Verordening participatie Noord-Brabant
Verordening participatie Noord-Brabant Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant van 3 juli 2026 houdende regels met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van provinciaal beleid worden betrokken, regels voor maatschappelijke initiatieven, voorwaarden waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen bepaalde taken van Gedeputeerde Staten kunnen uitvoeren, alsmede voorwaarden waaronder ingezetenen onderwerpen of voorstellen op de agenda van Provinciale Staten kunnen laten zetten Provinciale Staten van Noord-Brabant; Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 12 mei 2026, nr. 33/26 A; Gelet op artikel 5 van de Grondwet en de artikelen 105, 143, 145 en 147 van de Provinciewet; Overwegende dat Provinciale Staten op grond van de Wet versterking participatie op decentraal niveau met ingang van 1 januari 2027 gehouden zijn een verordening vast te stellen waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van provinciaal beleid worden betrokken, regels worden gesteld voor maatschappelijke initiatieven, voorwaarden worden bepaald waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen bepaalde taken van Gedeputeerde Staten kunnen uitvoeren, alsmede voorwaarden worden bepaald waaronder ingezetenen onderwerpen of voorstellen op de agenda van Provinciale Staten kunnen laten zetten; Besluiten vast te stellen de volgende verordening: § 1 Inwonersparticipatie Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: belanghebbende: belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht; ingezetene: ingezetene als bedoeld in artikel 2 van de Provinciewet; inspraak: inspraak als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht; inwonersparticipatie: betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid als bedoeld in artikel 147, tweede lid, van de Provinciewet. Artikel 1.2 Wanneer inwonersparticipatie Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning betrekken ingevolge artikel 147, eerste lid, van de Provinciewet, ingezetenen en belanghebbenden bij: a.de voorbereiding van provinciaal beleid; b.de uitvoering van provinciaal beleid; en c.de evaluatie van provinciaal beleid. Artikel 1.3 Uitzonderingen inwonersparticipatie 1.In afwijking van artikel 1.2 vindt geen inwonersparticipatie plaats indien: a.inwonersparticipatie bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is; b.bij of krachtens wettelijk voorschrift reeds een ander specifiek participatieproces is voorgeschreven; c.de uitvoering of evaluatie van beleid betrekking heeft op vergunningen of andere beschikkingen; d.de uitvoering of evaluatie van beleid betrekking heeft op besluiten van algemene strekking, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften; e.het om beleidsuitvoeringstrajecten of beleidsevaluatietrajecten gaat die zijn gestart voor de inwerkingtreding van deze verordening; f.het om ondergeschikte wijzigingen van voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid gaat; g.het om interne aangelegenheden van de provincie gaat; h.het om de begroting, de tarieven voor provinciale dienstverlening of belastingen als bedoeld in titel IV van de Provinciewet gaat. 2.In afwijking van artikel 1.2 kunnen Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning besluiten dat geen inwonersparticipatie plaatsvindt indien: a.de besluitvorming over provinciaal beleid spoedeisend is, waardoor inwonersparticipatie niet kan plaatsvinden of de uitkomst daarvan niet kan worden afgewacht; b.de verantwoordelijkheid van Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen; c.er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning geen of nauwelijks beleidsvrijheid hebben; d.inwonersparticipatie naar het oordeel van Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning geen meerwaarde heeft. Artikel 1.4 Vormen inwonersparticipatie 1.Inwonersparticipatie kan plaatsvinden in de volgende vormen: a.informeren; b.raadplegen; c.adviseren; d.coproduceren; of e.meebeslissen. 2.Bij raadplegen als bedoeld in het eerste lid, onder b, in de vorm van inspraak worden ingezetenen en belanghebbenden op grond van artikel 147, tweede lid, van de Provinciewet, betrokken door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.5 Keuze participatievorm en participatieaanpak 1.Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning bepalen gemotiveerd, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft, bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van het provinciaal beleid de daarbij gewenste participatievorm, genoemd in artikel 1.4. 2.Indien de participatie plaatsvindt in een andere vorm dan informeren als bedoeld in artikel 1.4, onder a, stellen Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft, een gemotiveerde participatieaanpak op.3.In deze participatieaanpak wordt in ieder geval opgenomen: a.het onderwerp; b.de participatievraag; c.het doel van de participatie; d.welke groepen ingezetenen en belanghebbenden bij het participatieproces worden betrokken; e.welke participatievorm wordt gekozen; f.de inrichting van het participatieproces; g.de wijze van communicatie naar betrokkenen tijdens het participatieproces. 