Beleidsregels van de burgemeester van de gemeente Edam-Volendam over het gebruik van de bevoegdheid tot het instellen van cameratoezicht in de openbare ruimte (Beleidsregels publiek cameratoezicht Edam-Volendam 2026)

mededelingen
Locatie
Soortmededelingen
Gepubliceerd op13 juli 2026
Gepubliceerd doorGemeente Edam-Volendam

Beleidsregels van de burgemeester van de gemeente Edam-Volendam over het gebruik van de bevoegdheid tot het instellen van cameratoezicht in de openbare ruimte (Beleidsregels publiek cameratoezicht Edam-Volendam 2026) De burgemeester van de gemeente Edam-Volendam; gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; gelet op artikel 151c van de Gemeentewet en artikel 2:77 van Algemene plaatselijke verordening Edam-Volendam; overwegende dat de burgemeester belast is met de handhaving van de openbare orde en in dat kader bevoegd is tot de inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen; dat het Openbaar Ministerie, in het bijzonder de officier van justitie, richting de burgemeester een adviserende rol vervult bij de besluitvorming omtrent de inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen; de politie verantwoordelijk is voor de operationele uitvoering van het cameratoezicht en belast is met verwerking van camerabeelden conform de Wet politiegegevens. dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen omtrent de afweging van belangen de vaststelling van feiten en de uitleg van de bevoegdheid omtrent het instellen van cameratoezicht; B E S L U I T : vast te stellen de volgende Beleidsregels publiek cameratoezicht Edam-Volendam 2026. De gemeente Edam-Volendam is volop in ontwikkeling en is de laatste jaren sterk gegroeid qua grootte en qua inwoneraantal. Dit biedt kansen, maar tegelijkertijd groeit de complexiteit van de uitdagingen mee. Dit geldt ook voor de veiligheid in onze gemeente. Daar waar mogelijk is onze brede veiligheidsaanpak meegegroeid, maar aanhoudende aandacht hiervoor is en blijft nodig. De gemeente Edam-Volendam past voor meerdere doeleinden en in verschillende vormen cameratoezicht toe. Het monitoren van het uitgaanspubliek, de veiligheid waarborgen tijdens betaalde voetbalwedstrijden, ad- hoc plaatsingen in een veiligheidsgebied, het monitoren van verkeersknooppunten en van het scannen van kentekens in samenwerking met de Nationale Politie (ANPR). Het zijn allemaal doelen waarvoor camera’s worden ingezet om toezicht te houden in de openbare en/of publieke ruimte. Cameratoezicht wordt ook toegepast voor het handhaven van de openbare orde, en daarmee het voorkomen van strafbare feiten en ernstig overlast met een negatieve invloed op de orde en rust in de samenleving. Ook hierin zijn verschillende verschijningsvormen zichtbaar, variërend van cameratoezicht als ‘regulier’ onderdeel van het straatbeeld van de winkelgebieden en/of de horecagebieden tot aan kortstondig inzet van een mobiele cameratoezicht naar aanleiding van wanordelijkheden of ernstige veiligheids- of geweldsincidenten. AFBAKENING Het ‘Beleidskader cameratoezicht 2026 – 2030’ (hierna: beleidskader) richt zich op cameratoezicht dat wordt ingezet voor het handhaven van de openbare orde. Dit beleidskader gaat daarmee uitsluitend over het cameratoezicht in de publieke ruimte dat door de burgemeester is ingesteld op basis van artikel 151c Gemeentewet. Het cameratoezicht ter handhaving van de openbare orde valt – kort samengevat – uiteen in twee varianten: 1.het ‘regulier’ en meestal langdurig cameratoezicht in stadscentra of drukke (winkel)gebieden en 2.het mobiel cameratoezicht dat vaak voor een korte periode wordt toegepast bij de vrees voor, of na het zich voordoen van, wanordelijkheden of een veiligheidsincident. Beide varianten kennen dezelfde juridische grondslag. Dit beleidskader geldt voor beide varianten. Cameratoezicht dat niet gebaseerd is op artikel 151c Gemeentewet valt per definitie niet binnen de reikwijdte van dit beleidskader. DOEL BELEIDSKADER Het toepassen van cameratoezicht is altijd maatwerk én onderdeel van een groter geheel aan maatregelen. Een