---
title: "Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2026 | OmgevingsAlert"
description: "Mededelingen in jouw buurt: Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2026. Bekendgemaakt op 2 november 2026. Bekijk de details, de locatie…"
canonical_url: "https://www.omgevingsalert.nl/meldingen/9047342-beleidsregel-artikel-13b-opiumwet-capelle-aan-den-ijssel-2026"
locale: nl
meta:
  "og:description": "Mededelingen in jouw buurt: Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2026. Bekendgemaakt op 2 november 2026. Bekijk de details, de locatie…"
  "og:title": "Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2026 | OmgevingsAlert"
---

# Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2026

MededelingenBekendgemaakt op 2 november 2026

[Deel op X](https://x.com/intent/tweet?url=https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9047342-beleidsregel-artikel-13b-opiumwet-capelle-aan-den-ijssel-2026&text=Beleidsregel%20artikel%2013b%20Opiumwet%20Capelle%20aan%20den%20IJssel%202026) [Deel op Facebook](https://www.facebook.com/sharer/sharer.php?u=https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9047342-beleidsregel-artikel-13b-opiumwet-capelle-aan-den-ijssel-2026) [Deel via WhatsApp](https://wa.me/?text=Beleidsregel%20artikel%2013b%20Opiumwet%20Capelle%20aan%20den%20IJssel%202026%20https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9047342-beleidsregel-artikel-13b-opiumwet-capelle-aan-den-ijssel-2026) [Deel op LinkedIn](https://www.linkedin.com/sharing/share-offsite/?url=https%3A%2F%2Fwww.omgevingsalert.nl%2Fmeldingen%2F9047342-beleidsregel-artikel-13b-opiumwet-capelle-aan-den-ijssel-2026)

Locatie

SoortMededelingen

Gepubliceerd op2 november 2026

Gepubliceerd doorGemeente Capelle aan den IJssel

Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2026 De burgemeester van Capelle aan den IJssel; gelet op artikel 13b van de Opiumwet en de artikelen 4:81, 5:31 en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht; overwegende dat: •artikel 13b van de Opiumwet de burgemeester de bevoegdheid geeft om bestuursrechtelijk op te treden tegen drugshandel en bepaalde voorbereidingshandelingen in of vanuit woningen, lokalen en daarbij behorende erven; •woningen, lokalen en erven die worden gebruikt voor de productie, teelt, verwerking, opslag, verkoop, aflevering of verstrekking van drugs een schakel kunnen vormen in het criminele drugscircuit; •drugcriminaliteit een ondermijnend en potentieel ontwrichtend effect heeft op de samenleving, doordat criminele activiteiten zich kunnen verweven met reguliere maatschappelijke en economische structuren, zich kunnen innestelen in woonwijken en bedrijfsomgevingen en afbreuk kunnen doen aan de veiligheid en het gezag van de overheid; •het gebruik van een woning, lokaal of erf binnen het drugscircuit ertoe kan leiden dat deze locatie bekend raakt als drugsadres en risico’s kan meebrengen, waaronder criminele aanloop, geweld, intimidatie, ripdeals, brand, ontploffing en andere voor omwonenden en gebruikers onveilige situaties; •het wenselijk is om voor de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet een kenbaar, consistent en transparant beoordelingskader vast te stellen; besluit vast te stellen de volgende Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2026. HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: a.drugs: middelen als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet; b.voorbereidingshandelingen: een situatie als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet; c.pand: een woning, lokaal of daarbij behorend erf. Artikel 2 Doel en uitgangspunten 1.Deze beleidsregel geeft aan hoe de burgemeester gebruikmaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet.2.Het optreden van de burgemeester is gericht op het beëindigen van de overtreding, het voorkomen van herhaling, het wegnemen van de functie en bekendheid van het pand binnen het drugscircuit, het herstellen van de openbare orde en het beschermen van het woon- en leefklimaat.3.De burgemeester beoordeelt aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval of optreden geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. HOOFDSTUK 2 TOEPASSING VAN DE BEVOEGDHEID Artikel 3 Bevoegdheid 1.De burgemeester is bevoegd op te treden als in of vanuit een pand drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig zijn.2.De burgemeester is tevens bevoegd op te treden als in een pand sprake is van voorbereidingshandelingen.3.Als de aangetroffen hoeveelheid drugs de voor eigen gebruik aanvaarde hoeveelheid overschrijdt, neemt de burgemeester in beginsel aan dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. De belanghebbende kan aannemelijk maken dat daarvan geen