Subsidieverordening vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2027
Subsidieverordening vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2027 Het algemeen bestuur van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag; gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 24 juni 2026; gelet op artikel 3.4, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2014; besluit vast te stellen de Subsidieverordening vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2027 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: ▪ begrotingsjaar: kalenderjaar waarop de door de MRDH vastgestelde begroting, inclusief het IPVa, betrekking heeft; ▪ bestuurscommissie: bestuurscommissie Vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag; ▪ concessie: door de bestuurscommissie verleend exclusief recht om gedurende een bepaald tijdvak in een aangewezen gebied openbaar vervoer te verrichten, als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000, inclusief de daarbij behorende verplichtingen en voorwaarden; ▪ concessiedocumenten: de concessie en de daarbij behorende documenten waarin de rechten en verplichtingen van de concessiehouder zijn vastgelegd, waaronder begrepen het programma van eisen, de concessieovereenkomst, bijlagen en nadere afspraken; ▪ concessiehouder: de rechtspersoon aan wie door de bestuurscommissie een concessie is verleend; ▪ exploitatie van openbaar vervoer: verrichting van openbaar vervoer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet personenvervoer 2000, binnen het gebied en gedurende de periode waarvoor een concessie is verleend, met inbegrip van de uitvoering van de aan die concessie verbonden verplichtingen ten aanzien van dienstregeling, tarieven, kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening; ▪ gedragsproject: project dat is gericht op het beïnvloeden van mobiliteits- of verkeersgedrag van personen, organisaties of het vervoer van goederen, met als doel het bevorderen van duurzaam, efficiënt, emissiearm en veilig reis- en rijgedrag, waaronder begrepen verkeersveiligheidseducatie, bewustwordingscampagnes, mobiliteitsmanagement, of andere maatregelen die het gebruik van duurzamere vervoermiddelen bevorderen of het energieverbruik of emissies door vervoer verminderen; ▪ infrastructureel project: project dat is gericht op de aanleg, aanpassing of verbetering van fysieke infrastructuur ten behoeve van verkeer en vervoer, waaronder weg- en openbaarvervoerinfrastructuur, en voorzieningen voor ketenmobiliteit; ▪ IPVa: Investeringsprogramma Vervoersautoriteit, door het algemeen bestuur vastgesteld programma dat als bijlage bij de begroting van de MRDH wordt opgenomen, waarin de budgetten en projectfasen zijn vermeld van grote en kleine projecten en programma’s op het gebied van verkeer en vervoer die in de betreffende (meer)jarenperiode binnen het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag in voorbereiding of uitvoering zijn; ▪ ketenmobiliteit: combinatie van verschillende vervoerswijzen binnen één reis, waaronder het gebruik van openbaar vervoer in samenhang met lopen, fietsen, deelmobiliteit of andere vervoersvormen, gericht op een efficiënte en duurzame verplaatsing; ▪ MRDH: gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag; ▪ openbaarvervoerinfrastructuur: fysieke voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het openbaar vervoer, waaronder haltes, stations, railinfrastructuur, perrons, busbanen, tramsporen, en bijbehorende installaties of systemen; ▪ project: afgebakende activiteit of samenhangend geheel van activiteiten met een duidelijk doel, resultaat, planning en begroting, gericht op het realiseren van één of meer opdrachten uit de strategische agenda; ▪ samenwerkingsprogramma: samenhangend geheel van kleine en grote projecten dat wordt uitgevoerd op basis van een samenwerkingsovereenkomst tussen de MRDH en twee of meer andere partijen, gericht op het realiseren strategische agenda, waarbij de MRDH mede optreedt als subsidieverlener; ▪ strategische agenda: door het algemeen bestuur van de MRDH vastgesteld document waarin de strategische doelstellingen op het gebied van verkeer en vervoer voor een meerjarige periode zijn opgenomen, zoals dat geldt op het moment van toepassing van deze verordening; ▪ vat-kosten: kosten voor voorbereiding, administratie en toezicht; ▪ wegbeheerder: publiekrechtelijke rechtspersoon die op grond van wet- of regelgeving verantwoordelijk is voor het beheer van de infrastructuur waarop het project betrekking heeft, waaronder wegen, vaarwegen, bijbehorende voorzieningen, spoorinfrastructuur en openbaarvervoerinfrastructuur. Artikel 2. Reikwijdte Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door de bestuurscommissie voor activiteiten op het gebied van verkeer en vervoer binnen het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. Artikel 3. Bevoegdheden van de bestuurscommissie 1.De bestuurscommissie is belast met de uitvoering van deze verordening.2.Ter uitvoering van deze verordening kan de bestuurscommissie een uitvoeringsregeling vaststellen. Artikel 4. Doel van de verordening Subsidies op grond van deze verordening dragen bij aan de realisatie van de doelstellingen op het gebied van verkeer en vervoer, zoals vastgesteld in de strategische agenda. Hoofdstuk 2 Algemene regels voor projectsubsidies Paragraaf 2.1 Projectkader (klein/groot en IPVa) Artikel 5. Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor grote en kleine projecten die bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen op het gebied van verkeer en vervoer, zoals vastgesteld in de strategische agenda. Artikel 6 Grote en kleine projecten 1.Een project, niet zijnde een project voor openbaar vervoer-infrastructuur, wordt aangemerkt als: a.groot project, indien de subsidiabele kosten ten minste € 10.000.000 bedragen; b.klein project, indien de subsidiabele kosten minder dan € 10.000.000 bedragen. 2.Een project voor openbaar vervoer-infrastructuur wordt aangemerkt als: a.groot project, indien de subsidiabele kosten ten minste € 5.000.000 bedragen; b.klein project, indien de subsidiabele kosten minder dan € 5.000.000 bedragen. Artikel 7. Investeringsprogramma Vervoersautoriteit (IPVa) 1.Het IPVa bevat grote en kleine projecten die zijn geprogrammeerd voor het betreffende begrotingsjaar. 2.De bestuurscommissie is bevoegd te besluiten tot opname en verwijdering van projecten in het IPVa.3.Bij grote projecten wordt de projectfase vermeld, zijnde: a.onderzoeks-/initiatieffase; b.verkenningsfase; c.planstudiefase; d.uitwerkingsfase; of e.realisatiefase. 