---
title: "Beleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Doesburg 2026 | OmgevingsAlert"
description: "Mededelingen in jouw buurt: Beleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Doesburg 2026. Bekendgemaakt op 3 november 2026. Bekijk de details, de…"
canonical_url: "https://www.omgevingsalert.nl/meldingen/9051110-beleidsregel-participatiewet-in-balans-fase-1-gemeente-doesburg-2026"
locale: nl
meta:
  "og:description": "Mededelingen in jouw buurt: Beleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Doesburg 2026. Bekendgemaakt op 3 november 2026. Bekijk de details, de…"
  "og:title": "Beleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Doesburg 2026 | OmgevingsAlert"
---

# Beleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Doesburg 2026

MededelingenBekendgemaakt op 3 november 2026

[Deel op X](https://x.com/intent/tweet?url=https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9051110-beleidsregel-participatiewet-in-balans-fase-1-gemeente-doesburg-2026&text=Beleidsregel%20Participatiewet%20in%20balans%20fase%201%20gemeente%20Doesburg%202026) [Deel op Facebook](https://www.facebook.com/sharer/sharer.php?u=https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9051110-beleidsregel-participatiewet-in-balans-fase-1-gemeente-doesburg-2026) [Deel via WhatsApp](https://wa.me/?text=Beleidsregel%20Participatiewet%20in%20balans%20fase%201%20gemeente%20Doesburg%202026%20https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9051110-beleidsregel-participatiewet-in-balans-fase-1-gemeente-doesburg-2026) [Deel op LinkedIn](https://www.linkedin.com/sharing/share-offsite/?url=https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9051110-beleidsregel-participatiewet-in-balans-fase-1-gemeente-doesburg-2026)