sprake is.4.Ook bij een geringere hoeveelheid drugs kan uit andere feiten en omstandigheden blijken dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Artikel 4 Geschiktheid 1.De burgemeester beoordeelt of het voorgenomen optreden kan bijdragen aan het bereiken van de in artikel 2, tweede lid, genoemde doelen.2.Bij deze beoordeling betrekt de burgemeester het tijdsverloop sinds de constatering van de overtreding en de ontwikkelingen die zich nadien hebben voorgedaan. Als de met het optreden beoogde doelen als gevolg daarvan niet meer kunnen worden bereikt, is het voorgenomen optreden niet geschikt. Artikel 5 Noodzaak 1.Bij de beoordeling van de noodzaak betrekt de burgemeester in ieder geval: a.de aard en hoeveelheid van de aangetroffen drugs; b.bij voorbereidingshandelingen: de aard, hoeveelheid en combinatie van de aangetroffen voorwerpen en stoffen; c.de rol van het pand binnen de productie, opslag of handel in drugs; d.aanwijzingen voor feitelijke handel, productie, toeloop of bekendheid van het pand binnen het drugscircuit; e.de effecten op de openbare orde, de veiligheid en het woon- en leefklimaat; en f.eerdere overtredingen in of vanuit het pand en de samenhang daarvan met de huidige overtreding. 2.De burgemeester beoordeelt of de met het optreden beoogde doelen met een minder ingrijpende maatregel kunnen worden bereikt. Artikel 6 Evenwichtigheid 1.De burgemeester beoordeelt of de nadelige gevolgen van het voorgenomen optreden niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.2.Bij deze beoordeling betrekt de burgemeester, voor zover van toepassing, in ieder geval: a.de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbenden; b.de gevolgen van het optreden voor de belanghebbenden; c.een bijzondere binding met het pand; d.de mogelijkheid om vervangende woon- of bedrijfsruimte te vinden; e.de mogelijkheid om na afloop van een sluiting in het pand terug te keren; f.de aanwezigheid van minderjarige of anderszins kwetsbare personen. 3.Als de burgemeester besluit tot sluiting van een pand, beoordeelt hij afzonderlijk of ook de duur van de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. HOOFDSTUK 3 MAATREGELEN Artikel 7 Keuze van de maatregel 1.Als de burgemeester bevoegd is op te treden, kan hij: a.volstaan met een schriftelijke waarschuwing; b.een last onder dwangsom opleggen; of c.een pand sluiten met toepassing van bestuursdwang. 2.De burgemeester kiest, met inachtneming van de artikelen 4 tot en met 6, de maatregel die in het concrete geval passend is.3.De hoogte van de dwangsom, het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd en de periode waarin de last geldt, worden afgestemd op de ernst van de overtreding en het met de last beoogde effect.4.De burgemeester sluit het pand als een waarschuwing of last onder dwangsom niet voldoende is om de met het optreden beoogde doelen te bereiken. Artikel 8 Sluitingsduur 1.Als de burgemeester besluit tot sluiting van een pand, bedraagt de sluitingsduur in beginsel drie maanden.2.De burgemeester kan de sluitingsduur op zes maanden stellen als een sluiting van drie maanden, gelet op de ernst en omvang van de overtreding of andere verzwarende omstandigheden, niet voldoende is om de met de sluiting beoogde doelen te bereiken.3.In uitzonderlijk ernstige gevallen kan de burgemeester het pand langer dan zes maanden en ten hoogste twaalf maanden sluiten. Daarvoor kan in het bijzonder aanleiding bestaan als de aard en omvang van de overtreding of herhaalde overtredingen erop wijzen dat een sluiting van zes maanden niet voldoende is om de met de sluiting beoogde doelen te bereiken.4.De burgemeester stelt een kortere sluitingsduur vast als een sluiting van drie maanden niet noodzakelijk of niet evenwichtig is. Artikel 9 Recidive 1.Van recidive is sprake als binnen drie jaar na de constatering van een eerdere overtreding van artikel 13b van de Opiumwet in of vanuit hetzelfde pand opnieuw een overtreding van dat artikel wordt geconstateerd.2.In geval van recidive kan de sluitingsduur die zonder recidive passend zou zijn, worden verdubbeld tot ten hoogste twaalf maanden.3.Een eerdere overtreding wordt bij de toepassing van dit artikel meegewogen, ongeacht of deze heeft geleid tot een waarschuwing, sluiting of andere bestuurlijke maatregel.4.De burgemeester beoordeelt ook in geval van recidive welke sluitingsduur, gelet op alle omstandigheden van het geval, noodzakelijk en evenwichtig is. Artikel 10 Begunstigingstermijn 1.Aan een besluit tot sluiting verbindt de burgemeester in beginsel een begunstigingstermijn van één week.2.De burgemeester kan een kortere of langere begunstigingstermijn stellen als de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.3.Gedurende de begunstigingstermijn