Beleidsregels Gemeentelijk Minimabeleid Hilversum 2026
Beleidsregels Gemeentelijk Minimabeleid Hilversum 2026 B en W besluit Burgemeester en wethouders van Hilversum, Gelet op het voorstel Collegevoorstel Gewijzigde Beleidsregels Gemeentelijk Minimabeleid Hilversum 2026 met kenmerk 1946951, besluiten: 1. Vast te stellen, de gewijzigde Beleidsregels Gemeentelijk Minimabeleid Hilversum 2026. 2. Besluiten in te trekken, de Beleidsregels Gemeentelijk Minimabeleid Hilversum 2026. Hilversum, 30 juni 2026 de gemeentesecretaris, de burgemeester, mr. C.P. Torres Barrera dr. ir. G.M. van den Top Beleidsregels Gemeentelijk Minimabeleid Hilversum 2026 Geldend vanaf 1 januari 2026 Intitulé BELEIDSREGELS GEMEENTELIJK MINIMABELEID HILVERSUM 2026 Burgemeester en wethouders van Hilversum, Gelet op het voorstel, beleidsregels minimabeleid Hilversum 2026, de Participatiewet (alsmede de Participatiewet in Balans), de Algemene Wet Bestuursrecht en de Verordening inkomensvoorzieningen Hilversum 2023 Besluiten vast te stellen: De Beleidsregels Gemeentelijk Minimabeleid Hilversum 2026 met terugwerkende kracht van 1 januari 2026. Besluiten in te trekken: De beleidsregels Gemeentelijk minimabeleid 2023 versie 3 en de beleidsregels gemeentelijk minimabeleid die door het college zijn vastgesteld op 16 december 2025. HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen algemeen Begrippen die hieronder niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Participatiewet in Balans en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast wordt verstaan onder: • College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum; • PW: Participatiewet; (waar staat P.wet wordt bedoeld, inclusief de wijzigingen uit de Participatiewet in Balans); • Draagkrachtperiode jaar: een aaneengesloten periode van 12 of meer maanden, waarbij de financiële draagkracht aan het begin eenmalig wordt vastgesteld voor de gehele periode; • Peildatum: de datum die door het college wordt gehanteerd om te toetsen of aanvrager recht op bijstand heeft; • Inkomensgrens: het maximale inkomen waarbij het college veronderstelt dat er geen draagkracht uit inkomen is; • Vermogensgrens: het maximale vermogen waaruit blijkt dat er geen draagkracht uit vermogen is; • Automatische uitbetaling: na de eerste toekenning jaarlijks automatische uitbetaling zonder nieuwe aanvraag voor inwoners met een algemene bijstandsuitkering; • WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; • WAJONG: Wet werk en arbeidsondersteuning Jonggehandicapten; • WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; • WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; • SVB: Sociale Verzekeringsbank; • WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen; • MSNP: Minnelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen; • WSF2000: Wet studiefinanciering 2000; • WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel 2 Begripsbepalingen inkomen Als 1. Voor de vaststelling van het inkomen geldt de aanvraagdatum als peildatum, tenzij anders vermeld. 2. Voor minimaregelingen uit Hoofdstuk 2 en individuele bijzondere bijstand uit Hoofdstuk 3 geldt een inkomensgrens van 130% van de toepasselijke bijstandsnorm (zoals in de artikelen 20, 21, 22, 23 van de PW tenzij anders vermeld. 3. Voor bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten geldt een inkomensgrens van 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. 4. Bij overschrijding van de inkomensgrens met meer dan € 60,- netto op jaarbasis bestaat geen recht op minimaregelingen uit hoofdstuk 2. 5. Bij bepaling van het inkomen wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a PW). 6. Bij het vaststellen van het inkomen wordt uitgegaan van het netto-inkomen inclusief vakantiegeld. Als alleen het netto-inkomen exclusief vakantiegeld bekend is, wordt dit verhoogd met 5%. 7. Bij wisselende inkomsten uit loondienst of onderneming wordt het gemiddelde inkomen over de voorgaande 3 maanden gehanteerd; indien gunstiger voor de aanvrager kan dit worden uitgebreid naar 6 maanden. 