besluit tot het inzetten van cameratoezicht dient weloverwogen en in verhouding tot de context van de situatie tot stand te komen. Het doel van het beleidskader is om inzicht te geven in de voorwaarden die gelden voor het inzetten van cameratoezicht in het belang van handhaving van de openbare orde. Het beleidskader bevat richtlijnen die dienen als leidraad bij de afweging voor het invoeren, voortzetten of beëindigen van cameratoezicht 1. Evaluatie cameratoezicht 2018–2025 Het camerabeleid en de effectiviteit van het cameratoezicht worden elke vier jaar geëvalueerd. Ter voorbereiding op dit beleidskader is een evaluatie uitgevoerd over de jaren 2018 – 2025 en hebben wij resultaten opgehaald. De evaluatie zal als bijlage worden toegevoegd. 2. Juridische grondslag Dit beleidsdocument beschrijft het gebruik van cameratoezicht binnen de organisatie. Het doel is om transparant te zijn over de inzet van camera’s en te waarborgen dat dit gebeurt in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Indien cameratoezicht plaatsvindt in de openbare ruimte, is de bevoegdheid daartoe gebaseerd op artikel 151c van de Gemeentewet. Op grond van dit artikel is de burgemeester bevoegd om, indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde, te besluiten tot de inzet van cameratoezicht in een aangewezen gebied. Dit cameratoezicht: •wordt uitsluitend toegepast na een formeel besluit van de burgemeester; •is gericht op specifieke gebieden en voor een bepaalde duur; •dient proportioneel en subsidiair te zijn; •wordt kenbaar gemaakt aan het publiek. De uitvoering van het cameratoezicht geschiedt onder verantwoordelijkheid van de gemeente en in samenwerking met bevoegde instanties, zoals de politie. Voor zover de organisatie gebruikmaakt van cameratoezicht dat (mede) gericht is op de openbare ruimte, vindt dit uitsluitend plaats binnen de kaders en onder de bevoegdheid zoals vastgesteld door de burgemeester conform artikel 151c Gemeentewet. De verwerking van persoonsgegevens via cameratoezicht is gebaseerd op het gerechtvaardigd belang van de organisatie, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 sub f AVG. De organisatie heeft een belangenafweging gemaakt waarbij is vastgesteld dat: •Het belang van beveiliging en veiligheid legitiem is •De inbreuk op de privacy van betrokkenen beperkt en gerechtvaardigd is Algemene rechtsgrondslag (AVG / GDPR) •Doelbinding en verwerking in het kader van openbare orde, veiligheid en handhaving. •Rechtsgrond: meestal een taak van openbaar gezag (artikel 6(1)(e) AVG: noodzakelijk voor de behoorlijke taakuitoefening door een taak dragende autoriteit in het kader van een openbaar belang of taak van de overheid). •Verwerkers- en verwerkingsverantwoordelijkheid: 1) organisatie die de camera’s beheert, 2) eventueel de politie of handhaving. •Wet politiegegevens (Wpg) en relevante delen van de Politiewet: als politie- en justitiële doeleinden (bijv. opsporing, veiligheid) betrokken zijn, geldt vaak een specifieke wettelijke De politie verwerkt persoonsgegevens in het kader van haar wettelijke taken op grond van de Politiewet 2012 en de Wet politiegegevens. Dit betekent dat de politie zelfstandig het doel en de middelen van de verwerking bepaalt, bijvoorbeeld in het kader van opsporing en handhaving van de openbare orde. Vanaf het moment van verstrekking van camerabeelden aan de politie: is de politie verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de verdere verwerking valt de verwerking onder het regime van de Wet politiegegevens en heeft de verstrekkende organisatie geen zeggenschap meer over het verdere gebruik van de beelden. De verstrekking van camerabeelden aan de politie vindt uitsluitend plaats indien: •dit noodzakelijk is voor opsporingsdoeleinden of handhaving van de openbare orde; •hiervoor een wettelijke grondslag bestaat; •en de verstrekking voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. 