worden betrokkenen in de gelegenheid gesteld het pand te verlaten, persoonlijke eigendommen te verwijderen en het pand gereed te maken voor sluiting. Artikel 11 Spoedeisende bestuursdwang 1.In spoedeisende gevallen kan de burgemeester besluiten dat bestuursdwang wordt toegepast zonder voorafgaande last.2.Als de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan de burgemeester terstond bestuursdwang toepassen. In dat geval wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit bekendgemaakt. HOOFDSTUK 4 UITVOERING Artikel 12 Registratie van de sluiting 1.Een besluit tot sluiting wordt geregistreerd overeenkomstig de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.2.De beëindiging of eerdere opheffing van de sluiting wordt eveneens overeenkomstig die wet geregistreerd. Artikel 13 Eerdere opheffing van de sluiting 1.De burgemeester kan de sluiting ambtshalve of op verzoek eerder opheffen als gewijzigde omstandigheden meebrengen dat voortzetting van de sluiting niet langer noodzakelijk of evenwichtig is.2.Degene die om eerdere opheffing verzoekt, maakt de gewijzigde omstandigheden waarop het verzoek berust aannemelijk. Artikel 14 Kosten van bestuursdwang 1.De kosten die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang worden overeenkomstig artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht op de overtreder verhaald.2.De burgemeester kan geheel of gedeeltelijk afzien van kostenverhaal voor zover deze redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de overtreder behoren te komen. HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN Artikel 15 Intrekking oude beleidsregel De Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2019 wordt ingetrokken. Artikel 16 Overgangsrecht 1.Op een overtreding waarvoor vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregel een voornemen tot handhavend optreden bekend is gemaakt, blijft de op dat moment geldende beleidsregel van toepassing.2.De burgemeester kan deze beleidsregel toepassen als dit voor de belanghebbenden gunstiger is. Artikel 17 Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking. Artikel 18 Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2026. Capelle aan den IJssel, 26 oktober 2026 de burgemeester, drs. J.J. Manusama Toelichting bij de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2026 Algemene en artikelsgewijze toelichting Deze toelichting verduidelijkt het kader waarbinnen de burgemeester artikel 13b van de Opiumwet toepast. De beleidsregel bevat de hoofdregels; de toelichting licht de beoordelingswijze toe. Genoemde omstandigheden zijn niet uitputtend. De burgemeester beoordeelt ieder geval aan de hand van de beschikbare informatie en de omstandigheden op het moment van het besluit. Algemene toelichting Aanleiding Artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen wanneer in of vanuit een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig zijn. De bevoegdheid bestaat ook wanneer in een pand voorwerpen of stoffen voorhanden zijn die bestemd zijn voor strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in de Opiumwet. Drugshandel en drugsproductie kunnen de openbare orde, de veiligheid en het woon- en leefklimaat rond een pand aantasten. Het pand kan daardoor een functie en bekendheid binnen het drugscircuit krijgen. Het optreden op grond van artikel 13b Opiumwet is gericht op het beëindigen van de overtreding en het herstellen van de rechtmatige situatie. Het heeft niet tot doel de betrokkenen te bestraffen. Deze beleidsregel vervangt een vaste maatregelenmatrix door een beoordelingskader. Na vaststelling van de bevoegdheid volgt niet automatisch een bepaalde maatregel of sluitingsduur. De burgemeester beoordeelt steeds of het voorgenomen optreden geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. De beleidsregel maakt deze volgorde zichtbaar en geeft een uitgangspunt voor de sluitingsduur. Juridisch kader De toepassing van artikel 13b van de Opiumwet bestaat uit twee stappen. Eerst wordt vastgesteld of de burgemeester bevoegd is om op te treden. Daarna wordt beoordeeld of en hoe van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Dat onderscheid is van belang. De aanwezigheid van de bevoegdheid betekent niet dat sluiting zonder verdere beoordeling gerechtvaardigd is. Bij de tweede stap wordt aangesloten bij de evenredigheidsbeoordeling uit artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beoordeling omvat de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het voorgenomen optreden. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft voor de toepassing van artikel 13b richting gegeven in de overzichtsuitspraken van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, en 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922. De intensiteit van de beoordeling hangt samen met de aard en de gevolgen van het besluit. Vooral de sluiting van een woning kan diep ingrijpen in het leven van bewoners. Ook de sluiting van een lokaal kan ingrijpende gevolgen hebben. Daarom worden het doel van het optreden, mogelijke alternatieven en de concrete gevolgen herkenbaar in de besluitvorming betrokken. Herstel en geen bestraffing Een sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is een herstelsanctie. De sluiting is erop gericht de met de Opiumwet strijdige situatie te beëindigen, de relatie tussen het pand en het drugscircuit te doorbreken en herhaling te voorkomen. De ernst van de gedraging kan van betekenis zijn voor de noodzaak en de duur van het optreden, maar de maatregel mag niet worden gebruikt om leed toe te voegen. De zichtbaarheid van een sluiting kan een signaal afgeven aan personen uit het drugscircuit en aan de omgeving. Die signaalwerking kan bijdragen aan het doorbreken van de bekendheid van het pand. Een algemeen afschrikwekkend signaal is echter niet voldoende om een maatregel te dragen. Het besluit moet steeds duidelijk maken welk concreet hersteldoel met het optreden ten aanzien van het betreffende pand wordt bereikt. Individuele beoordeling De burgemeester baseert zijn besluit in de regel op een bestuurlijke rapportage van de politie en op andere beschikbare informatie. Een bestuurlijke rapportage moet voldoende concreet en controleerbaar zijn. De burgemeester mag in beginsel uitgaan van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en van de daarin opgenomen bevindingen. Als de juistheid of volledigheid daarvan gemotiveerd wordt betwist, wordt beoordeeld of nader onderzoek nodig is. Ook de zienswijze en de door belanghebbenden overgelegde stukken worden bij de besluitvorming betrokken. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsbepalingen De begripsbepalingen zijn beperkt tot begrippen die in meerdere artikelen worden gebruikt en waarvan een omschrijving de leesbaarheid verbetert. Onder drugs vallen alle middelen die zijn vermeld op lijst I of lijst II behorende bij de Opiumwet. De verwijzing naar de lijsten is dynamisch. Een wijziging van een lijst werkt daardoor door in deze beleidsregel zonder dat de beleidsregel afzonderlijk hoeft te worden aangepast. Het begrip pand wordt als verzamelbegrip gebruikt voor een woning of lokaal en een daarbij behorend erf. De wettelijke bevoegdheid kan ook betrekking hebben op een gedeelte van een pand. De omvang van het optreden wordt bepaald aan de hand van de feitelijke en functionele samenhang tussen het gedeelte waar de overtreding is vastgesteld en de overige delen. De enkele omstandigheid dat verschillende ruimten zich in hetzelfde gebouw bevinden, rechtvaardigt niet zonder meer dat het gehele gebouw bij het optreden wordt betrokken. Artikel 2 Doel en uitgangspunten Het eerste lid beschrijft het onderwerp van de beleidsregel. De beleidsregel bepaalt hoe de burgemeester de bevoegdheid toepast, maar neemt de verplichting tot een beoordeling van het individuele geval niet weg. Het tweede lid noemt de doelen van het optreden. Welk doel het meeste gewicht heeft, hangt af van de functie die het pand bij de overtreding vervulde en van de actuele situatie. Met het wegnemen van de functie en bekendheid van het pand binnen het drugscircuit wordt bedoeld dat het pand niet langer beschikbaar of herkenbaar is voor productie, opslag, overdracht of verkoop van drugs. Het ontbreken van concrete overlastmeldingen betekent niet dat optreden niet noodzakelijk kan zijn. Ook andere feiten en omstandigheden kunnen wijzen op een aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat. Daarbij kan worden gedacht aan de functie van het pand binnen het drugscircuit, aanloop naar het pand, veiligheidsrisico’s die samenhangen met de opslag, handel of productie van drugs en drugsgerelateerde problematiek in de omgeving. De burgemeester beoordeelt aan de hand van de concrete omstandigheden of daarvan sprake is. Het derde lid bepaalt dat het optreden geschikt, noodzakelijk en evenwichtig moet zijn. Deze beoordeling ziet niet alleen op de keuze tussen een waarschuwing, een last onder dwangsom en sluiting. Bij een sluiting wordt ook de duur daarvan afzonderlijk beoordeeld, zoals artikel 6, derde lid, bepaalt. Artikel 3 Bevoegdheid Verkoop aflevering verstrekking of daartoe aanwezig De burgemeester is bevoegd wanneer drugs in of vanuit een pand worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. De bevoegdheid bestaat ook wanneer drugs met dat doel in het pand aanwezig zijn. Voor dit laatste is niet vereist dat een concrete verkoop vanuit het pand wordt waargenomen. Wel moet aannemelijk