8. Inkomsten van ten laste komende kinderen (artikel 31 lid 2 sub h PW) worden buiten beschouwing gelaten voor de bepaling van het recht op het kindpakket (artikel 10 van deze beleidsregels). 9. Ingeval van beslaglegging op het inkomen wordt uitgegaan van het inkomen na beslaglegging. 10. In geval van een schuldsaneringsregeling (WSNP of MSNP) wordt aangenomen dat de aanvrager geen draagkracht heeft. 11. Bij het vaststellen van het inkomen bij zelfstandigen met een eenmansbedrijf, een enkelvoudige BV of VOF met niet meer dan 2 personen geldt het volgende; Om het inkomen te bepalen moeten de volgende bewijsstukken overgelegd te worden: a. Aangifte inkomstenbelasting van het voorgaande jaar; b. Banksaldi per 31 december van het voorgaande jaar; c. Bij BV’s en VOF’s het contract m.b.t. winstdeling (vennootschapscontract). Niet van toepassing wanneer de vennoten alleen uit gezinsleden bestaan. 12. Voor berekening van het inkomen uit zelfstandige werkzaamheden wordt het bedrijfsresultaat (de winst uit onderneming) verminderd met het forfaitair percentage zoals genoemd in artikel 6, lid 2 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. a. Indien er (nog) geen jaarrekening beschikbaar is van het voorgaande kalenderjaar kan de jaarrekening van het jaar daarvoor gebruikt worden. b. Indien er in het geheel nog geen jaarrekeningen zijn omdat de onderneming pas is opgericht, kan uitgegaan worden van de gemiddelde omzet van de voorgaande drie maanden na aftrek van gemaakte ondernemingskosten of van een inkomensverklaring van de belastingdienst van het voorgaande kalenderjaar. Dit bedrag kan dan vergeleken worden met het brutobedrag van de bijstandsuitkering zoals vermeld op de normenbrief van het lopende kalenderjaar. Artikel 3 Begripsbepalingen vermogen Voor de minimaregelingen uit hoofdstuk 2 en de individuele bijzondere bijstand uit hoofdstuk 3 zijn de vermogensgrenzen uit artikel 34 PW van toepassing. 1. In afwijking van artikel 34 PW worden de volgende vermogensbestanddelen buiten beschouwing gelaten: - Het vermogen in de door de aanvrager zelf bewoonde woonboot, camper of huis; - Een motorvoertuig waarvan het kenteken op naam staat van de aanvrager met een dagwaarde tot € 3.400, - (zoals vermeld op de site van de ANWB). Wanneer een motorvoertuig meer waard is, telt alleen het meerdere mee. Wanneer er meerdere voortuigen op naam staan, geldt de volledige dagwaarde vanaf het tweede voertuig mee voor het vermogen. Bij ondernemers kan hiervan afgeweken worden; - Het vermogen in de boedel bij een wettelijke of minnelijke schuldsaneringsregeling; - Schulden worden als negatief vermogen aangemerkt en in mindering gebracht op het positieve vermogen als ze aantoonbaar en opeisbaar zijn en er een feitelijke verplichting tot terugbetaling bestaat. Artikel 4 Begripsbepalingen aanvraag 1. Aanvragen moeten schriftelijk (formulieren) of digitaal (e-diensten) worden ingediend. 2. In afwijking van artikel 44 lid 1 PW kan voor bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind, de eigen bijdrage advocaatkosten, griffierecht, legeskosten gehandicaptenparkeerkaart en urgentieverklaring bijzondere bijstand worden toegekend met terugwerkende kracht tot maximaal 3 maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum. 3. Binnen een vastgestelde draagkrachtperiode vindt geen nieuwe toets op inkomen en vermogen plaats, tenzij gewijzigde omstandigheden daarom vragen. 4. Bij vervolgaanvragen buiten de draagkrachtperiode van de aanvrager(s) die AOW gerechtigd is, vindt geen nieuwe inkomens- en vermogenstoets plaats, tenzij gewijzigde omstandigheden daarom vragen. 5. In geval van een gezamenlijke huishouding (conform artikel 3 PW) dient de aanvraag gezamenlijk te worden gedaan. 6. De aanvrager kan gebruik maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. 7. Indien de regeling het toelaat werkt de gemeenten met verklaringen van de inwoner. Achteraf kan het college de rechtmatige verstrekking van de regelingen toetsen bij de inwoner. Artikel 5 Begripsbepalingen draagkracht bijzondere bijstand 1. Individuele bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van draagkracht uit inkomen en vermogen. 