4.De onderzoeks-/initiatieffase, bedoeld in het derde lid, onder a, is de fase van een groot project waarin de probleemstelling en doelstelling worden vastgesteld en een eerste inventarisatie van beleidsmatige, ruimtelijke en financiële randvoorwaarden plaatsvindt, welke fase wordt afgesloten met een besluit van de bestuurscommissie over het starten van de verkenningsfase.5.De verkenningsfase, bedoeld in het derde lid, onder b, is de fase van een groot project waarin de initiatiefnemer globale oplossingsrichtingen verkent en een indicatieve kosten- en planningsinschatting opstelt, welke fase wordt afgesloten met een besluit van de bestuurscommissie over de wenselijkheid van verdere uitwerking in de planstudiefase.6.De planstudiefase, bedoeld in het derde lid, onder c, is de fase van een groot project waarin concrete oplossingsrichtingen worden uitgewerkt, bijvoorbeeld in de vorm van een tracéstudie of masterplan, welke fase wordt afgesloten met een besluit van de bestuurscommissie over de haalbaarheid en wenselijkheid van voortzetting en de overgang naar de uitwerkingsfase.7.De uitwerkingsfase, bedoeld in het derde lid, onder d, is de fase van een groot project waarin het programma van eisen, een voorontwerp, een definitief ontwerp, een uitvoeringsplanning en een projectbudget worden opgesteld, welke fase wordt afgesloten met een besluit van de bestuurscommissie over het gereed zijn van het project voor uitvoering.8.De realisatiefase, bedoeld in het derde lid, onder e, is de fase van een groot project waarin bestek, aanbesteding en uitvoering plaatsvinden en waarin de administratieve afronding van het project plaatsvindt. Artikel 8. Aanmelding voor opname in het IPVa 1.Grote projecten kunnen worden aangemeld op de momenten die door de bestuurscommissie worden vastgesteld en bekendgemaakt bij de bekendmaking van het subsidieplafond als bedoeld in artikel 13. 2.Kleine projecten kunnen worden aangemeld tot en met 31 juli voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop de aanmelding betrekking heeft of het daaropvolgende begrotingsjaar.3.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling de inhoud en vorm van de aanmelding en de daarbij te overleggen stukken nader bepalen en een formulier vaststellen voor het aanmelden. Als de bestuurscommissie een formulier heeft vastgesteld voor het aanmelden van een project, kan een project worden aangemeld met gebruikmaking van het daarvoor door de bestuurscommissie vastgestelde formulier. Artikel 9. Beoordeling van grote projecten 1.De bestuurscommissie beoordeelt of een aangemeld groot project kan worden opgenomen in het IPVa. 2.Aangemelde grote projecten die positief worden beoordeeld, worden opgenomen in het IPVa, voor zover de door het algemeen bestuur vastgestelde financiële kaders dit toelaten. Artikel 10. Beoordeling van kleine projecten 1.De bestuurscommissie beoordeelt of een aangemeld klein project in het IPVa kan worden opgenomen. Daarbij wordt beoordeeld of: a.het project bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen op het gebied van verkeer en vervoer, zoals vastgesteld in de strategische agenda; b.de verzoeker beschikt over de benodigde eigen financiële middelen voor de realisatie van het project; c.het project globaal past binnen de kaders van deze verordening en de uitvoeringsregeling. 2.Aangemelde kleine projecten die positief worden beoordeeld, worden opgenomen in het programma Kleine projecten van het IPVa, voor zover de door het algemeen bestuur vastgestelde financiële kaders dit toelaten. Artikel 11. Actualisatie van projecten in het IPVa De bestuurscommissie kan gedurende het begrotingsjaar, voor zover de door het algemeen bestuur vastgestelde financiële kaders dit toelaten: a.projecten toevoegen aan het programma Kleine projecten van het IPVa, of b.projectfasen van grote projecten actualiseren. Artikel 12. Opname van kleine projecten naar begrotingsjaar 1.Een klein project wordt in het programma Kleine projecten van het IPVa opgenomen voor: a.het begrotingsjaar volgend op het jaar waarin het project is aangemeld; of b.het daaropvolgende begrotingsjaar. 2.De opname van een klein project in het IPVa vervalt indien op 1 november van het begrotingsjaar waarvoor het project is opgenomen geen subsidieaanvraag is ingediend.3.De bestuurscommissie kan de opname van een klein project in het IPVa éénmaal met één jaar verlengen indien: a.de aanvrager vóór 1 november van begrotingsjaar waarvoor het project is opgenomen een gemotiveerd verzoek indient; b.sprake is van omstandigheden die niet voorzienbaar waren en niet aan de aanvrager te wijten zijn; c.aannemelijk is dat de subsidie in het daaropvolgende jaar wel kan worden aangevraagd; en d.de door het algemeen bestuur vastgestelde financiële kaders dit toelaten. Artikel 13. Subsidieplafond voor kleine projecten 1.De bestuurscommissie stelt jaarlijks, uiterlijk in de laatste vergadering van het kalenderjaar voorafgaand aan het subsidiejaar, het programma Kleine projecten en het daarbij behorende subsidieplafond vast, zoals opgenomen in de begroting van de MRDH.2.Binnen het in het eerste lid genoemde subsidieplafond kan de bestuurscommissie deelsubsidieplafonds vaststellen voor afzonderlijke subsidiecategorieën of programmaonderdelen.3.Kleine en grote projecten die onderdeel uitmaken van een samenwerkingsprogramma vallen niet onder het subsidieplafond voor het programma Kleine projecten. Artikel 14. Verdeling van het subsidieplafond voor kleine projecten 1.De bestuurscommissie verdeelt het subsidieplafond voor kleine projecten op volgorde van binnenkomst van subsidieaanvragen, totdat het beschikbare subsidieplafond is bereikt.2.Als datum van binnenkomst geldt de datum waarop de aanvraag volledig is ontvangen. Paragraaf 2.2 Aanvraag en besluitvorming (algemeen) Artikel 15. Aanvraagtermijnen 1.Een subsidieaanvraag voor een klein project kan worden ingediend tot en met 31 oktober van: a.het begrotingsjaar waarvoor het project in het IPVa is opgenomen; of b.het daaropvolgende begrotingsjaar, mits de opname in het IPVa op dat moment nog geldig is. 2.Een verzoek tot aanpassing van de fase van een groot project in het IPVa voor de verkenningsfase, de planstudiefase of de uitwerkingsfase kan worden ingediend op de door de bestuurscommissie vastgestelde aanvraagmomenten.3.De bestuurscommissie maakt de momenten voor aanpassing van de fase van grote projecten bekend bij de bekendmaking van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 13.4.Een subsidieaanvraag voor een groot project kan slechts worden ingediend indien: a.het project in het IPVa is opgenomen; en b.het project zich bevindt in de uitwerkingsfase of realisatiefase, bedoeld in artikel 7, derde lid. Artikel 16. Algemene aanvraagvereisten 1.Een subsidieaanvraag bevat in ieder geval: a.de naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer van de contactpersoon bij de aanvrager; b.een beschrijving van het project, waarin in ieder geval wordt opgenomen: 1°.het doel van het project en de wijze waarop het project bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen op het gebied van verkeer en vervoer, zoals vastgesteld in de strategische agenda of andere relevante beleidsdocumenten van de MRDH; 2°.de beoogde resultaten en effecten van het project; c.een gespecificeerde begroting van de met het project samenhangende uitgaven en inkomsten, inclusief bijdragen van derden, voorzien van een toelichting op de relatie tussen kosten, baten en resultaten; d.een planning van de uitvoering van het project, inclusief de verwachte start- en einddatum. 2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling de inhoud en vorm van de subsidieaanvraag en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden nader bepalen en een formulier vaststellen voor het indienen van een subsidieaanvraag. Als de bestuurscommissie een formulier heeft vastgesteld voor het indienen van een subsidieaanvraag, kan subsidie worden aangevraagd met gebruikmaking van het daarvoor door de bestuurscommissie vastgestelde formulier. 