zijn dat de drugs geheel of gedeeltelijk voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn. De hoeveelheid vormt hiervoor een belangrijk aanknopingspunt. Het derde lid bevat het vermoeden dat drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking wanneer de aangetroffen hoeveelheid de voor eigen gebruik aanvaarde hoeveelheid overschrijdt. Hierbij wordt aangesloten bij de hoeveelheden die het Openbaar Ministerie aanmerkt als een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Voor harddrugs gaat het om maximaal 0,5 gram, één pil of tablet, of 5 milliliter GHB. Voor hennep en hasjiesj gaat het om maximaal 5 gram; bij hennepplanten om maximaal vijf planten. Als gemotiveerd en met concrete gegevens wordt aangevoerd dat de drugs uitsluitend voor eigen gebruik aanwezig waren, beoordeelt de burgemeester of die verklaring aannemelijk is. Daarbij zijn onder meer de mate van overschrijding, de wijze van verpakken, de aangetroffen handelsattributen, verklaringen over gebruik en andere relevante omstandigheden van belang. Naarmate de grens verder wordt overschreden, worden zwaardere eisen gesteld aan de aannemelijkheid van de verklaring. Ook bij een hoeveelheid onder of op de genoemde grens kan bevoegdheid bestaan als concrete feiten op verkoop, aflevering of verstrekking wijzen. De hoeveelheidsgrenzen zijn hulpmiddelen bij de bewijswaardering en beperken de wettelijke bevoegdheid niet. Vaststelling van de soort drugs De burgemeester mag bij de vaststelling dat een aangetroffen stof een middel is als bedoeld in lijst I of lijst II van de Opiumwet in beginsel afgaan op de bevindingen van de politie en de uitslag van een indicatieve drugstest. Voor die vaststelling is geen laboratoriumonderzoek vereist. Een enkele ontkenning of niet nader onderbouwde betwisting geeft geen aanleiding om aan de testuitslag te twijfelen. Voorbereidingshandelingen Het tweede lid ziet op artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet. Voor toepassing van deze grond is niet vereist dat drugs in het pand worden aangetroffen. De bevoegdheid kan bestaan wanneer voorwerpen of stoffen voorhanden zijn als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet. Niet ieder voorwerp dat bij drugsproductie kan worden gebruikt, rechtvaardigt optreden. Uit de aard, hoeveelheid, onderlinge combinatie en plaatsing van de goederen en uit de overige omstandigheden moet blijken dat zij bestemd zijn voor de strafbare productie van of handel in drugs. Artikel 4 Geschiktheid De burgemeester beoordeelt eerst of het voorgenomen optreden geschikt is om de daarmee beoogde doelen te bereiken. Een maatregel is geschikt als deze daadwerkelijk kan bijdragen aan het beëindigen van de overtreding, het wegnemen van de gevolgen daarvan of het voorkomen van herhaling. De beoordeling vindt plaats op basis van de actuele feiten en omstandigheden. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de situatie ten tijde van de constatering van de overtreding, maar ook naar de situatie op het moment waarop het besluit wordt genomen en naar het tijdstip waarop de maatregel naar verwachting zal worden uitgevoerd. Tijdsverloop kan de geschiktheid van het optreden beïnvloeden. In de periode na de constatering kan de overtreding zijn beëindigd, kunnen de gevolgen daarvan zijn weggenomen of kunnen zich andere ontwikkelingen hebben voorgedaan waardoor het risico op herhaling is verminderd. Daar staat tegenover dat ondanks het tijdsverloop nog steeds sprake kan zijn van bekendheid van het pand binnen het drugscircuit, negatieve effecten op de omgeving of een reëel risico op herhaling. Het enkele verstrijken van tijd betekent daarom niet dat optreden niet meer geschikt is. De burgemeester beoordeelt het tijdsverloop in samenhang met alle overige omstandigheden van het geval. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is daarbij niet van belang. Als de met het optreden beoogde doelen door de inmiddels ontstane situatie niet meer kunnen worden bereikt, is de maatregel niet geschikt. Als optreden nog wel aan die doelen kan bijdragen, wordt vervolgens beoordeeld of het optreden ook noodzakelijk en evenwichtig is. Artikel 5 Noodzaak Een geschikte maatregel is niet zonder meer noodzakelijk. De burgemeester beoordeelt of het doel met een minder ingrijpende maatregel kan worden bereikt. De ernst en aard van de overtreding en het actuele risico dat van het pand uitgaat, staan daarbij centraal. Aard en omvang van de overtreding De hoeveelheid en aard van de drugs zijn belangrijke aanwijzingen voor de ernst van de overtreding. De aanwezigheid van harddrugs kan vanwege de risico's en de relatie met het criminele circuit zwaarder wegen dan de aanwezigheid van softdrugs. De soort drugs bepaalt