4.In de participatieaanpak wegen Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning af of het betrekken van jongeren in de leeftijd van 16 tot en met 29 jaar toegevoegde waarde heeft.5.Indien er van toegevoegde waarde sprake is, wordt in de participatieaanpak beschreven op welke wijze de jongeren worden betrokken bij het participatieproces. Artikel 1.6 Verslag van de participatie 1.Indien de participatie verder gaat dan de vorm informeren als bedoeld in artikel 1.4, onder a, stellen Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft, bij de afronding van het participatieproces een verslag van de participatie op. 2.Het verslag bevat in ieder geval: a.een beschrijving van het gevolgde participatieproces; b.een zakelijke weergave van de inbreng van de deelnemers aan het participatieproces; c.een reactie op de inbreng, hoe de inbreng is afgewogen en de wijze waarop hiermee is omgegaan; d.een evaluatie van het uitgevoerde participatieproces. 3.Het desbetreffende bestuursorgaan maakt het eindverslag openbaar en informeert de deelnemers aan het participatieproces. Artikel 1.7 Participatie experimenten 1.Om innovatie van participatie te bevorderen experimenteren Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning met het inzetten van vernieuwende participatie-instrumenten.2.De experimenten zijn tot 2028 in ieder geval gericht op jongerenparticipatie en de doorontwikkeling van de Brabantse aanpak jongerenparticipatie. § 2 Overheidsparticipatie Artikel 2.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: ingezetene: ingezetene als bedoeld in artikel 2 van de Provinciewet; maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, sociale ondernemingen, ondernemingen zonder winstoogmerk, ondernemingen die geen winst uitkeren en andere organisaties die een collectief vormen en die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de provincie; overheidsparticipatie: betrekken van de provincie bij maatschappelijke initiatieven of het overnemen van taken door middel van het uitdaagrecht; uitdaagrecht: uitvoeren van taken door ingezetenen of maatschappelijke partijen als bedoeld in artikel 147, derde lid, van de Provinciewet. Artikel 2.2 Vormen overheidsparticipatie Overheidsparticipatie kan plaatsvinden in de volgende vormen: a.overheidsparticipatie bij maatschappelijke initiatieven; of b.overheidsparticipatie bij het uitdaagrecht. Artikel 2.3 Initiatievenloket 1.Gedeputeerde Staten richten een Initiatievenloket overheidsparticipatie in.2.Ingezetenen, maatschappelijke partijen, ondernemingen en kennisinstellingen kunnen bij het Initiatievenloket overheidsparticipatie verzoeken om overleg over een door hen gewenst maatschappelijk initiatief.3.Ingezetenen en maatschappelijke partijen kunnen bij het Initiatievenloket overheidsparticipatie verzoeken om overleg over hun voornemen om gebruik te maken van het uitdaagrecht. Artikel 2.4 Wanneer overheidsparticipatie 1.Het gewenste maatschappelijk initiatief levert een bijdrage aan: a.de provinciale beleidsdoelen; of b.een positieve maatschappelijke ontwikkeling in de provincie Noord-Brabant. 2.Het voornemen om gebruik te maken van het uitdaagrecht heeft ingevolge artikel 147, derde lid, van de Provinciewet, betrekking op: a.taken inzake de huishouding van de provincie waarvan Provinciale Staten de uitvoering aan Gedeputeerde Staten hebben opgedragen; of b.taken waarvan de uitvoering bij of krachtens een andere wet dan de Provinciewet van Gedeputeerde Staten is gevorderd, voor zover de uitvoering van de taak door een ander dan Gedeputeerde Staten met het bij of krachtens die wet bepaalde niet in strijd is. Artikel 2.5 Uitzonderingen uitdaagrecht In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, vindt geen overheidsparticipatie bij uitdaagrecht plaats indien: a.het om een lopend uitvoeringstraject of een ondergeschikt onderdeel van dat traject gaat; b.toepassing van het uitdaagrecht in strijd is met een andere wet als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onder b; c.het taken betreft die zich niet voor overdracht lenen, waaronder in ieder geval: 1°veiligheidstaken; 2°taken met betrekking tot vergunningverlening, toezicht en handhaving; en 3°taken met betrekking tot subsidieverstrekking; d.het taken betreft die zich vanwege de spoedeisendheid niet voor overdracht lenen; e.de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen; f.sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij Gedeputeerde Staten geen of nauwelijks beleidsvrijheid hebben; g.de overdracht en uitvoering van de taak in strijd is met lopende overeenkomsten van de provincie Noord-Brabant; h.het om interne aangelegenheden van de provincie gaat; of i.het om de begroting, de tarieven voor provinciale dienstverlening en belastingen als bedoeld in titel IV van de Provinciewet gaat. Artikel 2.6 Voorwaarden uitdaagrecht Indien ingezetenen of maatschappelijke partijen taken als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, willen uitvoeren, gelden de volgende voorwaarden: a.voor de taak zijn toereikende