Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland
Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland van 2 juni 2026, PZH-2026-890984252, tot wijziging van de Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland ter verbetering van de uitvoeringspraktijk Gedeputeerde staten van Zuid-Holland; Gelet op artikel 1.3, vierde lid, van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland; Overwegende dat het wenselijk is om de Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland op een enkel punt te wijzigen ter verbetering van de uitvoeringspraktijk; Besluiten: Artikel I De Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland wordt als volgt gewijzigd: A. In artikel 1.1 vervallen de begripsbepalingen ondernemersvereniging en stichting, onder vervanging van de puntkomma door een punt aan het slot van de begripsbepaling onderneming. B. Artikel 1.2 komt als volgt te luiden: Artikel 1.2 Doelgroep 1.Subsidie op grond van deze regeling voor een activiteit als bedoeld in de artikelen 2.1, 3.1 en 4.1 op een bedrijventerrein kan uitsluitend worden aangevraagd door: a.een ondernemer die is gevestigd op een bedrijventerrein; b.een penvoerder, bedoeld in artikel 1.1 van de Asv, van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.1 van de Asv, waarvan de deelnemers elk afzonderlijk ondernemers zijn die zijn gevestigd op een bedrijventerrein; c.een gemeente ten behoeve van een bedrijventerrein dat is gelegen op grond die in eigendom is van die gemeente. 2.Subsidie op grond van deze regeling voor een activiteit als bedoeld in de artikelen 2.1, 3.1 en 4.1 op een campus kan uitsluitend worden aangevraagd door een campusorganisatie. C. In de artikelen 1.4, onderdeel a, 2.3, vijfde lid, 3.2, vijfde lid, en 4.2, vijfde lid, wordt “€ 10.000,00” telkens vervangen door “€ 5.000,00”. D. In artikel 1.7 vervallen onderdelen c en d, onder vervanging van de puntkomma door een punt aan het slot van onderdeel b. Artikel II Dit wijzigingsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat de Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland, zoals deze luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit, van toepassing blijft op subsidies die voor de datum van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit zijn aangevraagd. Den Haag, 2 juni 2026 Gedeputeerde staten van Zuid-Holland drs. C.E.M. Weber, plv. secretaris mr. A.W. Kolff, voorzitter Toelichting Algemeen Dit wijzigingsbesluit betreft een wijziging van de Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland teneinde de uitvoerbaarheid van die regeling te verbeteren. Artikel I, onderdelen A en B Artikel I, onderdeel A, wijzigt de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland, en houdt in dat de begripsbepalingen van ondernemersvereniging en stichting komen te vervallen. Dit hangt samen met de wijziging van de doelgroep in artikel 1.2 van de regeling in artikel I, onderdeel B. Op grond van artikel 1.2 (oud) van de Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland was het onder meer mogelijk dat ondernemersverenigingen en een bepaald type stichtingen subsidie-aanvragen konden indien, alsook dat een gemeente subsidie kon aanvragen voor activiteiten op een bedrijventerrein voor meerdere ondernemers. In de uitvoeringspraktijk leidde dit, mede gelet op staatssteunregels, tot administratieve en juridische complicaties. Op grond van dit wijzigingsbesluit is een en ander niet langer mogelijk. Op grond van het nieuwe artikel 1.2 kan een gemeente alleen nog subsidie aanvragen voor een bedrijventerrein in provincie Zuid-Holland wanneer de betreffende grond eigendom is van die gemeente. Gemeenten kunnen dus geen subsidie meer aanvragen voor activiteiten op bedrijventerreinen ten behoeve van ondernemers. Daarnaast betekent de wijziging van artikel 1.2 dat de ondernemersverenigingen en stichtingen die eerder aanvragen konden indienen, dit niet langer kunnen doen, maar dat alleen nog de penvoerder van een samenwerkingsverband een aanvraag kan indienen, waarvan de deelnemers elk afzonderlijk ondernemers zijn die zijn gevestigd op een bedrijventerrein. Dit past beter bij de werkelijke situatie waarbij het de ondernemers zijn die de kosten maken en niet de verenigingen en stichtingen. De reden voor deze wijziging is dat hierdoor duidelijker is wie de begunstigden zijn van de subsidie (deelnemers aan het samenwerkingsverband) en bij wie de subsidie eventueel kan worden teruggevorderd (zie artikel 2.1, derde lid, van de Asv). Hiermee zijn de begunstigden van de subsidie ook gelijk aan de ontvangers van de de-minimissteun. In de oude situatie was minder duidelijk welke ondernemers daadwerkelijk baat hadden bij de subsidie en hoe de middelen intern werden verdeeld. Bij een samenwerkingsverband is dit duidelijker en transparanter, omdat de deelnemers expliciet zijn benoemd (artikel 2.1, tweede lid, Asv), hun verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen betreffende de inkomsten en uitgaven zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst (artikel 2.1, tweede lid, Asv), en daarmee inzichtelijk is wie betrokken zijn. Hierdoor worden geldstromen, begunstigden en verantwoordelijkheid beter traceerbaar, wat ook helpt bij controle, verhaal en naleving van staatssteunregels. Voor het overige is de doelgroep van de regeling ongewijzigd. Dit betekent dat ook afzonderlijke ondernemers die zijn gevestigd op een bedrijventerrein, alsmede campusorganisaties op een campus in de provincie Zuid-Holland, nog aanvragen kunnen indienen. Artikel I, onder C Artikel I, onder C wijzigt het minimumbedrag waarvoor subsidie kan worden aangevraagd. Dit bedrag was € 10.000,00 en wordt als gevolg van dit wijzigingsbesluit € 5.000,00. Reden voor deze wijziging is dat met een zekere regelmaat aanvragen werden ingediend voor bedragen die lager waren of op een lager bedrag uitkwamen dan € 10.000,00, terwijl deze aanvragen wel aansluiten bij het doel van de subsidieregeling. Artikel I, onder d Artikel I, onder d, voorziet in een wijziging van artikel 1.7 van de Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland. Artikel 1.7 betreft de algemene verplichtingen waaraan een subsidie-ontvanger in aanvulling op de Asv aan moet voldoen. Te vervallen komt de verplichting dat de subsidie-ontvanger op verzoek de bevindingen en resultaten van de subsidiabele activiteiten met inachtneming van privacyregelgeving om niet toegankelijk maakt voor derden. Reden voor het vervallen van deze verplichting is dat deze verplichting past bij onderzoeksprojecten en niet bij investeringsproject zoals hier aan de orde. Aangezien kennisdeling van de bevindingen en resultaten ook bij de investeringsprojecten waarvoor op grond van de regeling subsidie kan worden verleend niettemin waardevol is, zal hiertoe in de praktijk voortaan een verzoek worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikkingen, zodat nog altijd om bijvoorbeeld foto/materiaal, ervaringen en dergelijke kan worden gevraagd en derden kunnen worden geïnspireerd. Ook komt te vervallen de verplichting in artikel 1.7 dat met de subsidie aangeschafte apparatuur of materiaal in ieder geval tot 5 jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidievaststelling werkend op het betreffende bedrijventerrein of campus is en in die periode niet mag worden vervreemd. Reden voor het vervallen van deze verplichting is dat deze reeds is opgenomen in artikel 3.1, eerste lid, onder a en b, van de Asv. Artikel II Artikel II voorziet in de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit en in overgangsrecht. Dat overgangsrecht houdt in dat subsidie-aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit, worden afgehandeld overeenkomstig de Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland zoals die luidde voor inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit.
Meer informatie