de uitkomst echter niet zelfstandig. Ook de totale hoeveelheid, de duur en professionaliteit van de handel of productie, de wijze van opslag en de rol van het pand zijn van belang. Bij de beoordeling van de ernst worden ook handelsindicatoren, de professionaliteit en duur van de activiteiten, de betrokken personen en veiligheidsrisico's betrokken. Bij voorbereidingshandelingen wordt gekeken naar de aard, hoeveelheid en combinatie van de aangetroffen voorwerpen en stoffen. De ligging van het pand en drugsgerelateerde of ondermijnende problematiek in de omgeving kunnen eveneens van betekenis zijn. Rol van het pand De burgemeester betrekt bij de beoordeling welke rol het pand bij de overtreding vervulde en in hoeverre het pand een schakel vormde in de productie, opslag of handel in drugs. Ook is van belang of aannemelijk is dat het pand binnen het drugscircuit bekendheid heeft gekregen. Feitelijke overlast kan de noodzaak tot optreden versterken, maar is daarvoor geen voorwaarde. Minder ingrijpende maatregelen De burgemeester beoordeelt of een waarschuwing of last onder dwangsom voldoende is. Er bestaat geen algemene verplichting om bij een eerste overtreding steeds eerst te waarschuwen. Evenmin volgt uit de aanwezigheid van een handelshoeveelheid dat steeds moet worden gesloten. De keuze hangt af van de ernst van de situatie, de herstelfunctie van de maatregel en de verwachting dat een minder ingrijpend middel effectief zal zijn. Tijdsverloop kan ook bij de noodzakelijkheid gewicht krijgen. Een maatregel kan nog geschikt zijn om een resterende relatie met het drugscircuit te doorbreken, maar niet meer noodzakelijk zijn wanneer het risico inmiddels duurzaam en controleerbaar is weggenomen. Artikel 6 Evenwichtigheid Bij de evenwichtigheid worden het belang van het optreden en de concrete nadelige gevolgen voor de betrokkenen tegen elkaar afgewogen. De beoordeling volgt nadat is vastgesteld dat de maatregel geschikt en noodzakelijk is. Ook een noodzakelijke maatregel kan door zijn gevolgen in een concreet geval onevenwichtig zijn. Verwijtbaarheid en betrokkenheid Persoonlijke verwijtbaarheid is geen voorwaarde voor het bestaan van de bevoegdheid. De bevoegdheid is gekoppeld aan de situatie in het pand. De mate van verwijtbaarheid is wel belangrijk bij de vraag of en hoe de bevoegdheid wordt gebruikt. Daarbij wordt onder meer beoordeeld of een bewoner of gebruiker wist of redelijkerwijs kon weten wat in het pand gebeurde, welke zeggenschap hij over het pand had en welke mogelijkheden hij had om de overtreding te voorkomen. Van bewoners mag in beginsel worden verwacht dat zij toezicht houden op wat in hun pand gebeurt. Wat redelijkerwijs van iemand kan worden verlangd, hangt af van de onderlinge verhouding tussen de betrokkenen, het gebruik van afzonderlijke ruimten, de duur van het verblijf en andere concrete omstandigheden. Verminderde verwijtbaarheid leidt niet automatisch tot een waarschuwing of kortere sluiting, maar kan daartoe in samenhang met andere omstandigheden wel aanleiding geven. Het geheel ontbreken van verwijtbaarheid kan zwaar wegen. Gevolgen van sluiting Bij een woning worden de gevolgen voor alle bewoners betrokken, ook wanneer niet iedere bewoner bij de overtreding betrokken was. Dat bewoners de woning tijdelijk moeten verlaten is een rechtstreeks gevolg van iedere woningsluiting en daarom op zichzelf niet voldoende om van sluiting af te zien. Bijkomende omstandigheden kunnen de gevolgen wel bijzonder zwaar maken. Een bijzondere medische binding met de woning kan bestaan wanneer de woning vanwege een medische beperking specifiek is aangepast. De duur van de bewoning en de begrijpelijke voorkeur om in de eigen woning te blijven vormen op zichzelf geen bijzondere binding. De aanwezigheid van minderjarige kinderen of andere kwetsbare bewoners maakt sluiting niet zonder meer onevenwichtig. Hun belangen en de mogelijkheid van passende tijdelijke huisvesting worden wel uitdrukkelijk bij de beoordeling betrokken. Ook de mogelijkheid om na afloop naar de woning terug te keren wordt betrokken. Daarbij is van belang of beëindiging van de huurovereenkomst of een ander gevolg rechtstreeks voortvloeit uit de sluiting, of uit de overtreding en het beleid van de verhuurder. De burgemeester beslist niet over de privaatrechtelijke verhouding, maar betrekt concrete en voorzienbare gevolgen in de belangenafweging. Bij lokalen worden de gevolgen voor de onderneming en andere betrokkenen meegewogen. Financieel nadeel is een voorzienbaar gevolg van sluiting, maar kan door zijn aard en omvang in samenhang met de overige omstandigheden relevant zijn. Duur van de sluiting Op grond van het derde lid wordt de duur van een sluiting afzonderlijk beoordeeld