Beleidsregels Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe

mededelingen
Locatie
Soortmededelingen
Gepubliceerd op13 juli 2026
Gepubliceerd doorWaterschap Waterschap Vallei en Veluwe

Besluit tot wijziging beleidsregels 3.2.9, 2.2.9 en 3.1.1 Waterschapsverordening Waterschap Vallei en Veluwe Het dagelijks bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe; overwegende dat –de redactie van een aantal bepalingen in beleidsregel 3.2.9 dammen met duiker duidelijker kan; –zij op 27 maart 2025 een nieuw Uitvoeringsbeleid bevers en het Uitvoeringsprogramma bevermaatregelen heeft vastgesteld; –hierin suggesties worden gedaan om de kans op graverij door bevers te verkleinen of te voorkomen; –hiervoor de redactie van Beleidsregel 2.2.9 Beplanting en Beleidsregel 3.1.1 Algemene beleidsregel oppervlaktewaterlichamen aangepast dient te worden; gelezen het voorstel van het WMT d.d. 19 maart 2026; gelet op artikel 7 van de Organisatieverordening Waterschap Vallei en Veluwe; BESLUIT Beleidsregel 3.2.9 Dammen met duiker, Beleidsregel 2.2.9 Beplanting en Beleidsregel 3.1.1 Algemene beleidsregel Waterschapsverordening Waterschap Vallei en Veluwe zoals vastgesteld op 10 december 2024 als volgt te wijzigen: Artikel I A In beleidsregel 3.2.9 Dammen met duikers wordt in de toetsingscriteria de tekst van de criteria 3 tot en met 5 onder het kopje doorstroom- en bergingscapaciteit vervangen door: Doorstroom- en bergingscapaciteit 3.Duikers ten behoeve van een functie anders dan perceelontsluiting (bijvoorbeeld parkeren of tuin) worden in beginsel niet toegestaan. 4.Omgevingsvergunningen voor het plaatsen van dammen met duikers in oppervlaktewaterlichamen categorie A die gebruikt worden als ontsluiting van percelen, kunnen alleen worden verleend als die percelen niet op een andere manier ontsloten zijn of kunnen worden ontsloten. In principe wordt maximaal één duiker per perceelzijde toegestaan, –tenzij de aanvraag ziet op de aanleg van een op grond van bedrijfshygiënische redenen wettelijk verplichte tweede in- en uitrit, waarbij de minimale afstand tussen de dammen 10 meter bedraagt; –tenzij er sprake is van een ander bijzonder geval waarbij het wenselijk is dat meer duikers worden toegestaan (bijv. bij percelen die over een lengte van meer dan 250 meter grenzen aan een watergang). 5.De dam met duiker mag een maximale opstuwing veroorzaken van 5 millimeter bij maatgevende afvoer van 1,5 liter per seconde per hectare. Bij vergunningaanvragen voor duikers speelt de gevoeligheid van het bovenstroomse of aangrenzende gebied voor wateroverlast een grote rol. Dit dient bij de vergunningverlening te worden meegewogen. Overigens mogen door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dam met duiker niet alle reserves gebruikt worden. Met andere woorden: de eerste aanvrager mag niet beperkend worden voor de andere aanvrager. Het belang van de betreffende watergang voor de waterhuishouding wordt ook meegewogen. B In beleidsregel 3.2.9 Dammen met duikers wordt in de toetsingscriteria de tekst van het 9e criterium onder het kopje onderhoud vervangen door: Onderhoud 9.De duiker dient in principe een vrije doorstroomhoogte in de duiker te hebben van minimaal 0,20 meter bij oppervlaktewaterlichamen categorie A boven het gemiddelde peil. C a.In Beleidsregel 2.2.9 wordt de tekst onder het kopje “Motivering” aangevuld met: Door het aanbrengen van beplanting kan een aantrekkelijke habitat worden gecreëerd voor dieren die de bodem gebruiken voor het graven van holen en aanleggen van burchten. Deze kunnen zich tot ver in de waterkering uitstrekken en leiden tot ernstige verzwakking van de waterkering (holle ruimtes, stabiliteitsverlies, aantasting van grasmat). Struiken en lage beplanting hebben een grotere aantrekkende werking op bevers en dassen dan solitaire bomen