---
title: "Beleidsregels rechtmatigheid bijstandsuitkering 2026 gemeente Dongen | OmgevingsAlert"
description: "Mededelingen in jouw buurt: Beleidsregels rechtmatigheid bijstandsuitkering 2026 gemeente Dongen. Bekendgemaakt op 6 november 2026. Bekijk de details, de…"
canonical_url: "https://www.omgevingsalert.nl/meldingen/9064806-beleidsregels-rechtmatigheid-bijstandsuitkering-2026-gemeente-dongen"
locale: nl
meta:
  "og:description": "Mededelingen in jouw buurt: Beleidsregels rechtmatigheid bijstandsuitkering 2026 gemeente Dongen. Bekendgemaakt op 6 november 2026. Bekijk de details, de…"
  "og:title": "Beleidsregels rechtmatigheid bijstandsuitkering 2026 gemeente Dongen | OmgevingsAlert"
---

# Beleidsregels rechtmatigheid bijstandsuitkering 2026 gemeente Dongen

MededelingenBekendgemaakt op 6 november 2026

[Deel op X](https://x.com/intent/tweet?url=https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9064806-beleidsregels-rechtmatigheid-bijstandsuitkering-2026-gemeente-dongen&text=Beleidsregels%20rechtmatigheid%20bijstandsuitkering%202026%20gemeente%20Dongen) [Deel op Facebook](https://www.facebook.com/sharer/sharer.php?u=https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9064806-beleidsregels-rechtmatigheid-bijstandsuitkering-2026-gemeente-dongen) [Deel via WhatsApp](https://wa.me/?text=Beleidsregels%20rechtmatigheid%20bijstandsuitkering%202026%20gemeente%20Dongen%20https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9064806-beleidsregels-rechtmatigheid-bijstandsuitkering-2026-gemeente-dongen) [Deel op LinkedIn](https://www.linkedin.com/sharing/share-offsite/?url=https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9064806-beleidsregels-rechtmatigheid-bijstandsuitkering-2026-gemeente-dongen)

Locatie

SoortMededelingen

Gepubliceerd op6 november 2026

Gepubliceerd doorGemeente Dongen

Beleidsregels rechtmatigheid bijstandsuitkering 2026 gemeente Dongen Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen; gelet op: •titel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht; •artikel 160 lid 1 onder a Gemeentewet; •De Participatiewet in balans, spoor 1. overwegende dat: Het wenselijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot rechten en plichten verbonden aan het ontvangen van een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) of het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) (waar het gaat om de regels m.b.t. handhaving). Besluit vast te stellen de Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Dongen. Hoofdstuk 1 Begrippen Artikel 1. Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening Pw, IOAW, IOAZ en Bbz 2024 gemeente Dongen. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a.Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. b.Bijstandsuitkering: een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ; c.Commerciële kamerbewoner: een persoon die een kamer huurt op commerciële basis, en die niet een bloedverwant is in de eerste of tweede graad van de hoofdbewoner. Van huren op commerciële basis is sprake als de woonsituatie voldoet aan het volgende: i.er is sprake van huur op contractbasis; en ii.er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële (huur)prijs; en iii.het te huren deel van de woning is al dan niet samen met gemeenschappelijke ruimtes geschikt voor zelfstandige bewoning; en iv.de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres. d.Commerciële kostganger: een persoon die op commerciële basis inwoont, en die niet een bloedverwant is in de eerste en tweede graad en ook bij de verhuurder de maaltijden gebruikt. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende: i.er is sprake van vergoeding op contractbasis; en ii.er is sprake van een commerciële relatie, wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs; en iii.de woning is geschikt voor inwoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand; en iv.de kostganger staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres. e.Commerciële prijs: hiervan is sprake als de huur, exclusief onder andere servicekosten, of vergoeding hoger is dan de basishuur zoals gebruikt bij de huurtoeslag. f.Gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, onderdeel b, Pw. g.Gift: een gift zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet. h.Hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van een woning en die in dezelfde woning hoofdverblijf heeft. i.Kwetsbare jongere: persoon jonger dan 27 jaar zoals opgenomen in artikel 41 lid 4 van de wet aangevuld met de jongere die: •In een inrichting verblijft of recht heeft op opvang als bedoeld in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2025 (WMO 2015). •studietoeslag op grond van artikel 36b Pw ontvangen heeft; •vanwege een andere reden aangemerkt kan worden als kwetsbaar. j.Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a Pw. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. Personen jonger dan 27 jaar tellen niet mee als kostendeler. k.Mantelzorg: van mantelzorg is sprake als onbetaalde ondersteuning wordt verleend aan een hulpbehoevende met een aantoonbare zorgbehoefte, waarbij deze zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; l.Participatiewet: Pw; m.Terugwerkende kracht: een bijstandsuitkering wordt toegekend per datum melding, tenzij er redenen zijn om de uitkering eerder in te laten gaan wegens bijzondere of individuele omstandigheden. Dan kan mogelijk de uitkering eerder in gaan. n.Vermogen: het totaal aan bezittingen minus schulden zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet. o.Vermogensvrijlatingsgrens: het bedrag aan vermogen dat volgens de wet buiten beschouwing blijft. p.Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Pw. q.Woonkosten: i.als sprake is van bewoning van een huurwoning: de per maand geldende huurprijs, zoals gebruikt voor de huurtoeslag; ii.als sprake is van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en- aflossing met inbegrip van eventueel ter zake van de hypotheek verplichte verzekeringen, inleggen of premies en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. r.Woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte waarin de belanghebbende woont, zoals energiekosten, water et cetera. s.Zorgbehoefte: Van een zorgbehoefte zoals bedoeld in lid 2 onder k van dit artikel is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis: i.In aanmerking komt voor opname in een WLZ-instelling (een indicatie ZZP 5, 6 of 7); en ii.Duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; of iii.Duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen. Hoofdstuk 2 De aanvraag. Artikel 2. Verkorte aanvraag 1.Wanneer iemand binnen zes maanden na beëindigingsdatum van de bijstandsuitkering een aanvraag doet, wordt er een verkorte aanvraagprocedure gestart, tenzij: a.De voorgaande bijstandsuitkering is beëindigd in verband met de schending inlichtingenplicht. b.Er bijzonderheden en/of wijzigingen worden geconstateerd waardoor een verkorte aanvraagprocedure niet mogelijk is. 2.Het college onderzoekt bij een dergelijke nieuwe aanvraag nog de volgende gegevens: a.Bankafschriften over één maand voorafgaand aan de aanvraag. b.Inkomensspecificatie van de maand voorafgaand aan de aanvraag (indien van toepassing). c.Andere relevante informatie die nodig is om het recht op bijstand vast te stellen i.v.m. gewijzigde omstandigheden. Artikel 3. Terugwerkende kracht 1.In afwijking van artikel 44, eerste lid, PW en artikel 16a, eerste lid, IOAW of IOAZ kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, als individuele omstandigheden hiertoe noodzaken en er sprake is van een niet-verwijtbare te late melding. 2.In de volgende situaties acht het college het in ieder geval noodzakelijk om bijstand met terugwerkende kracht te beoordelen: a.Er was sprake van een crisissituatie of echtscheiding in de periode drie maanden voorgaand aan de melding. b.Er is sprake van individuele omstandigheden als het in de persoonlijke situatie van de aanvrager onwenselijk is schulden te maken of verder op te bouwen. c.Wanneer een instantie een aanvraag voor een voorliggende voorziening heeft afgewezen binnen de periode van 3 maanden voorafgaand aan de melding, en dat de reden is van de te late melding. 3.Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat er over de periode van de terugwerkende kracht al recht op bijstand bestond en ook het bestaan van bijzondere dan wel individuele omstandigheden die de te late melding verklaren. 4.Het college bepaalt of de bijzondere dan wel individuele omstandigheden van dusdanige aard zijn dat het noodzakelijk is om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Artikel 4. Zoektermijn jongeren 1.Voor een jongere tot 27 jaar, niet zijnde kwetsbaar zoals gedefinieerd in artikel 41 lid 4 Pw en artikel 1 lid 2 sub i van deze beleidsregels, die zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering, geldt de eerste vier weken wettelijk de inspanningsverplichting om: a.Zijn of haar mogelijkheden tot het terugkeren naar school te onderzoeken en zich voor een opleiding aan te melden, of, de mogelijkheden met betrekking tot arbeid te onderzoeken en te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid. 2.De inspanningsverplichting als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing vanwege andere zwaarwegende redenen in de individuele situatie van de jongere kan worden aangemerkt als kwetsbaar. Hoofdstuk 3 Vaststellen recht op bijstand. Artikel 5. Bewijsstukken 1.Het college vraagt bij een bijstandsaanvraag alleen die informatie op, waar het college niet zelf uit de systemen kan beschikken én die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen; 2.Een belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het overleggen van eventuele aanvullende noodzakelijke en opgevraagde informatie en gegevens bij een aanvraag voor bijstand; 3.Wanneer deze gegevens niet meer in het bezit zijn, moet belanghebbende zorgen voor vervangende exemplaren; 4.Als een belanghebbende geen vervangende exemplaren kan overleggen, beoordeelt het college of dat verwijtbaar is; 5.Als het niet kunnen overleggen van gegevens niet verwijtbaar is, beoordeelt het college de aanvraag aan de hand van de wel aanwezige gegevens. Artikel 6. Bankafschriften 1.Bij onderzoeken naar het recht op uitkering vraagt het college in beginsel bankafschriften op over de laatste drie maanden voorafgaand aan de start van de onderzoeken. 2.Het is mogelijk om afschriften op te vragen over een langere periode wanneer daartoe concrete aanleiding bestaat. Artikel 7. Vermogen 1.De gemeente beoordeelt het recht op bijstand op basis van het daadwerkelijke vermogen van de aanvrager. Hierbij houdt de gemeente alleen rekening met direct opeisbare schulden. 2.Alleen het vermogen boven de vermogensvrijlatingsgrens zoals opgenomen in artikel 34 lid 3 Pw wordt in aanmerking genomen. 3.Bij twijfel of onduidelijkheid over het vermogen of bij aanwijzingen dat het vermogen boven de vrijlatingsgrens uitkomt wordt nader onderzoek ingesteld. 4.De gemeente maakt gebruik van gegevensuitwisseling met andere instanties waar mogelijk. Artikel 8. Vaststelling van het vermogen 1.Bij de vaststelling van het vermogen zoals bepaald in artikel 34 Pw laat het college auto’s en motoren die ouder zijn dan 10 jaar buiten beschouwing, tenzij het een auto of motor betreft met een bijzondere dagwaarde. 2.Bij het bepalen van de waarde van auto’s en motoren jonger dan 10 jaar of die met een bijzondere dagwaarde, hanteren we de dagwaarde (vervanging bij total loss) van de Koerslijst ANWB of als dat niet mogelijk is, van een taxatie voor de verzekering. 3.Bij de auto’s en motoren die tot het vermogen worden gerekend, hanteren we een vrijlating van € 3.000 in totaal. 4.De vrijlating zoals bedoeld in lid 3 van dit artikel geldt niet voor boten, caravans of campers. 5.Van het bij de aanvraag om bijstand aanwezige saldo op de betaalrekeningen wordt een bedrag van 1 maal de van toepassing zijnde norm (exclusief vakantietoeslag) niet meegerekend tot het vermogen 6.De waarde van een uitvaartverzekering wordt niet meegenomen, ook niet als deze afkoopbaar is. 7.Bij co-ouderschap wordt de vermogensgrens bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder (artikel 34 lid 3 Pw); Artikel 9. Informatieverstrekking tijdens de uitkering 1.De belanghebbende dient informatie, die relevant kan zijn voor het recht op uitkering (indien mogelijk) te verstrekken binnen vijf werkdagen gerekend vanaf het moment waarop het relevante feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan. Indien sprake is van inkomsten uit arbeid en belanghebbende een verplichting heeft om maandelijks een inkomstenverklaring (IV) in te leveren dienen deze inkomsten uiterlijk op de uiterste inleverdatum van de eerstvolgende IV opgegeven te worden. 2.Mensen die niet werken kunnen wijzigingen doorgeven via het hiervoor beschikbaar gestelde wijzigingsformulier, digitaal of op papier. Artikel 10. Giften 1.Een gift of kostenbesparing, in geld of natura, wordt ter hoogte van het bedrag als genoemd in artikel 31 tweede lid, onder m van de wet vrijgelaten. 