op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid. Dat sluiting als zodanig gerechtvaardigd is, betekent niet dat iedere sluitingsduur gerechtvaardigd is. De burgemeester motiveert daarom waarom de gekozen periode kan bijdragen aan de beoogde doelen en waarom de gevolgen daarvan aanvaardbaar zijn. Artikel 7 Keuze van de maatregel Dit artikel benoemt de drie wijzen waarop de burgemeester kan reageren. De keuze volgt uit de beoordeling van de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid. De opsomming vormt geen vaste escalatieladder. De burgemeester hoeft niet in ieder geval eerst te waarschuwen en vervolgens een last onder dwangsom op te leggen voordat sluiting mogelijk is. Schriftelijke waarschuwing Met een schriftelijke waarschuwing kan worden volstaan wanneer een herstelsanctie niet noodzakelijk is, maar een formele reactie wel nodig wordt geacht om herhaling te voorkomen. In de waarschuwing wordt de overtreding beschreven en wordt duidelijk gemaakt dat een volgende overtreding kan leiden tot een last onder dwangsom of sluiting. Een waarschuwing is niet bedoeld als bestraffing. Last onder dwangsom Op grond van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht kan de burgemeester in plaats van bestuursdwang een last onder dwangsom opleggen. De last wordt gericht tot de overtreder. Zij omschrijft welke overtreding moet worden beëindigd of voorkomen en welk bedrag wordt verbeurd wanneer de last niet wordt nageleefd. De bevoegdheid van artikel 13b is verbonden met het pand waarin de overtreding is vastgesteld. Een daarop gebaseerde last onder dwangsom blijft daarom pandgericht. De last kan niet zonder afzonderlijke wettelijke grondslag worden uitgebreid tot ieder ander adres waar de overtreder zich in de toekomst bevindt. De looptijd, de hoogte van de dwangsom en het maximumbedrag worden in het individuele besluit afgestemd op de aard van de overtreding, de beoogde werking en de financiële prikkel die nodig is om herhaling te voorkomen. Sluiting Sluiting komt in beeld wanneer het pand aan het drugscircuit moet worden onttrokken en een waarschuwing of last onder dwangsom daarvoor onvoldoende effectief is. De sluiting wordt opgelegd als last onder bestuursdwang. De rechthebbenden moeten het pand sluiten en gesloten houden. Als zij daaraan niet voldoen, kan de burgemeester de sluiting feitelijk uitvoeren. Artikel 8 Sluitingsduur Een sluiting is een herstelsanctie en heeft niet tot doel de betrokkenen te bestraffen. De duur van de sluiting wordt daarom afgestemd op de tijd die nodig is om de overtreding te beëindigen, de bekendheid van het pand binnen het drugscircuit te doorbreken en de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen. Een sluitingsduur van drie maanden geldt als uitgangspunt. Deze termijn zal in veel gevallen voldoende zijn om de met de sluiting beoogde doelen te bereiken. De burgemeester beoordeelt echter steeds of deze termijn in het concrete geval noodzakelijk en evenwichtig is. Als met een kortere sluiting kan worden volstaan, wordt de sluitingsduur verkort. Bij ernstige of omvangrijke overtredingen of andere verzwarende omstandigheden kan een sluiting van drie maanden onvoldoende zijn. In dat geval kan de sluitingsduur op zes maanden worden gesteld. Daarbij kunnen één of meer van de volgende aspecten een rol spelen: de aard en hoeveelheid van de drugs, de mate van professionaliteit en organisatie, de duur van de overtreding, de aanwezigheid van wapens, de aanwezigheid van contante geldbedragen of andere goederen die verband houden met drugshandel, zoals drugspersen en gripzakjes, en de gevolgen voor de omgeving. Dit is geen limitatieve opsomming. Een sluiting van langer dan zes maanden, tot ten hoogste twaalf maanden, is voorbehouden aan uitzonderlijk ernstige gevallen. Daarvoor kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan bij zeer grootschalige of professionele drugshandel of bij herhaalde overtredingen waaruit blijkt dat een eerdere maatregel onvoldoende effect heeft gehad. Een sluiting van twaalf maanden volgt niet automatisch uit de ernst van de overtreding of uit recidive. De burgemeester moet afzonderlijk motiveren waarom een sluiting van zes maanden niet voldoende is en waarom de langere sluitingsduur noodzakelijk en evenwichtig is. Artikel 9 Recidive Herhaling van een overtreding vormt een aanwijzing dat het pand zijn functie binnen het drugscircuit niet heeft verloren of daarin opnieuw een rol is gaan vervullen. Als naar aanleiding van de eerdere overtreding een maatregel is getroffen, kan de herhaling erop wijzen dat deze onvoldoende effect heeft gehad. Dit kan aanleiding geven tot een langere sluitingsduur. Van recidive is sprake als binnen drie jaar na de constatering van