vanwege een betere beschutting. b.In Beleidsregel 2.2.9 wordt de tekst onder het kopje “Kans op instabiliteit” vervangen door: Niet waterkerende werken en graafactiviteiten nabij een waterkering kunnen het waterkerend vermogen van een kering aantasten. Daarnaast kan diep wortelende en hoog opgaande bomen en beplanting een negatief effect hebben op een waterkering. Bovendien kan als gevolg van het omwaaien van bomen (windworp) op, of in de directe nabijheid van een waterkering en de daardoor ontstane ontgrondingskuilen de stabiliteit van de waterkering afnemen. Ook de dynamische belasting als gevolg van beweging van bomen kan leiden tot instabiliteit van de ondergrond. Afstervende wortels veroorzaken na veroudering of na verwijdering van een boom of struik holle ruimten. Daardoor kunnen niet controleerbare waterstromingen ontstaan die een ongunstige invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Aanwezige beplanting kan ook een aangename biotoop vormen voor gravende dieren zoals bevers, dassen en beverratten die de bodem gebruiken voor het graven van holen en aanleggen van burchten. Deze kunnen zich tot ver in de waterkering uitstrekken en leiden tot ernstige verzwakking van de waterkering (holle ruimtes, stabiliteitsverlies, aantasting van grasmat). Struiken en lage beplanting hebben een grotere aantrekkende werking op bevers en dassen dan solitaire bomen vanwege een betere beschutting. Gravende dieren in of nabij waterkeringen moeten worden voorkomen. c.In Beleidsregel 2.2.9 wordt aan het onderdeel ‘Functioneren waterkering’ de volgende tekst toegevoegd tekst toegevoegd: Ongewenste graverij Door het aanbrengen van beplanting kan een aantrekkelijke habitat worden gecreëerd voor dieren die de bodem gebruiken voor het graven van holen en aanleggen van burchten. Deze kunnen zich tot ver in de waterkering uitstrekken en leiden tot ernstige verzwakking van de waterkering (holle ruimtes, stabiliteitsverlies, aantasting van grasmat). Struiken en lage beplanting hebben een grotere aantrekkende werking op bevers en dassen dan solitaire bomen vanwege een betere beschutting. d.In Beleidsregel 2.2.9 wordt aan de specifieke toetsingscriteria onder 5 en 6 toegevoegd: Als een strook tussen de teen van een waterkering en oppervlaktewaterlichaam niet breder is dan 30 meter zal deze strook vrij moeten blijven van beplanting. D a.In Beleidsregel 3.1.1 wordt een nieuw onderdeel a. Watersysteem ingevoegd: a. Watersysteem Nieuwe oppervlaktewaterlichamen naast een waterkering moeten minimaal op 30 meter afstand van de waterkering worden aangelegd. Bij herprofilering van watergangen binnen 30 meter van een waterkering moet het (onderwater)talud aan de dijkzijde minder stijl worden gemaakt als het talud aan de overkant. Aan de dijkzijde een begroeiing van gras of kruiden, terwijl dat aan de andere zijde struiken en bomen kunnen zijn. Het doel is taluds aan de kant van de waterkering onaantrekkelijk te maken voor bevers. Een bever heeft de voorkeur voor een steilere oever. b.In Beleidsregel 3.1.1 onderdeel a. Stabiliteit (A en B) aangevuld met: Met betrekking tot begroeiing op het talud houdt het waterschap rekening met het volgende. Om graverijen van bevers (en andere knaagdieren) tegen te gaan wordt op het talud welke zich het dichts bij een kering bevindt een begroeiing van gras of kruiden aangebracht terwijl dat aan de andere zijde struiken en bomen kunnen zijn. c.In Beleidsregel 3.1.1 wordt de lettering van de onderdelen aangepast vanwege aan de aanvulling met het nieuwe onderdeel a. Artikel II Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. Aldus vastgesteld in de vergadering d.d. 14 april 2026, Het dagelijks bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe, Drs. ing. K.A. Bloklandsecretaris Mr. S.H.M. Ornstein MCPm dijkgraaf

Meer informatie