Locatie

SoortMededelingen

Gepubliceerd op3 november 2026

Gepubliceerd doorGemeente Doesburg

Beleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Doesburg 2026 Artikel 1 Begripsbepalingen 1.In deze beleidsregel wordt verstaan onder: a.BBZ: Bijstandsbesluit zelfstandigen b.College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg c.Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers d.Ioaz: Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen e.Jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet f.Probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden g.Wet: de Participatiewet h.Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 2.De inhoud van de overige in deze beleidsregel gebruikte begrippen is gelijkluidend aan die in de Wet tenzij daarvan expliciet wordt afgeweken.3.Als de inhoud van een begrip bij de toepassing van deze beleidsregel niet eenduidig blijkt te zijn bepalen burgemeester en wethouders de nadere invulling c.q. interpretatie van dit begrip. Artikel 2 Giften 1.Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening niet tot de middelen van een belanghebbende worden gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel s, van de Wet, rekent het college de volgende categorieën giften in ieder geval niet tot de middelen van een belanghebbende: a.Giften die worden gebruikt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verleend had kunnen worden. b.Giften die ingezet worden voor medisch noodzakelijke kosten. c.Giften die gebruikt worden om probleemschulden af te lossen die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de bijstandsverlening. d.Giften in de vorm van verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank, speelgoedbank, kerken en andere soortgelijke charitatieve instellingen. e.Vrij besteedbare giften en of giften in natura en of kostenbesparende bijdrages met een maximale waarde per kalenderjaar, zoals geregeld in artikel 31, lid 2, onderdeel m van de Wet. 2.Lid 1 is overeenkomstig van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt in het kader van de BBZ, mits de gift uitsluitend en overduidelijk voor privégebruik is. Artikel 3 Zoektermijn jongeren Het college ziet af van het opleggen van de 4-weken zoektermijn voor jongeren conform artikel 41 lid 11 van de Wet indien: a.De jongere in een inrichting verblijft of recht heeft op opvang (Wmo 2015). b.De jongere het afgelopen jaar in een inrichting, opvang (Wmo 2015), pleeggezin of gezinshuis (Jeugdwet) verbleef. c.De jongere in de afgelopen 12 maanden onder een kinderbeschermingsmaatregel viel. d.De jongere een zorgbehoefte heeft die het vinden van werk in de zoektermijn in de weg staat. e.De jongere niet is ingeschreven als ingezetene in de BRP of met een briefadres. f.De jongere het afgelopen jaar bijstand ontving. g.De jongere probleemschulden heeft of hier kans op heeft als de vierweken zoektermijn wordt toegepast. h.De jongere gestopt is met zijn studie in verband met problematische omstandigheden. Artikel 4 Verkorte aanvraag 1.Het college kan op grond van artikel 43a, lid 1, van de Wet de reeds aanwezige gegevens in verband met een eerdere bijstandsverlening gebruiken voor een verkorte aanvraagprocedure.2.Het college past de verkorte aanvraagprocedure toe op een nieuwe aanvraag om algemene bijstand indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: a.De nieuwe aanvraag is ingediend binnen 6 maanden na het eindigen van de eerdere bijstandsverlening, en b.De eerdere bijstandsverlening is beëindigd op grond van een van de volgende redenen: •Werkaanvaarding. •Een uitsluitingsgrond zoals genoemd in artikel 13 van de Wet. •Verblijf buiten de gemeente. 3.Voor de verkorte aanvraagprocedure verifieert het college de actualiteit en juistheid van de reeds bekende gegevens. De verificatie richt zich in ieder geval op mogelijke wijzigingen in: a.Het hoofdverblijf. b.De gezinssituatie (samenstelling huishouden). c.Het inkomen en vermogen. 4.Dit artikel is overeenkomstig van toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid van de Ioaw. Artikel 5 Bijstand met terugwerkende kracht 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet, kan het college bijstand toekennen over een periode van maximaal 3 maanden vóór de datum waarop de melding heeft plaatsgevonden, indien de belanghebbende aantoont dat hij zich niet eerder bij de gemeente heeft kunnen melden.2.Van de in lid 1 genoemde omstandigheid is in ieder geval sprake indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat: a.Belanghebbende niet in staat was om bijstand aan te vragen. b.Een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen, waarna direct een aanvraag op grond van de Participatiewet is ingediend. c.Een eerdere bijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld of afgewezen omdat niet tijdig alle gegevens konden worden aangeleverd. d.Belanghebbende onvoldoende inzicht had in inkomsten en/of vermogen door oorzaken zoals flexibel werk, een echtscheiding, detentie of een erfenis. e.Belanghebbende met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft verkregen. 3.Het college kent tevens bijstand met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht toe indien het niet toekennen van bijstand over de periode vóór de melding zou leiden tot ernstige sociale of financiële gevolgen, zoals: a.Aantoonbare probleemschulden en/of betalingsachterstanden. b.Na de melding executoriaal beslag is gelegd op de middelen van belanghebbende of belanghebbende failliet is verklaard. c.Na de melding de huur van de woonruimte is opgezegd, de zorgverzekering is geroyeerd of de levering van gas, licht of water is afgesloten. 