Beleidskader preventie, toezicht en handhaving rechtmatigheid Wmo en Jeugdwet ZOU gemeenten
Beleidskader preventie, toezicht en handhaving rechtmatigheid Wmo en Jeugdwet ZOU gemeenten Inleiding Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet. Naast de verantwoordelijkheid voor de organisatie en uitvoering hiervan zijn gemeenten verantwoordelijk voor het toezicht op een rechtmatige uitvoering. Dit is gericht op het voorkomen van oneigenlijk gebruik van zorggelden en onrechtmatigheden maar vooral dat kwetsbare inwoners de juiste en afgesproken zorg ontvangen. De ZOU gemeenten1 hebben de afgelopen jaren stevig ingezet op het organiseren van de dienstverlening aan de inwoners binnen de Wmo en jeugdzorg. Toezicht en handhaving maakt integraal onderdeel uit van deze dienstverlening. In de door de gemeenteraden vastgestelde visie de Regionale inkoopkoers Jeugd en Wmo van 25 maart 2025 is als uitgangspunt opgenomen om het toezicht op rechtmatigheid meer regionaal te gaan organiseren. Dit sluit aan bij de regionale inkoop van jeugdhulp en Wmo-zorg en het contractmanagement hierop. Alle gemeenten hebben hierdoor te maken met dezelfde zorgaanbieders. Met dit regionaal beleidskader wordt invulling gegeven aan deze gewenste meer gezamenlijke uitvoering. Dit beleidskader2 beschrijft de wijze waarop de ZOU gemeenten preventie, toezicht en handhaving op rechtmatigheid op het gebied van de Wmo en de Jeugdwet uitvoeren. Met dit beleidskader zorgen we er ook voor dat onze medewerkers, inwoners en (zorg)aanbieders op de hoogte zijn van onze uitgangspunten en beleid op dit gebied en daar steeds beter naar gaan handelen. Het doel van preventie, toezicht en handhaving is het bevorderen van de naleving van de regels en het voorkomen en bestrijden van misbruik, oneigenlijk gebruik van zorggelden en onrechtmatigheid door (onbedoelde) fouten. Hiermee dragen we er zorg voor dat zorggelden op een juiste wijze worden besteed en dat de inwoners de zorg ontvangen die ze nodig hebben. Toezicht en handhaving begint met preventie. Preventie richt zich op voorlichting, communicatie en dienstverlening. Door kennis wordt onrechtmatigheid door onwetendheid zoveel mogelijk voorkomen. Dat laat onverlet dat de ZOU gemeenten ook andere instrumenten inzetten. Zo is er aandacht voor vroegtijdige detectie in de vorm van screening en risicogestuurd toezicht op zorgaanbieders, zowel in de fase van contracteren van aanbieders als gedurende de looptijd van de overeenkomsten met aanbieders. Ook vindt reactief toezicht plaats op basis van ingekomen signalen van vermoedens van onrechtmatigheid. Op basis van de resultaten van het toezicht wordt gesanctioneerd, proportioneel en op maat wanneer er sprake is van onrechtmatig gebruik. Hoofdstuk 1. Landelijke en wettelijke kaders 1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 De gemeente moet op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) zorgdragen voor maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Hoe de gemeente uitvoering geeft aan haar opdracht heeft de gemeente vastgelegd in een verordening en in onderliggende nadere regels en/of beleidsregels. In deze verordening moeten ook regels ter ‘bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet’ worden vastgelegd. Om hierop toe te zien heeft het college toezichthouders aangewezen (artikel 6.1 Wmo). Deze toezichthouders zijn vervolgens belast met het houden van toezicht op de naleving van de Wmo, de gemeentelijke verordening en de voorwaarden die zijn opgenomen in de overeenkomst met de aanbieder om te voldoen aan de wettelijke regels en gemeentelijke verordening. Het aanwijzen van toezichthouders en het uitvoeren van het wettelijk toezicht is aan regels gebonden en deze zijn terug te vinden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Awb zijn de algemene bepalingen voor toezichthouders vastgelegd. 1.2 Jeugdwet en lokale verordeningen De gemeenten hebben de wettelijke taak om toe te zien op de rechtmatigheid en doelmatigheid van geleverde jeugdhulp. De gemeente is bevoegd tot het bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Hiertoe moet de gemeenteraad regels opnemen in een verordening. Op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet nemen de ZOU gemeenten in hun verordeningen deze regels op. De Jeugdwet kent, anders dan de Wmo, geen verplichting om een toezichthouder aan te stellen voor het houden van toezicht op de naleving van de wet en de verordening, maar sluit dit ook niet uit. In de gemeentelijke verordening dient hiervoor een grondslag te worden opgenomen. De ZOU gemeenten nemen deze grondslag op in hun verordeningen. Op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet dient de gemeenteraad in de verordening ook regels op te stellen over onder andere de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Regeling jeugdwet, controleplan en specifiek controleplan De Regeling Jeugdwet schrijft in artikel 6b.3 voor dat gemeenten een algemeen controleplan opstellen. Het algemeen controleplan wordt gemaakt op basis van een algemene risicoanalyse. In het algemeen controleplan beschrijft de gemeente waarop de controle zich richt en welke methodes worden gebruikt. Voor toezicht op jeugdhulp heeft gemeente een aantal instrumenten. Deze instrumenten zijn formele controle, materiële controle, detailcontrole en fraudeonderzoek. De Regeling Jeugdwet bepaalt onder welke voorwaarden deze instrumenten kunnen worden ingezet. De ZOU gemeenten gaan werken met een regionaal controleplan dat vastgesteld wordt in lijn met dit beleidskader. Naast het algemeen controleplan wordt zonodig een specifiek regionaal controleplan opgesteld. Dit is nodig inzake het verrichten van een detailcontrole op grond van artikel 6b lid 5 van de Regeling Jeugdwet. In dit plan wordt voor een specifieke aanbieder aangegeven wat het specifieke controledoel is, welke objecten worden gecontroleerd en welke methoden van controleren worden ingezet. 1.3 Toezicht kwaliteit versus toezicht rechtmatigheid De gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet en Wmo verantwoordelijk voor zowel toezicht op kwaliteit als toezicht op rechtmatigheid. De ZOU gemeenten stellen toezichthouders rechtmatigheid aan via aanwijzingsbesluiten van de colleges. Bij kwaliteitstoezicht liggen de verantwoordelijkheden anders. Voor kwaliteit zijn andere toezichthouders aangewezen en het heeft een eigen insteek, expertise en toetsingskaders. Ook is het voor jeugdhulp en Wmo verschillend georganiseerd. In de praktijk is er samenhang en wederzijdse beïnvloeding tussen toezicht rechtmatigheid en kwaliteit. Dit vraagt om samenhang en afstemming zoals ook wordt beschreven in dit beleidskader. Toezicht kwaliteit Wmo en jeugdhulp De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van Wmo en jeugdhulp voorzieningen die zij aan haar inwoners bieden. De grondslag hiervoor is wet- en regelgeving, gemeentelijke verordeningen en de contractvoorwaarden met zorgaanbieders. In deze contracten staan kwaliteitseisen opgenomen na te leven door aanbieders. Toezicht op de kwaliteit Wmo is door de ZOU gemeenten belegd bij de Gemeentelijke Geneeskundige dienst regio Utrecht (GGDrU). De toezichthouders van de GGDrU houden toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen. De handhavingstaak ligt bij de gemeenten. Het toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is landelijk belegd bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). In de uitvoering en processen van de Wmo en jeugdhulp kunnen signalen naar voren komen over de kwaliteit van de geleverde zorg. Bij twijfels over de kwaliteit en bij calamiteiten is het IGJ of de GGDru aan zet in het kader van haar toezichtstaak. Bij jeugdhulp is ook de handhaving hierop een taak van het IGJ in afwijking van de Wmo waar dit een taak is van de gemeente. Tabel 1. Overzicht verantwoordelijkheden toezicht kwaliteit en rechtmatigheid Rechtmatigheid Kwaliteit toezicht handhaving toezicht handhaving Jeugdwet gemeente gemeente IGJ IGJ Wmo gemeente gemeente GGDrU gemeente 1.4 Bevoegdheden van toezichthouder rechtmatigheid In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de algemene bepalingen voor toezichthouders vastgelegd. Onder een toezichthouder wordt verstaan: ‘een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift’. Bij het vastleggen van de taken en bevoegdheden van de toezichthouder moet titel 5.2 van de Awb in acht worden genomen. Op basis van artikel 5:20 Awb is iedereen verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. In artikel 6.1 van de Wmo staat beschreven dat de toezichthouder bevoegd is om een dossier in te zien voor zover dat voor de taakuitvoering noodzakelijk is. Specifiek gaat het hierbij om dossiers die met betrekking tot inwoners worden opgesteld door bijvoorbeeld zorgaanbieders, sociaal teams en andere indicatiestellers, zoals artsen en gecertificeerde instellingen. De toezichthouder werkt onder de verantwoordelijkheid van de colleges van B&W van de ZOU gemeenten. In vergelijking met de Wmo kent de Jeugdwet minder specifieke regels over gegevensverwerking. Daarom is de AVG van toepassing. In het kader van preventie en toezicht kunnen bijzondere persoonsgegevens zoals gegevens over iemands gezondheid worden uitgewisseld. Gelijk aan de Wmo mogen niet meer persoonsgegevens worden verwerkt dan gelet op het onderzoeksdoel en de omstandigheid van het te onderzoeken geval noodzakelijk is. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van de bevoegdheden van een toezichthouder. Zoals bijvoorbeeld het vorderen van inlichtingen ex artikel 5:16 Awb en het vorderen van inzage van zakelijke gegevens en bescheiden, ex artikel 5:17 Awb. En ook bevoegdheden wanneer er onrechtmatigheden worden geconstateerd. 1.5 Privacy en gegevensverwerking Voor de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet hebben gemeenten persoonsgegevens van een inwoner nodig om te kunnen bepalen of er aanspraak bestaat op een voorziening en om de voorziening aan te laten sluiten bij de persoonlijke situatie van de inwoner. Om de privacy van de inwoner te beschermen worden er beschermingsmaatregelen genomen om te voorkomen dat onbevoegden de gegevens kunnen inzien of gebruiken. De privacywetgeving regelt dat persoonsgegevens door overheidsinstanties alleen kunnen worden opgevraagd en uitgewisseld als dat wettelijk is geregeld en daarvoor een noodzaak aanwezig is in het kader van het uitvoeren van een overheidstaak. Toepasselijke regels zijn opgenomen in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), Wmo en Jeugdwet. De toezichthoudend ambtenaar rechtmatigheid Wmo is bevoegd tot het verwerven en verwerken van persoonsgegevens op grond van de artikelen 5.1.5, 5.2.1 onder d, 5.2.4, 6.1 en 6.2 Wmo 2015. Voor jeugdhulp is de grondslag de Jeugdwet artikel 7.4.0 en de Regeling Jeugdwet. De toezichthouder heeft een geheimhoudingsplicht voor de persoonsgegevens die onder het beroepsgeheim vallen. Deze geheimhoudingsplicht geldt tegenover iedereen. Als het documenten betreft, gaat deze plicht boven de Wet Openbare overheid (WOO). Deze geheimhoudingsplicht is ook belangrijk voor het verstrekken van gegevens door de betrokken zorgaanbieder en beroepskrachten aan de toezichthouder. Bij de verwerving en verwerking van persoonsgegevens moet voldaan worden aan de vereisten en uitgangspunten van noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en voorzienbaarheid. Het proportionaliteitsbeginsel betekent dat wanneer het beoogde doel via een minder ingrijpende manier bereikt kan worden, dit op die manier moet gebeuren. Persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk. Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van belanghebbende in redelijke verhouding moet staan tot het doel. Zijn de gegevens wel noodzakelijk voor het onderzoek en kunnen ze niet op een andere manier verkregen worden. Er mag niet meer informatie gevraagd worden dan noodzakelijk. Inzage in dossiers De toezichthouder Wmo is op grond van artikel 5.1.5 Wmo en in afwijking van artikel 5:20 Awb bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens zoals inzage van dossiers. Voor zover dat noodzakelijk is voor de vervulling van zijn taak (art. 6.1 lid 2 Wmo 2015). De toezichthouder zal een voornemen tot inzage moeten toetsen aan noodzakelijkheids- en het proportionaliteitsvereiste. Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) Deze wet regelt dat partijen betrokken bij toezicht rechtmatigheid meer mogelijkheden hebben om gegevens uit te wisselen bij fraudesignalen. Toezichthouders en handhavers kunnen daardoor effectiever reageren op fraudesignalen. De wet regelt de positie en rol van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ). Daarnaast zorgt de wet ervoor dat gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren gegevens met elkaar kunnen delen middels het zogeheten Waarschuwingsregister. Toezichthouders delen informatie met andere instanties of partijen en vragen regelmatig gegevens op bij andere instanties. In bepaalde gevallen kan een melding van een signaal van (vermoeden van) onrechtmatigheid worden gedaan of worden doorgezet naar een andere partij. Een voorbeeld hiervan is het doen van een melding van een signaal bij een andere gemeente wanneer uit onderzoek blijkt dat de zorgaanbieder ook werkzaam is in deze gemeente. Dit mag niet rechtstreeks maar loopt via het IKZ. In bijlage 2 is de wettelijke grondslag voor het uitwisselen van gegevens voor de Wmo, de Jeugdwet en bij een strafrechtelijk traject opgenomen. Hoofdstuk 2 Beleidskaders en uitgangspunten 2.1 Beleidskaders rechtmatigheid jeugdhulp en Wmo We willen dat inwoners de zorg en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. We willen dat het geld dat bestemd is voor deze zorg en ondersteuning goed en eerlijk besteed wordt. Dat inwoners de zorg en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben, met als uiteindelijk doel dat inwoners met behulp van deze zorg en ondersteuning zo optimaal mogelijk kunnen meedoen in de samenleving, voldoende zelfredzaam zijn, gezond en veilig opgroeien en groeien naar zelfstandigheid. We gaan efficiënt en effectief om met onze (schaarse) menskracht en middelen door een integrale aanpak en een focus op duidelijke communicatie en preventie, zodat risico’s op onrechtmatigheden en incidenten zoveel als mogelijk worden beperkt. We treden op waar bewust of onbewust misbruik plaats vindt van middelen bestemd voor zorg. Met adequaat toezicht bevorderen we de naleving van regels en voorkomen oneigenlijk gebruik van zorggelden en onrechtmatigheid door (onbedoelde) fouten. En hiermee voor blijvend draagvlak en beschikbaarheid van ondersteuning voor inwoners die dit het hardst nodig hebben. “Wij staan voor de juiste zorg voor onze inwoners, een eerlijke en goede besteding van gemeenschapsgeld waarin misbruik geen ruimte krijgt” 2.2 Uitgangspunten Een rechtmatige en kwalitatief goede uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo vraagt om een breed scala van activiteiten. Toezicht begint bij de start van het inkoopproces, het meldings- en aanvraagproces voor maatwerkvoorzieningen, het uitvoeren van kwaliteits- en contractmanagement en gaat door tot het sanctioneren indien nodig. Uitgangspunten die de ZOU gemeenten hierbij hanteren zijn: o Voorkomen is beter dan genezen. Een deel van het onrechtmatig handelen komt tot stand door vergissingen, onwetendheid of onduidelijkheid in de regels. Ook het gebruik van verkeerde tarieven of producten, of het niet signaleren en corrigeren van een verkeerde handelswijze zijn onrechtmatig. Omdat ‘voorkomen beter is dan genezen’, stimuleren we de eigen inspanningen op rechtmatig en kwalitatief handelen van alle betrokkenen in de uitvoering van de Wmo en Jeugdwet zoals; contractmanagement, consulenten, backoffice, beleid, etc. oWe werken volgens de cirkel van naleving (zie hoofdstuk 3): bij voorkomen van onrechtmatigheden gaat het niet alleen om toezicht en handhaving. Door goede communicatie en dienstverlening voorkomen we zoveel mogelijk onrechtmatigheid aan de voorkant. We communiceren helder, zijn voorspelbaar en bereikbaar. Iedereen weet waar hij aan toe is. We werken integraal met consulenten, beleid, contractmanagement en externe partners om misbruik te voorkomen en kwaliteit te borgen. oWe sanctioneren proportioneel en op maat wanneer er sprake is van onrechtmatig gebruik, conform een afwegingskader en handhavingsmatrix (zie hoofdstuk 5). We hebben daarbij oog voor de ingewikkeldheid van