3.Indien dit voor de beoordeling van de subsidieaanvraag noodzakelijk is, kan de bestuurscommissie de aanvrager verzoeken aanvullende gegevens of bescheiden te verstrekken.. Artikel 17. Beslistermijn 1.De bestuurscommissie beslist op een subsidieaanvraag voor een klein project binnen 13 weken na ontvangst van een subsidieaanvraag.2.De bestuurscommissie beslist op een subsidieaanvraag voor een groot project binnen 26 weken na ontvangst van een subsidieaanvraag.3.Indien niet binnen de in het eerste of tweede lid genoemde termijn kan worden beslist, kan de bestuurscommissie de beslistermijn eenmaal verlengen met: a.ten hoogste 13 weken voor een klein project; b.ten hoogste 26 weken voor een groot project. 4.De bestuurscommissie stelt de aanvrager vóór het verstrijken van de beslistermijn schriftelijk in kennis van de verlenging. Artikel 18. Algemene subsidiecriteria Om voor subsidie in aanmerking te komen: a.draagt een project aantoonbaar bij aan de uitvoering van de strategische agenda en aan de beleidsdoelstellingen van de MRDH op het gebied van verkeer en vervoer, waaronder verbetering van bereikbaarheid, verkeersveiligheid, duurzaamheid of innovatie; b.past een project binnen de kaders en prioriteiten die voor het betreffende begrotingsjaar in het IPVa zijn vastgesteld; en c.is het project sober, doelmatig en uitvoerbaar. Artikel 19. Algemene weigeringsgronden 1.De bestuurscommissie weigert de subsidie in ieder geval indien: a.het project niet is opgenomen in het IPVa voor het betreffende begrotingsjaar; b.bij een groot project in het IPVa niet de projectfase uitwerkingsfase of realisatiefase is vermeld als bedoeld in artikel 7, derde lid; c.het project financieel onvoldoende haalbaar is of niet binnen de gestelde termijn kan worden gerealiseerd; d.onvoldoende sprake is van cofinanciering of bijdragen van derden, indien deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project; e.de aanvraag betrekking heeft op beheer, onderhoud of exploitatie van infrastructuur of voorzieningen; f.voor dezelfde projectactiviteiten of kosten reeds subsidie of een andere financiële bijdrage is verleend door de bestuurscommissie of een andere partij; of g.subsidieverlening in strijd zou zijn met Europeesrechtelijke bepalingen inzake het voorkomen van ongeoorloofde staatssteun. 2.De bestuurscommissie kan de subsidie weigeren indien: a.met de uitvoering van het project is begonnen voordat op de subsidieaanvraag is beslist; b.onvoldoende middelen beschikbaar zijn binnen het door het algemeen bestuur vastgestelde financiële kader; of c.de subsidieaanvraag onderdeel uitmaakt van een samenwerkingsprogramma waarbij een andere overheid als subsidieverstrekker is aangewezen. Artikel 20. Subsidiabele kosten en toepassing van het profijtbeginsel 1.Voor subsidie komen uitsluitend kosten in aanmerking die noodzakelijk, sober en doelmatig zijn en rechtstreeks aan het project kunnen worden toegerekend.2.Kosten die in redelijkheid aan andere partijen, activiteiten of kostendragers kunnen worden toegerekend, worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend.3.Kosten die in redelijkheid kunnen worden aangemerkt als onderhouds- of afschrijvingskosten van infrastructuur, komen niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 21. Subsidiegrondslag 1.De subsidiegrondslag bestaat uit de totale subsidiabele projectkosten, vastgesteld met toepassing van artikel 20 (profijtbeginsel), verminderd met: a.bijdragen of subsidies van derden; en b.inkomsten of opbrengsten die uit het project voortvloeien. 2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling of in afspraken met andere overheden een afwijkende berekeningswijze vaststellen indien sprake is van gezamenlijke financiering of specifieke verdeelafspraken. Artikel 22. Wijze van subsidieverstrekking 1.De bestuurscommissie kan subsidie verlenen: a.op basis van de werkelijke subsidiabele kosten tot een vastgesteld maximum; of b.als een vast subsidiebedrag op basis van de te verrichten activiteiten. 2.Subsidie als vast subsidiebedrag wordt uitsluitend verleend indien: a.de subsidiabele projectkosten minder dan 10% bedragen van de totale projectkosten, ; b.de te behalen resultaten concreet en objectief toetsbaar zijn; c.de kans op afwijkingen tussen de geraamde en werkelijke kosten minder dan 10% is; en d.de hoogte van de subsidie niet afhankelijk hoeft te zijn van de werkelijke kosten. 3.In afwijking van dit artikel kan de bestuurscommissie subsidie zonder voorafgaande subsidieverlening direct vaststellen indien de aard, omvang of duur van de activiteiten zich daarvoor leent. Paragraaf 2.3 Verplichtingen, verantwoording en betaling Artikel 23. Algemene verplichtingen 1.De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig de planning en verplichtingen zoals opgenomen in de subsidieaanvraag en de beschikking tot subsidieverlening.2.Het project start binnen 12 maanden na verlening van de subsidie, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum is bepaald. Artikel 24. Meldplicht 1.Indien aannemelijk is dat een of meer projectactiviteiten waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet volledig zullen worden uitgevoerd, of dat niet, niet tijdig of niet volledig aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dit onverwijld en schriftelijk aan de bestuurscommissie.2.De subsidieontvanger meldt de bestuurscommissie onverwijld en schriftelijk: a.beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de projectactiviteiten waarvoor subsidie is verleend; b.relevante wijzigingen in de financiële of organisatorische verhouding met derden; c.ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet volledig zal kunnen nakomen. Artikel 25. Tussentijdse rapportage bij subsidies van € 1.000.000 of meer 1.Bij subsidies van € 1.000.000 of meer is de subsidieontvanger verplicht om tussentijds verantwoording af te leggen over de voortgang van het project.2.De subsidieontvanger dient 2 keer per jaar, uiterlijk op 20 januari en uiterlijk op 31 augustus, een tussentijds rapport in bij de bestuurscommissie. 3.Wanneer 20 januari of 31 augustus op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag valt, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.4.De tussentijdse rapportage bevat: a.indien de subsidie is verleend op basis van de werkelijke subsidiabele kosten tot een vastgesteld maximum: een financieel overzicht van de tot dan toe gemaakte en betaalde subsidiabele kosten; b.indien de subsidie is verleend als een vast bedrag op basis van te verrichten activiteiten: een beschrijving van de voortgang van het project. 5.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling of in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat de tussentijdse rapportage op een andere wijze of met een andere frequentie wordt ingediend. Artikel 26. Bijzondere verplichtingen 1.Een subsidieontvanger werkt op verzoek van de bestuurscommissie mee aan kennisdelingsactiviteiten.2.In de beschikking tot subsidieverlening kunnen aan een subsidieontvanger ook andere verplichtingen worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 27. Eindverantwoording en subsidievaststelling (procedure) 1.De subsidieontvanger dient uiterlijk 26 weken na afronding van het project of de projectactiviteiten een verzoek tot subsidievaststelling in met gebruikmaking van het daarvoor door de bestuurscommissie in de uitvoeringsregeling vastgestelde formulier.2.Het verzoek tot subsidievaststelling bevat in ieder geval: a.een activiteitenverslag; b.bij infrastructurele projecten: een proces-verbaal van oplevering of een document waaruit eerdere ingebruikname blijkt als bedoeld in artikel 28; c.bij subsidies van € 125.000 of hoger: een financieel eindverslag en een controleverklaring. 