4.Indien het college overgaat tot bijstandsverstrekking met terugwerkende kracht, dan kent het college de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.5.Dit artikel is overeenkomstig van toepassing op aanvragen die worden gedaan in het kader van de IOAW, IOAZ en BBZ. Artikel 6 Jongerennorm 1.De algemene bijstandsnorm voor personen van 18 t/m 20 jaar (artikel 20 Participatiewet) en de wettelijke onderhoudsplicht van de ouders wordt toereikend geacht om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.2.Indien belanghebbende zelfstandig woont kan de norm worden afgestemd op basis van artikel 18 lid 1 van de Wet in combinatie met artikel 20 lid 4 van de Wet. Afstemming vindt plaats wanneer de ophoging uit artikel 20 lid 3 van de Wet aantoonbaar onvoldoende is. Het college gaat hierbij uit van de geldende Nibud normen.3.Lid 1 en 2 van dit artikel zijn overeenkomstig van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt in het kader van de BBZ. Artikel 7 Tijdelijk verblijf 1.De gehuwdennorm als beschreven in artikel 3, tweede lid, onderdeel a van de Wet en de kostendelersnorm als beschreven in artikel 22a van de Wet kunnen buiten beschouwing worden gelaten indien de belanghebbende voor het leveren of ontvangen van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders. Van een intensieve zorgbehoefte is uitsluitend sprake indien de verzorgingsbehoeftige: a.In aanmerking komt voor een opname in een WLZ-instelling, of b.Duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of c.Duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen. 2.De gehuwdennorm en de kostendelersnorm kunnen voor een periode van 3 maanden buiten beschouwing worden gelaten indien belanghebbende tijdelijk onderdak verleent aan een persoon die in een crisissituatie verkeerd, dakloos is of dakloos dreigt te geraken.3.De periode van drie maanden zoals in lid 2 beschreven kan telkens met 3 maanden worden verlengd indien de persoon aan wie tijdelijk onderdak wordt verleend: a.Op een wachtlijst staat voor zorg in een instelling of opvang en daar naar verwachting binnen drie maanden terecht kan. b.Uit concrete feiten en omstandigheden blijkt dat het tijdelijk verblijf binnen drie maanden zal eindigen, door bijvoorbeeld het betrekken van eigen woonruimte. 4.Dit artikel is overeenkomstig van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt in het kader van de IOAW, IOAZ of BBZ. Slotbepalingen Artikel 8 Afwijkingsbevoegdheid Het college kan ten gunste van de belanghebbende op basis van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht afwijken van de bepalingen van deze beleidsregel, als de toepassing hiervan tot bijzonder onredelijke gevolgen leidt. Artikel 9 Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking hiervan en werkt terug tot en met 1 januari 2026. Artikel 10 Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Doesburg 2026. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Doesburg op 27 oktober 2026 de secretaris,P. Werkman de burgemeester,R. Bats Toelichting beleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Doesburg 2026 (vastgesteld bij besluit van college van Doesburg van27 oktober 2026 Artikel 1 Begripsomschrijvingen In dit artikel worden omschrijvingen gegeven van begrippen die in de beleidsregels voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. Bij het omschrijven van de begrippen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen in de Participatiewet. Artikel 2 Giften In dit artikel zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is ‘iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’. Voor het aannemen van een gift is er sprake van een drietal vereisten: ✔de verarming van de gever ✔de verrijking van de ontvanger ✔als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272). In artikel 31 2e lid onder s van de Wet is geregeld dat een gift niet als middel wordt gezien als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening. Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandverlening. Daarvoor zijn aanknopingspunten te vinden in de financiële situatie van de belanghebbende. Als er beslag op de uitkering ligt, of als de belanghebbende een schuldregeling heeft getroffen, zal dit bijvoorbeeld eerder aanleiding vormen om giften in het individuele geval buiten beeld te houden, dan als er geen financiële problematiek speelt. In het eerste lid van artikel 2 van deze beleidsregels zijn een aantal omstandigheden genoemd waarvan het college het in ieder geval verantwoord vindt dat deze gift niet als middel gezien wordt. Medisch noodzakelijke kosten zijn kosten die voortkomen uit behandelingen, diagnostiek, medicijnen, hulpmiddelen of (preventieve) zorg die noodzakelijk zijn om een gezondheidsprobleem aan te pakken, te verlichten of te voorkomen. Het gaat hierbij dus niet om cosmetische ingrepen of persoonlijke voorkeuren, maar om zorg die essentieel is voor het functioneren of herstel van de inwoner. Grens vrijlating Op grond van artikel 31 lid 2 onder m van de Wet worden giften en kostenbesparende bijdragen in ieder geval buiten beschouwing gelaten als dit (gezamenlijk) minder bedraagt dan een door het Rijk te bepalen bedrag (voor 2026 is het maximaal vrij te laten bedrag € 1.200,-). Kostenbesparende bijdragen Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’. Deze zgn. kostenbesparende bijdragen worden niet als middel aangemerkt, maar kunnen wel leiden tot verlaging (=afstemmen) van de algemene bijstand vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen echter ook onder de giftenvrijlating zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder m Pw. Dat betekent dat mogelijke afstemming van de uitkering pas aan de orde is als de kostenbesparende bijdragen samen (en met eventuele andere giften) meer bedragen dan € 1.200,-. Artikel 3 Aanvraag jongeren en zoektermijn Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Uitgangspunt is dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of jongeren die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen. Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, is een elfde lid toegevoegd, waardoor het college aanvragen vóór het verstrijken van de zoektermijn in behandeling kan nemen. In artikel 3 van deze beleidsregels zijn groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. Bijvoorbeeld kan een jongere een zorgbehoefte hebben die het vinden van werk in de zoektermijn in de weg staat. Hierbij kan sprake zijn van aantoonbare lichamelijke beperkingen, psychische of emotionele problemen of gedragsproblemen. De vraag is dan of het reëel is om te verwachten dat de jongere door de beperkingen of problemen of door de zorgondersteuning binnen vier weken werk kan vinden. Artikel 4 Verkorte aanvraagprocedure De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Artikel 43a van de Participatiewet geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen een periode van maximaal twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende. Van deze ruimte is gebruik gemaakt, met dien verstande dat de periode waarin de verkorte aanvraagprocedure kan worden toegepast maximaal 6 maanden is. De reden hiervoor is dat inwoners die 6 maanden of langer betaald werk hebben verricht in de meeste gevallen een beroep kunnen doen op een WW-uitkering. Eerste lid Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag. Tweede lid Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten. Derde lid De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Artikel 5 Toekenning met terugwerkende kracht Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid van de Participatiewet. Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt. In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden: 1.De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden. 2.De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde. De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen. Tweede lid In dit lid worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Het kan gaan om omstandigheden van persoonlijke aard (lid a en lid d) of om omstandigheden van meer systemisch/procedurele aard (lid b, c en e). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening. Derde lid Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn dat het alleen al om die reden wenselijk is om de bijstand toch met terugwerkende kracht toe te kennen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden of om problemen die door financiële omstandigheden kunnen worden veroorzaakt, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht. Vijfde lid De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Artikel 6 Aanvulling op jongerennorm Voor bijstandsbehoeftige jongeren van 18 tot 21 jaar is er de jongerennorm op grond van artikel 20 lid 1 en 2 van de Wet. Deze normen zijn afgeleid van de kinderbijslagbedragen. De meeste jongeren van 18, 19 of 20 jaar oud zullen nog bij (één van) hun ouders wonen en hebben hierdoor geen of weinig kosten voor levensonderhoud. In de meeste situaties wordt de jongerennorm daarom toereikend geacht om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, mede omdat de ouders een onderhoudsplicht plicht hebben totdat hun kind 21 jaar is (artikel 1:395a BW). In lid 2 is geregeld dat er een aanvulling op de jongerennorm verstrekt kan worden als de jongere aantoonbare noodzakelijke kosten heeft die hoger zijn dan de jongerennorm (bijvoorbeeld omdat de jongere zelfstandig woont). Voor het recht op aanvulling wordt eerst onderzocht in hoeverre de onderhoudsplicht van de ouders te gelde gemaakt kan worden. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld wanneer: a.beide ouders zijn overleden; b.de jongere uit huis is geplaatst op grond van een officiële maatregel (o.a. Jeugdwet); c.de ouders onbereikbaar zijn en geen deel (meer) uitmaken van het leven van de jongere; d.de jongere de zorg heeft voor één of meer kinderen; e.de jongere als alleenstaande vluchteling naar Nederland is gekomen. Als er geen beroep op de ouders mogelijk is, dan kan de jongerennorm verhoogd worden op grond van artikel 20 lid 3 Pw, met dien verstande dat de norm plus de aanvulling nooit hoger mag zijn dan de 21-jarigen norm in een vergelijkbare situatie (artikel 20 lid 4 Pw). Artikel 7 Tijdelijk verblijf Mantelzorgers zijn niet alleen van onschatbare waarde voor degenen aan wie zij ondersteuning en zorg verlenen, maar ook essentieel voor de samenleving als geheel. Dankzij mantelzorgers die voor hun naasten zorgen kunnen veel mensen langer thuis blijven wonen in de eigen, vertrouwde omgeving. Het gaat om onmisbare zorg bij praktische dagelijkse dingen zoals koken, boodschappen doen, schoonmaken, het regelen van de administratie en andere vormen van informele zorg. De regering wil bereiken dat er meer ruimte komt voor mantelzorg, zonder dat dit gevolgen heeft voor het recht op bijstand van de mantelzorger of de ontvanger van mantelzorg. In de Participatiewet zijn daarom wijzigingen aangebracht waardoor er meer ruimte is gekomen voor het verrichten van ontvangen van mantelzorg zonder dat dit gevolgen heeft voor de bijstandsuitkering. Zo wordt samenwonen niet beoordeeld als een gezamenlijke huishouding wanneer er sprake is van een zorgbehoefte en deze zorgbehoefte de reden is van het samenwonen (artikel 3 lid 2 onderdeel a Pw). Ook geldt de kostendelersnorm niet bij het tijdelijk delen van een woning in verband met mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte (artikel 22a lid 4 Pw) en wordt mantelzorg niet gezien als op loon te waarderen arbeid (artikel 33 Pw). Tenslotte is het tijdelijk intrekken bij iemand om mantelzorg te leveren (aan iemand met een intensieve zorgbehoefte) geen reden voor een opschorting van de betaling van de uitkering (artikel 40 lid 3 Pw). Er is sprake van een intensieve zorgbehoefte wanneer de verzorgingsbehoeftige: a.in aanmerking komt voor een opname in een WLZ-instelling, of b.dagelijks is aangewezen op hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of c.dagelijks is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen. Of er sprake is van een intensieve zorgbehoefte, is zonder de juiste expertise niet goed vast te stellen. In de praktijk zal een intensieve zorgbehoefte moeten blijken uit een Wlz/Wmo-indicatie of uit onderzoek door een onafhankelijk (medisch) deskundige.

[Meer informatie](https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-509571.html)

## Sitemap

See the full [sitemap](/sitemap.md) for all pages.