de wet- en regelgeving en hanteren de menselijke maat. We maken daarbij onderscheid in verschillende vormen van onrechtmatigheid; niet elke onrechtmatigheid is ‘fraude’ (opzet). We bieden ruimte voor herstel als er sprake is van onbewust handelen bij tekortkomingen. Waar inwoners of zorgaanbieders zich bewust niet aan de afspraken houden gaan we over tot handhaven en incasseren we terugvorderingen en indien mogelijk leggen we boetes of maatregelen op. oInwoners en professionals kunnen vermoedens van onrechtmatig gebruik in de Wmo en Jeugdwet laagdrempelig melden via een meldpunt. oWij leren van de uitkomsten van het toezicht op de naleving en passen daar waar nodig onze Verordeningen, contracten en beleidstukken aan. oEen toezichthouder rechtmatigheid voert zijn werkzaamheden onafhankelijk uit. Afstemming met beleidsmedewerkers, ICM of de regionaal coördinator heeft uitsluitend betrekking op procesmatige of organisatorische aspecten en doet geen afbreuk aan de zelfstandige oordeelsvorming van de toezichthouder. Dat houdt o.a. in dat hij een oordeel vormt op basis van feiten en waarheidsvinding, objectief adviseert en op eigen initiatief onderzoeken kan starten. oWe werken integraal en zijn samenwerkingsgericht. Onrechtmatigheid op het terrein van jeugdhulp of Wmo staat soms ook in relatie met andere terreinen. We zetten in op goede samenwerking tussen de verschillende afdelingen en domeinen, alsook samenwerking buiten de gemeentelijke grenzen en met andere branches of ketenpartners oWe gaan uit van de zes principes van goed toezicht, zoals in de Rijksbrede visie op toezicht ‘minder last, meer effect’ is uitgewerkt (zie bijlage 3). 2.3 Vormen van onrechtmatigheid en prioriteitstelling Niet elke onrechtmatigheid is aan te merken als fraude door een inwoner of zorgaanbieder. Er is vaak sprake van onbewuste fouten als gevolg van ‘onwetendheid’ of ‘onkunde’. Onrechtmatig gebruik heeft vaak betrekking op onjuist declareren van zorg, te veel of te weinig declareren, de verkeerde zorg declareren, zorg die niet aan de eisen voldoet, inzet van niet of onvoldoende gekwalificeerd personeel. Oneigenlijk gebruik of ondoelmatige inzet van middelen door ongepast gebruik (over- of onder-behandeling) zijn eveneens vormen van onrechtmatigheid. Deze vormen kunnen door aanbieders worden begaan (Zorg in Natura), door inwoners (zorggebruikers) of in combinatie met elkaar. Geconstateerd onrechtmatig gebruik wordt zorgfraude als aan drie criteria is voldaan, er is: oregelovertreding; oeen wederrechtelijk voordeel; oen bewust (opzettelijk) handelen. In onderstaand overzicht worden de verschillende vormen van onrechtmatigheid beschreven. Tabel 2: Vormen van onrechtmatig gebruik (op basis van handreiking VNG) Type Vorm Omschrijving Voorbeeld ZiN Voorbeeld PGB Onrechtmatig gebruik Handelen in strijd met wet- en regelgeving en ten laste van zorggelden Fouten Regels onbedoeld overtreden door onduidelijkheid en vergissingen De aanbieder koppelt in het eigen administratiesysteem vervoer standaard aan het zorg zwaarte pakket terwijl niet alle cliënten vervoer gebruiken (onterechte declaratie van niet geleverde diensten) Administratieve warboel omdat budgethouder onvoldoende regie kan voeren op eigen budget en inhuur zorgverleners Fraude Opzettelijk en doelbewust in strijd met de regels handelen, met het oog op eigen of andermans (financieel) gewin Opzettelijk declareren van indirecte tijd (bijv. reizen, scholing of administratie) als zorgtijd. Opzettelijk declareren van zorgkosten die worden aangewend voor het voldoen van woonkosten. Zorgbureau ronselt kwetsbare burgers, regelt indicatie en bijbehorend pgb. Levert echter geen of beperkte zorg. Declareert opzettelijk volledig budget Oneigenlijk gebruik. Declaratie is juist naar letter van de wet, maar druist in tegen de geest van de wet Onjuistheid Dit is lastig te voorkomen in de praktijk, omdat het gaat om de interpretatie van de bedoeling van de wet- of regelgever. Dunne lijn tussen ‘slim’ declareren en upcoding Beschikking wordt afgegeven voor een periode van een jaar, maar de ondersteuning wordt alleen in de tweede helft van het jaar geleverd maar wel volledig gedeclareerd De informele hulpverlener, wordt vanuit een stichting of bedrijf van een familielid/ relatie in dienst genomen, waardoor het professionele tarief gedeclareerd kan worden. Ondoelmatig en ongepast gebruik. Declaratie in overeenstemming met geleverde zorg, maar was zorg ook noodzakelijk en effectief Over- behandeling (verspilling) Declaraties technisch in orde maar medisch gezien niet strikt noodzakelijk De ondersteuning past niet langer bij actuele en lichtere behoefte aan ondersteuning Geleverde zorg door informeel netwerk is ondermaats Onder- behandeling Declaraties technisch in orde maar medisch gezien onvoldoende om de problemen van de patiënt op te lossen Bij dagbesteding vindt de begeleiding niet plaats door gekwalificeerde werknemers maar door stagiaires. Bij beschermd wonen is er onvoldoende toezicht Individuele begeleiding door informeel netwerk dat niet bijdraagt aan de zelfredzaamheid van de burger. Hoofdstuk 3 Cirkel van naleving 3.1 De cirkel van naleving Bij het uitvoeren van toezicht maken we gebruik maken van de cirkel van naleving. Deze cirkel bestaat uit vier visie-elementen die handvatten bieden om een integraal handhavingsproces vorm te kunnen geven. Dit sluit aan bij de visie van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa. De kracht van deze methode is de combinatie van de inzet van preventieve en repressieve interventies en heeft tot doel dat aanbieders en cliënten een grotere bereidheid hebben/voelen om zich aan de regels te houden. Uitgangspunt is dat alle vier elementen - communicatie, dienstverlening, controle en sancties - voldoende aanwezig en goed op elkaar afgestemd zijn om effectief en efficiënt te kunnen handhaven. Het biedt een mix van preventie en repressie, in balans met elkaar. Een effectief beleid bestaat uit een samenspel van preventieve en repressieve activiteiten. De cirkel van naleving maakt duidelijk dat het bij toezicht niet alleen gaat over het sanctioneren, maar juist over het voorkomen van onrechtmatigheid. Tabel 3: Cirkel van naleving In elke fase worden verschillende taken uitgevoerd met verschillende verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Deze taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn belegd bij verschillende professionals. Weten wie wanneer waarvan is, is essentieel om een proces waar men gezamenlijk verantwoordelijk voor is op een goede wijze tot het einde te doorlopen. Preventie De kern van preventie zit in vroegtijdig informeren, optimaliseren van de dienstverlening, controleren op maat en daadwerkelijk sanctioneren, zoals beschreven in de Cirkel van naleving. Wanneer aan de voorkant afspraken niet duidelijk zijn, kan aan de achterkant niet of nauwelijks gehandhaafd worden. Wanneer aan de voorkant duidelijk is wat de regels zijn, dat er gecontroleerd en waar nodig ook gesanctioneerd wordt, zal dit de nalevingsbereidheid (van zowel cliënten als zorgaanbieders) vergroten. Dit valt onder stappen 1 en 2 van de Cirkel van Naleving. Stap 1 – Communicatie De eerste stap is gericht op de communicatie. De houdt in op een juiste en heldere wijze vroegtijdig voorlichting geven aan inwoners, PGB-budgethouders en zorgaanbieders met aandacht voor regels en afspraken. Dit is de basis voor naleving van de rechten en plichten die zijn verbonden aan het leveren, aanvragen en verkrijgen van zorg. Het doel is om door voorlichting onbewuste overtredingen van de regels te voorkomen. De nalevingsbereidheid wordt bevorderd door duidelijk te maken wat de gemeente van haar inwoners / leveranciers verwacht en wat de inwoners / leveranciers van de gemeente mogen verwachten. De toegang Bij het rechtmatig inzetten van voorzieningen spelen consulenten in de toegang een grote rol. Zij beoordelen immers of cliënten in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening, maar voeren ook de evaluatiegesprekken en beoordelen en stellen de eventuele herindicatie vast. In het intakegesprek worden de intenties van de inwoner en/of zijn begeleiders getoetst. In het geval van een PGB wordt getoetst op PGB-vaardigheid zoals in