2.In het geval dat de gift in natura is verstrekt, wordt de waarde van deze gift vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering. 3.De gift in natura wordt vrijgelaten ter hoogte van het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onder m van de wet. Het meerdere wordt beoordeeld op basis van lid 4 van dit artikel. 4.Bij een overschrijding van het vrijlatingsbedrag als bepaald in artikel 31 tweede lid, onder m van de wet, kan de gift worden vrijgelaten als dit vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord wordt geacht. Daarvan is sprake als de gift: a.Wordt besteed aan een doel dat binnen de bijstandsverlening door het college als verantwoord wordt geacht. b.Onder (lid a) het specifieke doel valt in ieder geval een auto waarvan het vermogen op grond van gemeentelijke beleid wordt vrijgelaten. 5.Bij een overschrijding van het vrijlatingsbedrag als bepaald in artikel 31 tweede lid, onder m van de wet worden vrij besteedbare giften worden niet vrijgelaten. 6.Niet vrij te laten giften worden op basis van de geldende regelgeving aangemerkt als vermogen of inkomen. 7.Bij het bepalen of er sprake is van inkomen of vermogen zijn eerder ontvangen giften in het kalenderjaar relevant voor de beoordeling. Artikel 11. Schadevergoeding 1.De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als inkomen of vermogen aangemerkt. 2.Een schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen in verband met arbeid voor de periode waarop de vergoeding toeziet. 3.Een schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor immateriële schade die valt onder de uitzonderingen van artikel 31 lid 2 sub l wordt niet tot het vermogen gerekend. 4.Immateriële schadevergoedingen, die niet vallen onder de bepaling zoals opgenomen in lid 3 van dit artikel worden vrijgelaten tot een bedrag ter hoogte van het vrij te laten vermogen voor alleenstaande ouders/echtparen. Als een immateriële schadevergoeding dit bedrag overschrijdt, dan beoordelen we op basis van de individuele omstandigheden of het redelijk is om 2/3 deel van de overschrijding tot het vermogen te rekenen. We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie. 5.Vergoedingen op grond van de 'regeling tegemoetkoming Chroom6' worden beschouwd als vergoedingen die op grond van artikel 31 lid 2 sub m Pw niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend. Artikel 12. Criteria voor het verlagen van de norm 1.De bepalingen in dit artikel gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De verlaging van de uitkering in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 Pw bedraagt: a.10% van de gehuwdennorm, als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten of woonlasten verschuldigd is; b.20% van de gehuwdennorm als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten en geen woonlasten verschuldigd is; 2.Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op belanghebbenden waarop de kostendelersnorm van toepassing is. 3.Het college verlaagt de uitkering niet als er sprake is van commerciële kamerbewoner of een commerciële kostganger. Artikel 13. Inkomsten uit commerciële verhuur en commercieel kostgangerschap 1.De bepalingen in dit artikel gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die een bijstandsuitkering op grond van de Pw ontvangen. 2.Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(s) of commerciële kostganger(s) dan brengt het college het ontvangen huurbedrag en/of kostgeld, minus de gemiste huurtoeslag en een forfaitair bedrag van € 100 (kamer verhuur) en € 150 (kostganger) per maand als inkomen in mindering op de uitkering. 3.Belanghebbende toont het in het eerste lid van dit artikel genoemde aan door de volgende gegevens in te leveren: a.een huurovereenkomst of kostgangersovereenkomst; en b.bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de huurder of kostganger de gevraagde prijs daadwerkelijk betaalt. c.een beschikking huurtoeslag. Artikel 14. Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm ter voorkoming dakloosheid 1.Wanneer een hoofdbewoner met een bijstandsuitkering iemand tijdelijk onderdak biedt vanwege een acute noodzaak tot huisvesting, ter voorkoming van dakloosheid dan wordt de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner tijdelijk buiten toepassing gelaten. 2.De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om andere woonruimte te vinden. Wanneer de duur op voorhand bekend is, dan kan het college besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen. 3.Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning. 4.De kostendelersnorm wordt in beginsel ook niet buiten beschouwing gelaten als iemand, na tijdelijk verblijf in een instelling dan wel detentie, terugkeert op het adres waar deze persoon hiervoor woonachtig was. Artikel 15. Recht op jongerentoeslag 1.Het is aannemelijk dat een jongere voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders als deze: a.aantoonbaar niet thuis kan wonen bij de ouder(s) en b.de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of c.deze persoon redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken. 2.De aanvullende norm kan verhoogd worden op grond van artikel 18 (afstemming) als sprake is van individueel noodzakelijk hogere algemene kosten van bestaan dan waarin de samengestelde normen o.g.v. artikel 20 Pw voorzien. 3.De totale uitkering voor jongeren kan nooit hoger zijn dan de norm voor 21 jaar en ouder of het wettelijk minimum jeugdloon dat geldt voor de betreffende jongere. Hoofdstuk 4. Slotbepaling Artikel 16. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 17. Intrekking oude beleidsregels en overgangsrecht 1.De artikelen 3.11 tot en met 3.17 en de artikelen 7.1 tot en met 7.3 van het 'Verzamelbesluit beleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2018' (CVDR621993), vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, geldend vanaf 2 maart 2019, worden ingetrokken. 2.De beleidsregels Vrijlating giften Participatiewet 2024 Gemeente Dongen worden ingetrokken. 3.Op aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels en waarop nog niet is beslist, blijven de beleidsregels zoals genoemd in het eerste lid van toepassing, tenzij de nieuwe beleidsregels voor de aanvrager gunstiger zijn. 4.Op besluiten die zijn genomen op grond van de beleidsregels zoals genoemd in het eerste lid, blijven de daarop van toepassing zijnde bepalingen van kracht. Artikel 18. Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleidsregels rechtmatigheid bijstandsuitkering 2026 gemeente Dongen'. Artikel 19. Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026 Aldus vastgesteld op 22 september 2026. Het college van burgemeesters en wethouders van Dongen. Toelichting In december 2018 zijn de beleidsregels met betrekking tot de rechtmatigheid binnen de Participatiewet vastgesteld en opgenomen in de Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, behorend bij de Verzamelverordening 2017. Deze verordening is inmiddels vervallen en vervangen door de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW/IOAZ en Bbz 2024 Gemeente Dongen. In verband met de invoering van de Participatiewet in balans (hierna: Pw in balans), spoor 1, fase 1, is het noodzakelijk de beleidsregels aan te passen. Daarbij is ervoor gekozen de bestaande verzamelbeleidsregels Participatiewet te splitsen in afzonderlijke, thematische beleidsregels, om juridische, uitvoerings- en bestuurlijke redenen. Door deze splitsing wordt het beleid beter herleidbaar tot de wettelijke grondslagen van de Participatiewet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit versterkt de rechtszekerheid voor inwoners en vergroot de juridische houdbaarheid van besluiten. Daarnaast maakt deze werkwijze het mogelijk om beleidsregels gericht en efficiënt te actualiseren bij wetswijzigingen of nieuwe jurisprudentie, zonder dat ongewijzigde onderdelen opnieuw hoeven te worden vastgesteld. Voor de uitvoering leidt de splitsing tot meer duidelijkheid en consistentie in de toepassing van het beleid. Ook wordt het beleid beter toegankelijk en begrijpelijk voor inwoners. Het splitsen van de verzamelbeleidsregels heeft geen financiële gevolgen en draagt bij aan transparant, uitvoerbaar en juridisch zorgvuldig beleid. De aanpassingen ten aanzien van de rechtmatigheid binnen de Participatiewet zijn verwerkt in de Beleidsregels rechtmatigheid Participatiewet 2026 gemeente Dongen. Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2026. Hierna volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting. Hoofdstuk 1 Begrippen Artikel 1: Begripsomschrijvingen Deze omschrijvingen spreken in principe voor zich. De volgende definities zijn nieuw en relevant voor de Pwet in balans: • Kwetsbare jongere (lid 2 sub i): de wet geeft een aantal voorbeelden van jongeren die in ieder geval als kwetsbaar kunnen worden aangemerkt, en waar de zoektermijn niet op van toepassing is. Deze redenen vullen wij in ieder geval aan met de redenen, zoals genoemd in artikel 1 lid 2 sub i. •In de memorie van toelichting bij de Participatiewet in balans staat een aantal situaties beschreven waarin sprake kan zijn van kwetsbare omstandigheden. Het gaat bijvoorbeeld om jongeren: •die in een inrichting verblijven of recht hebben op opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)5 ; •die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding in een inrichting verbleven of recht hadden op opvang als bedoeld in de Wmo 2015; •die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in de Jeugdwet; Denk aan een beschermde woonplek of maatschappelijke opvang. •voor wie uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel gold die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in de Jeugdwet; en •die niet zijn ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen of die zonder woonadres, maar met een briefadres zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. Deze opsomming is niet limitatief, maar een indicatie voor ‘kwetsbaar’, waarbij de zoektermijn niet effectief kan zijn als instrument naar werk. • Mantelzorg en zorgbehoefte. De definitief ziet in deze beleidsregels vooral op het tijdelijk en noodzakelijk moeten delen van een woning vanwege een zorgbehoefte. Om het opvangen van mensen vanwege een aantoonbare zorgbehoefte tijdelijk mogelijk te maken, heeft de wetgever de Pwet hierop aangepast. Deze intentie bepaalt mede de definitie. De aanwezigheid van een zorgbehoefte bij één van de bewoners die de aanleiding is voor het samenwonen is het belangrijkste criterium in de context van deze beleidsregels. De uitzondering geldt voor de periode dat de zorg wordt verleend en uitsluitend wanneer de zorgbehoefte aanleiding is voor het samenwonen. De uitzondering geldt dus niet wanneer mensen al langer samenwonen en zorg dragen voor elkaar en er gaandeweg in de tijd of plotseling een zorgbehoefte ontstaat. De zorgbehoefte is dan immers niet de aanleiding voor het samenwonen als iemand permanent voor een inwonende partner of kind zorgt, dan is dit wel mantelzorg, maar niet voor de toepassing van de kostendelersnorm of de norm gehuwden. Hoofdstuk 2 De aanvraag Artikel 3. Verkorte aanvraag: De wetgever wil gemeenten ruimte geven om gebruik te maken van al bij de gemeente bekende gegevens als iemand eerder een uitkering bij dezelfde gemeente heeft ontvangen. De wetgever noemt hierbij een maximale termijn van twaalf maanden. We kennen in Dongen al een verkorte procedure wanneer iemand korter dan zes maanden voor de nieuwe aanvraag is uitgestroomd vanwege werkaanvaarding. Reden hiervoor is tweeledig: •We willen mensen geen drempel laten voelen als ze gaan werken en zo min mogelijk bureaucratie laten ervaren als ze weer een beroep moeten doen op een uitkering en •We hebben gekozen voor de termijn < zes maanden, omdat mensen na zes maanden werken recht hebben op WW. Ook al werken we met een verkorte procedure, we moeten altijd nog relevante informatie opvragen waar we niet via systemen of oude gegevens over kunnen beschikken, zoals informatie over vermogen en einde werk/ reden aanvraag. Deze informatie ligt bij onze inwoners zelf. Om hen niet over te lange tijd te belasten, en omdat bovenstaande redenen nog steeds relevant zijn, handhaven we voor de verkorte procedure zes maanden i.p.v. de maximale twaalf maanden. We beperken deze mogelijkheid niet alleen tot mensen die zijn uitgestroomd vanwege werk, maar ook voor alle andere aanvragen, omdat we daarmee naast onze inwoner ook de uitvoering minder belasten. Ook voor aanvragen die langer geleden zijn of van mensen die nog nooit bijstand in onze gemeente hebben aangevraagd geldt dat we geen gegevens mogen opvragen waarover we vanuit voor ons toegankelijke systemen kunnen beschikken (Wet eenmalige gegevens uitvraag WEU). Dus ook daarbij geldt dat we alleen datgene opvragen bij onze inwoners waar we niet al over kunnen beschikken. Artikel 3. Terugwerkende kracht De wetgever heeft nog steeds als hoofdregel vastgelegd dat de bijstandsuitkering ingaat