Schuilstallenbeleid gemeente Breda

Mededelingen
Locatie
SoortMededelingen
Gepubliceerd op21 juli 2026
Gepubliceerd doorGemeente Breda

Schuilstallenbeleid gemeente Breda Bekendmaking Burgemeester en wethouders van Breda maken bekend dat zij op 29 juni 2026 het Schuilstallenbeleid hebben vastgesteld. Inwerkingtreding De beleidsregels worden van kracht met ingang van de dag na deze bekendmaking. Rechtsmiddelen Tegen het besluit tot vaststelling van de beleidsregels is geen bezwaar of beroep mogelijk. Toelichting Het opstellen van het schuilstallenbeleid is één van de tien concrete acties uit de nota 'Dieren in Breda' (september 2025). Met dit schuilstallenbeleid zijn duidelijke en toetsbare beleidsregels vastgelegd waarmee het mogelijk wordt om onder voorwaarden schuilstallen toe te staan in het landelijk gebied op gronden waar nu geen bouwmogelijkheden zijn. Het beleid beoogt een evenwicht te creëren tussen dierenwelzijn en bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. Tekst beleidregels 1. Aanleiding en achtergrond De afgelopen jaren ontvangt de gemeente Breda verzoeken om schuilstallen te plaatsen in het landelijk gebied. Verzoeken op gronden zonder bouwmogelijkheden zijn tot nu toe afgewezen, omdat het ruimtelijk beleid voor het buitengebied terughoudend is met extra bouw- en gebruiksmogelijkheden. Vanuit dierenwelzijn is het wenselijk om schuilstallen onder voorwaarden toe te staan. Dit beleidskader biedt daarvoor een eenduidig en ruimtelijk aanvaardbaar beoordelingskader. Het opstellen van dit schuilstallenbeleid is één van de tien concrete acties uit de nota 'Dieren in Breda' (september 2025). Met deze nota legt de gemeente een beleidsagenda vast om dieren in Breda ook de komende jaren blijvend aandacht te geven. 1.1 De vraag naar schuilstallen. Aanvragen voor het oprichten van nieuwe schuilstallen of het legaliseren van bestaande schuilstallen komen doorgaans van particuliere initiatiefnemers. Zij hebben in het landelijk gebied een weiland of perceel waarop zij hobbymatig dieren houden. Daarbij bestaat de wens om deze dieren bescherming te bieden tegen weersomstandigheden, bijvoorbeeld in de vorm van een schuilstal. Soms wonen initiatiefnemers niet in de buurt van het perceel, waardoor aansluiting bij bestaande bebouwing niet mogelijk is en een solitaire schuilstal wordt gewenst. Het geldende omgevingsplan biedt daarvoor veelal geen mogelijkheden. Het betreft hier schuilstallen op gronden waar geen bouwvlak op aanwezig is. 1.2 Definitie van een schuilstal Binnen dit beleidskader wordt onder een schuilstal verstaan: Een bouwwerk omsloten door maximaal 3 wanden welke direct, hetzij indirect met de grond is verbonden en dit bouwwerk uitsluitend mag worden benut voor het laten schuilen van (hobbymatig gehouden) dieren tegen weersinvloeden, waarbij het dier vrij in en uit kan lopen zonder menselijk ingrijpen. Opslag is niet toegestaan met uitzondering van voer en stro voor de betreffende dieren. 1.3 Schuilstallen en dierenwelzijn De gemeente Breda staat niet alleen voor het vraagstuk rond schuilstallen. In maart 2007 publiceerde de Nederlandse Belangenvereniging van Hobbydierhouders (NBvH) de notitie 'Notitie Schuilplaats voor dieren in de wei'. Daarin vraagt de NBvH aandacht voor dieren die vaak het hele jaar buiten verblijven, zoals schapen, paarden, runderen, geiten en ezels. Bij goede weersomstandigheden levert buiten verblijf doorgaans geen problemen op. Bij slechte weersomstandigheden (regen, kou, maar ook hitte) kan het dierenwelzijn echter in het geding komen. Tegelijkertijd benadrukt de NBvH dat verrommeling van het landelijk gebied moet worden voorkomen en dat in de afweging om schuilstallen al dan niet te faciliteren ook het dierenwelzijn moet worden betrokken. 