2. Tenzij anders vermeld wordt draagkracht berekend voor een periode van een 12 maanden. 3. De ingangsdatum van de draagkrachtperiode is de eerste dag van de maand waarop de kosten betrekking hebben als deze tot drie maanden voor de aanvraagdatum ligt. In andere gevallen is de ingangsdatum van de draagkrachtperiode gelijk aan de eerste dag van de maand waarin de aanvraag gedaan is. 4. Draagkracht uit inkomen: a. Bij een inkomen tot 130% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantiegeld is er géén draagkracht uit inkomen. b. Bij inkomen boven 130% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantiegeld geldt het meerdere volledig als draagkracht en wordt dit in mindering gebracht op de toe te kennen bijstand. c. In afwijking van de inkomensgrens die in sub a en b van dit lid genoemd wordt, geldt voor de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering een inkomensgrens van 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Hierbij wordt het meerdere volledig als draagkracht aangemerkt en in mindering gebracht op de toe te kennen bijstand. 5. Draagkracht uit vermogen: Indien het in aanmerking te nemen vermogen hoger is dan de vermogensgrens (artikel 34 PW), wordt het meerdere volledig in aanmerking genomen als draagkracht en in mindering gebracht op de toe te kennen bijstand. Met uitzondering van het bepaalde in artikel 3 lid 1 van deze beleidsregels. Artikel 6 Begripsbepalingen bijstandsvorm 1. In beginsel wordt bijzondere bijstand “om niet” verstrekt. Uitgezonderd daarop zijn: Verstrekking van een renteloze lening voor de gevallen zoals omschreven in artikel 48 lid 2 PW en bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen zoals bedoelt in artikel 51 PW. Duurzame gebruiksgoederen in natura worden wel “om niet” verstrekt 2. Het college kan steekproefsgewijs, of zonder specifieke aanleiding, toetsen of de bijstand rechtmatig is verstrekt. Het college kan daartoe bewijsstukken opvragen bij de inwoner. 3. Bij oneigenlijk of teveel verstrekte bijstand, gebruik van de bijstand kan de onrechtmatig uitgekeerde bijstand worden teruggevorderd, in overeenstemming met de daarvoor geldende wetgeving en de geldende beleidsregels die betrekking hebben op terugvordering. Artikel 7 Begripsbepalingen automatische toekenning en uitbetaling minimaregelingen 1. Per 1-7-2026, Na toekenning van de eerste aanvraag, wordt de minimaregeling jaarlijks automatisch opnieuw verstrekt aan inwoners met een actieve algemene bijstandsuitkering. 2. Is er niet eerder toegekend, dan is een eerste aanvraag noodzakelijk voor het beoordelen van het recht op de minimaregeling. 3. Bij beëindigen van de algemene bijstand eindigt ook de jaarlijkse automatische verstrekking van de minimaregeling. 4. Artikel 7 ‘Automatische uitbetaling’ is niet van toepassing op, hoofdstuk 2 artikel 11 regeling verduurzaming huishoudens. HOOFDSTUK 2 – GEMEENTELIJKE MINIMAREGELINGEN Artikel 8 Individuele Inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is een vorm van aanvullende inkomensondersteuning op grond van artikel 36 PW. Artikel 8 PW bepaalt de minimale vereisten voor de op te stellen verordening, a. Leeftijd tussen de 18 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, b. Geen zicht heeft op inkomensverbetering, c. Er bestaat geen recht als in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag reeds een individuele inkomenstoeslag is toegekend. 1. Hoogte: volgens de Verzamelverordening Inkomensvoorzieningen Hilversum. 2. Aanvullende voorwaarden. a. De aanvrager heeft de afgelopen 36 maanden (referteperiode) voldaan aan de inkomensnorm uit artikel 2 lid 2. b. Inwoners die niet gedurende de volledige referteperiode in Nederland woonachtig zijn geweest hebben geen recht. c. De aanvrager volgt geen opleiding volgens WTOS of opleiding of studie conform WSF2000. d. De aanvrager heeft gedurende de referteperiode geen maatregelen opgelegd gekregen op grond van de PW, IOAW, IOAZ wegens het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de arbeidsverplichtingen. Na de eerste toekenning kunnen bijstandsgerechtigden meegaan in de automatische uitbetaling, zoals geregeld in artikel 7. Hierbij is artikel 8 lid 2 sub d niet van toepassing. Artikel 9 Activeringsregeling De activeringsregeling is bedoeld om inwoners van 18 jaar of ouder te ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke, sportieve en culturele activiteiten. 