gelden opgenomen in de provinciale begroting; b.de overdracht heeft meerwaarde ten opzichte van de uitvoering van de taak door de provincie; c.de indiener overlegt een uitvoerbaar plan, waarin de overdracht en uitvoering van de taak is uitgewerkt; d.het plan heeft voldoende maatschappelijk draagvlak en steun; e.de indiener beschikt aantoonbaar over voldoende kennis en ervaring om het plan te kunnen uitvoeren; f.de indiener kan de uitvoering voor langere tijd overnemen. Artikel 2.7 Vereisten indiening verzoek overleg 1.Een verzoek als bedoeld in artikel 2.3, tweede en derde lid, wordt schriftelijk ingediend bij Gedeputeerde Staten met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde verzoekformulier.2.Indien het verzoek om overleg een gewenst maatschappelijk initiatief betreft, bevat het in ieder geval een gemotiveerde beschrijving dat aan artikel 2.4, eerste lid, wordt voldaan.3.Indien het verzoek om overleg een voornemen om gebruik te maken van het uitdaagrecht betreft, bevat het in ieder geval een gemotiveerde beschrijving dat aan artikel 2.4, tweede lid, wordt voldaan. Artikel 2.8 Afhandeling maatschappelijk initiatief De indiener die een verzoek om overleg over een gewenst maatschappelijk initiatief heeft ingediend, wordt door het Initiatievenloket overheidsparticipatie begeleid bij de verdere afhandeling van zijn verzoek. Artikel 2.9 Afhandeling uitdaagrecht 1.Indien het overleg tussen de indiener en het Initiatievenloket overheidsparticipatie leidt tot een formele aanvraag om gebruik te maken van het uitdaagrecht wordt het verzoek om overdracht van taken voorgelegd aan Gedeputeerde Staten.2.Een formele aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.3.Gedeputeerde Staten toetsen of er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 2.5 en of aan de voorwaarden in artikel 2.4, tweede lid, en artikel 2.6 wordt voldaan.4.Gedeputeerde Staten beslissen op een verzoek binnen 8 weken.5.Indien een verzoek wordt toegewezen, sluiten Gedeputeerde Staten een schriftelijke overeenkomst met de indiener over de uitvoering van de taken, waarin in ieder geval het volgende wordt opgenomen: a.het proces, het resultaat en de looptijd; b.het budget en de financieringswijze; c.het contact met en de mate van ondersteuning door Gedeputeerde Staten; d.de te nemen stappen bij: 1° niet nakoming van de gemaakte afspraken; 2°eventuele tussentijdse beëindiging van de overeenkomst; e.de evaluatie. § 3 Inwonersvoorstel Artikel 3.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: agenderingsgerechtigde: ingezetene die gerechtigd is een inwonersvoorstel in te dienen; ingezetene: ingezetene als bedoeld in artikel 2 van de Provinciewet; inwonersvoorstel: verzoek als bedoeld in artikel 5 van de Grondwet. Artikel 3.2 Wanneer inwonersvoorstel 1.Een inwonersvoorstel om een onderwerp of voorstel op de agenda van de vergadering van Provinciale Staten te laten plaatsen kan worden ingediend door een ingezetene.2.De ingezetene die een inwonersvoorstel indient, heeft de leeftijd van 16 jaar of ouder. Artikel 3.3 Uitzonderingen inwonersvoorstel Een inwonersvoorstel wordt niet in behandeling genomen indien: a.het een klacht als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht betreft tegen een gedraging van een bestuursorgaan van de provincie; b.het een bezwaar als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht betreft tegen een besluit van een bestuursorgaan van de provincie; of c.het een onderwerp betreft dat behoort tot de bevoegdheid van een ander bestuursorgaan. Artikel 3.4 Voorwaarden inwonersvoorstel 1.Indien ingezetenen een inwonersvoorstel willen indienen gelden de volgende voorwaarden: a.het inwonersvoorstel wordt ingediend door een of meer agenderingsgerechtigden; b.het inwonersvoorstel wordt door ten minste 1.500 agenderingsgerechtigden ondersteund; c.het betreft een onderwerp dat: 1°nog niet op de agenda van Provinciale Staten heeft gestaan; of 2°ten minste twee jaar voor het moment van indiening op de agenda van Provinciale Staten heeft gestaan. 2.Voor de bepaling van het zijn van agenderingsgerechtigde als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is het moment van indiening, respectievelijk ondersteuning van het inwonersvoorstel, bepalend.3.Onverminderd het eerste lid, onder b, worden voor het voldoen aan het vereiste van 1.500 agenderingsgerechtigden ook meegeteld de agenderingsgerechtigden die het inwonersvoorstel hebben ondersteund door middel van het invullen van het daartoe door Provinciale Staten beschikbaar gestelde digitale formulier. Artikel 3.5 Vereisten indiening inwonersvoorstel 1.Het inwonersvoorstel wordt ingediend door middel van een daartoe door Provinciale Staten vastgesteld formulier.2.Het inwonersvoorstel bevat in ieder geval: a.een omschrijving van het inwonersvoorstel; b.de achternaam, de voornamen, het huisnummer, de postcode, de geboortedatum, het Burgerservicenummer, telefoonnummer, mailadres en de handtekening van de indiener van het inwonersvoorstel; c.een gemotiveerde toelichting op het inwonersvoorstel; d.een lijst met de achternamen, de voornamen, de huisnummers, de postcodes, de geboortedata, de Burgerservicenummers, telefoonnummers, mailadressen en de handtekeningen van de agenderingsgerechtigden die het inwonersvoorstel ondersteunen; e.een eventuele schriftelijke machtiging indien de indiener van het inwonersvoorstel zich laat vertegenwoordigen. Artikel 3.6 Mandaat griffier 1.Door de griffier wordt getoetst: a.of het inwonersvoorstel voldoet aan de vereisten voor indiening, genoemd in artikel 3.5; en b.of er sprake is van een van de uitzonderingsgevallen, bedoeld in artikel 3.3. 