1.4 Leeswijzer In de komende twee hoofdstukken zijn de beleidsuitgangspunten aangegeven waarbinnen schuilstallen zijn toegestaan: in hoofdstuk 2 de algemene beleidskaders en in hoofdstuk 3 de algemene uitgangspunten voor schuilstallen. Daarna volgt een inhoudelijke verdieping op locatie specifieke kenmerken (hoofdstuk 4) en op beeldkwaliteit (hoofdstuk 5). In de laatste hoofdstukken worden procedurele zaken behandeld. 2. Huidige beleidskaders 2.1 Gemeentelijk beleid De huidige gemeentelijke ruimtelijke kaders zijn vastgelegd in de (tijdelijke) omgevingsplannen, zoals de plannen 'Buitengebied Noord', 'Buitengebied Noordoost', 'Buitengebied Oost' en 'Buitengebied Zuid 2013', de 'Omgevingsvisie Breda 2040' en het 'Beleid voor Vrijkomende Agrarische Bebouwing'. Het gemeentelijk beleid biedt beperkte mogelijkheden om een schuilstal te realiseren in het landelijk gebied. Binnen de vigerende bestemmingsplannen bestaan mogelijkheden voor bijgebouwen bij een woonbestemming of een agrarische bestemming. Bij een woonbestemming in het buitengebied is – afhankelijk van de perceelomvang – maximaal 100 tot 150 m² aan bijgebouwen toegestaan; een schuilstal wordt in dat geval als bijgebouw aangemerkt. Binnen een agrarische bestemming kan bebouwing worden opgericht binnen het bouwvlak. Een schuilstal wordt in eerste instantie gerealiseerd binnen de bestaande planologische mogelijkheden. Als dat niet mogelijk is, kunnen de stappen uit dit schuilstallenbeleid worden gevolgd. 2.2 Provinciaal beleid Het provinciale beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De provincie gebruikt in plaats van het woord 'schuilstal' de term 'schuilhut'. Het provinciale kader ziet op meer dan alleen schuilstallen; daarom zijn de relevante passages hieronder integraal opgenomen. Het provinciale kader noemt specifiek paarden. Dit gemeentelijke beleidskader is dierneutraal en kan worden toegepast op verschillende (hobbymatig gehouden) dieren. Artikel 5.59 Maatwerk voor stedelijke functies in kernrandzones (versie januari 2025) Als er sprake is van een kernrandzone of een daarmee qua karakter gelijk te stellen gebied, kan een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied in afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a, voorzien in: 2: voorzieningen voor veldsporten, volkstuinen, schuilhutten en andere kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen als: 1. dit past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12; 2. het omgevingsplan borgt dat de beoogde ontwikkeling beperkt blijft tot kleinschalige bebouwing of -voorziening; 3. de publieksaantrekkende werking beperkt is; en 4. bij een nieuwe bouwactiviteit, elders een gelijkwaardige oppervlakte bebouwing, feitelijk en juridisch is gesaneerd. Toelichting op artikel 5.59 Maatwerk voor stedelijke functies in kernrandzones Nieuwvestiging kleinschalige voorzieningen In de praktijk blijkt dat er behoefte bestaat aan een mogelijkheid voor nieuwvestiging van kleinschalige voorzieningen in kernrandzones of daarmee qua ligging en functie gelijk te stellen gebieden. Dit soort kleinschalige voorzieningen is vaak gerelateerd aan een stedelijke omgeving, zoals sportvelden, volkstuinen, schuilhutten etc. Voorwaarde is dat deze voorzieningen gepaard gaan met beperkte bebouwing en dat de publiek aantrekkende werking beperkt is. Daarom zijn -al dan niet verenigingsgebonden- horeca-activiteiten (alcoholische drankverstrekking en fast-service e.d.) ongewenst. Om te voorkomen dat er ingevolge deze verordening een bestaand bouwperceel ontstaat waar vestiging van andere functies mogelijk wordt, geldt als maximale oppervlakte van de bebouwing 90 m2. Een omgevingsplan borgt dat de omvang van de bebouwing, inclusief het toelaten van vergunningvrije bouwwerken, daarvoor beperkt blijft. Schuilhutten zijn soms gewenst in verband met het hobbymatig houden van paarden. Binnen een toegekende woonbestemming is het niet altijd mogelijk hiervoor een voorziening te treffen. Het gaat nadrukkelijk niet om voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Voor gebouwen en bouwwerken ten behoeve van een agrarisch