de Wmo of jeugdverordening, nadere regels en/of beleidsregels is vastgelegd. Door de belangrijke positie van de toegang dienen consulenten alert te zijn op fraude in het Sociaal domein. Hiervoor organiseren we regelmatige trainingen. Contractmanagement In het proces van inkoop en contracteren krijgt communicatie en toelichting over regels vorm middels de diverse stukken behorend bij de inkoop zoals het productenboek, werkafsprakenboek etc., en dialoog en contract(voorwaarden) met aanbieders. Verder wordt de bereidheid bevorderd bij de zorgprofessionals om onrechtmatig gebruik van voorzieningen bespreekbaar te maken. Aan de voorkant controleren we of aanbieders betrouwbaar zijn. In de inkoopprocedure en contractperiode van jeugdhulp en Wmo gaat de regio gebruikmaken van de bepalingen uit de landelijke contractstandaarden voor het gebruik van het UBO-register en voor Bibob-toetsen. Bij alle inschrijvers wordt een quickscan uitgevoerd. Op basis van de bevindingen hieruit kunnen risicovolle inschrijvingen nader onderzocht worden door middel van een volledig Bibob-onderzoek. Hierbij zullen Bibob coördinatoren, toezicht, contractmanagement en het RIEC samenwerken (naar voorbeeld van de Proeftuin aanpak zorgfraude). In het UBO-register staan UBO's (Ultimate Beneficial Owners, oftewel uiteindelijk belanghebbenden) geregistreerd, de natuurlijke personen die de (uiteindelijke) eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over Nederlandse organisaties. Raadplegen van het register helpt fraude en witwassen van geld voorkomen. Wat gaan we doen: oWe bieden duidelijke informatie en voorlichting aan het begin van het proces. oWe screenen aanbieders (Bibob) oWe formuleren heldere eisen waar aanbieders aan moeten voldoen en controleren de naleving hiervan. oWe controleren jaarrapportages van zorgaanbieders om onregelmatigheden op te sporen. oWe trainen medewerkers op alertheid op fraude en onrechtmatigheid Stap 2 – Dienstverlening De tweede stap richt zich op het optimaliseren van de dienstverlening. Een cliëntvriendelijke en goede dienstverlening leidt tot een grotere nalevingsbereidheid. Bij een optimale dienstverlening horen zaken als actief adviseren van zorgaanbieders en cliënten. Het helpt daarbij als de regels zo eenvoudig mogelijk zijn. We maken zoveel mogelijk gebruik van de landelijke contractstandaarden, zodat voor aanbieders de regels eenduidig zijn. We zetten in op sterk contractmanagement met éénduidige afspraken. Wat gaan we doen: oWe zetten in op zoveel mogelijk harmonisering tussen de ZOU gemeenten van de gemeentelijke Jeugd/Wmo verordeningen en de daaronder geldende nadere- en/of beleidsregels. Dit draagt bij aan eenduidige regels richting aanbieders. oWe zorgen voor een goede informatievoorziening, toegankelijke kaders en maken van heldere afspraken met cliënten en aanbieders. oWe zorgen dat inwoners, aanbieders en zorgprofessionals weten waar zij terecht kunnen voor vragen en onduidelijkheden of om onrechtmatigheid te melden. oWe streven een open cultuur na waarbij we graag van elkaar leren, open staan voor feedback en vertrouwen op elkaars expertise. oWe trainen medewerkers in de gehele keten op fraude-alertheid door middel van bewustwordings-bijeenkomsten. Stap 3 en 4 – Controleren en handhaven Toezien en controle op naleving van afspraken is een verantwoordelijkheid van diverse betrokkenen in het uitvoeringsproces van voorzieningen jeugdhulp en Wmo. Functionarissen die hier een rol in hebben zijn regionale contractmanagers, lokale consultenten, lokale backoffices, lokale kwaliteitsmedewerkers / adviseurs, kwaliteitstoezichthouders. Voorafgaand aan de eventuele noodzaak van toezicht rechtmatigheid is het toezien op de naleving van gemaakte afspraken essentieel en voorliggend. Dit valt onder stappen 2 en 3 van de Cirkel van Naleving. Toezichthouders rechtmatigheid zijn aangewezen om onderzoek te doen wanneer er meer bevoegdheden nodig zijn. In het geval er vanuit het toezien op de naleving van wet- en regelgeving of door een melding van buitenaf het vermoeden van onrechtmatigheden of fraude bestaat. Dit valt onder stap 3 van de Cirkel van Naleving. Na afronden van een toezichtonderzoek waarin vastgesteld is dat er sprake is van onrechtmatigheden of zelfs fraude door een cliënt, vertegenwoordiger en/of aanbieder, dienen passende maatregelen getroffen te worden door handhaving. Het doel van handhaven is om herhaling te voorkomen, het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, het wegnemen of het beperken van de gevolgen van een overtreding en eventuele overtreders te straffen en af te schrikken. Dit valt onder stap 4 van de Cirkel van Naleving. In Hoofdstuk 5 wordt dit verder toegelicht. Wat gaan we doen: oWe controleren Wmo en Jeugdzorgaanbieders naar aanleiding van signalen oWe voeren jaarlijks in overleg met ICM een aantal quick scans uit bij zorgaanbieders op basis van risicoanalyse; oWe treden op waar inwoners en zorgaanbieders zich bewust niet aan de afspraken houden. Daarbij worden terugvorderingen en mogelijk boetes en of maatregelen, ook daadwerkelijk geïncasseerd / uitgevoerd In bijlage 4 staat een overzicht van welke functionaris wat doet per fase van de cirkel van naleving voor de volgende functies: oConsulent oToezichthouder rechtmatigheid oToezichthouder kwaliteit (hierna: GGDrU / IGJ) oInkoop en contractmanagement (hierna: ICM). Hoofdstuk 4 Toezicht 4.1 Wat is toezicht? Toezicht op rechtmatigheid betreft alle activiteiten die worden ondernomen om te onderzoeken of wordt voldaan aan de gestelde rechtmatigheidseisen. De activiteiten zijn gericht op het verzamelen van informatie, het vormen van een oordeel en op basis daarvan besluiten welke interventie wordt ingezet. Het doel van toezicht is het bevorderen van de naleving van de vastgestelde regels. De taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouders jeugdhulp en Wmo vinden zijn grondslag in wet- en regelgeving zoals in hoofdstuk 1 is aangegeven. Toezicht op de rechtmatigheid kan op verschillende manieren worden toegepast. Hieronder leggen we de verschillende manier uit. Pro-actief risicogericht toezicht Proactief toezicht houdt in dat er preventief onderzoek gedaan wordt bij als risicovol aangemerkte zorgaanbieders. Dit vindt plaats op basis van vooraf vastgestelde prioriteiten, thema’s of risico’s. Deze thema’s of risico’s worden samengesteld in overleg met contractmanagers en of beleidsmedewerkers. Om risico’s in te schatten en te prioriteren maken we gebruik van beschikbare digitale tools om risico’s op te sporen, zoals dashboards in samenwerking met informatiemanagement. Signaal gestuurd/reactief toezicht Signaal gestuurd toezicht richt zich op signalen van onrechtmatigheid die worden ontvangen. Deze signalen worden via interne of externe bronnen gemeld. Een signaal betreft alle informatie rondom de rechtmatigheid en/of kwaliteit over de zorg. Signalen kunnen betrekking hebben op meldingen van incidenten, klachten, geweld, calamiteiten en/of seksueel geweld. 4.2 Signalen en meldingen De toezichthouder kan naar aanleiding van signalen over onrechtmatigheid een onderzoek instellen. Signalen komen op twee manieren bij een gemeente binnen, te weten vanuit: oInterne bronnen oExterne bronnen Interne bronnen zijn o.a.: Wmo/jeugd consulenten; backoffice, accounthouders, Sociale Verzekeringsbank (via portal); Toezichthouders kwaliteit (GGDrU, IGJ); overige medewerkers van de gemeente zoals op het terrein van Veiligheid en Vergunning Verlening en Handhaving (VTH). Externe bronnen zijn o.a.: Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ), Regionale Informatie en Expertise Centrum Midden-Nederland (RIEC-MN), toezichthouders andere gemeenten, politie en inwoners. In het geval het aantal signalen de onderzoekscapaciteit overstijgt zullen signalen geprioriteerd moeten worden. Dit is maatwerk en afhankelijk van de situatie en context van de signalen. Prioriteit wordt afgewogen mede op basis van de volgende criteria: oSignalen met grote consequenties voor de inwoners hebben de hoogste prioriteit; oMeervoudige signalen die betrekking hebben op één zorgaanbieder hebben prioriteit boven enkelvoudige signalen; oSignalen met een grote financiële impact hebben prioriteit boven signalen met een lage impact.. 