2.De griffier besluit het inwonersvoorstel niet in behandeling te nemen indien het inwonersvoorstel: a.niet voldoet aan de vereisten voor indiening, mits de agenderingsgerechtigde in de gelegenheid is gesteld het inwonersvoorstel aan te vullen; b.betrekking heeft op een van de uitzonderingsgevallen. 3.Indien het inwonersvoorstel voldoet aan het eerste lid, wordt het geagendeerd voor de vergadering van Provinciale Staten. Artikel 3.7 Agendering 1.Provinciale Staten toetsen of het inwonersvoorstel voldoet aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 3.2 en 3.4.2.Indien het inwonersvoorstel voldoet, wordt het zo spoedig mogelijk geagendeerd voor een inhoudelijke behandeling in de vergadering van Provinciale Staten.3.Indien het inwonersvoorstel niet voldoet, besluiten Provinciale Staten het inwonersvoorstel niet te agenderen voor een inhoudelijke behandeling en het inwonersvoorstel te weigeren.4.De indiener wordt zo spoedig mogelijk door de griffier geïnformeerd over de beslissing van Provinciale Staten. Artikel 3.8 Inhoudelijke behandeling en besluitvorming 1.De indiener wordt schriftelijk door de voorzitter van Provinciale Staten uitgenodigd voor de vergadering waarin het inwonersvoorstel inhoudelijk behandeld gaat worden.2.Tijdens de inhoudelijke vergadering krijgt de indiener van het inwonersvoorstel de gelegenheid het inwonersvoorstel nader mondeling toe te lichten.3.De indiener neemt niet deel aan de inhoudelijke beraadslaging over het inwonersvoorstel. Artikel 3.9 Bekendmaking besluit 1.Provinciale Staten maken het besluit, bedoeld in artikel 3.8, zo spoedig mogelijk schriftelijk bekend aan de indiener.2.Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit aan de indiener wordt kennisgeving gedaan van het besluit in het Provinciaal Blad, alsmede op een andere geschikte wijze. Paragraaf 4 Slotbepalingen Artikel 4.1 Hardheidsclausule Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning kunnen bepalingen vastgesteld bij deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het doel van participatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 4.2 Evaluatie Gedeputeerde Staten zenden in 2028 en vervolgens telkens na twee jaar, aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. Artikel 4.3 Intrekking De volgende verordeningen worden ingetrokken: a.de Inspraakverordening provincie Noord-Brabant 1995; b.de Verordening agenderingsrecht voor inwoners provincie Noord-Brabant. Artikel 4.4 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 4.5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening participatie Noord-Brabant. ’s-Hertogenbosch, 3 juli 2026 Provinciale Staten voornoemd, de voorzitter, mr. I.R. Adema de griffier,drs. A.E.T. Wepster Msc Toelichting behorende bij de Verordening participatie Noord-Brabant I. Algemeen Inleiding De Wet versterking participatie op decentraal niveau voorziet in een wijziging van artikel 147 van de Provinciewet. Provinciale Staten zijn op grond van die wet verplicht met ingang van 1 januari 2027 een verordening vast te stellen waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van provinciaal beleid worden betrokken, de zogenaamde inwonersparticipatie. Tevens verplicht de Wet versterking participatie op decentraal niveau om voorwaarden te bepalen waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen bepaalde taken van Gedeputeerde Staten kunnen uitvoeren. Het gaat daarbij om overheidsparticipatie in de vorm van het zogenaamde uitdaagrecht. Het uitdaagrecht wordt ook wel “right to challenge” genoemd. Om de toegankelijkheid voor de Brabantse ingezetenen verder te vergroten en te horen wat er leeft in Brabant hebben Provinciale Staten in deze verordening tevens regels gesteld voor overheidsparticipatie in de vorm van verzoeken om overleg over gewenste maatschappelijke initiatieven. Voor de begeleiding van deze twee vormen van overheidsparticipatie is een speciaal Initiatievenloket overheidsparticipatie opgericht binnen de provincie Noord-Brabant, zodat het voor ingezetenen duidelijk is waar ze terecht kunnen met vragen. Ten slotte hebben Provinciale Staten in het kader van deregulering en harmonisatie van de gelegenheid gebruik gemaakt om de Verordening agenderingsrecht voor inwoners provincie Noord-Brabant in te trekken en beleidsneutraal op te nemen in een paragraaf inwonersvoorstel in deze verordening, met daarin voorwaarden waaronder ingezetenen onderwerpen of voorstellen op de agenda van Provinciale Staten kunnen laten zetten. Op deze wijze zijn alle regels met betrekking tot inwonersparticipatie, overheidsparticipatie