bedrijf geldt dat daarvoor ruimte aanwezig is binnen het toegekende bouwperceel en dat alle voorzieningen voor het agrarisch bedrijf ook binnen dat bouwperceel geconcentreerd worden. Bij het oprichten van nieuwe bebouwing is om de steeds verdergaande verstening van het landelijk gebied tegen te gaan, als voorwaarde gesteld dat elders een gelijkwaardige oppervlakte aan bebouwing feitelijk en juridisch is gesaneerd. De provinciale regels voor het oprichten van schuilhutten zijn in de huidige verordening strenger dan de voorwaarden die de gemeente Breda in dit beleid hanteert. De Omgevingsverordening Noord-Brabant heeft echter rechtstreekse werking en moet daarom altijd worden betrokken bij de beoordeling. Omdat de Omgevingsverordening Noord-Brabant een dynamisch document is, zijn de provinciale regels wel toetsingskader, maar niet één-op-één overgenomen. Hierdoor hoeft dit beleid niet telkens te worden aangepast wanneer provinciale regels wijzigen. 3. Uitgangspunten voor schuilstallenbeleid Bij het opstellen van dit beleidskader is rekening gehouden met de ruimtelijke belangen, de belangen van de (hobby)dierhouder en het dierenwelzijn. De centrale uitgangspunten van dit beleid zijn: -Het is mogelijk (hobby)dieren te houden in het buitengebied, zowel om aan de behoefte te voldoen als omdat dieren in de wei bijdragen aan het karakter van het buitengebied en de weilanden op natuurlijke wijze onderhouden; -Het is mogelijk om (hobby)dieren, vanuit dierenwelzijn, passende huisvesting te bieden ter bescherming tegen weersinvloeden; -Om gebiedskenmerken te beschermen, worden schuilstallen niet zonder meer op alle gronden toegestaan. Bij de beoordeling worden de bestemming, de ligging en de specifieke waarden van het gebied betrokken; -Om de ruimtelijke kwaliteit te borgen, worden eisen gesteld aan omvang en materiaalgebruik; alternatieven met een gelijkwaardige uitstraling zijn bespreekbaar; -Dit beleid is uitsluitend van toepassing op schuilstallen ten behoeve van dieren en niet op reguliere stallen of winterverblijven; -Schuilstallen worden zodanig gesitueerd dat verrommeling van het buitengebied wordt voorkomen; -De schuilstal wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast. Wilt u weten of u in aanmerking komt voor een schuilstal? Op de volgende pagina is een beslisboom opgenomen. 4. Uitwerking locatie specifieke kenmerken Het onbeperkt toestaan van schuilstallen voor het (hobbymatig houden) van dieren kan leiden tot verrommeling van het landschap, hetgeen de gemeente Breda absoluut niet wenselijk acht. Daarom is het van belang dat er goede en duidelijke toetsingskaders komen voor de locaties van de schuilstallen. 4.1 Op welke gronden zijn schuilstallen toegestaan Niet alle gebieden in het buitengebied lenen zich voor het houden van (hobby)dieren. Daardoor hoeft niet overal, buiten bestaande bouwvlakken, de mogelijkheid te worden geboden om schuilstallen op te richten. In het bijzonder zijn gebieden met hoge landschappelijke waarden, natuurgebieden en bosgebieden uitgesloten. Schuilstallen zijn daarom uitsluitend toegestaan op gronden met een agrarische functie (voorheen: agrarische bestemming), al dan niet met specifieke waarden. Schuilstallen, zoals bedoelt in binnen dit beleidskaders, kunnen enkel mogelijk gemaakt worden middels een omgevingsvergunning. Zodoende is sprake van een nader toetsmoment waardoor gestuurd en aangesloten kan worden bij de landschappelijke kenmerken van het gebied, zoals vastgelegd in de nota ruimtelijke kwaliteit. Het kan ook zijn dat de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van een gebied vanwege bijvoorbeeld de grootschalige openheid een schuilstal niet wenselijk maken. Daarnaast wordt getoetst aan provinciale regelgeving. 