3.Indien de subsidie is verleend als een vast bedrag, volstaat een verzoek tot subsidievaststelling dat bestaat uit:a. het activiteitenverslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a; en4.b. bij infrastructurele projecten, het document bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.Indien het verzoek tot subsidievaststelling niet tijdig wordt ingediend, kan de bestuurscommissie de subsidieontvanger schriftelijk een nadere termijn stellen.5.Op verzoek van de subsidieontvanger kan de in het eerste lid genoemde termijn door de bestuurscommissie eenmaal worden verlengd met ten hoogste 26 weken.6.Dit artikel is niet van toepassing indien subsidie direct wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 22, derde lid. Artikel 28. Afronding van het project of de projectactiviteiten en bewijs van uitvoering 1.Voor de toepassing van artikel 27, eerste lid, wordt onder afronding van het project of de projectactiviteiten verstaan: a.bij infrastructurele projecten: het moment van oplevering van het werk, dan wel, indien dit eerder is, de feitelijke ingebruikname; b.bij gedragsprojecten: de afronding van de subsidiabele activiteiten zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening; c.bij overige projecten: het moment als bedoeld onder a of b, afhankelijk van het karakter van het project. 2.Het bewijs van uitvoering waaruit de afronding blijkt, omvat: a.bij infrastructurele projecten: een proces-verbaal van oplevering of een document waaruit eerdere ingebruikname blijkt; b.bij gedragsprojecten en overige projecten: het activiteitenverslag, bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a. Artikel 29. Activiteitenverslag Het activiteitenverslag als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a, bevat ten minste een beschrijving van de uitvoering van de projectactiviteiten en de behaalde resultaten. Artikel 30. Financieel eindverslag en controleverklaring 1.Indien op grond van artikel 27, tweede lid, onderdeel c, een financieel eindverslag en een controleverklaring zijn vereist, worden deze bij het verzoek tot subsidievaststelling gevoegd.2.Het financieel eindverslag bevat ten minste een overzicht van de gerealiseerde uitgaven en inkomsten.3.De controleverklaring wordt opgesteld met gebruikmaking van het daarvoor door de bestuurscommissie in de uitvoeringsregeling vastgestelde controleprotocol. Artikel 31. Beslistermijn subsidievaststelling 1.De bestuurscommissie beslist op een verzoek tot subsidievaststelling binnen 13 weken na ontvangst van het verzoek tot subsidievaststelling.2.Indien niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden beslist, kan de bestuurscommissie de beslistermijn eenmaal verlengen met ten hoogste 13 weken. 3.De bestuurscommissie stelt de aanvrager voor het verstrijken van de beslistermijn schriftelijk in kennis van een verlenging.4.Indien de subsidieontvanger geen verzoek tot subsidievaststelling indient binnen de termijn, bedoeld in artikel 27, eerste lid, dan wel binnen de verlengde termijn, bedoeld in artikel 27, vijfde lid, en evenmin binnen de nadere termijn, bedoeld in artikel 27, vierde lid, kan de bestuurscommissie de subsidie ambtshalve vaststellen. Artikel 32. Voorschotten 1.De bestuurscommissie kan één of meerdere voorschotten verstrekken op de verleende subsidie.2.De hoogte van het voorschot, het kasritme en de wijze van betaling worden vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.3.Voor kleine projecten wordt een voorschot verstrekt van 50% van het verleende subsidiebedrag, mits dit bedrag ten minste € 12.500 bedraagt Het voorschot wordt in één keer betaald. In de beschikking tot subsidieverlening kan worden bepaald dat een ander voorschotpercentage wordt toegepast of dat het voorschot in termijnen wordt betaald.4.Voor grote projecten kunnen één of meer voorschotten worden verstrekt. De voorschotten worden verstrekt overeenkomstig het kasritme van het project. Het totaal van de voorschotten bedraagt een door de bestuurscommissie vast te stellen percentage van de subsidie. De bestuurscommissie stelt per project de hoogte en de tijdstippen van betaling van de voorschotten vast. Hoofdstuk 3. Specifieke regels per projectcategorie Paragraaf 3.1 Infrastructuurprojecten Artikel 33. Subsidiabele activiteiten infrastructuur 1.De bestuurscommissie kan subsidie verstrekken in de vorm van een geldbedrag voor infrastructuurprojecten die zijn gericht op: a.weginfrastructuur; b.fietsinfrastructuur; c.verkeersveiligheidsinfrastructuur; d.openbaarvervoerinfrastructuur; e.ketenmobiliteit; f.verkeersmanagement; en g.andere infrastructuurmaatregelen die bijdragen aan een veilig, duurzaam en bereikbaar mobiliteitssysteem in de regio. 2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling bepalen voor welke activiteiten binnen de in het eerste lid genoemde categorieën subsidie kan worden verstrekt. Artikel 34. Aanvrager bij infrastructuurprojecten 1.Subsidie voor een infrastructuurproject kan uitsluitend worden aangevraagd door de wegbeheerder die verantwoordelijk is voor de infrastructuur waarop het project betrekking heeft.2.Indien een project betrekking heeft op infrastructuur waarvan het beheer bij meerdere wegbeheerders berust, wordt de aanvraag ingediend door de coördinerende wegbeheerder, met instemming van de overige betrokken wegbeheerders.3.In afwijking van het eerste lid kan een andere publiekrechtelijke rechtspersoon subsidie aanvragen, indien deze met de wegbeheerder schriftelijke afspraken heeft gemaakt over de uitvoering van het project.4.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling afwijken van het eerste tot en met derde lid. Artikel 35. Specifieke aanvraagvereisten voor infrastructurele projecten Naast de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 16, bevat een subsidieaanvraag voor een infrastructureel project in ieder geval: a.een financieel besluit van de aanvrager over het project en de stand van zaken van de te doorlopen wettelijke procedures, inclusief de verwachte afronding daarvan; b.tekeningen van het project op minimaal het niveau van een definitief ontwerp, inclusief een weergave van de bestaande situatie en een overzichtstekening; c.een projectbegroting op minimaal het niveau van een definitief ontwerp, voldoende gedetailleerd om de subsidiabiliteit van de kostenposten te kunnen beoordelen; d.een kasritme dat aansluit op de planning van de uitvoering van het project; e.een financieringsplan met een opgave van de kostenelementen die ten laste komen van de aanvrager of andere kostendragers en een overzicht van bijdragen uit andere programma’s of subsidieregelingen; f.bij openbaarvervoerinfrastructuur: een overzicht van de structurele of toekomstige onderhoudskosten die samenhangen met het project, die ten laste komen van de MRDH en de wijze waarop deze kosten worden gedekt; g.een schriftelijk advies van de betrokken vervoersbedrijven over de effecten van het project op de exploitatie van het openbaar vervoer; h.een schriftelijk advies van andere wegbeheerders die gevolgen ondervinden van het project. Artikel 36. Specifieke weigeringsgronden voor infrastructurele projecten 1.In aanvulling op artikel 19 weigert de bestuurscommissie de subsidie in ieder geval indien het project onvoldoende bijdraagt aan de verbetering van de bereikbaarheid, verkeersveiligheid of duurzaamheid in de regio.2.De bestuurscommissie kan de subsidie weigeren indien de subsidiegrondslag, bedoeld in artikel 21, lager is dan: a.