3. Doelstelling Het toepassen van cameratoezicht op openbare plaatsen gaat gepaard met verantwoordelijkheden. Dit begint bij een omschrijving van de doelstelling en de criteria die hieraan verbonden zijn om tot het inzetten, verlengen of beëindigen van cameratoezicht te (kunnen) komen. Het doel voor cameratoezicht in Edam-Volendam is: Het handhaven van de openbare orde, inclusief het voorkomen van strafbare feiten en ernstige overlast waar dit invloed heeft op de orde en rust in de samenleving. Het begrip ‘openbare orde’ verwijst naar een ordentelijk verloop van het maatschappelijk verkeer in de openbare ruimte. Een verstoring van de openbare orde gaat veelal om strafbare feiten die de orde en rust in de samenleving verstoren, variërend van overtredingen van de APV tot ernstige misdrijven. Daarnaast kan het gaan om gedragingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, maar onder omstandigheden wel worden aangemerkt als ‘orde verstorende gedragingen’. Het al dan niet behalen van de doelstelling wordt beïnvloed door vier elementen: preventie, interventie, veiligheidsgevoel en opsporing. Preventie vormt het eerste element en gaat om de mate waarin het cameratoezicht invloed heeft op het (blijvend) voorkomen van criminaliteit of overlast, waarbij potentiële daders of overlastgevers afzien van het vertonen van normafwijkend gedrag doordat zij zich bewust zijn van de aanwezigheid van camera’s. Opgemerkt moet worden dat cameratoezicht bij voorkeur een preventieve werking heeft waardoor wanordelijkheden, onveilige situaties en/of ernstige overlast na het instellen van cameratoezicht minder vaak voorkomen. De bekendheid van omwonenden en bezoekers met de aanwezigheid van het cameratoezicht is essentieel voor een sterke preventieve werking. Ook wordt gekeken naar de mogelijke effecten van het cameratoezicht op afgenomen vormen van criminaliteit en ernstige overlast. Het is na een dusdanige afname vanuit preventief oogpunt mogelijk om het cameratoezicht in een centrumgebied te verlengen om de algehele veiligheid duurzaam te bevorderen. De heterdaadkracht zal worden vergroot bij het uitkijken als het uitkijkcentrale lokaal wordt gerealiseerd. Een tweede element betreft interventie. Dit gaat om (1) de mogelijkheid wanordelijkheden, onveilige situaties en/of ernstige overlast vroegtijdig te signaleren, (2) buitengewoon opsporingsambtenaren of de politie in te lichten bij (het ontstaan van) incidenten of (3) handhavers c.q. hulpdiensten te ondersteunen bij hun inzet tijdens manifestaties, evenementen of incidenten. Het veiligheidsgevoel van bezoekers, inwoners en ondernemers is een derde element. Cameratoezicht heeft de potentie het veiligheidsgevoel te verhogen, mits op een duidelijke en gepaste wijze gecommuniceerd én toegepast. Het veiligheidsgevoel onder de burgers werd vooral tijdens het grote evenement met onder meer cameratoezicht en zichtbare handhaving als zeer positief ervaren. Opsporing vormt het vierde element. De politie en het Openbaar Ministerie kunnen gebruik maken van de camerabeelden ter herkenning en/of opsporing van personen. Echter, dit is geen zelfstandig doel van het gemeentelijk cameratoezicht, omdat dit niet onder het gezag van de burgemeester, maar van de officier van justitie valt. 4. Criteria Het instellen, verlengen of beëindigen van cameratoezicht is een impactvolle maatregel. Besluitvorming dient zorgvuldig en met oog voor de situatie tot stand te komen. Hiervoor wordt er in samenhang met het beoogde doel en de vier bijbehorende elementen (zie hoofdstuk 3) – afgewogen of het cameratoezicht voldoet aan de vereiste criteria. Cameratoezicht kan alleen ingesteld of verlengd worden als voldaan wordt aan vier criteria. Indien dit niet het geval is, is het instellen van cameratoezicht niet de geschikte maatregel. Allereerst dient er sprake te zijn van een aantoonbare noodzakelijkheid. Dit betekent dat er in een openbaar gebied zich met regelmaat wanordelijkheden c.q. onveilige situaties voordoen of voordeden waardoor de inzet van cameratoezicht noodzakelijk is. Het kan ook om een (woon)gebied gaan waar zich recent een ernstige verstoring van de openbare orde heeft voorgedaan waardoor de