4.2 Solitair gelegen weilanden Dit beleid ziet uitsluitend op het mogelijk maken van schuilstallen op solitair gelegen weilanden met een agrarische functie. Voor overige locaties wordt getoetst aan het omgevingsplan. De aanvrager toont aan dat het bouwen van een schuilstal op het huisperceel niet mogelijk is. Het aanleggen van paden, wegen of andere verharding naar de schuilstal is niet toegestaan. 4.3 Oppervlakte perceel De minimale oppervlakte van een perceel waarop een schuilstal mag worden gebouwd bedraagt 2.500 m² 1. Deze maat is noodzakelijk vanwege het minimaal benodigde oppervlak voor weidegang en een passend leefklimaat voor diverse (hobby)dieren. Bij een kleinere oppervlakte worden weilanden te snel begraasd, waardoor bij slecht weer de kwaliteit en voedingswaarde van het perceel sterk kunnen teruglopen. Om te voorkomen dat een eigenaar met meerdere percelen en (hobby)dieren, verdeeld over meerdere weilanden, in elk weiland een schuilstal opricht, wordt vastgelegd dat per eigenaar slechts één omgevingsvergunning wordt verleend (ongeacht het aantal percelen). Hierbij wordt uitgegaan van de eigenaar en niet van de gebruiker. Dit voorkomt dat één perceel meerdere gebruikers heeft die ieder afzonderlijk een omgevingsvergunning kunnen aanvragen. 4.4 Strijdig gebruik schuilstal Het is verboden de schuilstal te gebruiken voor andere activiteiten dan in de definitie is omschreven. Het stallen van tractoren, grasmaaiers, trailers et cetera en het opslaan van goederen is in strijd met dit beleid. Dit gebruik past niet bij het beleidsdoel om het dierenwelzijn te borgen en is bovendien strijdig met de onderliggende bestemming/functie. Alleen het kleinschalig opslaan van voer en stro ten behoeve van de ter plaatse aanwezige (hobby)dieren is toegestaan. Buitenopslag is niet toegestaan; voer en stro worden in de schuilstal opgeslagen. Schuilstallen die na verloop van tijd niet meer in gebruik zijn dienen door de eigenaar zelf weer verwijdert te worden. De landschappelijke inpassing blijft daarbij in stand, tenzij anders afgesproken. 4.5 Landschappelijke inpassing De schuilstal wordt landschappelijk ingepast, met inachtneming van belangrijke landschappelijke waarden zoals die zijn aangeduid in de gebiedsanalyses en criteria van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Breda. Bijvoorbeeld: belangrijke zichtlijnen vrijhouden of doorzichten in een lintbebouwing behouden. De landschappelijke inpassing sluit aan bij de bestaande landschapselementen. Indien geen bestaande landschapselementen aanwezig zijn wordt verwacht dat langs 1 van de gesloten zijden van de stal een boerenhaag, van inheemse planten soorten passend in het landschap, met minimaal dezelfde lengte als de langste zijde van de schuilstal + 2 meter wordt aangelegd. Onderdeel van de landschappelijke inpassing kan ook zijn het treffen van natuurinclusieve maatregelen. Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van een nestkast of schuilkast aan of nabij de schuilstal voor één van de volgende soorten: steenmarter, bunzing, steenuil of kerkuil. De locatie is hierbij bepalend. Voor het aanplanten van landschappelijke inpassing kan het noodzakelijk zijn hiervoor een vergunningaanvraag in te dienen. 5. Uitwerking beeldkwaliteit Aan de schuilstal worden eisen gesteld om verrommeling van het landschap tegen te gaan. Daarom worden toetsbare kaders opgenomen voor situering, materiaalkeuze en bouwvolume. 5.1 Situering schuilstal Voor de situering wordt een locatie gekozen waar de schuilstal landschappelijk het beste tot zijn recht komt. Dit betekent doorgaans plaatsing aan de rand van een perceel, zoveel mogelijk aansluitend op bestaande bouwvlakken van derden, bebouwing, bomen en struiken. Aansluiting op bestaande bebouwing is daarbij het eerste uitgangspunt. Zichtlijnen blijven vervolgens zoveel mogelijk intact. De schuilstal wordt aan de rand van het perceel geplaatst. Daarbij kan afstand tot een hoofdweg worden aangehouden om schrikeffecten en mogelijk vandalisme te voorkomen. De minimale afstand tot de perceelgrenzen bedraagt 3 meter. Bij de situering van een schuilstal wordt