4.3 Signaal behandelteam Binnen ZOU gaan we werken met een signaal behandelteam (Sbt). Het doel van het Sbt is een efficiënte afhandeling van een signaal door het bundelen van verschillende domeinen in en met het sociaal domein. Daarnaast biedt dit een kader waarin de werkzaamheden van contractbeheer, contractmanagement en toezicht op elkaar worden afgestemd. Het Sbt bestaat uit contractbeheer, contractmanagement en toezichthouders rechtmatigheid Jeugdwet en de WMO. Zij vormen samen het Sbt. Het Sbt kan uitgebreid worden met de toezichthouder kwaliteit Wmo, hiermee is minimaal goed afstemming. Ook andere partijen, zoals medewerkers belast met de aanpak van ondermijning kunnen (op agenda) aanluiten. Onder voorzitterschap van de coördinator wordt afgestemd wie het signaal oppakt en afwerkt, adviezen worden besproken in het Sbt. Het proces signaalbehandelteam (TH: toezichthouder, CM: contractmanagement) 4.4 Meldpunt zorgfraude We organiseren een centraal meldpunt, waar signalen van onrechtmatig gebruik en kwaliteitsproblemen door medewerkers en inwoners gemeld kunnen worden. Deze signalen zullen in het systeem van de Beschikbaarheidswijzer geregistreerd worden. Het signaal Behandelteam ziet toe op de afhandeling van deze meldingen. Er wordt altijd een terugkoppeling gegeven aan de melder; hoe is de melding opgepakt en indien mogelijk wat is er uitgekomen. Met in achtneming van alle privacyaspecten. Dit draagt bij aan de bereidheid van toekomstige meldingen en een effectieve detectie en aanpak van fraude. We communiceren jaarlijks over de resultaten en zorgen dat de beschikbaarheidswijzer regelmatig onder de aandacht wordt gebracht bij professionals. Hoofdstuk 5 Handhaving Het doel van handhaven is het bevorderen van nalevingsgedrag van aanbieders om risico’s te verminderen en de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp te verbeteren. De toezichthouder rechtmatigheid geeft op basis van zijn onderzoek advies voor te nemen maatregelen aan ICM en/of de gemeente. De maatregelen zijn gericht op het ongedaan maken van de onrechtmatigheid, herhaling te voorkomen, overtreders te straffen en potentiële overtreders af te schrikken. We onderscheiden daarbij bestuurs- en civielrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen. Per type maatregel zijn verschillende instrumenten die ingezet kunnen worden. Handhavingsmaatregelen worden niet uitgevoerd door de toezichthouder maar afhankelijk van het type maatregel door: oBij regionaal gecontracteerde zorg in natura door ICM, in ondermandaat en volmacht van college en burgemeester van Utrechtse Heuvelrug, die door de colleges en burgemeesters van de overige ZOU gemeenten is gemandateerd en gevolmachtigd. oBij een lokaal maatwerkcontract zorg in natura is dat de betreffende gemeente zelf op basis van het advies van de lokale toezichthouder. oBij een PGB is dit ook de individuele gemeenten zelf. Dit kan bijvoorbeeld door een jurist van de gemeente of de medewerker die de beschikking heeft opgesteld zijn. Zij doen dit in mandaat van het college van de eigen gemeente. Ook hier op basis van het advies van de lokaal aangestelde toezichthouder. 5.1 Handhavingsmaatregelen Wanneer wordt geconstateerd dat niet rechtmatig is gehandeld zijn er verschillende type maatregelen mogelijk voor de gemeente(n) om handhavend op te treden: a. Bestuursrechtelijk Bestuursrechtelijke maatregelen zijn van toepassing bij een individuele beschikking (indicatiestelling), waarin een inwoner een voorziening op grond van de Wmo of Jeugdwet toegewezen heeft gekregen. Deze bestuursrechtelijke maatregelen zijn: oHerzien of intrekken van het besluit tot verstrekken van een voorziening. Dit kan in het geval van Wmo bij zowel persoonsgebonden budget (PGB) als bij zorg in natura het geval zijn, bij Jeugdwet alleen bij PGB (artikel 2.3.10 Wmo 2015, artikel 8.1.4 lid 1 Jeugdwet). Voorbeelden van herziening zijn het stopzetten van de verstrekking of verdere weigering van keuzevrijheid voor een PGB. In dat laatste geval kan wel recht bestaan op een voorziening in de vorm van Zorg in Natura. oTerugvordering (geheel of gedeeltelijk) van de geldwaarde van de voorziening in de vorm van het persoonsgebonden budget (artikel 2.4.1 Wmo 2015, artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet) bij inwoner en/of zorgverlener (op grond van het derdenbeding3). N.B. In geval van zorg in natura valt terugvordering onder de civielrechtelijke maatregelen. De Wmo en Jeugdwet geven geen juridische grondslag voor het opleggen van een bestuurlijke boete. b. Strafrechtelijk Bij een strafrechtelijke maatregel wordt ingezet op het opsporen en bestraffen van de dader voor het plegen van strafbare feiten. Hierover beslist niet de toezichthouder, maar het Openbaar Ministerie. Het doen van aangifte is hiervoor noodzakelijk. Wanneer de toezichthouder tijdens het onderzoek vermoedens van strafbare feiten constateert, kan de toezichthouder adviseren aangifte te doen. De gemeente kan aangifte doen via de Nederlandse Arbeidsinspectie en een melding bij de Nederlandse Zorgautoriteit. Bij het advies van de toezichthouder houdt deze rekening met: oOmvang onrechtmatigheid en omvang organisatie; oBereidheid tot meewerken aanbieder/inwoner aan herstelmaatregelen; oDe kans dat het Openbaar Ministerie de aangifte oppakt (w.o. de vereisten aan het bewijs en omvang in relatie tot beschikbare capaciteit bij opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie). Het doen van aangifte is en blijft een gemeentelijke bevoegdheid. Het is mogelijk dat een bestuursrechtelijk en strafrechtelijk traject naast elkaar lopen. c. Civielrechtelijk De ZOU gemeenten hebben als inkoper contractuele afspraken gemaakt met zorgaanbieders voor Zorg in Natura. Hierdoor is er met deze aanbieders sprake van een civielrechtelijke verhouding. Vanuit dat perspectief kunnen civielrechtelijke maatregelen worden genomen. Tenzij de Wmo en/of Jeugdwet daarmee op een onaanvaardbare wijze wordt doorkruist. Hiervan is geen sprake bij een frauderende zorgaanbieder. Op basis van het advies van de toezichthouder kunnen maatregelen genomen worden: oFacturatie-/betaalstop of een verbod op uitbreiding van de overeenkomst met de zorgaanbieder; oCliëntenstop (er worden geen nieuwe cliënten meer verwezen naar de aanbieder); oBeëindiging van de overeenkomst met zorgaanbieder; oTerugvorderen van geld dat ten onrechte is verstrekt; oIngebrekestelling. Voor de ZOU gemeenten is het regionaal team van de ZOU samenwerking de uitvoerder van deze maatregelen. De colleges en burgemeesters van de ZOU gemeenten mandateren en verlenen volmacht aan de programmamanager van de regionale samenwerking. Corrigerende maatregelen en waarschuwing Voorafgaand aan handhavingsmaatregelen zijn ook corrigerende maatregelen mogelijk en het geven van een waarschuwing. Corrigerende maatregelen zijn interventies die tot doel hebben een geconstateerde tekortkoming door de aanbieder zelf ongedaan te laten maken. Bijvoorbeeld het opstellen van een verbeterplan of verscherpt toezicht door middel van heronderzoeken of strengere contractmonitoring. Als blijkt dat een aanbieder niet voldoet aan de gestelde voorwaarden uit de raamovereenkomst gaat de contractmanager hierover het gesprek aan met de aanbieder. Dit gesprek is gericht op het binnen redelijke termijn alsnog volledig nakomen van de verplichtingen uit de raamovereenkomst. Ook kan een (informele) waarschuwing worden geven in plaats van direct over te gaan naar handhaving. 5.2 Afwegingskader maatregelen Het nemen van maatregelen is maatwerk. Afhankelijk van de ernst van de situatie en de kans op herhaling kan gekozen worden voor een bepaald type maatregel. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het maken van onbedoelde fouten en het bewust plegen van fraude. Bij handhaving is oog voor de menselijke maat en oog voor proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregelen. In alle gevallen waar onrechtmatigheid door toezichthouder is aangetoond en er een berekening van het onrechtmatig gefactureerde bedrag is gemaakt wordt teruggevorderd. De toezichthouder zal in het advies altijd een individuele belangenafweging maken. Waarbij rekening wordt gehouden met de mate van verwijtbaarheid, de ernst en omvang van de onrechtmatigheid en de gevolgen voor de betrokkene(n). Beargumenteerd kan gemotiveerd worden afgezien van (volledige) terugvordering. Afwegingskader De toezichthouder weegt af op twee dimensies, te weten: A. De ernst van de gevolgen in 4 gradaties (vrijwel nihil, beperkt, van belang, aanzienlijk). De toezichthouder weegt dit op basis van: oImpact op de (niet) geleverde zorg aan de inwoners. Dit betreft een afweging op kwantiteit (minder uren geleverd dan geïndiceerd) en kwaliteit van de geleverde zorg (bv. door niet gekwalificeerde medewerkers voor dat type zorg). Als de veiligheid van een inwoner (cliënt) en/of personeel in het geding is door de aangetroffen onrechtmatigheid, is de impact minimaal ‘van belang’. oDe omvang van de groep mensen waarop het risico van toepassing is of kan zijn. De toezichthouder weegt dit aan de hand van het aantal inwoners die de betreffende hulp (productcategorie) ontvangen en de mogelijke effecten van de onrechtmatigheid op inwoners bij dezelfde aanbieder vanuit ZOU die andere hulp ontvangen. Bij een PGB is de omvang altijd ‘vrijwel nihil’, tenzij sprake is van een specifiek bureau dat van meerdere inwoners het PGB beheert. B. Het gedrag van de overtreder, naar type onrechtmatigheid; onbedoelde fouten, oneigenlijk gebruik, ondoelmatig en ongepast gebruik, (opzettelijke) fraude of recidive. In de afweging spelen mee: oKwaliteitsborging van de hulpverlening binnen de organisatie (slecht, matig, goed). Dit kan blijken uit kwaliteitstoezicht, klachten van inwoners, cliënttevredenheid. oDe houding van de zorgaanbieder (daarbij kan gewogen worden op niet-weten, niet-kunnen, niet-willen, opzet, recidive). Daarin speelt bijvoorbeeld mee de bereidheid tot herstel en teruggave. Dit speelt geen rol als duidelijk sprake is van fraude (opzet). 5.3 Handhavingsmatrix en advies Bij de afweging welk type maatregel wordt geadviseerd, hanteert de toezichthouder als richtlijn onderstaande matrix. Het doel van de matrix is zo objectief mogelijk komen tot een maatregel(mix). Handhavingsmatrix In aanvulling op de matrix: wanneer onterechte facturen gedeclareerd zijn, wordt altijd teruggevorderd. Als er sprake is van herhaalde overtredingen (recidive) bij de desbetreffende aanbieder verschuift de zwaarte van de afweging diagonaal een vakje omhoog (bv. van B2 naar C3). Op basis van het afwegingskaders en de matrix stelt de toezichthouder een advies op. Voorafgaand is door de toezichthouder het advies besproken binnen het Sbt en er is juridische expertise betrokken. De toezichthouder stemt het advies vervolgens af met de programmamanager. Zij bepalen in welke categorie van de matrix het advies valt, waarbij de onafhankelijkheid van de toezichthouder (bij afwijkende meningen) leidend is voor zijn definitieve advies. Het regionale team van de ZOU samenwerking voert vervolgens de civielrechtelijke maatregelen uit, met als uitgangspunt dat het definitieve advies van de toezichthouder wordt gevolgd, tenzij er zwaarwegende bezwaren zijn. Het Ambtelijke overleg Jeugd of Wmo wordt geïnformeerd over het definitieve advies en de uitvoering van maatregelen. Bij impactvolle maatregelen worden ook de portefeuillehouders en/of de bestuurstafel sociaal domein geïnformeerd. Ter beoordeling van de programmamanager. De matrix gaat alleen in op Zorg in Natura (zowel regionaal gecontracteerde aanbieders als lokaal maatwerk). Voor PGB geldt een individueel advies aan de betreffende gemeente. De lokale toezichthouder zal in het geval van PGB een individueel advies aan de betreffende gemeente geven met Hoofdstuk 6 Organisatie, een hybride model 6.1 Regionale gemeentelijke uitvoering van toezicht op gecontracteerde zorg De ZOU gemeenten kiezen voor een hybride model bij de uitvoering van toezicht op rechtmatigheid. De toezichthouders zijn lokaal aangesteld maar worden voor alle ZOU gemeenten aangewezen als toezichthouder. Hierdoor zijn de toezichthouders bevoegd om voor alle ZOU gemeenten te werken en kunnen zij als team werken voor toezicht op de regionaal contracteerde zorgaanbieders. Toezicht op lokale maatwerkcontracten en Pgb voorzieningen blijft in principe bij de lokale toezichthouder. De opzet is om een meer robuuste, efficiënte en doelmatige uitvoering van toezicht in ZOU te bereiken. Het grootse deel van de ingezette zorg (95%) betreft regionaal gecontracteerde zorg waar samenwerken nodig is hetgeen met dit model geborgd wordt. Het is mogelijk dat gemeenten gezamenlijk een lokale toezichthouder(s) aan stellen. Dat is niet uitgesloten in deze opzet. Met het voorliggende beleidskader is er sprake van eenduidig beleid van de ZOU gemeenten van waaruit gewerkt wordt. Het vervangt eerder vastgesteld lokaal beleid op gebied van toezicht. Het beleidskader is ook van toepassing op de lokale maatwerkcontracten en lokale Pgb voorzieningen. 6.2 Regionale coördinator Voor het toezicht op de regionaal contracteerde zorgaanbieders werken de toezichthouders als team onder regie van een coördinator. Deze voert de regie op de samenwerking en werkprocessen. De coördinator wordt gepositioneerd in het regionaal team van de ZOU samenwerking binnen het sociaal domein. De plaatsing binnen dit team wordt zodanig georganiseerd dat de onafhankelijke rol van toezichthouder wordt gewaarborgd. De regionaal coördinator is een meewerkend voorman. Dat betekent dat een groot deel van de taken bestaat uit het als toezichthouder rechtmatigheid werkzaamheden verrichten op het terrein van toezicht. Andere taken zijn (niet uitputtend): a)Maken van werkverdeling en werkafspraken inzake toezicht bij regionale inzet; b)Opstellen van werkprocessen en samenwerkingsafspraken met externe partijen; c)Maken en actualiseren van beleidsdocumenten; d)Voorzitter van het signaal behandelteam; e)Eerste aanspreekpunt voor toezicht in de regio; f)Verantwoordelijk voor jaarplannen en jaarverantwoording aan de gemeenten. 6.3 Samenwerkingsovereenkomst De gemeente leggen de afspraken over de inzet van toezichthouders vast in een samenwerkingsovereenkomst. Hierin worden afspraken vastgelegd over de minimale inzet per gemeente voor toezicht op de regionaal gecontracteerde zorg. En de afspraken over de financiering van de regionale coördinator. Hiervoor geldt de gebruikelijke verdeelsleutel van de ZOU gemeenten binnen het sociaal domein. De kosten van de regionale coördinator worden onderdeel van de regionale ZOU begroting sociaal domein. 6.4 Lokaal toezicht In de samenwerkingsovereenkomst worden afspraken gemaakt over de minimale gemeentelijke inzet van toezicht op de regionaal gecontracteerde zorg. Voor het toezicht op de aanbieders die zorg en ondersteuning verlenen via een persoonsgebonden budget (pgb) of maatwerkcontract blijft bij de lokale gemeente en toezichthouder verantwoordelijk. Wat hier onder valt wordt uitgewerkt in de samenwerkingsovereenkomst met een indicatie van de minimale inzet per gemeente hiervoor. Gemeenten kunnen (lokaal) meer doen en meer capaciteit in te zetten voor toezicht dan de minimale inzet die wordt afgesproken. Dit maakt het mogelijk om lokaal eigen accenten te leggen. Hoofdstuk 7 Monitoring en verantwoording 7.1 Monitoring We monitoren op de volgende indicatoren: •Aantal signalen en meldingen •Aantal rechtmatigheidsonderzoeken/rapportages op basis van meldingen en signalen. •Aantal preventieve screenings van zorgaanbieders en overzicht van resultaat. •Overzicht van onrechtmatigheden en hun classificatie daarvan in de matrix. •Overzicht van uitgevoerde handhavingsmaatregelen. •Overzicht van teruggevorderde bedragen. •Kostenneutraliteit van de toezichthouders, gemeten naar hard en zacht rendement4. •Aantal gegeven bewustwordingstrainingen door de toezichthouders. Op basis van deze indicatoren worden prestatie indicatoren opgesteld die worden opgenomen in de jaarplannen. 