van een voorziening vinden verschillende verwerkingen van persoonsgegevens plaatst. Deze verwerkingen dienen onder meer te voldoen aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), maar ook aan de bijzondere regels aangaande verwerking van persoonsgegevens in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en daaruit afgeleide regelgeving. HOOFDSTUK 11 Slotbepalingen Artikel 26. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het vierde lid is bepaald dat bezwaarschriften tegen besluiten die genomen zijn vóór het in werking treden van de verordening, afgehandeld moeten worden volgens de oude verordening. Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel spreekt voor zich.
Meer informatie