1. Hoogte: € 270,- per aanvrager per periode van 12 maanden die loopt van 1 juli tot en met 30 juni. Uiterlijk 30 juni dient de aanvraag gedaan te zijn voor de 12 maanden die net geweest zijn. 2. De inwoner maakt kosten voor een of meer van de onderstaande bestedingsdoelen: -Deelname culturele, educatieve, recreatieve en sportieve activiteiten, -Lidmaatschap bibliotheek of sportschool, -NS Dal Voordeel abonnement, ov-abonnement of te goed, -Museumjaarkaart, -Kosten identiteitskaart of paspoort, -Kosten digitale middelen (smartphone, tablet, laptop, computer), -Kosten telefonie of internetabonnement. 3. Na de eerste toekenning wordt de activeringsregeling automatisch uitbetaald conform artikel 7 van deze beleidsregels. Artikel 10 Kindpakket Het Kindpakket is een gemeentelijke minimaregeling om ouders met een laag inkomen in Hilversum te ondersteunen bij de kosten van maatschappelijke, sportieve en culturele activiteiten van hun kinderen. De tegemoetkoming kan worden gebruikt voor: -Sport, cultuur, educatie, schoolkosten of schoolreisjes; - Kinderfiets, laptop of leerhulpmiddelen; - Kleding, zwemlessen of verjaardagscadeaus; - Babyuitzet, luiers, of identiteitsdocumenten. Voorwaarden: 1. Doelgroep: Hilversumse ouders van 16 jaar of ouder met één of meer minderjarige kinderen (0-17 jaar) ingeschreven op hetzelfde adres of waarvoor kosten van verzorging of opvoeding worden gedragen, zoals bij co-ouderschap, met gezinsinkomen tot 130% van de bijstandsnorm. 2. De tegemoetkoming geldt voor de periode 1 juli tot en met 30 juni. Uiterlijk 30 juni dient de aanvraag gedaan te zijn voor de voorliggende 12 maanden. De bedragen zijn: Leeftijd kind tot 1 juli 2026 Bedrag per jaar tot 1 juli 2026 0 t/m 3 jaar € 190 4 t/m 11 jaar € 340 12 t/m 17 jaar € 700 Leeftijd kind op 30 juni van desbetreffende toekenningsperiode Bedrag per jaar na 1 juli 2026 0 t/m 3 jaar € 250 4 t/m 11 jaar € 400 12 t/m 17 jaar € 770 3. Voor inwoners met een inkomen hoger dan 130%, maar die voldoen aan de voorwaarde van ten laste komende kinderen én ondersteuning ontvangen op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, geldt dat alsnog recht op deelname aan het Kindpakket kan bestaan. 4. Daarnaast gelden de volgende extra voorzieningen: -Fiets: voor kinderen van 4 tot 17 jaar bestaat, naast de algemene vergoeding, eenmaal per 4 jaar recht op een vergoeding voor een fiets tot maximaal € 200,00. Vanaf 1 juli 2026 vervalt deze vergoeding voor de fiets. -Zwemcursus A diploma: *voor kinderen in groep 3 is kosteloos, na aanmelding via een intermediair van het Jeugdfonds Sport & Cultuur. *voor kinderen in groep 6, 7, 8 via zwembad Optisport De Lieberg is kosteloos via de zwemvangnetregeling. Hiervoor is geen aanmelding door een intermediar vereist. -Langdurige structurele cultuureducatie: deelname is kosteloos na aanmelding via een intermediair van het Jeugdfonds Sport & Cultuur. 5. Na de eerste toekenning wordt de activeringsregeling automatisch uitbetaald conform artikel 7 van deze beleidsregels. Artikel 11 Regeling verduurzaming huishoudens Het college kan aan inwoners met een inkomen tot 130 procent van de bijstandsnorm een vergoeding verstrekken voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen en om inwoners te ondersteunen bij het treffen van een energiebesparende maatregelen door het verstrekken van energiebesparende producten met als doel dat de vaste lasten dalen. 1. De vergoeding bedraagt ten hoogste € 500,- per duurzaam gebruiksgoed. 