Duister gezelschap zoekt het licht,gespannen blikken zijn gerichtop lakenwit, een felle lamp valtop en lokt een eerste vedermot. Met het klein en groot avondroodis de nacht pas echt begonnen. Er vliegt een huismoeder voorbij,de ringspikkelspanner, een koperuil,het vogelwiekje en een tijger, wit. Flitsend worden zij vastgelegd,een voor een hun soort gezegd. Wie al die namen heeft bedacht,komt in dit donker niet aan het licht,wel al de pracht die overdagvoor het merendeel verborgen is. Fiet van Beek. eilanddichter