kortstondige inzet van mobiel cameratoezicht noodzakelijk is. Een veiligheidsanalyse moet aantonen of de inzet van cameratoezicht noodzakelijk is. Ten tweede dient er een maatschappelijke behoefte te zijn. Dit is een belanghebbend subjectief element. Het gaat hier om het veiligheidsgevoel en de behoeften van inwoners, ondernemers en de overheid. Het inzichtelijk maken van de maatschappelijke behoefte in relatie tot het cameratoezicht in de centrumgebieden is eens per vier jaar onderwerp van de evaluatie. Bij de inzet van mobiel cameratoezicht wordt voornamelijk gekeken naar het al dan niet ontstaan van maatschappelijke onrust of gevoelens van angst en onveiligheid door toedoen van veiligheidsincidenten. Ten derde dient het instellen van cameratoezicht proportioneel te zijn. Het toepassen van cameratoezicht op een openbare plaats betekent per definitie dat er in enige mate een inbreuk plaatsvindt op de privacy van bezoekers, toevallige passanten en omwonenden. Het instellen van cameratoezicht, en daarmee de inbreuk op de privacy, moet in verhouding staan tot het beoogde doel. Dit dient bij elk besluit afgewogen en verantwoord te worden. Ten vierde, en daarmee als laatste, dient het subsidiariteitsbeginsel als criterium in ogenschouw genomen te worden. Dit betekent dat de minst zware maatregel moet worden gekozen om een bepaald doel te bereiken. Cameratoezicht op openbare plaatsen kan daardoor alleen worden toegepast indien het beoogde doel niet met minder ingrijpende maatregelen bereikt kan worden 5. Afwegingskader Het instellen, verlengen of beëindigen van cameratoezicht op openbare plaatsen is altijd maatwerk. Besluitvorming komt tot stand op basis van een dialoog tussen de betrokken partijen. Het afwegingskader faciliteert het maken van een afweging op basis van de elementen (zie hoofdstuk 3) en criteria van het cameratoezicht (zie hoofdstuk 4). Bovenal dient het als leidraad voor het voeren van een open gesprek om te besluiten over het al dan niet instellen, verlengen of beëindigen van cameratoezicht. Elk besluit vindt zijn grondslag in een vraag om cameratoezicht. Reden tot het instellen van cameratoezicht komt altijd voort uit een mate van onveiligheid en een daaruit voortgekomen noodzaak om de openbare orde te handhaven. Redenen tot het verlengen van reeds ingesteld cameratoezicht kunnen breder zijn. Hierin kan ook de preventieve werking, onder andere zichtbaar door een afname van criminaliteit en ernstige overlast, alsmede een hoge mate van bekendheid of maatschappelijke behoefte onder omwonenden en bezoekers, aanleiding zijn tot het verlengen van het cameratoezicht. Elk besluit is zoveel als redelijkerwijs mogelijk gebaseerd op een inhoudelijke analyse van de vraagstelling en de veiligheidssituatie. De analyse kent – kort samengevat – twee varianten die afzonderlijk en/of in combinatie met elkaar voorkomen. Een eerste variant is het opstellen van een analyse over de preventieve werking van het cameratoezicht en de veiligheidssituatie. Hierin wordt gekeken naar objectieve elementen, zoals de ontwikkeling van de criminaliteits- en overlastcijfers. Ook wordt er gekeken naar subjectieve elementen, zoals de impact op veiligheidsgevoelens en de (geuite) maatschappelijke behoeften van omwonenden, ondernemers en betrokkenen. De analyse is op basis van deze aspecten voorzien van een advies over het al dan niet instellen of verlengen van het cameratoezicht. Een tweede optie is het ontvangen van een bestuurlijke rapportage van de politie naar aanleiding van een maatschappelijk fenomeen of een specifiek veiligheidsincident. Het besluit tot het al dan niet instellen of verlengen van cameratoezicht komt tot stand op basis van een dialoog in de driehoek. Elk afzonderlijk besluit is maatwerk. Per situatie wordt op basis van de vier elementen (zie hoofdstuk 3) bekeken of het al dan niet instellen of verlengen van het cameratoezicht voldoet aan de criteria (zie hoofdstuk 4). Het besluit wordt, samen met de inhoudelijke onderbouwing en overwegingen tot het instellen of verlengen van het