per datum melding (art. 44 lid 1 Pw). Nieuw is de aanvulling in lid 5 van dit artikel, waarbij gemeenten de ruimte krijgen om bijstand eerder dan datum melding (met terugwerkende kracht) in te laten gaan indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken. Individuele omstandigheden is ruimer dan bijzondere omstandigheden, waarmee de wetgever gemeenten meer ruimte geeft dan voorheen in de jurisprudentie was opgenomen. Hierbij wordt wettelijk deze mogelijkheid van terugwerkende kracht wel beperkt tot drie maanden voor datum melding. Hierbij maken we een onderscheid tussen bijzondere omstandigheden en individuele omstandigheden: Bijzondere omstandigheden: Hiervan is sprake als de te late melding de inwoner niet verweten kan worden, veelal ligt de oorzaak buiten de invloedsfeer van de inwoner. Denk hierbij aan een ziekenhuisopname, te late afwijzing van een andere uitkeringsaanvraag etc. Deze opsomming is niet limitatief. Hiermee wordt voorkomen dat mensen onterecht worden uitgesloten van ondersteuning, en wordt uitvoering gegeven aan de menselijke maat en maatwerk-beginselen. Individuele omstandigheden: Met het inzetten van terugwerkende kracht bij individuele omstandigheden beoogt het college dat de belanghebbende niet onnodig schulden maakt of opbouwt. Er is aandacht voor de persoonlijke situatie van de belanghebbende, waarbij zowel de oorzaken als de gevolgen van de te late melding worden meegewogen. Let op: voor alle situaties geldt het volgende: •Medebepalend voor de duur van de terugwerkende kracht is wanneer het recht op bijstand ontstond. •De belanghebbende moet aantonen dat in de betreffende periode recht op bijstand bestond en de noodzaak en/of omstandigheden voor de te late melding verklaren. •Het college bepaalt of de bijzondere omstandigheden van dusdanige aard zijn om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. Het is belangrijk om de termijn van de terugwerkende kracht beperkt te houden, in principe tot de wettelijke maximale drie maanden. En ook om alert te zijn bij terugwerkende kracht als deze het kalenderjaar overschrijdt. Dit heeft te maken met het fiscale jaar inkomen wat hoger wordt en waardoor mensen mogelijk toeslagen moeten terugbetalen. Als mensen eerder een andere voorziening (IOAW, IOAZ of Bbz) hebben aangevraagd en die is afgewezen, dan geldt de datum melding voor deze regeling ook als datum melding voor de Pwet. Artikel 4. Zoektermijn jongeren Gemeenten krijgen wettelijk de ruimte om de zoektermijn (eerste vier weken na melding voor een uitkering) voor kwetsbare jongeren niet toe te passen. In de wet (art. 41 lid 4 Pw) staat opgenomen wie wettelijk aangemerkt worden als kwetsbaar. Dit vullen we in deze beleidsregels aan met de volgende groepen jongeren: - Die bekend zijn of ondersteund worden door erkende maatschappelijke (zorg)organisaties; of - Studietoeslag op grond van artikel 36b Pw ontvangt of ontvangen hebben De tweede groep met studietoeslag die kennen we zelf vanuit de Pw, de andere groep is veelal bekend bij onze partners, maar daarmee niet automatisch bij Werk & Inkomen. We moeten dit dus navragen bij de jongeren, mogen niet zelf in die systemen kijken. Deze opsomming is niet limitatief. Er blijft ruimte voor maatwerk bij het beoordelen of een jongere aan de zoektermijn kan voldoen. Deze is immers bedoeld als stimulans voor de jongeren die dit kunnen om verder te studeren of om een baan te accepteren. Hoofdstuk 3 Vaststellen recht op bijstand Artikel 5. Bewijsstukken Artikel 53a Pw geeft het college de bevoegdheid te bepalen welke gegevens en bewijsstukken door een belanghebbende verstrekt moeten worden, als het gaat om het bepalen van het recht op, de hoogte van de bijstandsnorm en de voortzetting van de bijstand. Op basis van de WEU mogen we alleen die gegevens opvragen bij onze inwoners, waar we niet zelf over kunnen beschikken vanuit de systemen. Op voorhand is niet aan te geven welke gegevens bij de concrete aanvraag nodig zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering. Dit is afhankelijk van de situatie en de omstandigheden van de belanghebbende (maatwerk). Individueel wordt bepaald welke nadere gegevens noodzakelijk zijn en belanghebbende wordt daarover in ieder geval schriftelijk geïnformeerd. Bij een nieuwe aanvraag van een uitkering geldt wel dat een vast aantal gegevens gevraagd wordt, omdat dit veelal de minimale gegevens betreffen die nodig zijn om een beslissing te kunnen nemen op de uitkeringsaanvraag. Dit artikel geeft een nadere uitwerking van wat van een belanghebbende wordt verwacht als nadere gegevens/bewijsstukken worden opgevraagd. Als gegevens uit onze eigen systemen kunnen worden gehaald, worden ze niet ook nog bij belanghebbende opgevraagd. Artikel 6. Bankafschriften Bij een rechtmatigheidsonderzoek moet belanghebbende een aantal afschriften, of een uitdraai van internetbankieren verstrekken van rekeningen, die bij hem/haar in gebruik zijn of waren. Het gaat hier om afschriften over de laatste drie maanden voor de datum van het onderzoek. Wanneer het voor onderzoek nodig is om afschriften over een periode van langer dan drie maanden te beoordelen, worden over de benodigde langere periode afschriften opgevraagd. De belanghebbende mag de uitgaven op zijn bankafschriften onleesbaar maken. Doorvragen over onleesbaar gemaakte transacties/saldi mag als dat voor de vaststelling van het recht op bijstand nodig is. Artikel 7. Vermogen Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de aanwezige bezittingen verminderd met de aanwezige schulden, zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Dit is niet gewijzigd. Wel is de zgn. ‘staffelmethode’ afgeschaft, welke inhield dat de gemeente bij de aanvang van de uitkering het vermogen op dat moment vaststelde met daarnaast het maximaal ‘vrij te laten vermogen’, d.w.z. de ruimte tussen het wettelijk maximaal vermogen en het daadwerkelijke vermogen. Met de nieuwe regeling, moet bij ieder onderzoek uitgegaan worden van het op dat moment aanwezig vermogen. Vermogensaanwas hoeven inwoners in principe niet meer te melden, tenzij ze hiermee boven het wettelijk vrij te laten vermogen uitkomen. We houden de ruimte om onderzoek te doen naar onduidelijke vermogensaanwas. Maar niet doorgeven van vermogensaanwas, waardoor het totale vermogen onder de wettelijke grens blijft, is geen schending van de inlichtingenplicht. Als mensen vermogen ontvangen dat hoger is dan de wettelijke maximale grens, en ze hebben niet direct opeisbare schulden, dan is het in beginsel niet de