€ 10.000 voor verkeersveilige schoolomgevingen of fietsenstallingen bij openbaar vervoer; of b.€ 25.000 voor overige infrastructurele projecten. Artikel 37. Subsidiabele kosten bij infrastructurele projecten 1.Voor subsidie komen uitsluitend kosten in aanmerking die noodzakelijk, sober en doelmatig zijn voor het infrastructurele project, overeenkomstig de algemene bepalingen in deze verordening.2.Onverminderd het eerste lid zijn in ieder geval subsidiabel de kosten voor: a.verwerving van onroerend goed dat rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van het project, met uitzondering van onroerend goed dat reeds eigendom is van de subsidieaanvrager of een andere overheidsinstantie en waarbij geen sprake is van onttrekking aan een winstgevende bestemming; b.werkzaamheden voor de aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de infrastructuur; c.materiaal dat rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van het project; d.risicokosten tot een maximum van 10% van de subsidiabele kosten, bedoeld onder a tot en met c en het derde lid; e.andere specifieke kostensoorten die door de bestuurscommissie in de uitvoeringsregeling als subsidiabel zijn aangewezen. 3.Over de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde kosten kunnen VAT-kosten worden berekend: a.forfaitair tegen 16% indien het project als bestek wordt aanbesteed en gerealiseerd; of b.tegen een door de bestuurscommissie nader vast te stellen percentage indien het project op andere wijze wordt aanbesteed en gerealiseerd. 4.Indien na afronding van een studieproject als bedoeld in artikel 45 subsidie wordt verstrekt voor een infrastructureel project, wordt de voor het studieproject verstrekte subsidie in mindering gebracht op de VAT-kosten.5.Voor subsidie komen tevens in aanmerking de niet-verrekenbare en niet-compensabele btw-kosten die betrekking hebben op de in dit artikel genoemde kosten.6.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling voor de in dit artikel bedoelde kosten normbedragen vaststellen. Artikel 38. Hoogte van de subsidie voor infrastructurele projecten 1.De hoogte van de subsidie voor projecten op het gebied van openbaarvervoerinfrastructuur als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel d, bedraagt maximaal 100% van de subsidiegrondslag, bedoeld in artikel 21.2.De hoogte van de subsidie voor projecten op het gebied van ketenmobiliteit als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel e, bedraagt: a.voor onderdelen die behoren tot de openbaarvervoerinfrastructuur: maximaal 100% van de subsidiegrondslag, bedoeld in artikel 21; b.voor overige onderdelen: maximaal 50% van de subsidiegrondslag, bedoeld in artikel 21. 3.De hoogte van de subsidie voor overige infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 33, onderdelen a, b, c, f en g, bedraagt maximaal 50% van de subsidiegrondslag, bedoeld in artikel 21.4.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling voor aangewezen categorieën of samenwerkingsprogramma’s, en voor een door haar te bepalen periode, een hoger of lager subsidiepercentage vaststellen.5.Indien het subsidiebedrag niet reeds een veelvoud van € 500 is, wordt het bedrag naar boven afgerond op het eerstvolgende veelvoud van € 500. Paragraaf 3.2 Gedragsprojecten Artikel 39. Subsidiabele activiteiten gedragsprojecten 1.De bestuurscommissie kan subsidie verstrekken in de vorm van een geldbedrag voor gedragsprojecten die zijn gericht op: a.verkeersveiligheidseducatie; b.het bevorderen van bewust reisgedrag van personen en goederenvervoer. 2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling bepalen voor welke activiteiten binnen de in het eerste lid genoemde categorieën subsidie kan worden verstrekt. Artikel 40. Aanvrager bij gedragsprojecten Subsidie kan worden aangevraagd door: a.gemeenten die deelnemen aan de MRDH; b.concessiehouders aan wie de bestuurscommissie een concessie voor openbaar vervoer heeft verleend; c.publiekrechtelijke rechtspersonen; d.privaatrechtelijke rechtspersonen. Artikel 41. Specifieke aanvraagvereisten voor gedragsprojecten Naast de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 16, bevat de subsidieaanvraag voor een gedragsproject een beschrijving van de wijze waarop het project bijdraagt aan de verbetering van verkeersveiligheid of de bevordering van bewust reisgedrag. Artikel 42. Specifieke weigeringsgronden voor gedragsprojecten 1.In aanvulling op artikel 19 van de verordening weigert de bestuurscommissie de subsidie in ieder geval indien het project onvoldoende bijdraagt aan verkeersveiligheid, bewust reisgedrag of duurzame mobiliteitskeuzes.2.De bestuurscommissie kan de subsidie weigeren indien: a.de totale projectkosten lager zijn dan € 5.000; of b.de resultaten of effecten van het project onvoldoende meetbaar of structureel zijn. Artikel 43. Subsidiabele kosten bij gedragsprojecten 1.Voor subsidie komen uitsluitend kosten in aanmerking die noodzakelijk, sober en doelmatig zijn voor het gedragsproject, overeenkomstig de algemene bepalingen in deze verordening.2.Onverminderd het eerste lid zijn in ieder geval subsidiabel de kosten voor: a.inzet van eigen personeel, voor zover deze rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van het project en niet behoort tot de algemene bestuurslasten; b.inzet van ingehuurd personeel, voor zover deze rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van het project en niet behoort tot de algemene bestuurslasten; c.materiaal en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de projectactiviteiten, zoals communicatiemateriaal, drukwerk, evenementen of digitale middelen; en d.andere specifieke kostensoorten die door de bestuurscommissie in de uitvoeringsregeling als subsidiabel zijn aangewezen. 3.VAT-kosten komen bij gedragsprojecten niet voor subsidie in aanmerking.4.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling bepalen op welke wijze de in dit artikel bedoelde kosten worden berekend en daarvoor normbedragen vaststellen. Artikel 44. Hoogte van de subsidie voor gedragsprojecten 1.De hoogte van de subsidie voor een gedragsproject bedraagt maximaal 50% van de subsidiegrondslag, bedoeld in artikel 21.2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling voor aangewezen subsidiecategorieën of samenwerkingsprogramma’s, en voor een door haar te bepalen periode, een hoger of lager subsidiepercentage vaststellen. Paragraaf 3.3 Overige projecten Artikel 45. Subsidiabele activiteiten overige projecten 1.De bestuurscommissie kan subsidie verstrekken in de vorm van een geldbedrag voor overige projecten die zijn gericht op: a.het verkennen van de haalbaarheid van initiatieven die relevant zijn voor de bevoegdheden van de MRDH (studie-initiatieven); b.de studie- en planuitwerking van omvangrijke projecten of samenwerkingsprogramma’s (studieprojecten); c.het beproeven van nieuwe maatregelen, werkwijzen of mobiliteitsdiensten ter verbetering van de mobiliteitspraktijk (proefprojecten); d.de realisatie van de Mobiliteitsvisie en de uitwerking daarvan en die niet onder de categorieën infrastructuurprojecten of gedragsprojecten vallen. 