7.2 Verantwoording Jaarlijks wordt een Jaarplan toezicht rechtmatigheid ZOU opgesteld. Waarin aangegeven wordt wat de prioriteiten, doelen en inzet zijn voor het betreffende jaar. Dit Jaarplan wordt voorgelegd aan de Bestuurstafel Sociaal Domein en ter informatie aan de colleges van afzonderlijk gemeenten aangeboden. Eventuele opmerkingen, kanttekening of suggesties vanuit de Bestuurstafel of de afzonderlijke gemeenten worden meegenomen in het betreffende of komende jaarplan. Na afloop van het jaar wordt een jaarverslag opgesteld waarin op basis van de indicatoren en doelen uit het jaarplan verslag wordt uitgebracht aan de Bestuurstafel ZOU. Naast het jaarverslag wordt er ook een halfjaarlijkse tussenrapportage op gesteld voor de Bestuurstafel ZOU. Bijlage 1 Overzicht bevoegdheden toezichthouders Indien een persoon bij wet formeel is aangewezen als toezichthouder zoals bedoeld in artikel 5:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb), dan beschikt deze toezichthouder over de bevoegdheden zoals deze omschreven staan in afdeling 5.2 Awb. Op basis van artikel 5:13 Awb maakt een toezichthouder van zijn bevoegdheden gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Hij mag deze bevoegdheden niet inzetten om een andere wettelijke taak te kunnen vervullen. Ook moet de toezichthouder zijn bevoegdheid op de voor de inwoner minst belastende wijze uitoefenen. Wanneer de informatie kan worden verkregen op een minder ingrijpende manier, wordt daarvoor gekozen. Hieronder worden de bevoegdheden van een toezichthouder weergegeven. Huisbezoek / locatiebezoek Artikel 5:15 Awb Lid 1: Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Lid 2: Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm. Lid 3: Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen. Bij de keuze voor het afleggen van een huisbezoek/ locatiebezoek houdt de toezichthouder rekening met het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel. Het huisbezoek is toegestaan als laatste verificatiemiddel om gegevens van de inwoner (cliënt) bevestigd of weerlegd te krijgen. Als de gegevens op een andere wijze dan het huisbezoek bevestigd of weerlegd kunnen worden, is een huisbezoek niet geschikt. In alle gevallen moet de inwoner (cliënt) toestemming geven voor het betreden van de woning nadat is uitgelegd waar het bezoek voor is en wat de gevolgen zijn van een eventuele weigering. De toestemming of weigering moet worden vastgelegd. Daarbij moet de identiteit van de inwoner (cliënt) worden gecontroleerd en genoteerd aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. De toezichthouder kan ook een huisbezoek afleggen wanneer de inwoner slachtoffer is van een zorgaanbieder of vertegenwoordiger. Het eventueel weigeren van dit huisbezoek heeft geen gevolgen voor de inwoner. Locatiebezoek Een locatiebezoek kan nodig zijn om gegevens van een bedrijf of zorglocatie inzichtelijk te krijgen, bijvoorbeeld de dagbestedingslocatie. Voor het betreden van de locatie is geen toestemming nodig zoals wel toestemming nodig is voor het betreden van een woning. De verslaglegging van het locatiebezoek wordt vastgelegd in het onderzoeksrapport. Vorderen gegevens en bescheiden Het ter inzage vorderen van gegevens en bescheiden is een manier om informatie te verzamelen over het handelen van de persoon of het bedrijf dat wordt onderzocht. De toezichthouder controleert of de manier waarop de onderzochte partij aangeeft te handelen, overeenkomt met de werkelijkheid. Voorbeelden hiervan zijn: inzicht in de processen, hoe verloopt de administratie (cliëntadministratie, urenregistratie, roosters, ondertekening, etc.), en hoeveel personeel de onderzochte partij in dienst heeft. Het vorderen van gegevens en bescheiden kan bij de onderzochte partij zelf of bij een derde. Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen (Artikel 5:16 Awb). Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (Artikel 5:16a Awb). Een toezichthouder is bevoegd; inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden; van de gegevens en bescheiden kopieën te maken, indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs (Artikel 5:17 Awb, lid 1,2,3). Tijdens het onderzoek is het ter inzage vorderen van gegevens en bescheiden een middel om informatie te verzamelen. Artikel 5:16 en artikel 5:17 Awb hebben betrekking op het vorderen van zakelijke gegevens. Bepalen doelbelang bij vordering informatie De toezichthouder bepaalt welke doel het vorderen heeft en bij wie gevorderd wordt. Dit kan per onderzoek verschillen. De toezichthouder bedenkt welke gegevens nodig zijn om het doel te bereiken en houdt hierbij rekening met proportionaliteit. De toezichthouder maakt hierbij gebruik van het sjabloon vorderen gegevens Wmo en Jeugdwet. De toezichthouder heeft als taak het toezicht houden op de rechtmatigheid. Met dit doel kan een toezichthouder dan ook informatie vorderen. Naast de doelbinding is er op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg) ook een grondslag nodig om te kunnen vorderen. Deze grondslagen zijn: •Wettelijke verplichting, paragraaf 5.1 en 5.2 Wmo 2015 / 7.4 Jeugdwet; •Toestemming van betrokkene; •Vitaal belang van de betrokkene; •Uitvoering overeenkomst; •Algemeen belang / openbaar gezag; •Gerechtvaardigd belang. Per vordering bepaalt de toezichthouder of het ontvangen van kopieën of de originele stukken gewenst is. De toezichthouder beoordeelt daarbij of er naast de (wettelijke) toestemming nog toestemming van de betrokkene noodzakelijk is. Vorderen Bij het vorderen wordt onderscheid gemaakt tussen het vorderen bij de onderzochte partij en bij derden. Bij een onderzochte partij kan de toezichthouder de gegevens en bescheiden fysiek ophalen of per e-mail/post ontvangen. Ook kan de onderzochte partij gegevens en bescheiden zelf bij de toezichthouder langsbrengen. Bij het vorderen bij derden kan de toezichthouder de vordering telefonisch voor bespreken. De vordering zelf vindt altijd plaats op basis van een vorderingsbrief. Zaken onderzoeken, openen en monsters nemen Artikel 5:18 Awb Lid 1: Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen. Lid 2: Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen. Lid 3: De toezichthouder neemt op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een tweede monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. Lid 4: Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs. Lid 5: De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven. Lid 6: De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de monsterneming. Kort samengevat ziet artikel 5:18 Awb op de mogelijkheid voor een toezichthouder om zaken te onderzoeken, te openen en monsters te nemen. Onderzoek vervoermiddelen Artikel 5:19 Awb Lid 1: Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft. Lid 2: Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken. Lid 3: Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft. Lid 4: Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt. Lid 5: Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan. In artikel 5:19 Awb is een aantal bevoegdheden neergelegd die ten aanzien van vervoermiddelen kunnen worden uitgeoefend. Onder vervoermiddelen worden niet alleen voertuigen verstaan, maar ook (lucht)vaartuigen (vliegtuigen en schepen). Voertuigen zijn niet alleen fiets en motorrijtuigen, maar ook aanhangwagens. Weigering Artikel 5:20 Awb Lid 1: Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Lid 2: Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit. Lid 3: Het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het eerste lid. Lid 4: Indien de gevorderde medewerking strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, wordt de last onder bestuursdwang voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling. Op basis van artikel 5:20 Awb is een ieder verplicht mee te werken aan een vordering van de toezichthouder. Deze verplichting is de stok achter de deur voor alle andere bevoegdheden van de toezichthouder. Op basis van artikel 6:1 Wmo 2015 is de toezichthouder, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is, bevoegd tot inzage van dossiers. Ook wanneer iemand van een geheimhoudingsplicht voortvloeiend uit ambt, beroep of wettelijk voorschrift medewerking weigert Bijlage 2: Overzicht wettelijke grondslag uitwisselen gegevens Wmo 2015: Verstrekker gegevens Ontvangen gegevens Toezichthouder College van burgemeester & wethouders Toezichthouder Art. 5.2.4, derde lid Wmo 2015 College van burgemeester & wethouders Art. 5.2.1 Wmo 2015 Zorgverlener PGB Art. 5.2.2 Wmo 2015 Art. 5.2.2 Wmo 2015 SVB Art. 5:16, 5:17 en 5:20 Awb Art. 5.2.4, tweede lid Wmo 2015 Aanbieder maatschappelijke