en andere inwonersvoorstellen overzichtelijk in een verordening ondergebracht, hetgeen duidelijkheid geeft voor de Brabantse ingezetenen. Provinciale Staten beogen met deze verordening de reikwijdte van de voorheen geldende inspraakmogelijkheden verder uit te breiden. Door de inzet van inwonersparticipatie in de gehele beleidscyclus, het uitdaagrecht, het Initiatievenloket overheidsparticipatie en het agenderingsrecht wordt de Brabantse burgerparticipatie versterkt en vormt deze verordening een aanvulling op de representatieve democratie. Juridisch kader Provinciewet De juridische grondslag met betrekking tot de algemene bevoegdheid voor het opstellen van een verordening door Provinciale Staten is gelegen in de Provinciewet. In artikel 105, eerste lid, van de Provinciewet, wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de provincie aan het provinciebestuur overgelaten. Artikel 143, eerste lid, van de Provinciewet, geeft Provinciale Staten de wettelijke grondslag om verordeningen te mogen vaststellen. Artikel 145 van de Provinciewet bepaalt daarbij dat Provinciale Staten bevoegd zijn die verordeningen te maken die zij in het belang van de provincie nodig oordelen. Artikel 147 van de Provinciewet verplicht Provinciale Staten specifiek om een verordening vast te stellen waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van provinciaal beleid worden betrokken en waarin voorwaarden worden bepaald waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen bepaalde taken van Gedeputeerde Staten kunnen uitvoeren. Grondwet In artikel 5 van de Grondwet is opgenomen dat iedereen het recht heeft verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen, het zogenaamde petitierecht. Het uitdaagrecht moet gezien worden als een uitvloeisel van dit petitierecht, maar ook de mogelijkheid van inwonersvoorstellen voor de agenda van Provinciale Staten valt hieronder. Omgevingswet Participatie is een belangrijke pijler van de Omgevingswet. Gelet daarop bevat de wet participatieverplichtingen voor de inzet van instrumenten uit die wet. De wet schrijft daarbij voor dat participatie verplicht is, maar niet op welke wijze invulling gegeven wordt aan die verplichting. Bij de besluitvorming over die instrumenten moet verslag gedaan worden op welke wijze invulling is gegeven aan de participatieverplichting, wat is ingebracht en wat daarmee is gedaan. Voor het instrument projectbesluit gelden specifieke participatieverplichtingen (artikel 5.47 Omgevingswet). Dit betekent dat daar waar in de Omgevingswet specifieke verplichtingen staan met betrekking tot participatie deze verordening niet van toepassing is. Indien er over de invulling van de participatie in de Omgevingswet niets geregeld is, is deze verordening van toepassing. Paragraaf 1 Inwonersparticipatie Inwonersparticipatie heeft betrekking op de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van provinciaal beleid worden betrokken. Jongeren worden daarbij ook uitdrukkelijk betrokken. Paragraaf 2 Overheidsparticipatie Overheidsparticipatie heeft betrekking op de wijze waarop de overheid ingezetenen en maatschappelijke partijen ondersteunt bij maatschappelijke initiatieven of verzoeken om overdracht van bepaalde taken van Gedeputeerde Staten. Uitgangspunt bij overheidsparticipatie is een oplossingsgerichte, respectvolle en persoonlijke benadering, waarbij de provincie denkt in mogelijkheden en duidelijke kaders biedt over de ruimte en randvoorwaarden. Ter ondersteuning hiervan is een Initiatievenloket overheidsparticipatie ingericht. Paragraaf 3 Inwonersvoorstel Inwonersvoorstellen zijn voorstellen die op de agenda van Provinciale Staten worden geplaatst op voordracht van inwoners. Het versterkt de directe invloed van inwoners op de besluitvorming in Provinciale Staten. Een actueel onderwerp kan immers onderdeel van de beraadslaging van Provinciale Staten worden. II. Artikelsgewijs Paragraaf 1 Inwonersparticipatie Artikel 1.3 Uitzonderingen inwonersparticipatie Algemeen Het besluit om geen inwonersparticipatie toe te passen is een interne afweging en geen besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Eerste lid Expliciete uitzonderingen Onder e en f Lopende trajecten en ondergeschikte wijzigingen Inwonersparticipatie hoeft niet conform deze verordening te worden toegepast indien het gaat om reeds lopende uitvoeringstrajecten of evaluatietrajecten. Ook kleine wijzigingen van beleid zijn uitgezonderd van inwonersparticipatie. Tweede lid Afweging uitzonderingen Onder b Kwetsbare groepen De provincie vertegenwoordigt de hele Brabantse gemeenschap en maakt afwegingen in het belang van die gemeenschap. Dat betekent dat het algemeen belang van participatie steeds moet worden afgewogen tegen het bijzondere belang van andere ingezetenen die zich in een afhankelijke, kwetsbare of minder weerbare positie bevinden. Het gaat daarbij om situaties waarin belangen van die ingezetenen zodanig in het geding zijn dat zorgvuldige, beschermende besluitvorming voorrang heeft boven een open participatieproces. Hierbij kan worden gedacht aan omstandigheden waarin de