2. Aanvullende voorwaarden: a. Er bestaat een noodzaak tot vervanging van genoemde gebruikersgoederen, b. Aanvrager heeft de voorgaande 10 jaar geen bijzondere bijstand ontvangen voor vervanging van het betreffende duurzame gebruiksgoed. Hiervan kan afgeweken worden indien er redenen zijn om voortijdig te vervangen. c. Voor bestedingsdoelen geldt in het algemeen dat het bestedingsdoel is gelimiteerd tot de drie volgende onderdelen: -Wasmachine (met minimaal energielabel A); -Koelkast, vriezer of koelvriescombinatie (met minimaal energielabel C); -Oven of fornuis of kookplaat (met minimaal energielabel A). Het college behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om na toekenning van het gevraagde te controleren of de toekenning rechtmatig is geweest. Artikel 12 Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten De tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten is de gemeentelijke minimaregeling voor inwoners met een laag inkomen en structureel hoge zorgkosten als gevolg van een chronische ziekte of handicap. De tegemoetkoming is bedoeld om deze kosten (gedeeltelijk) te compenseren. Het college neemt daarbij aan dat de inwoner vanwege de chronische ziekte of beperking extra kosten maakt die niet worden vergoed door de zorgverzekering. 1. Doelgroep: Tot de doelgroep behoren in ieder geval aanvragers die: a. Een uitkering ontvangen op grond van de WIA, WAJONG, WAZ of WAO op basis van arbeidsongeschiktheid; b. Een indicatie hebben voor een persoonsgebonden budget vanuit de Zorgverzekeringswet; c. Een indicatie hebben vanuit de Wet langdurige zorg; d. Tweemaal kinderbijslag van de SVB ontvangen vanwege een thuiswonend gehandicapt kind; e. In voorgaande jaren gebruik hebben gemaakt van deze regeling; f. Met een medische verklaring van een onafhankelijke arts aantonen chronisch ziek te zijn of een beperking te hebben. 2. Aanvraag en vergoeding a) Het standaard toekenningsbedrag is € 500,00 per kalenderjaar. b) De aanvraag moet uiterlijk op 31 december zijn ingediend c) Na de eerste toekenning wordt de activeringsregeling automatisch uitbetaald conform artikel 7 van deze beleidsregels. Artikel 12a Overgangsregeling Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten Per 1 januari 2027 vervalt artikel 12 lid 1 onder d van deze beleidsregels. Artikel 13 Collectieve zorgverzekering DSW De gemeente Hilversum biedt inwoners met een laag inkomen vanaf 1 januari 2020 de mogelijkheid deel te nemen aan een collectieve zorgverzekering via DSW. De collectieve verzekering omvat twee aanvullende gemeentelijke pakketten, waarin ook tandartskosten vergoed worden: AV Standaard en AV Top voor minima. De gemeentelijke bijdrage bestaat uit vergoeding van de extra kosten van de aanvullende verzekering en op grond van een overeenkomst met DSW zijn gesloten. De betaling van de bijdrage vindt rechtstreeks aan DSW plaats. Voorwaarden: a. De aanvrager is verzekeringsplichtig op grond van de Zorgverzekeringswet; b. De aanvrager is op het moment van aanvraag niet geregistreerd bij het CAK als wanbetaler; c. Er geldt geen vermogenstoets. d. De ingangsdatum van deelname is 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag, tenzij de aanvrager zich gedurende het lopende kalenderjaar vanuit het buitenland in Hilversum vestigt en/of via de Regeling Medische Zorg Asielzoekers instroomt. In dat geval geldt de ingangsdatum vanaf het moment van verzekeringsplicht op grond van de Zorgverzekeringswet. e. Deelname wordt jaarlijks automatisch verlengd zolang aanvrager aan de voorwaarden voldoet. Bij een inkomen boven de geldende inkomensgrens behoudt de deelnemer recht op de collectieve verzekering tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar. f. De aanvrager is verplicht het college onverwijld te informeren over: a Wijzigingen in inkomen en/of vermogen; b Verhuizing buiten de gemeente; c Wijzigingen waarvan hij/zij redelijkerwijs kan verwachten dat zij van invloed zijn op de aanspraak. g. Het college beëindigt de deelname wanneer is vastgesteld dat geen recht bestaat op deelname. HOOFDSTUK 3 – INDIVIDUELE BIJZONDERE BIJSTAND Het college beoordeelt aanvragen voor bijzondere bijstand op grond van artikel 35 PW conform vaste jurisprudentie aan de hand de onderstaande vragen in dwingende volgorde: 1. Doen de kosten zich voor? 2. Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? 3. Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden? 4. Kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige draagkracht? 