bedoeling dat ze deze schulden aflossen. Ze moeten de vermogensaanwas doorgeven en de gemeente onderzoekt of het verantwoord is om eerst de schulden af te lossen of dat ze van het vermogen kunnen leven, totdat het ingeteerd is tot aan de wettelijke vermogensgrens. Hiermee voorkomen we dat er indirect bijstand voor schulden wordt verstrekt. Artikel 8. Vaststelling van het vermogen Auto: In dit artikel staat hoe het college om gaat met het bezit van auto’s en motoren en de waarde hiervan. Hierbij moet opgemerkt worden dat de vrijlating van € 3000 niet per auto gelezen moet worden, maar voor alle auto’s bij elkaar die iemand in bezit kan hebben. Bromfietsen en scooters tellen we niet bij het vermogen. Specificering wijze vaststellen (bepaalde) bezittingen Het college geeft in dit artikel op de volgende onderdelen een nadere invulling op het vaststellen van het vermogen: 1 Vrijlating van vermogen in een auto of motor: als een belanghebbende beschikt over (een) auto(‘s) of motor(en), wordt de waarde van dit vervoermiddel/deze vervoermiddelen tot een bedrag van € 3.000 in totaal buiten beschouwing gelaten. Als de waarde hoger is, dan wordt het meerdere bij het vermogen geteld. Ook auto’s en motoren van ouder dan 10 jaar worden buiten beschouwing gelaten. Uitzondering op laatstgenoemde regel zijn auto’s/motoren met een bijzondere dagwaarde (bijvoorbeeld een oldtimer). Deze regel geldt niet per auto, maar in totaal voor het aantal auto’s wat iemand in bezit kan hebben. 2 De waarde van auto’s/motoren jonger dan 10 jaar of die met een bijzondere dagwaarde is de dagwaarde volgens de Koerslijst ANWB. Als auto’s/motoren niet op de Koerslijst staan kan een dealer of taxateur worden ingeschakeld. 3 Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing voor boten, caravans en campers. De aanwezige dagwaarde telt volledig mee voor de vermogensvaststelling. 4 Vrijlating van saldo lopende rekening(en): Van het saldo wat op het moment van de bijstandsaanvraag op alle lopende rekeningen bij elkaar staat, wordt tot een bedrag van 1,5 de toepasselijke bijstandsnorm niet meegenomen bij de vermogensvaststelling. Met alle lopende rekeningen worden ook de spaarrekeningen of vermogensrekeningen bedoeld. Ook de spaar-/vermogensrekeningen van de ten laste komende kinderen. Wanneer het totaal saldo op alle rekeningen meer bedraagt dan 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm, wordt het meerdere wel als vermogen in aanmerking genomen. 5 Vrijlating van vermogen in een uitvaartverzekering: in een uitvaartverzekering gereserveerde bedragen voor een uitvaart worden volledig buiten beschouwing gelaten bij de vermogensvaststelling, ongeacht de waarde van de uitvaartverzekering. Dit geldt ook voor uitvaartverzekeringen die afkoopbaar zijn. 6 Alle cryptovaluta die iemand bezit tellen mee voor de vaststelling van het vermogen. Co-ouderschap: Verder wordt in dit artikel aangegeven hoe om moet worden gegaan met de vermogensvaststelling bij co-ouderschap. Co-ouderschap is geen wettelijk gedefinieerde leefvorm, maar geeft een feitelijke situatie weer. Co-ouderschap hebben wij gedefinieerd als de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van een minderjarig(e) kind/kinderen. Beide ouders nemen een gelijkwaardig deel van de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening. Bij co-ouderschap is de feitelijke situatie van het verblijf en de feitelijke verzorging doorslaggevend. Niet van belang is welke ouder de kinderbijslag ontvangt. Er is geen sprake van co-ouderschap als het kind of de kinderen incidenteel en voor een korte periode bij de andere ouder verblijven (bijvoorbeeld voor vakantie). Ook als de verdeling van het ouderschap zodanig is dat deze niet afwijkt van een gebruikelijke omgangsregeling, is er geen sprake van co-ouderschap. Het college hanteert bij het vaststellen van de vermogensgrens bij co-ouders de volgende regel: de vermogensgrens wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder. Let op: dit geldt voor de vermogensgrens. Het daadwerkelijke vermogen telt volledig mee en wordt afgezet tegen deze grens. Tot het daadwerkelijk vermogen behoort ook het saldo op de rekening van minderjarige kinderen. Voor het vaststellen van het vermogen kunnen we in sommige situaties ook maatwerk toepassen om onwenselijke situaties te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is de vermogensvaststelling bij wijziging van de leefvorm. In artikel 34 lid 3 Pw is vastgelegd tot welke grens vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder b Pw wordt vrijgelaten bij alleenstaanden, alleenstaande ouders en gezinnen. Bij wisseling van leefvorm is wettelijk niet bepaald hoe om te gaan met het vaststellen van de grens van het vrij te laten vermogen. Het college hanteert in de situatie dat een belanghebbende van alleenstaande ouder alleenstaande wordt de volgende regel: In de situatie dat men van alleenstaande ouder alleenstaande wordt, en er meer vermogen is dan mag worden vrij gelaten bij een alleenstaande, wordt de grens van het vrij te laten vermogen op het feitelijke aanwezige vermogen vastgesteld. In een dergelijke situatie gaan we uit van ‘gespaard vanuit de uitkering, art. 34 lid 2 sub c Pw’. Artikel 9. Informatieverstrekking tijdens de uitkering In de Pw (artikel 17 lid 1) en de IOAW/IOAZ (artikel 13, lid 1) staat de inlichtingenplicht: ‘de plicht van belanghebbende om op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of het recht op bijstand’. Het college mag het begrip 'onverwijld uit eigen beweging' zo hanteren dat kan worden volstaan met het van belanghebbende verwachten dat hij betreffende informatie meldt op de eerstvolgende inkomstenverklaring. In Tilburg ontvangen enkel belanghebbenden met inkomsten een inkomstenverklaring die zij moeten invullen. Belanghebbenden die de inkomstenverklaring niet ontvangen, moeten belangrijke wijzigingen die van invloed zijn op de uitkering doorgeven met een wijzigingsformulier. In dit artikel is geregeld welke termijn het college hanteert voor het uit eigen beweging verstrekken van informatie en dat is vijf werkdagen. Als mensen werken en een inkomstenverklaring ontvangen kunnen ze tot de uiterste inleverdatum van de inkomstenverklaring wijzigingen doorgeven. Artikel 10. Giften Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden financiële hulp kunnen accepteren zonder dat zij bang hoeven te zijn dat dit negatieve gevolgen voor hun uitkering heeft. Deze hulp moet dan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening wel