2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling bepalen voor welke activiteiten binnen de in het eerste lid genoemde categorieën subsidie kan worden verstrekt. Artikel 46. Aanvrager bij overige projecten 1.Subsidie voor studie-initiatieven als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel a, kan uitsluitend worden aangevraagd door gemeenten die deelnemen aan de MRDH.2.Subsidie voor studieprojecten als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel b, kan uitsluitend worden aangevraagd door de wegbeheerder die is aangewezen als coördinerend wegbeheerder voor de studie- en planuitwerking.3.Subsidie voor proefprojecten en projecten die bijdragen aan de realisatie van de Mobiliteitsvisie als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdelen c en d, kan uitsluitend worden aangevraagd door: a.gemeenten die deelnemen aan de MRDH; b.concessiehouders aan wie de bestuurscommissie een concessie voor openbaar vervoer heeft verleend; c.publiekrechtelijke rechtspersonen; d.privaatrechtelijke rechtspersonen. 4.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling afwijken van het eerste tot en met derde lid. Artikel 47. Specifieke aanvraagvereisten voor overige projecten Naast de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 16, bevat de subsidieaanvraag voor een overig project een nadere beschrijving van de wijze waarop het project bijdraagt aan innovatie, duurzaamheid, en verbetering van de effectiviteit of doelmatigheid van beleid, dan wel verbetering van de mobiliteitspraktijk in de regio. Artikel 48. Specifieke weigeringsgronden voor overige projecten In aanvulling op artikel 19 van de verordening kan de bestuurscommissie de subsidie in ieder geval weigeren indien: a.het project onvoldoende bijdraagt aan innovatie, duurzaamheid of verbetering van de effectiviteit of doelmatigheid van beleid, dan wel verbetering van de mobiliteitspraktijk in de regio; b.de verwachte resultaten of effecten van het project onvoldoende duurzaam, onvoldoende meetbaar of onvoldoende toepasbaar zijn binnen de regionale context. Artikel 49. Subsidiabele kosten bij overige projecten 1.Voor subsidie komen uitsluitend kosten in aanmerking die noodzakelijk, sober en doelmatig zijn voor de voorbereiding en uitvoering van het overige project, overeenkomstig de algemene bepalingen in deze verordening.2.Onverminderd het eerste lid, zijn subsidiabel in ieder geval de kosten voor: a.inzet van eigen personeel, voor zover deze rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van het project en niet behoort tot de algemene bestuurslasten; b.inzet van ingehuurd personeel, voor zover deze rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van het project en niet behoort tot de algemene bestuurslasten; c.materiaal en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project, zoals apparatuur, voertuigen of digitale toepassingen; d.werkzaamheden voor de aanleg, bouw, wijziging of inrichting van infrastructuur, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project; en e.andere specifieke kostensoorten die door de bestuurscommissie in de uitvoeringsregeling als subsidiabel zijn aangewezen. 3.VAT-kosten komen bij overige projecten alleen voor subsidie in aanmerking voor de in het tweede lid, onderdeel d, genoemde activiteiten, tenzij in de uitvoeringsregeling anders is bepaald.4.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling normbedragen vaststellen voor de in dit artikel bedoelde kosten. Artikel 50. Hoogte van de subsidie voor overige projecten 1.De hoogte van de subsidie bedraagt: a.voor een studie-initiatief: maximaal 25% van de subsidiegrondslag, bedoeld in artikel 21, tot een maximum van € 10.000. De subsidie wordt verleend als een vast bedrag; b.voor een studieproject: het subsidiebedrag zoals overeengekomen in de bestuursovereenkomst van het betreffende studieproject; c.voor een proefproject en een project dat bijdraagt aan de realisatie van doelstellingen uit de Mobiliteitsvisie: 1°.bij projecten voor mobiliteitsdiensten die openstaan voor het algemene publiek: maximaal het nadelig saldo van de businesscase voor de duur van de proef; 2°.bij overige projecten: maximaal 50% van de subsidiegrondslag, bedoeld in artikel 21, met dien verstande dat kosten voor monitoring en evaluatie voor 100% subsidiabel zijn. 2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling voor aangewezen subsidiecategorieën of samenwerkingsprogramma’s, en voor een door haar te bepalen periode, een hoger of lager subsidiepercentage vaststellen. Hoofdstuk 4. Exploitatie openbaar vervoer Paragraaf 4.1 Exploitatie openbaar vervoer Artikel 51. Verhouding tot concessie 1.Een exploitatiesubsidie voor openbaar vervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000 en beheer als bedoeld in de Wet lokaalspoor kan uitsluitend worden verstrekt ter uitvoering van een concessie voor openbaar vervoer en wordt bepaald door de concessiedocumenten.2.Indien bepalingen van deze paragraaf in strijd zijn met de concessiedocumenten, prevaleren de concessiedocumenten. Artikel 52. Subsidiabele activiteiten exploitatie openbaar vervoer 1.De bestuurscommissie kan subsidies verstrekken in de vorm van een geldbedrag voor activiteiten die behoren tot de exploitatie van openbaar vervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000 en beheer als bedoeld in de Wet lokaalspoor, voor zover en in de mate deze activiteiten rechtstreeks voortvloeien uit de concessiedocumenten. 2.Subsidiabele activiteiten kunnen, voor zover en in de mate bepaald in de concessiedocumenten, in ieder geval betrekking hebben op: a.de exploitatie van openbaar vervoerdiensten; b.activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van de sociale veiligheid in het openbaar vervoer; c.het beheer en onderhoud van voertuigen, voorzieningen, systemen en bijbehorende infrastructuur; d.het aanpassen, aanleggen, verplaatsen of verwijderen van haltes, voor zover deze activiteiten voortvloeien uit de concessiedocumenten en vooraf door de bestuurscommissie zijn goedgekeurd. 3.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling nader bepalen voor welke activiteiten binnen de in het tweede lid genoemde categorieën subsidie kan worden verstrekt, mits deze activiteiten rechtstreeks voortvloeien uit de concessiedocumenten. Artikel 53. Aanvrager bij exploitatiesubsidie Exploitatiesubsidie kan worden aangevraagd door concessiehouders. Artikel 54. Aanvraagtermijn exploitatiesubsidie 1.De concessiehouder kan voor ieder kalenderjaar waarin de concessie van kracht is een aanvraag indienen voor een exploitatiesubsidie.2.De subsidieaanvraag heeft betrekking op het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt gevraagd, of, indien de concessie daartoe aanleiding geeft, op een gedeelte daarvan.3.De subsidieaanvraag wordt ingediend uiterlijk 13 weken vóór de aanvang van het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft of het betreffende gedeelte daarvan. Artikel 55. Aanvraagvereisten exploitatiesubsidie 1.Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de vereisten die voortvloeien uit de concessiedocumenten en bevat in ieder geval: a.een inhoudelijke en financiële onderbouwing van de aangevraagde subsidie; en b.een inzichtelijke koppeling tussen de aangevraagde subsidie en de op grond van de concessie te leveren prestaties. 2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling de inhoud en vorm van de subsidieaanvraag en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden nader bepalen en een formulier vaststellen voor het indienen van een subsidieaanvraag. Als de bestuurscommissie een formulier heeft vastgesteld voor het indienen van een subsidieaanvraag, kan subsidie worden aangevraagd met gebruikmaking van het daarvoor door de bestuurscommissie vastgestelde formulier. 3.Indien dit voor de beoordeling van de subsidieaanvraag noodzakelijk is, kan de bestuurscommissie de aanvrager verzoeken aanvullende gegevens of bescheiden te verstrekken. Artikel 56. Beslistermijn exploitatiesubsidie 1.De bestuurscommissie beslist op een aanvraag om exploitatiesubsidie binnen 13 weken na de datum van ontvangst van een aanvraag.2.Indien niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden beslist, kan de bestuurscommissie de beslistermijn eenmaal verlengen met ten hoogste 13 weken.3.De bestuurscommissie stelt de aanvrager vóór het verstrijken van beslistermijn schriftelijk in kennis van een verlenging. Artikel 57. Subsidiecriteria exploitatiesubsidie 1.Om voor exploitatiesubsidie in aanmerking te komen, voldoet de subsidieaanvraag aan de concessiedocumenten. 2.De bestuurscommissie betrekt bij de beoordeling van de subsidieaanvraag in ieder geval: a.de mate waarin de concessiehouder voldoet aan, dan wel zal voldoen aan, de verplichtingen die voortvloeien uit de concessie; b.de mate waarin de subsidieaanvraag bijdraagt aan de doelstellingen op het gebied van verkeer en vervoer, zoals vastgesteld in de strategische agenda, voor zover deze doelstellingen zijn verankerd in de concessie; en c.de mate waarin de subsidieaanvraag sober, doelmatig en uitvoerbaar is. 3.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling aanvullende subsidiecriteria vaststellen. Artikel 58. Weigeringsgronden exploitatiesubsidie De bestuurscommissie weigert de exploitatiesubsidie in ieder geval indien de subsidieaanvraag niet voldoet aan de concessiedocumenten. Artikel 59. Subsidiabele kosten 1.Voor subsidie komen in aanmerking de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de concessie, voor zover deze in de concessiedocumenten uitdrukkelijk als subsidiabel zijn aangemerkt.2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling voor de in dit artikel bedoelde kosten normbedragen vaststellen, voor zover deze normering aansluit op of voortvloeit uit de concessiedocumenten. Artikel 60. Niet subsidiabele kosten 1.Onverminderd artikel 59 en het bepaalde in de concessiedocumenten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: a.kosten die redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht; b.kosten waarvoor reeds door een derde een bijdrage of subsidie is verstrekt, voor zover deze betrekking hebben op dezelfde activiteiten of kosten; c.kosten voor het aanpassen van de dienstregeling als gevolg van een project dat vóór 1 oktober voorafgaand aan het betreffende dienstregelingsjaar is aangemeld. 2.In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kunnen kosten voor het aanpassen van de dienstregeling uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien: a.het project na 1 oktober voorafgaand aan het betreffende dienstregelingsjaar is aangemeld; b.sprake is van aantoonbare en onvoorziene urgentie; en c.de concessiehouder aannemelijk maakt dat deze kosten redelijkerwijs niet op een derde kunnen worden verhaald. Artikel 61. Voorschotten 1.De bestuurscommissie kan één of meerdere voorschotten verstrekken op de verleende exploitatiesubsidie.2.De hoogte van het voorschot, het kasritme en de wijze van betaling worden vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening. Artikel 62. Verantwoording en subsidievaststelling 1.De subsidieontvanger dient uiterlijk 39 weken na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verleend een verzoek tot subsidievaststelling in.2.Bij het verzoek worden de gegevens en bescheiden overgelegd die zijn voorgeschreven in de concessiedocumenten, de uitvoeringsregeling en de beschikking tot subsidieverlening. Het verzoek bevat in ieder geval: a.een activiteitenverslag; b.een overzicht van de gerealiseerde inkomsten en bijdragen van derden, met een toelichting op afwijkingen; en c.een controleverklaring, voor zover voorgeschreven in de concessiedocumenten, de uitvoeringsregeling of de beschikking tot subsidieverlening. 3.Indien dit voor de beoordeling van het verzoek noodzakelijk is, kan de bestuurscommissie de aanvrager verzoeken aanvullende gegevens of bescheiden te verstrekken..4.Indien het verzoek tot subsidievaststelling niet tijdig wordt ingediend, kan de bestuurscommissie de subsidieontvanger schriftelijk een nadere termijn stellen. 5.Op verzoek van de subsidieontvanger kan de in het eerste lid genoemde termijn door de bestuurscommissie eenmaal worden verlengd met ten hoogste 13 weken. Artikel 63. Beslistermijn subsidievaststelling 1.De bestuurscommissie beslist op een verzoek tot subsidievaststelling binnen 26 weken na ontvangst van het verzoek.2.Indien niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden beslist, kan de bestuurscommissie de beslistermijn eenmaal verlengen met ten hoogste 26 weken.3.De bestuurscommissie stelt de subsidieontvanger vóór het verstrijken van de beslistermijn schriftelijk in kennis van de verlenging.4.Indien de subsidieontvanger geen verzoek tot subsidievaststelling indient binnen de termijn, bedoeld in artikel 62, eerste lid, dan wel binnen de verlengde termijn, bedoeld in artikel 62, vijfde lid, en evenmin binnen de nadere termijn, bedoeld in artikel 62, vierde lid, kan de bestuurscommissie de subsidie ambtshalve vaststellen. Paragraaf 4.2 Maatwerkvervoer Artikel 64. Subsidiabele activiteiten maatwerkvervoer 1.De bestuurscommissie kan subsidie verstrekken in de vorm van een geldbedrag voor initiatieven op het gebied van maatwerkvervoer die: a.aanvullend zijn op de bestaande concessies voor openbaar vervoer; en b.bijdragen aan het versterken van de regionale bereikbaarheid op een doelmatige en kostenefficiënte wijze. 2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling bepalen voor welke activiteiten binnen de in het eerste lid bedoelde activiteitensubsidie kan worden verstrekt. Artikel 65. Aanvrager bij maatwerkvervoer 1.Subsidie voor maatwerkvervoer kan uitsluitend worden aangevraagd door de gemeenten die deel uitmaken van de MRDH.2.In afwijking van het eerste lid kan, indien maatwerkvervoer binnen een concessie wordt uitgevoerd door vrijwilligers zonder gebruik te maken van subsidie voor maatwerkvervoer, de betrokken vrijwilligersorganisatie of de betrokken gemeente eenmaal per jaar subsidie aanvragen ter ondersteuning van deze vrijwilligers. Artikel 66. Aanvraagtermijn maatwerkvervoer Een aanvraag voor subsidie voor maatwerkvervoer wordt ingediend uiterlijk 13 weken vóór de start van de uitvoering. Artikel 67. Aanvraagvereisten maatwerkvervoer 1.Een subsidieaanvraag bevat in ieder geval: a.een beschrijving van de activiteit en de beoogde resultaten, in relatie tot de geldende Beleidslijn Maatwerkvervoer MRDH; b.een businesscase voor drie jaar, voorzien van een begroting met een overzicht van uitgaven, inkomsten en bijdragen van derden, inclusief een toelichting; en c.een tijdsplanning van de uitvoering van de activiteit. 