5. Aanvullende voorwaarden: a. Bij criterium 3 gaat het erom of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Als dat niet het geval is bestaat er geen recht en hoeft niet meer beoordeeld te worden of aan criterium 4 voldaan wordt. b. Uit constante jurisprudentie blijkt dat het enkel hebben van schulden niet maakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. c. Er is geen recht op bijzondere bijstand waarvoor er een voorliggende voorziening bestaat. d. Bij het beoordelen van aanvragen voor individuele bijzondere bijstand wordt gewerkt volgens de maatwerkdriehoek. Daarbij wordt naast de wet- en regelgeving ook gekeken naar eigen kracht en rendement. e. Gemeentes hebben vrijheid om voor specifieke kosten beleid vast te stellen (artikelen 14 t/m 21). Artikel 14 Bijzondere bijstand voor de kosten van curatele, beschermingsbewind of mentorschap Volgens vaste jurisprudentie zijn deze kosten noodzakelijk en komen ze voort uit bijzondere omstandigheden 1. Kosten van een bewindvoerder op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) komen expliciet niet in aanmerking voor vergoeding op basis van artikel 35 van de Participatiewet, omdat deze kosten uit de boedel van de schuldenaar dienen te worden voldaan. 2. Hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de vergoeding zoals genoemd in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (artikel 1:447 lid 1 BW), na aftrek van de aanwezige draagkracht van de aanvrager. Aanvullende voorwaarden: 3. De aanvrager beschikt over een rechterlijke uitspraak tot onderbewindstelling of mentorschap; 4. Duur van de toekenning: a. Drie jaar voor inwoners met een lopende bijstandsuitkering of zonder draagkracht; b. Eén jaar voor inwoners met draagkracht conform de Participatiewet. 5. Ingangsdatum: a. De jaarbeloning is verschuldigd vanaf de 1e dan wel de 16e dag van de maand waarin de bewindvoerder is benoemd. De 1e of de 16e dag is tevens de ingangsdatum. Er kan worden toegekend tot maximaal 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag. Artikel 15 Bijzondere bijstand voor eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor kosten in verband met rechtsbijstand en griffiekosten op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) kunnen inwoners in aanmerking komen voor een toevoeging. Een toevoeging van een advocaat vindt slechts plaats indien de Raad voor de rechtsbijstand de procedure noodzakelijk acht. Het Besluit proceskosten bestuursrecht geldt als een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de reiskosten die de belanghebbende heeft gemaakt in verband met het bijwonen van rechtszittingen van bestuursrechters. 1. Hoogte van de bijzondere bijstand: a. Gelijk aan de richtlijnen ingevolge de Wet op de rechtsbijstand; b. Na aftrek van de aanwezige draagkracht; c. Na aftrek van mogelijke vergoedingen van de tegenpartij op rechterlijk bevel. 2. Indien de rechtsbijstand is toegekend buiten het Juridisch Loket om, en de korting op de eigen bijdrage niet van toepassing is, wordt deze korting in mindering gebracht op de bijzondere bijstand, tenzij aanvrager niet in staat was om tijdig een diagnosedocument bij het Juridisch Loket aan te vragen. 3. Indien de aanvrager een juridische procedure is gestart op schriftelijk advies van de gemeente en door de rechtbank wordt veroordeeld om ook de proceskosten van de tegenpartij te betalen, komen alle proceskosten in aanmerking voor vergoeding. Aanvullende voorwaarden: 4. Er is een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand verleend. 5. Aanvrager heeft geen rechtsbijstandsverzekering. Als aanvrager over een dergelijke verzekering beschikt, dan is het een voorliggende voorziening. Het feit dat aanvrager geen rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten is geen grond om een verzoek om bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand af te wijzen. 6. De aanvraag is binnen drie maanden na datum toevoeging Raad voor de rechtsbijstand ingediend. 