veiligheid, gezondheid, bestaanszekerheid of persoonlijke levenssfeer van die ingezetenen onder druk staat. Onder d Meerwaarde Hierbij kan gedacht worden aan trajecten waarbij de informatie reeds op andere wijze is verkregen, aan onderwerpen die zeer technisch-administratief van aard of weinig impactvol zijn, aan interne evaluaties, of aan trajecten waarin de beïnvloedingsruimte dermate klein is dat schijnparticipatie op de loer ligt. Artikel 1.4 Vormen inwonersparticipatie Onder a Informeren Bij inwonersparticipatie in de vorm van informeren kan worden gedacht aan: a.publicatie in het Provinciaal Blad; b.een website; c.een nieuwsbrief; d.sociale media; e.een (advertentie)campagne; f.een podcast; g.een webinar; h.een persbericht. Onder b Raadplegen Raadplegen kan plaatsvinden door de wettelijke vorm “inspraak”, maar raadplegen kan ook op andere wijze worden vormgegeven. Bij inwonersparticipatie in de vorm van raadplegen op andere wijze dan via formele inspraak kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende instrumenten: a.sociale media; b.een enquête; c.een internetconsultatie; d.een festival, markt of tentoonstelling; e.een inspraakbijeenkomst; of f.een straatgesprek. Onder c Adviseren Bij inwonersparticipatie in de vorm van adviseren kan gedacht worden aan participatie via bijvoorbeeld: a.een focusgroep; b.een expertmeeting; c.een adviesraad; d.een stakeholdersbijeenkomst; of e.een inwonersavond. Onder d Coproduceren Bij inwonersparticipatie in de vorm van coproduceren kan bijvoorbeeld worden gedacht aan instrumenten als: a.een proeftuin; b.een ontwerpatelier; c.een workshop; d.een hackathon; of e.design thinking. Onder e Meebeslissen Instrumenten bij inwonersparticipatie in de vorm van meebeslissen kunnen bijvoorbeeld zijn: a.een burgerberaad; b.een stuurgroep; c.een buurtbudget; of d.een consortium. Tweede lid Raadplegen door inspraak Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning hebben ervoor gekozen om bij raadplegen in de vorm van inspraak ingezetenen en belanghebbenden op grond van artikel 147, tweede lid, van de Provinciewet, te betrekken door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.5 Keuze participatievorm en participatieaanpak Eerste lid Gewenste participatievorm Participatie kan worden toegepast bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van provinciaal beleid van alle drie de provinciale bestuursorganen, Gedeputeerde Staten, Provinciale Staten en de Commissaris van de Koning. Bij elk participatieproces stelt het bevoegde bestuursorgaan de gewenste participatievorm vast. Besluiten van Provinciale Staten worden in beginsel voorbereid en uitgevoerd door Gedeputeerde Staten (artikel 158, eerste lid, aanhef en onder b van de Provinciewet). In dat kader zijn Gedeputeerde Staten verantwoordelijk voor participatie bij besluiten van Provinciale Staten, waaronder ook de afweging of participatie een bijdrage levert. Tweede lid Participatieaanpak Indien de participatie verder gaat dan de vorm “informeren” dient een participatieaanpak te worden opgesteld waarin verschillende aspecten van het participatieproces worden omschreven. De participatieaanpak is in beginsel vormvrij. Derde lid Inhoud participatieaanpak Onder f Inrichting De inrichting heeft betrekking op de fases en de rollen in het participatieproces. Onder g Communicatie In de participatieaanpak dient te worden ingegaan op welke wijze en op welke momenten gedurende het participatieproces terugkoppeling wordt gegeven aan de deelnemers over het verloop van het participatieproces. Vierde en vijfde lid Jongerenparticipatie De provincie vindt dat het perspectief van jongeren een waardevolle bijdrage kan leveren aan toekomstgerichte provinciale opgaven. Bovendien kan nieuw provinciaal beleid gevolgen hebben voor de leefwereld van toekomstige generaties. In die gevallen wil de provincie daarom jongeren expliciet betrekken bij participatietrajecten. Daarbij richt de provincie zich op jongeren in de leeftijd van 16 tot en met 29 jaar, conform de Brabantse aanpak jongerenparticipatie. Artikel 1.6 Verslag van de participatie Tweede lid Verplichte onderdelen verslag Onder b Zakelijke weergave Het verslag hoeft niet gedetailleerd de inbreng van elke deelnemer weer te geven, een verslag op hoofdlijnen is voldoende. Artikel 1.7 Participatie experimenten Eerste lid Vernieuwende participatie-instrumenten Door te experimenteren met innovatieve (digitale) participatie-instrumenten beoogt de provincie de afstand tussen bestuur en samenleving te verkleinen en betrokkenheid te vergroten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hybride (fysiek én online) bijeenkomsten en het combineren van verschillende instrumenten. Paragraaf 2 Overheidsparticipatie Artikel 2.2 Vormen overheidsparticipatie Overheidsparticipatie kan verschillende vormen aannemen, afhankelijk van de aard van het initiatief en de mate waarin de provincie betrokken blijft. Artikel 2.4 Wanneer overheidsparticipatie Tweede lid, onder b Bij wet opgedragen taak Het uitdaagrecht kan dus geen betrekking hebben op taken die ingevolge de Provinciewet aan Gedeputeerde Staten zijn