cameratoezicht, in een aanwijzingsbesluit geformuleerd en vastgelegd. Het aanwijzingsbesluit wordt conform de wet- en regelgeving gepubliceerd in het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. Belanghebbenden kunnen hiertegen bezwaar maken. Cameratoezicht is altijd tijdelijk van aard. Beëindiging van het cameratoezicht kan via een besluit voortijdig plaatsvinden omdat geconstateerd is dat niet langer voldaan wordt aan de criteria zoals die in hoofdstuk 4 zijn benoemd. Een andere reden is dat alvorens het verlopen van een aanwijzingsbesluit blijkt dat een verlenging niet langer noodzakelijk of gepast is. 6. Privacy en waarborgen Cameratoezicht en privacy staan ogenschijnlijk haaks op elkaar. Het is daarom van belang om cameratoezicht alleen in te zetten in die gebieden waar het een noodzakelijk middel is in een breder pakket aan maatregelen. Daar waar cameratoezicht is ingezet, zijn waarborgen getroffen om schendingen van de privacy zoveel mogelijk te voorkomen. We werken altijd binnen de wettelijke richtlijnen. De camerabeelden zijn door (1) fysieke, (2) softwarematige en (3) organisatorische maatregelen beveiligd. De fysieke waarborgen hebben betrekking op de beveiligingsmaatregelen die getroffen zijn bij de uitkijkruimte. De uitkijk- en serverruimten zijn niet vrij toegankelijk en kunnen slechts door een beperkt aantal daartoe geautoriseerde en bevoegde medewerkers worden betreden. Softwarematige waarborgen zijn genomen om de privacy zoveel als mogelijk te borgen. De camera’s zijn dusdanig geprogrammeerd dat deze niet in woningen kunnen kijken. De politie heeft met software een grijs vlak gelegd over alle woningen waar er een risico is dat de camera beelden opvangt van binnenuit de woning. Het grijze vlak draait mee als de camera beweegt. Dit heet ‘blanking’. 7. Evaluatie en verantwoording De inzet van cameratoezicht heeft op meerdere manieren impact op de inwoners en ondernemers van Edam-Volendam. Evaluatie en verantwoording is wenselijk om continu te blijven streven naar maatwerk. Hierbij zijn meerdere partijen betrokken. Elk vanuit hun eigen rollen, taken en bevoegdheden. Evaluatie is een belangrijk onderdeel in het toepassen van cameratoezicht omdat het continue verbetering mogelijk maakt. De toepassing van het ‘regulier’ cameratoezicht in de centrumgebieden wordt periodiek geëvalueerd op basis van de effectiviteit, ervaringen en externe ontwikkelingen. Dit gebeurt uiterlijk een half jaar voorafgaand aan het verlopen van een aanwijzingsbesluit en het beleidskader. De effectiviteit van de camera’s in de centrumgebieden worden eens per jaar geanalyseerd en geëvalueerd. Camera’s die gedurende een periode van twee opeenvolgende jaren geen relevante veiligheidsincidenten waarnemen, of geen ander specifiek doel dienen ter handhaving van de openbare orde, worden verwijderd. Dit ter waarborging van de proportionaliteit. De toepassing van mobiel cameratoezicht is sterk incident gedreven, veelal kortstondig en qua oorzaak per casus afwijkend. Hierin is geen periodieke evaluatie toepasbaar. Wel worden leer- en verbeterpunten direct meegenomen in de uitvoering ten aanzien van opvolgende toepassingen van mobiel cameratoezicht. De burgemeester legt verantwoording af over de toepassing van het cameratoezicht in Edam-Volendam. Ten eerste wordt na elk besluit tot toepassing, verlenging of het voortijdig intrekken van cameratoezicht een (aanwijzing)besluit gepubliceerd. Iedereen kan kennisnemen van de onderbouwing, waarbij belanghebbenden de mogelijkheid hebben bezwaar te maken of een voorlopige voorziening aan te vragen. Ten tweede informeert de burgemeester de gemeenteraad elk jaar in de ‘Voortgangsrapportage Veiligheidsagenda’ over de wijze waarop het cameratoezicht is ingezet. Ten derde informeert de burgemeester de gemeenteraad bij specifieke ontwikkelingen in relatie tot het cameratoezicht, zoals de resultaten van evaluaties en/of de vaststelling van een geactualiseerd beleidskader. Aldus besloten op 19 mei 2026, de burgemeester van Edam-Volendam, R.J. Beukers.

Meer informatie