7. Aanvrager maakt melding van de uitspraak en restitueert de ontvangen bijstand indien de rechter de tegenpartij veroordeelt tot betaling van de proceskosten. Artikel 16 Bijzondere bijstand voor urgentieverklaring Woningnet 1. De hoogte van de bijstand is gelijk aan de te betalen kosten voor de urgentieverklaring na aftrek van de aanwezige draagkracht. Aanvullende voorwaarden: 2. De aanvraag voor een urgentieverklaring is op schriftelijk advies van de gemeente of van een andere instantie. 3. Als de aanvraag op eigen verzoek is worden de kosten alleen vergoed als de urgentieverklaring wordt afgegeven. Artikel 17 Woonkostentoeslag bij een huurwoning De Wet op de huurtoeslag geldt als voorliggende voorziening. 1. Berekening van de hoogte van de bijstand: a. Huur onder de huurtoeslag grens: De hoogte van de woonkostentoeslag wordt bepaald op basis van het bedrag dat maximaal aan huurtoeslag verstrekt kan worden bij het inkomen van de aanvrager (volgens een proefberekening op Belastingdienst/Toeslagen). b. Indien de huur boven de huurtoeslaggrens ligt, kan slechts woonkostentoeslag worden verstrekt voor het deel van de huur boven de geldende huurtoeslaggrens. Het meerdere komt volledig voor vergoeding in aanmerking. 2. Aanvullende voorwaarden: Woonkostentoeslag kan alleen worden toegekend indien: a. De hoge woonlasten het gevolg zijn van een plotselinge verandering in inkomen of leefsituatie. b. De situatie de aanvrager niet te verwijten is, gelet op de persoonlijke en financiële omstandigheden bij het aangaan van de huurovereenkomst. c. De aanvrager redelijkerwijs niet kon voorzien in de situatie en geen directe mogelijkheden heeft om te verhuizen naar goedkopere woonruimte. d. Aanvrager heeft geen mogelijkheden voor andere woonruimte. e. De aanvrager zich aantoonbaar inspant om passende en goedkopere woonruimte te vinden (o.a. inschrijving Woningnet, actief reageren, aanvragen urgentie). f. 3. Draagkracht: a. Bij een inkomen tot 130% van de relevante bijstandsnorm bestaat geen draagkracht; b. Bij een inkomen boven 130% van de relevante bijstandsnorm wordt het meerdere als draagkracht aangemerkt en in mindering gebracht op de toe te kennen bijstand. 4. Duur van de bijstand: a. De woonkostentoeslag wordt verleend voor een periode van zes maanden; b. Verlenging is mogelijk in bijzondere gevallen. 5. Het college kan voorwaarden en aanvullende verplichtingen verbinden aan de toekenning van de woonkostentoeslag. Artikel 18 Woonkostentoeslag bij koopwoningen 1. Berekening van de woonlasten: a. Hypotheekrente van niet-consumptief krediet, exclusief aflossing, na aftrek van hypotheekrenteaftrek; b. Onroerendezaakbelasting (OZB) eigenaarsdeel; c. Opstalverzekering; d. Forfaitaire onderhoudskosten (vooroorlogse/naoorlogse woningen); e. Kosten van centrale verwarming, liftinstallaties en algemeen beheer bij flats. 2. Hoogte van de bijstand: a. Bij woonlasten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de huurtoeslaggrens: de hoogte is gelijk aan het bedrag dat maximaal aan huurtoeslag verstrekt kan worden bij het inkomen van de aanvrager. b. Bij woonlasten die hoger zijn dan de huurtoeslaggrens: de woonkostentoeslag wordt in 2 delen berekend. Voor de kosten onder de huurtoeslaggrens zie artikel 18 lid 2a. De woonlasten boven de huurtoeslaggrens komen volledig voor vergoeding in aanmerking. 3. Aanvullende voorwaarden: a. De aanvrager heeft door een plotselinge wijziging van inkomen of leefsituatie hoge woonlasten; b. De situatie is niet verwijtbaar; c. De situatie was niet te voorzien; d. De aanvrager heeft geen alternatieve woonruimte beschikbaar; e. De aanvrager is ingeschreven bij Woningnet, reageert op lotingwoningen en vraagt urgentie aan indien verhuizing de situatie kan verbeteren; f. De aanvrager schakelt een makelaar in om de woning te verkopen indien verhuizing bijdraagt aan verbetering van de situatie. 4. Draagkracht: a. Bij een inkomen tot 130% van de relevante bijstandsnorm bestaat geen draagkracht; b. Bij een inkomen boven 130% van de relevante bijstandsnorm wordt het meerdere als draagkracht aangemerkt en in mindering gebracht op de toe te kennen bijstand. 