rekening gehouden met de openheid van het landschap, het behoud van zichtlijnen naar het achterliggende landschap en omliggende functies van derden. Afbeelding: principeschetsen locatie schuilstal op het perceel 5.2 Afmetingen schuilstal Hieronder staan de maximale afmetingen voor een schuilstal. De maximale maatvoering gaat uit van het houden van een kudde paarden (circa vijf dieren) die gelijktijdig kunnen schuilen. Voor kleinere (hobby)dieren ligt een kleinere schuilstal voor de hand. -Het maximale vloeroppervlak, inclusief overstek, van de schuilstal bedraagt 25 m². -De maximale hoogte van de schuilstal bedraagt 3 meter. 5.3 Uiterlijke verschijningsvorm schuilstal -De schuilstal is aan minimaal één zijde volledig open; -De schuilstal heeft een open karakter; dieren kunnen gemakkelijk in- en uitlopen zonder menselijke handeling; -De schuilstal is gebouwd van natuurlijke materialen, zoals onbewerkt of gepotdekseld hout; -Het dak is uitgevoerd in één van de volgende materialen: riet, dakpannen (terracotta, grijs of zwart), bitumen, kunststof dakpanplaat (mat terracotta, grijs of zwart), kunststof golfplaat (mat terracotta, grijs tot zwart) of een natuurdak passend in het landschap; -Bij voorkeur wordt geen verharding aangebracht onder of rond de schuilstal. Van deze regel kan worden afgeweken als vanuit dierenwelzijn wordt aangetoond dat verharding direct onder de schuilstal noodzakelijk is. 5.4 Voorbeelden schuilstallen Onderstaande afbeeldingen tonen ter inspiratie ongewenste en gewenste voorbeelden van schuilstallen. Ongewenste voorbeelden Onderstaande voorbeelden zijn ongewenst omdat: -Schuilstallen niet zijn vervaardigd uit natuurlijke materialen, maar uit staal of kunststof; -Schuilstallen op afbeelding 1 en 4 geen open karakter hebben; -Het volume aan verharding bij afbeelding 4 te groot is; Gewenste voorbeelden Onderstaande voorbeelden zijn gewenst omdat: -Schuilstallen zijn vervaardigd uit natuurlijke materialen (hout); -Het dakmateriaal van de schuilstal voldoet aan de voorgeschreven materialen; -De schuilstal een open karakter heeft en minimaal aan één zijde open is. 6. Inwerkingtreding en toepassingsbereik 6.1 Inwerkingtreding Burgemeester en wethouders van Breda maken bekend dat in de collegevergadering van 29 juni 2026 het schuilstallenbeleid is vastgesteld. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na publicatie. 6.2 Toepassingsbereik Binnen het kader van de Omgevingswet kan de gemeente onder voorwaarden plaatsing van schuilstallen toestaan. Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is hiervoor het aangewezen instrument. Deze beleidsregel fungeert als beoordelingskader voor de vergunning. In de vergunning kunnen daarnaast voorwaarden worden opgenomen, zoals in deze nota beschreven. 7. Procedure Het beleid is afgestemd met de provincie Noord-Brabant. Bij het opstellen van het beleid is bovendien gesproken met enkele potentiële gebruikers die bij de gemeente interesse hadden getoond in het schuilstallenbeleid. Gezien de beperkte ruimtelijke impact van schuilstallen en het feit dat iedere schuilstal die onder deze beleidsregels valt uitsluitend mogelijk wordt gemaakt via een omgevingsvergunning (waartegen bezwaar en beroep openstaat), wordt aanvullende participatie in het kader van dit beleid niet noodzakelijk geacht. 8. Handhaving De beleidsregel Schuilstallen stelt regels voor het realiseren van schuilstallen, zonder dat de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt aangetast. In dit beleid zijn zowel de ruimtelijke belangen van het buitengebied als de belangen van dieren meegenomen. Zowel bestaande schuilstallen in het landelijk gebied als nieuw te bouwen schuilstallen moeten in overeenstemming zijn met dit beleid. Als sprake is van een met het beleid strijdige situatie, wordt een handhavingstraject gestart. Daarbij wordt gevraagd het bouwwerk aan te passen of te verwijderen en verwijderd te houden.

Meer informatie