opgedragen. Bedoeld is de specifieke wet waarin de taken aan Gedeputeerde Staten zijn opgedragen. In het kader van de uitvoering van die provinciale taken worden beslissingen genomen en handelingen verricht. Voor zover daarbij belangen van ingezetenen in het geding zijn, gebeurt dit volgens in die specifieke wet vastgelegde procedures die met waarborgen zijn omkleed. Daarbij gaat het om regels en beginselen omtrent transparantie, zorgvuldigheid en motivering, publieke verantwoording en rechtsbescherming. De overdracht mag hiermee niet in strijd zijn. Artikel 2.5 Uitzonderingen uitdaagrecht Onder b Strijd met andere wettelijke voorschriften In de Provinciewet is reeds in artikel 147, derde lid, opgenomen dat een verzoek om overdracht van taken niet in strijd mag zijn met de specifieke wet, waarin die bevoegdheid van Gedeputeerde Staten is geregeld. Maar de provincie is bij de uitvoering van taken ook aan andere wettelijke regels op terreinen zoals arbeidsomstandigheden, aanbesteding, aansprakelijkheid en staatssteun gebonden. Het uitdaagrecht mag ook geen doorkruising opleveren van die regels. Artikel 2.6 Voorwaarden uitdaagrecht Onder b Meerwaarde Met meerwaarde wordt bijvoorbeeld bedoeld dat de taak door de overdracht beter kan worden uitgevoerd, zodat deze meer maatschappelijke impact oplevert in de provincie Noord-Brabant. Of dat de taak slimmer kan worden uitgevoerd, zodat deze minder capaciteit kost van de provincie Noord-Brabant of goedkoper, zodat deze een kostenbesparing oplevert voor de provincie Noord-Brabant. Dit kan gemotiveerd worden met een financiële onderbouwing. Onder d Maatschappelijk draagvlak Gedeputeerde Staten vinden het van belang dat er brede maatschappelijke steun is voor de overdracht en dat de indiener in dat kader zoveel mogelijk samenwerkt met andere ingezetenen of maatschappelijke partijen, eventueel verenigd in een speciaal daartoe opgerichte stichting of vereniging. Artikel 2.9 Afhandeling uitdaagrecht Besluiten tot het afwijzen of toewijzen van een verzoek om gebruik te maken van het uitdaagrecht zijn te beschouwen als besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar bij Gedeputeerde Staten en beroep bij de rechter open staat. Paragraaf 3 Inwonersvoorstel Artikel 3.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf is het begrip inwonersvoorstel gehanteerd voor de mogelijkheid dat inwoners eigen voorstellen en onderwerpen op de agenda van Provinciale Staten kunnen plaatsen. Artikel 3.2 Wanneer inwonersvoorstel In dit artikel is omschreven wanneer een inwonersvoorstel kan worden ingediend bij Provinciale Staten. Enkel ingezetenen van de provincie Noord-Brabant kunnen een inwonersvoorstel indienen. Om de jeugd meer te betrekken bij de provinciale politiek, is de leeftijdsgrens om een inwonersvoorstel in te dienen gesteld op 16 jaar. Artikel 3.3 Uitzonderingen inwonersvoorstel Voorkomen moet worden dat het inwonersvoorstel andere procedures zoals de bezwaar- of de klachtprocedure doorkruist. Hiervoor staan voor de inwoners andere wegen open. Het is weinig efficiënt om Provinciale Staten te belasten met de beraadslaging over een onderwerp waarover Provinciale Staten uiteindelijk geen beslissende bevoegdheid hebben. Daar komt bij dat de afstand tussen inwoners en bestuur alleen maar zou worden vergroot als de agenderingsgerechtigde na het doorlopen van de procedure te horen krijgt dat Provinciale Staten niets met het verzoek kunnen doen, ‘omdat zij er niet over gaan.’ Bovendien volgt uit artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht, dat Provinciale Staten in deze situatie verplicht zijn een verzoek tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onmiddellijk aan dat orgaan door te sturen en hierover de afzender te informeren. Dit kan uiteraard ook de Commissaris van de Koning of Gedeputeerde Staten betreffen. En anders wordt het verzoek teruggestuurd naar de afzender. Artikel 3.4 Voorwaarden inwonersvoorstel Het inwonersvoorstel biedt inwoners de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de agenda van Provinciale Staten. Het is daarom een uitzondering op de regel dat Provinciale Staten hun eigen agenda bepalen. Dit is alleen gerechtvaardigd als een voorstel daadwerkelijk door een bepaald gedeelte van de bevolking wordt gedragen. Om die reden is de keuze voor een ondergrens van 5.000 agenderingsgerechtigden gemaakt. Het is evenmin de bedoeling dat zaken die recent nog in een plenaire vergadering van Provinciale Staten aan de orde zijn geweest opnieuw onderwerp van bespreking worden als gevolg van een inwonersvoorstel. Dit zou de besluitvorming in Provinciale Staten te zeer kunnen frustreren. Artikel 3.5 Vereisten indiening inwonersvoorstel Aan het inwonersvoorstel wordt een aantal minimumvereisten gesteld. Om uniformiteit, overzichtelijkheid en duidelijkheid te waarborgen, moet indiening van een inwonersvoorstel plaatsvinden door middel van een daartoe door Provinciale Staten vastgesteld formulier. Dit formulier is opvraagbaar bij de griffie. Daarnaast is het formulier digitaal beschikbaar op de website van de provincie. Op dit formulier