5. Duur van de bijstand: zes maanden, met mogelijkheid tot verlenging in bijzondere gevallen. Aan de verlening van een woonkostentoeslag kunnen aanvullende verplichtingen verbonden worden. 6. Bijzondere vorm van bijstand: a. De bijstand kan in de vorm van een lening worden verstrekt indien de overwaarde van de koopwoning hoger is dan het vrijlatingsbedrag genoemd in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet; b. De bijstand kan in leningvorm worden verstrekt indien het college van oordeel is dat er zicht is op inkomensverbetering. Artikel 19 Bijzondere bijstand in de vorm van een inrichtingskrediet 1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken in de vorm van een lening (inrichtingskrediet) aan: a. Statushouders; of b. Inwoners die onverwacht en noodgedwongen zijn verhuisd, zonder mogelijkheid tot het meenemen of reserveren van hun inboedel. 2. De verstrekking is bedoeld ter voorziening in de noodzakelijke inrichting van de woning. 3. De maximale hoogte van de lening wordt vastgesteld op basis van de inboedelnormen zoals gehanteerd door de Kredietbank Nederland, aangepast aan de leefsituatie van de aanvrager. Aanvullende voorwaarden 4. De aanvrager is een statushouder, afkomstig uit een AZC, en heeft nog niet eerder gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot leenbijstand voor de inboedel; of 5. De aanvrager is door persoonlijke omstandigheden van ontwrichtende aard gedwongen en onvoorzien verhuisd. 6. Indien aanvrager geen statushouder is geldt een lening bij de Kredietbank als een voorliggende voorziening. 7. Draagkracht a. Als draagkracht wordt aangemerkt het inkomen boven 130% van de relevante bijstandsnorm. b. De aanwezige draagkracht wordt in mindering gebracht op het te verlenen inrichtingskrediet. 8. Het inrichtingskrediet wordt verstrekt in de vorm van een lening. 9. De aanvrager is verplicht gedurende 36 maanden maandelijks af te lossen, rekening houdend met de aflossingscapaciteit zoals vastgesteld op basis van artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 10. Na 36 maanden vindt een evaluatie plaats. Omzetting van de lening naar om niet wordt toegestaan indien er voldaan is aan de voorwaarden in overeenstemming met de daarop betrekking hebbende beleidsregels. Artikel 20 Bijzondere bijstand voor reiskosten 1. Vergoedingen voor reis- en verwervingskosten in verband met arbeid of participatie in het kader van een re-integratietraject dienen te worden gefinancierd uit het Participatiebudget. Vergoedingen voor andere noodzakelijke reiskosten kunnen via de bijzondere bijstand worden verstrekt. 2. Hoogte is gelijk aan de tarieven per openbaar vervoer (op basis van tweede klasse en het goedkoopste traject). 3. Bijstand voor reiskosten kan uitsluitend worden verstrekt in de volgende situaties: a. Schoolgaande kinderen. Voorwaarden: i. het volgen van onderwijs buiten de woonplaats is noodzakelijk; ii. de afstand van huis naar school bedraagt tenminste 15 kilometer; iii. bij het bezoeken van een uit huis geplaatst kind. Wanneer hierover niets is vastgelegd, wordt een frequentie van 2x per maand redelijk geacht. b. In verband met regelmatige geneeskundige behandelingen. Voorwaarden: i. er is geen sprake van een vergoeding vanuit een voorliggende voorziening, zoals Wlz, de Wmo of de zorgverzekering (zittend ziekenvervoer); ii. de behandeling is medisch noodzakelijk op basis van een indicatie; iii. De behandeling vindt plaats buiten de gemeentegrens van de gemeente Hilversum. Artikel 21 Legeskosten gehandicaptenparkeerkaart 1. Voor de legeskosten van de gehandicaptenparkeerkaart kan bijzondere bijstand verstrekt worden. Artikel 22 Hardheidsclausule 1. In bijzondere en/of onvoorziene gevallen is het college bevoegd af te wijken van het beleid zoals neergelegd in deze beleidsregels. Artikel 23 Inwerkingtreding a) Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2026. b) De beleidsregels gemeentelijk minimabeleid 2026 worden ingetrokken. c) De beleidsregels gemeentelijk minimabeleid 2023 zijn ingetrokken per 1-1-2026 Hilversum, 30 juni 2026 de gemeentesecretaris, de burgemeester, mr. C.P. Torres Barrera dr. ir. G.M. van den Top
Meer informatie