2.De bestuurscommissie kan in de uitvoeringsregeling de inhoud en vorm van de subsidieaanvraag en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden nader bepalen.3.Indien dit voor de beoordeling van de subsidieaanvraag noodzakelijk is, kan de bestuurscommissie de aanvrager verzoeken aanvullende gegevens of bescheiden te verstrekken.. Artikel 68. Beslistermijn 1.De bestuurscommissie beslist op een aanvraag om subsidie binnen 13 weken na ontvangst van een aanvraag.2.Indien niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden beslist, kan de bestuurscommissie de beslistermijn eenmaal verlengen met ten hoogste 13 weken.3.De bestuurscommissie stelt de aanvrager vóór het verstrijken van de beslistermijn schriftelijk in kennis van een verlenging. Artikel 69. Duur van de subsidieperiode 1.De subsidie voor maatwerkvervoer wordt verleend per dienstregelingsjaar, met een maximum van drie opeenvolgende dienstregelingsjaren.2.In het laatste jaar van deze periode kan de subsidieontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om de subsidieperiode eenmaal met ten hoogste drie dienstregelingsjaren te verlengen. Artikel 70. Subsidiecriteria maatwerkvervoer Om voor subsidie voor maatwerkvervoer in aanmerking te komen: a.is sprake van een collectieve vervoersvraag; b.is het maatwerkvervoer aanvullend op het bestaande openbaar vervoer en sluit het daarop aan; c.vormt het vervoer geen vervanging van vervoer waarvoor gemeenten wettelijk verantwoordelijk zijn; d.is het vervoer afgestemd met de concessiehouder en niet concurrerend met het concessievervoer; e.is het initiatief organisatorisch en financieel duurzaam voor een periode van ten minste drie jaar, blijkend uit een deugdelijke businesscase; en f.is het initiatief opengesteld voor eenieder en niet gebonden aan een abonnement of lidmaatschap. Artikel 71. Weigeringsgronden maatwerkvervoer 1.De bestuurscommissie weigert de subsidie in ieder geval indien: a.de activiteit onvoldoende bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen op het gebied van verkeer en vervoer, zoals vastgesteld in de strategische agenda; b.de activiteit een onevenredige inbreuk maakt op het concessierecht van concessiehouders; of c.de uitvoering van het project niet doelmatig of kostenefficiënt is in verhouding tot het beoogde resultaat. 2.De bestuurscommissie kan de subsidie weigeren indien: a.onvoldoende sprake is van cofinanciering door de gemeente of een andere partij; b.de activiteit geen mogelijkheid biedt tot reizen met de OV-chipkaart of een ander door de MRDH geaccepteerd betaalsysteem; of c.de businesscase geen toereikende of aannemelijke reizigersopbrengsten bevat; d.de aanvraag voor de opvolgende jaren sterk ongunstig afwijkt van de business case. Artikel 72. Niet subsidiabele kosten maatwerkvervoer Kosten voor de aanleg van haltes komen niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 73. Subsidiehoogte Bij het bepalen van de hoogte van de subsidie houdt de bestuurscommissie in ieder geval rekening met: a.de mate waarin de gemeente zelf financieel bijdraagt aan de uitvoering van de maatwerkvoorziening (cofinanciering); en b.de hoogte van de reizigersopbrengsten die met de maatwerkvoorziening worden gerealiseerd. Artikel 74. Voorschotten 1.De bestuurscommissie kan één of meerdere voorschotten verstrekken op de verleende subsidie.2.De hoogte, het kasritme en de wijze van betaling van de voorschotten worden vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening. Artikel 75. Eindverantwoording en subsidievaststelling 1.De subsidieontvanger dient uiterlijk 13 weken na afloop van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend een verzoek tot subsidievaststelling in.2.Het verzoek tot subsidievaststelling bevat in ieder geval: a.een activiteitenverslag waaruit blijkt in hoeverre de activiteiten zijn uitgevoerd en de doelstellingen zijn behaald; b.een overzicht van de gerealiseerde inkomsten en bijdragen van derden; c.een overzicht van de gerealiseerde uitgaven en gemaakte kosten, inclusief een toelichting op eventuele afwijkingen; en d.bij subsidies van € 125.000 of hoger: tevens een financieel eindverslag voorzien van een controleverklaring van een accountant. 3.Indien het verzoek tot subsidievaststelling niet tijdig wordt ingediend, kan de bestuurscommissie de subsidieontvanger schriftelijk een nadere termijn stellen.4.Op verzoek van de subsidieontvanger kan de in het eerste lid genoemde termijn door de bestuurscommissie eenmaal worden verlengd met ten hoogste 13 weken. Artikel 76. Beslistermijn subsidievaststelling 1.De bestuurscommissie beslist op het verzoek tot subsidievaststelling binnen 13 weken na ontvangst van het verzoek.2.Indien niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden beslist, kan de bestuurscommissie de beslistermijn eenmaal verlengen met ten hoogste 13 weken.3.De bestuurscommissie stelt de subsidieontvanger vóór het verstrijken van de beslistermijn schriftelijk in kennis van de verlenging.4.Indien de subsidieontvanger geen verzoek tot subsidievaststelling indient binnen de termijn, bedoeld in artikel 75, eerste lid, dan wel binnen de verlengde termijn, bedoeld in artikel 75, vierde lid, en evenmin binnen de nadere termijn, bedoeld in artikel 75, derde lid, kan de bestuurscommissie de subsidie ambtshalve vaststellen. Hoofdstuk 5. Slotbepalingen Artikel 77. Afwijkingsbevoegdheid De bestuurscommissie kan deze verordening geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten of daarvan afwijken: a.indien dit noodzakelijk is in verband met regels die door het Rijk worden gesteld bij het beschikbaar stellen van uitkeringen aan een gemeente voor specifiek aangewezen activiteiten; b.voor zover dit voor de verstrekking van een bijdrage noodzakelijk is op grond van: 1°.een wet of daarop gebaseerde regeling; 2°.bepalingen inzake Europese cofinanciering; of 3°.Europeesrechtelijke bepalingen ter voorkoming van ongeoorloofde staatssteun. Artikel 78. Hardheidsclausule De bestuurscommissie kan de bepalingen van deze verordening geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover strikte toepassing, gelet op het belang van een doelmatige en samenhangende uitvoering van het beleid op het gebied van verkeer en vervoer, of de uitvoering van de strategische agenda, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 79. Intrekking oude verordening De Subsidieverordening Vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2024 wordt ingetrokken. Artikel 80. Overgangsrecht Op subsidies die vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend, blijft de Subsidieverordening Vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2024 van toepassing. Artikel 81. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 september 2026. Artikel 82. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Subsidieverordening Vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2027. Aldus besloten in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag van 10 juli 2026, Christel Mourik,secretaris Jan van Zanen,voorzitter
Meer informatie