moet de indiener van het voorstel naast het onderwerp plus toelichting, in ieder geval zijn personalia aangeven. Ook degenen die het inwonersvoorstel ondersteunen, moeten vermeld worden. Om na te kunnen gaan of dezen ook voldoen aan de vereisten voor het agenderingsgerechtigd zijn, wordt gevraagd naar hun personalia. Op grond van deze gegevens kan de provincie onderzoeken of het inwonersvoorstel de steun van voldoende daartoe gerechtigde personen heeft. Daartoe wordt ook het Burgerservicenummer gevraagd. Een daartoe door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld autorisatiebesluit verschaft de wettelijke grondslag voor deze uitvraag. Wordt gebruik gemaakt van een formulier en lijst op papier, dan dient de indiener van het voorstel en degenen die dit voorstel ondersteunen hun handtekening te plaatsen op het formulier. In geval van digitale indiening en ondersteuning, vindt elektronische ondertekening plaatst door middel van gebruik van DigiD. Artikel 3.6 Mandaat griffier Om praktische redenen is ervoor gekozen de griffier mandaat te verlenen tot het namens Provinciale Staten nemen van bepaalde besluiten in de aanloop naar de feitelijke behandeling door Provinciale Staten. Het mandaat ziet op het besluit tot het buiten behandeling laten van het inwonersvoorstel, indien niet is voldaan aan de formele indieningsvereisten van artikel 3.5. Op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een dergelijk besluit pas worden genomen nadat de indiener van het verzoek in de gelegenheid is gesteld het verzoek binnen een daartoe gestelde termijn aan te vullen. Dit mandaat heeft ook betrekking op een besluit tot het buiten behandeling laten van het verzoek indien sprake is van een uitzondering opgenomen in artikel 3.3. Hoewel op grond van het verleende mandaat de feitelijke bevoegdheidsuitoefening komt te liggen bij de griffier, blijven Provinciale Staten ook zelf bevoegd om deze besluiten te nemen. Ook kan de griffier in een concreet geval besluiten geen gebruik te maken van het aan hem verleende mandaat en aansturen op besluitvorming door Provinciale Staten zelf. De besluiten zijn te beschouwen als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar bij Provinciale Staten en beroep bij de rechter open staat. Artikel 3.7 Agendering De griffier draagt zorg voor het opstellen van een advies over de geldigheid van het inwonersvoorstel en voor het doorzenden van het advies aan het presidium. Deze rol van de griffier ligt voor de hand gezien zijn rol in het voortraject en de mandaten die daarbij aan hem zijn verleend. Indien is voldaan aan de formele indieningsvereisten, bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.5, en de griffier geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling laten van het voorstel, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, wordt via het presidium het inwonersvoorstel met inbegrip van het advies van de griffier geagendeerd voor de vergadering van Provinciale Staten. Als het inwonersvoorstel door Provinciale Staten moet worden afgewezen op grond van de artikelen 3.2 en 3.4, en dus niet voor inhoudelijke behandeling op de agenda van Provinciale Staten wordt geplaatst, wordt de indiener van het verzoek hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Ook dit is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar en beroep open staat. Artikel 3.8 Inhoudelijke behandeling en besluitvorming Indien het inwonersvoorstel wordt geagendeerd voor inhoudelijke bespreking dan wordt de indiener van het verzoek hiervan op de hoogte gesteld door de voorzitter van Provinciale Staten en tevens wordt de indiener van het verzoek uitgenodigd om het voorstel in de vergadering te komen toelichten. Aan de beraadslaging wordt door hem niet deelgenomen. Voor de inhoudelijke bespreking is het Reglement van orde Provinciale Staten Noord-Brabant 2020 van toepassing. Overeenkomstig dit reglement van orde kan – door tussenkomst van de agendavergadering – ook worden besloten om voorafgaand aan de behandeling in Provinciale Staten het desbetreffende onderwerp te agenderen voor een themabijeenkomst. Artikel 3.9 Bekendmaking besluit Op het moment dat het besluit van Provinciale Staten tot inhoudelijke bespreking aan indiener bekend wordt gemaakt, worden tevens de vervolgstappen aan indiener bekendgemaakt. Artikel 4.2 Evaluatie De vorm en inhoud van een evaluatieverslag zijn vrij. Mogelijkheden zijn een apart verslag, een rapportage in de begrotingstoelichting, een beleidsnota of een onderdeel van de toelichting bij een wijzigingsverordening. Voor evaluatie komen onder andere in aanmerking de mate van verwezenlijking van de doelstellingen, de neveneffecten, de evenredigheid, de subsidiariteit, de uitvoerbaarheid, de handhaafbaarheid, afstemming op andere regelingen, de eenvoud, duidelijkheid en toegankelijkheid. Maar het kan ook gaan om een procesmatige evaluatie, waarbij het vooral technische, juridische en procedurele aspecten betreft. ’s-Hertogenbosch, 3 juli 2026 Provinciale Staten van Noord-Brabant, de voorzitter, mr. I.R. Adema de griffier, drs. A.E.T. Wepster Msc
Meer informatie