ondersteuning Art. 5.2.2. Wmo 2015 Art. 5:16, 5:17 en 5:20 Awb Art. 5.2.2 Wmo 2015 CAK Art. 5.2.4, eerste lid Wmo 2015 Zorgverzekeraar en zorgaanbieder als bedoeld in de Zorgverzekeringswet Art. 5:16, 5:17 en 5:20 Awb Art. 5.2.5, eerste lid Wmo 2015 CIZ Art. 5.2.5, derde lid Wmo 2015 Uitvoerder Wet langdurige zorg Art. 5:16, 5:17 en 5:20 Awb Art. 9.1.3, derde lid Wet langdurige zorg Belastingdienst Art. 5:16, 5:17 en 5:20 Awb Art. 5.2.3 Wmo 2015 Jeugdwet: Verstrekker gegevens Ontvangen gegevens Toezichthouder College van burgemeester & wethouders Toezichthouder Art. 6, eerste lid onder e Avg Art. 2.9 onder d Jeugdwet College van burgemeester & wethouders Art. 6, eerste lid onder e Avg Art. 2.9 onder d Jeugdwet Zorgverlener PGB Art. 6, eerste lid onder e Avg Art. 2.9 onder d Jeugdwet Art. 6, eerst lid onder e Avg Art. 2.9 onder d Jeugdwet SVB Art. 6, eerst lid onder e Avg Art. 2.9 onder d Jeugdwet Art. 8.1.8 Jeugdwet Aanbieder jeugdhulp Art. 6, eerste lid onder e Avg Art. 2.9 onder d Jeugdwet Art. 6, eerst lid onder c en e Avg Art. 2.9 onder d Jeugdwet Art. 6b. 1-6b.7 Regeling Jeugdwet Uitvoerder Wet langdurige zorg Art 6, eerste lid onder c Avg Art. 2.9 onder d Jeugdwet Art 9.1.3, derde lid WLZ Strafrechtelijk onderzoek: Ontvangen gegevens College van burgemeester & wethouders College van burgemeester & wethouders Sociaal rechercheur / BOA Art. 6 Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten OM (Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens) Art. 39e en 39f Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) /directie opsporing (Wet politiegegevens / FIOD) Art. 18, tweede lid Wet politiegegevens Overig Wet politiegegevens partner Art. 19 en 20 Wet politiegegevens Bijlage 3: De zes Rijksbrede principes van goed Principe Toelichting Selectief toezicht De gemeente kiest voor de vorm en omvang van toezicht voor elke situatie de juiste maatvoering. Zij zet de beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk in. De gemeente geeft aan welke toezichttaken zij met haar middelen kan uitvoeren. De toezichthouder maakt keuzes op basis van een afweging van risico’s en kosten en baten. De gemeente geeft aan welk niveau van handhaving zij nastreeft. Slagvaardig toezicht Toezicht is zacht waar het kan en hard waar het moet. Toezichthouders stimuleren burgers, bedrijven en instellingen om zelf het gewenste resultaat te bereiken. Toezichthouders grijpen in als de situatie dat vereist. Bij dit alerte toezicht past een zakelijke houding op basis van geconstateerde feiten. Samenwerkend toezicht Door samenwerking in de keten zijn diverse doelen te bereiken met voordelen voor de onder toezicht staande en de toezichthouder(s). Samenwerking bestaat in vele varianten die kunnen variëren van gegevensuitwisseling, afstemming van (bedrijfs-)bezoeken en/of gezamenlijk uitvoeren. Onafhankelijk toezicht Onafhankelijkheid heeft betrekking op de materiële onafhankelijkheid van de toezichthoudende ambtenaar. Hij moet zijn feitelijke werkzaamheden onafhankelijk en zelfstandig kunnen uitvoeren, zonder beïnvloeding door anderen die zich bijvoorbeeld bezighouden met het beleid, de inkoop of de verstrekking van voorzieningen. Dit laat onverlet dat hij formeel onder de (politieke) verantwoordelijkheid valt van het college. Transparant toezicht Een goede toezichthouder legt uit waarom hij toezicht houdt en maakt de keuzes in het toezicht inzichtelijk. De toezichthouder verantwoordt zich achteraf aan het college over de keuzes en de behaalde resultaten. Professioneel toezicht Modern toezicht vraagt om een ander soort toezichthouder en een andere wijze van werken. De nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling vereist dat toezichthouders flexibel dienen te zijn in hun wijze van toezichthouden. Daar waar het kan dient de toezichthouder stimulerend te zijn. Daar waar het moet dient de toezichthouder over een hardere, corrigerende houding te beschikken. Bijlage 4: Taken en verantwoordelijkheden toezicht rechtmatigheid 1. Preventie en communiceren FUNCTIE DOET WAT Consulent •Indiceren •Voorlichten over rechten en plichten •Duidelijke afspraken maken •Verifiëren ontvangen informatie •Indien nodig betrekken overige disciplines voor informatie/advies Toezichthouder rechtmatigheid •Bevorderen fraudealertheid stakeholders binnen de gemeente •Vraagbaak/sparringpartner voor stakeholders binnen de gemeente bij vermoeden van onrechtmatigheden of fraude •Advisering over mogelijk aanpassingen in beleid, werkprocessen, werkinstructies, etc. •In samenwerking met inkoop- en contractmanagement screenen van zorgaanbieders voorafgaand aan contractering GGDrU •Heeft pas een rol nadat er een contract is aangegaan met een zorgaanbieder. ICM •Vastleggen kritieke prestatie-indicator (KPI’s) •Voorlichten over rechten en plichten •Duidelijke afspraken maken •Verifiëren ontvangen informatie •Screenen van zorgaanbieders voorafgaand aan contracteren •Verslaglegging 2. Dienstverlenen en controleren FUNCTIE DOET WAT Consulent •Hercontrole na uiterlijk xx maanden na 1e toekenning •Heroverweging (art. 2.3.9 Wmo/art. 8.1.3 Jeugdwet) •Voorlichten over rechten en plichten herhalen •Afspraken herhalen of waar nodig aanpassen •Beschikken (indien van toepassing bijv. bij een wijziging) Back-office •Verifiëren ontvangen informatie •Indien nodig betrekken overige disciplines voor informatie/advies •Indien van toepassing melding doen bij toezichthouder rechtmatigheid / meldpunt •Verslaglegging Toezichthouder rechtmatigheid •Vraagbaak/sparringpartner voor stakeholders binnen de gemeente bij vermoeden van onrechtmatigheden of fraude •Advisering over mogelijk aanpassingen in beleid, werkprocessen, werkinstructies, etc. •Ontvangen meldingen (zowel intern als extern) •Steekproeven** •Verslaglegging GGDrU •Proactief/preventief kwaliteitstoezicht •Verslaglegging •Uitbrengen advies aan gemeente ICM •Formele controle •Materiële controle •Data gestuurde monitoring •Steekproeven •Voorlichten over rechten en plichten herhalen •Afspraken herhalen of waar nodig aanpassen •Verifiëren ontvangen informatie •Indien van toepassing melding doen bij toezichthouder rechtmatigheid / meldpunt •Verslaglegging 3. Controleren en onderzoek FUNCTIE DOET WAT Consulent / Back-office •Toezichthouder rechtmatigheid voorzien van benodigde informatie •Heroverweging op verzoek van toezichthouder rechtmatigheid •Verslaglegging Toezichthouder rechtmatigheid •Preventief toezicht •Repressief (signaal gestuurd) toezicht •Ontvangen en registreren melding •Vooronderzoek •Fraudeonderzoek (bestuursrechtelijk onderzoek) •Detailcontrole *** •Verslaglegging •Uitbrengen advies aan (een specifieke afdeling of medewerker van) de gemeente GGDrU •Signaal gestuurd toezicht •Calamiteitentoezicht •Verslaglegging •Uitbrengen advies aan gemeente (ter kennisgeving of monitoring) ICM •Toezichthouder rechtmatigheid en GGDrU voorzien van benodigde informatie •Gesprek met aanbieder, op verzoek van, of samen met toezichthouder rechtmatigheid •Verslaglegging 4. Sanctioneren en handhaving FUNCTIE DOET WAT Consulent •Herindicatie •Tijdelijk stopzetten betaling Pgb, op advies toezichthouder •Bij cliëntenstop geen toewijzing aan betreffende Pgb-aanbieder •Beëindiging recht op Pgb, omzetting naar ZIN •Beëindiging recht op voorziening •Intrekking en/of herziening recht op voorziening *** •Terugvordering (bestuursrecht) *** •Verslaglegging Toezichthouder rechtmatigheid •Advisering over te treffen maatregelen naar aanleiding van bestuursrechtelijk onderzoek naar client, vertegenwoordiger en/of zorgaanbieder •Adviseren tijdelijke stopzetting betaling •Adviseren tot (tijdelijke) cliëntenstop •Verslaglegging •Geen handhavende bevoegdheden namens de gemeente GGDrU •Herstelaanbod •Advisering over te treffen maatregelen naar aanleiding van kwaliteitsonderzoek naar zorgaanbieder •Verslaglegging •Openbaarmaking toezicht rapport •Uitbrengen advies aan gemeente (ter handhaving) •Geen handhavende bevoegdheden namens de gemeente ICM •Tijdelijk stopzetten betaling op advies toezichthouder •Cliëntenstop •Ingebrekestelling •Bestuursdwang •Last onder dwangsom •Opschorting overeenkomst met aanbieder •Ontbinding overeenkomst met aanbieder •Terugvordering (civiel) •Verslaglegging
Meer informatie