verantwoord zijn. Tot 1 januari 2026 had het college in Dongen de giftengrens vastgesteld op € 1800 per kalenderjaar. Met ingang van 1 januari 2026 is de grens wettelijk vastgesteld in artikel 31 lid 2 onder m van de PW-wet. Gemeenten mogen individueel nog wel giften vrijlaten tot een hoger bedrag, maar dan alleen als dit naar het oordeel van het college verantwoord is in het licht van bijstandsverlening. Dit is veelal het geval als het gaat om giften in natura of geld voor goederen waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt of gevraagd zou kunnen worden. De beoordeling hiervan is altijd maatwerk. De wetgever heeft ook bepaald dat giften tot de wettelijke grens niet meer onder de inlichtingenplicht vallen. Dit betekent dat inwoners zelf bij moeten gaan houden of ze giften in een kalenderjaar bij elkaar opgeteld onder deze grens hebben gekregen. Dit vraagt veel van onze inwoners. We zullen hen hierover goed informeren. Het is niet zo dat de wettelijke grens per persoon geldt, als er meer mensen binnen één uitkeringsnorm vallen (b.v. echtpaar met ten laste komende kinderen, daarvoor geldt ook 1x de giftengrens). Soms ontvangen mensen geld of goederen, zonder dat de herkomst hiervan bekend is of wordt gemaakt. Deze tellen we niet mee als giften, maar eerder als inkomen of vermogen. In geval van giften in natura, bepaalt het college wat daarvan de waarde in geld is aan de hand van de door belanghebbende overlegde bewijsstukken met betrekking tot de waarde of op basis van hetgeen hierover in het maatschappelijk verkeer bekend is (b.v. goudprijs, Nibud prijslijst, ANWB-koerslijst etc.). Artikel 11. Schadevergoeding Het college mag bepalen welke bedragen aan vergoeding voor materiële en immateriële schade vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn en daarom niet meetellen als vermogen bij de vermogensvaststelling (vermogensvrijlating). Het college maakt hierbij onderscheid tussen vergoedingen voor materiële en immateriële schade. Een materiële schadevergoeding gaat het om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen al gemaakt kosten zijn of kosten die nog gemaakt moeten worden. Wanneer een belanghebbende een materiële schadevergoeding ontvangt, is deze dus bestemd om iets te vervangen of te repareren. Daarom wordt een dergelijke schadevergoeding niet als vermogenstoename aangemerkt en hoeft het vermogen in het kader van de Participatiewet niet gewijzigd te worden. Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Het college heeft bepaald dat een immateriële schadevergoeding tot de maximale vermogensgrens voor echtparen/alleenstaande ouders, (art. 34 lid 3 onder b en c Pw) ongeachte de leefvorm niet als vermogen wordt aangemerkt en dus ook geen gevolgen voor de vermogensvaststelling in het kader van de Pw heeft. Overschrijdt de immateriële schadevergoeding dit bedrag, dan wordt op basis van een maatwerkbeoordeling bezien of het redelijk is om 2/3 van de overschrijding tot het vermogen te rekenen. Een schadevergoeding met een loon dervend karakter wordt wel aangemerkt als inkomen voor de periode waarop deze schadevergoeding betrekking heeft. Schadevergoedingen die op grond van de Regeling tegemoetkoming chroom6 zijn uitgekeerd, worden niet als vermogen aangemerkt bij de vermogensvaststelling in het kader van de Pw. Artikel 12. Criteria voor het verlagen van de norm Artikel 27 van de Pw geeft het college de bevoegdheid de norm als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Pw, lager vast te stellen als gevolg van de woonsituatie van de belanghebbende, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. Van deze bevoegdheid maakt het college gebruik door bij een belanghebbende die geen woonkosten en/of woonlasten de uitkeringsnorm te verlagen. In de begripsomschrijvingen in artikel 1 is omschreven wat onder woonkosten en woonlasten wordt verstaan. Bewoont een belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten of woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 10% van de gehuwdennorm. Bewoont een belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten én geen woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 20% van de gehuwdennorm. Dit laatste geldt ook voor belanghebbenden die dakloos zijn en geen woning aanhouden. Als een belanghebbende de kostendelersnorm heeft, of een commerciële kamerbewoner/kostganger is, dan wordt de uitkering niet verlaagd wegens lagere woonkosten of woonlasten. Wanneer sprake is van een all-inclusieve huurprijs, dus een prijs waar zowel de huur als een bijdrage in de kosten van energie en/of water zijn inbegrepen, wordt de hoogte van deze huur afgezet tegen het bedrag van de basishuur zoals bedoeld in artikel 16 WHT (Wet op de huurtoeslag)). De basishuur is het deel van de rekenhuur waarover geen huurtoeslag wordt toegekend en dat te allen tijde voor rekening van de huurder blijft. Is de all-inclusieve huurprijs veel lager dan de basishuur dan stemmen we de uitkering af op de lage woonkosten op grond van artikel 18 lid 1 van de Pw. Artikel 13. Inkomsten uit commerciële verhuur en commercieel kostgangerschap In de Pw is het uitgangspunt dat wanneer kosten gedeeld kunnen worden met kostendelende medebewoners ouder dan 27 jaar, de bijstandsnorm daarop wordt aangepast (kostendelersnorm). De kostendelersnorm is niet van toepassing als er sprake is van commerciële verhuur of commercieel kostgangerschap. De inkomsten die daaruit voortvloeien moeten als inkomsten worden gekort op de bijstandsuitkering. Er is sprake van commerciële verhuur/commercieel kostgangerschap als er sprake is van een commerciële relatie. Hiervan is sprake als het een volledig zakelijke relatie betreft en dit kan nooit een ouder-kind relatie zijn. Hierbij vraagt de verhuurder/kostgever een commerciële prijs en de huurder/kostganger betaalt deze commerciële prijs. Deze prijs en andere belangrijke verplichtingen van de huurder en verhuurder zijn vastgelegd in een huur-/kostgangersovereenkomst. Deze overeenkomst moet overlegd kunnen worden. Huur-/kostgangersbetalingen vinden plaats per banktransacties en deze moeten kunnen worden aangetoond met bankafschriften. Inkomsten uit commerciële kamerverhuur of kostgangerschap tellen mee als inkomen (art. 33, vierde lid, Pw), voor zover deze nog niet zijn verrekend via de kostendelersnorm. Om de werkelijke financiële ruimte van de hoofdbewoner te bepalen, wordt naast de gemiste huurtoeslag ook een forfaitair kostenbedrag afgetrokken (energie, meubilair, bij kostgangers ook maaltijden) als inkomen in mindering op de uitkering. Dit forfaitair bedrag bedraagt € 100 (kamer verhuur) en € 150 (kostganger) per maand We willen in het kader van de woningnood het opnemen van huurders of kostgangers enigszins bevorderen of in ieder geval niet frustreren vanuit de bijstand. Wanneer een woning gedeeld wordt met personen die uitgezonderd zijn van de kostendelersnorm (meestal inwonende kinderen jonger dan 27 jaar) dan laten we het eventuele betaalde kostgeld buiten beschouwing en brengen we dit niet in mindering op de uitkering van de belanghebbende(n) omdat veelal de huurtoeslag lager wordt bij werkende inwonende kinderen. Dit voor zover dit naar het oordeel van het college vanuit het oogpunt van de bijstandsverlening verantwoord is. Artikel 14. Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm In uitzonderlijke gevallen kan het wenselijk zijn om in een individuele situatie maatwerk te leveren en de kostendelersnorm niet toe te passen of iemand niet als kostendeler mee te laten tellen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan crisissituaties, waarbij door belanghebbende tijdelijk onderdak geboden of verkregen wordt. Bijvoorbeeld in de situatie dat belanghebbende een zieke zorgbehoevende ouder opvangt, die tijdelijk niet in staat is om zelfstandig te wonen. Daarnaast kan onder andere ook gedacht worden aan situaties, waarin personen uit detentie komen of uit een instelling en acuut onderdak nodig hebben. Door het niet toepassen van de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner wordt de bereidheid om iemand op te vangen bevorderd en dakloosheid voorkomen. In dit soort situaties moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: 1. Het moet gaan om een acute noodzaak tot huisvesting; en 2. Het moet gaan om een tijdelijke oplossing en 3. De kostendeler moet niet voordat deze in een instelling of detentie zat op hetzelfde adres hebben gewoond, dan is het een herstel van de reguliere situatie en geen tijdelijke noodsituatie. Met de Pw in balans heeft de wetgever ook bepaalt dat wanneer tijdelijke inwoning noodzakelijk is vanwege inwonende mantelzorg, dat dan ook de kostendelersnorm en de norm echtpaar niet worden toegepast. Dit moet wel aantoonbaar tijdelijk en noodzakelijk zijn vanwege een intensieve zorgbehoefte. Er is hierbij een verschil tussen tijdelijk inwonen vanwege het voorkomen van dakloosheid en vanwege mantelzorg. De uitzondering op de kostendelersnorm is in het nieuwe wetsartikel alleen vastgelegd voor de mantelzorger. Wanneer deze tijdelijk inwoont bij een alleenstaande zorgbehoevende bijstandsgerechtigde, geldt voor deze laatste ook geen kostendelersnorm. De mantelzorger is op grond van het wetsartikel immers geen kostendeler, dus heeft de zorgbehoevende bijstandsgerechtigde geen kostendelende medebewoner. Trekt een mantelzorger tijdelijk in bij een zorgbehoevende in een meerpersoonshuishouden, dan heeft dit ook geen effect op de (kostendelers)norm van de bijstandsgerechtigden in dit huishouden. Het inwonen moet wel aantoonbaar tijdelijk en noodzakelijk zijn vanwege een intensieve zorgbehoefte. In de definitiebepaling van deze beleidsregels zijn mantelzorg en zorgbehoefte in het kader van deze tijdelijke inwoning opgenomen. De kostendelersnorm wordt wél toegepast in situaties, waarin duidelijk is dat er sprake is van duurzaam verblijf. Dit kan blijken uit de intentie van belanghebbenden of wanneer de situatie langer duurt (in ieder geval na 1 jaar) en er geen activiteit is om dit te veranderen. Voor mantelzorg betekent het dat het voortduren van de zorgbehoefte medebepalend is voor de duur van het niet toepassen van de kostendelernorm. In de situaties zoals in dit artikel bedoeld, wordt de kostendelersnorm gedurende 3 maanden niet toegepast voor de hoofdbewoner. Degene die inwoont ontvangt wel de kostendelersnorm als deze ook een bijstandsuitkering ontvangt, met uitzondering van de situaties van mantelzorg. Na 3 maanden moet de situatie opnieuw beoordeeld worden via een heronderzoek. Hierbij wordt onderzocht: • Welke inspanningen heeft de inwonende persoon verricht om eigen huisvesting te vinden dan wel om terug te keren naar zijn of haar eigen woning. • Is er onvoldoende gedaan om zelfstandig te gaan wonen, dan wordt de kostendelersnorm vanaf dat moment alsnog toegepast. • Is er wel voldoende gedaan maar heeft dit niet tot het gewenste effect geleid, dan kan de situatie (steeds) worden verlengd met 3 maanden, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden. Artikel 15. Recht op jongerentoeslag De jongerentoeslag stond tot 1-1-2026 in artikel 12 Pw als bijzondere bijstand. Deze bepaling is vervallen en er is een rijksnorm voor jongerentoeslag vastgesteld, zodat de hoogte landelijk geharmoniseerd wordt. De hoogte wordt verlaagd tot de norm voor uitwonende studiefinanciering. Op grond van het overgangsrecht is bepaald dat de mensen die voor 1 januari 2026 deze uitkering toegekend hadden, deze blijven houden totdat ze 21 jaar worden of uitstromen uit de uitkering. De gemeente kan de jongerentoeslag verhogen o.g.v. art. 18 Pw als dit nodig is, omdat ze hogere algemene kosten van bestaan hebben. De totale hoogte van de uitkering mag nooit hoger uitvallen dan de norm > 21 jaar of het wettelijk minimumjeugdloon (afhankelijk van de leeftijd van de jongere). De regels zoals opgenomen in de beleidsregels bijzondere bijstand, wanneer jongeren geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders zijn overgenomen in deze beleidsregels. Het moet gaan om: a. Jongeren die noodzakelijk zelfstandig wonen en b. Geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders of c. Waarvan de ouders zijn overleden of onvindbaar in het buitenland verblijven. Hoofdstuk 4 Slotbepaling Artikel 16. Intrekking oude beleidsregels en overgangsrecht In deze beleidsregels zijn ook regels opgenomen voor giften. Dit op grond van de Participatiewet in Balans. Om deze reden worden de oude beleidsregels Vrijlating giften Participatiewet 2024 gemeente Dongen ingetrokken. Overgangsrecht Opgenomen is dat bij aanvragen en lopende onderzoeken voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover nog geen besluit is genomen na de ingang van het nieuwe beleid, niet nadelig kunnen uitpakken als het nieuwe beleid minder gunstig is voor de belanghebbende. Het besluit kan dus genomen worden op zowel het oude beleid als het nieuwe beleid.

[Meer informatie](https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-519989.html)

## Sitemap

See the full [sitemap](/sitemap.md) for all pages.