een eerdere overtreding van artikel 13b van de Opiumwet in of vanuit hetzelfde pand opnieuw een overtreding van dat artikel wordt geconstateerd. De termijn van drie jaar begint op de datum waarop de eerdere overtreding is geconstateerd. Een enkele melding of een niet-bevestigd vermoeden geldt niet als een eerdere overtreding. Recidive is gekoppeld aan het pand en niet uitsluitend aan de persoon die bij de overtreding betrokken was. Artikel 13b van de Opiumwet is immers gericht op het herstel van de situatie in en rond het pand. Een eerdere overtreding kan daarom ook worden meegewogen als de eigenaar, huurder of gebruiker van het pand inmiddels is gewijzigd. De betrokkenheid en verwijtbaarheid van de huidige belanghebbenden worden wel betrokken bij de beoordeling van de noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de maatregel. Een eerdere overtreding telt mee ongeacht de bestuurlijke reactie die daarop is gevolgd. Het kan gaan om een eerdere waarschuwing, sluiting of andere bestuurlijke maatregel. Dat destijds met een waarschuwing of een lichtere maatregel is volstaan, neemt niet weg dat bij een nieuwe overtreding sprake kan zijn van recidive. Bij recidive kan de sluitingsduur die zonder recidive passend zou zijn, worden verdubbeld tot ten hoogste twaalf maanden. Deze verdubbeling is geen automatisme. De burgemeester beoordeelt steeds of de langere sluitingsduur nodig is om de met de sluiting beoogde doelen te bereiken en of de gevolgen daarvan voor de belanghebbenden evenwichtig zijn. Artikel 10 Begunstigingstermijn Een besluit tot sluiting vermeldt binnen welke termijn aan de last moet zijn voldaan. Het uitgangspunt is één week. Deze termijn biedt de betrokkenen gelegenheid het pand te verlaten, persoonlijke zaken te verwijderen en praktische voorzieningen te treffen. Bij een woning kunnen bewoners deze periode gebruiken om vervangende woonruimte te regelen. De termijn wordt afgestemd op het concrete geval. Een kortere termijn kan nodig zijn wanneer voortzetting van het gebruik risico's oplevert of snelle doorbreking van de situatie noodzakelijk is. Een langere termijn kan passend zijn bij bijzondere persoonlijke of praktische omstandigheden, voor zover het doel van het besluit zich daartegen niet verzet. De zienswijzeprocedure kan betrokkenen al vóór het besluit in staat stellen zich op een mogelijke sluiting voor te bereiden. Het alsen van bezwaar schorst het besluit niet. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend, beoordeelt de burgemeester aan de hand van de omstandigheden of aanleiding bestaat de uitvoering tijdelijk uit te stellen. De sluitingsdatum en het tijdstip worden in het besluit duidelijk vermeld. Artikel 11 Spoedeisende bestuursdwang Artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht maakt in spoedeisende gevallen toepassing van bestuursdwang zonder voorafgaande last mogelijk. Bij spoedeisende bestuursdwang neemt de burgemeester vooraf een besluit tot toepassing van bestuursdwang. Is de situatie zo spoedeisend dat een besluit niet kan worden afgewacht, dan kan de feitelijke sluiting onmiddellijk plaatsvinden. In dat geval wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit bekendgemaakt. Spoedeisend optreden kan nodig zijn bij actuele handel, een onmiddellijke dreiging van geweld of acuut brand- of explosiegevaar. De ernst van de aangetroffen hoeveelheid is op zichzelf niet steeds voldoende. Beslissend is of de normale procedure en termijn verantwoord kunnen worden afgewacht. Een onmiddellijke sluiting kan worden gevolgd door een besluit over de verdere duur van de sluiting. Bij dat besluit worden de beschikbare feiten, de zienswijze voor zover die kon worden verkregen en de artikelen 4 tot en met 8 opnieuw toegepast. Artikel 12 Registratie van de sluiting Een besluit tot sluiting van een woning, lokaal of bijbehorend erf is een publiekrechtelijke beperking die overeenkomstig de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken wordt geregistreerd. Daardoor is voor derden kenbaar dat op de onroerende zaak een sluitingsbesluit rust. Ook de beëindiging of eerdere opheffing wordt geregistreerd. Daarmee blijft de registratie in overeenstemming met de actuele juridische situatie. De registratie heeft een informatief karakter en verandert de duur of inhoud van het sluitingsbesluit niet. Artikel 13 Eerdere opheffing van de sluiting Een sluiting geldt voor de in het besluit bepaalde periode. Nieuwe omstandigheden kunnen aanleiding geven de sluiting eerder op te heffen. De burgemeester kan dit ambtshalve doen of naar aanleiding van een verzoek. De verzoeker maakt de gewijzigde omstandigheden met concrete en controleerbare informatie aannemelijk. De burgemeester beoordeelt vervolgens of voortzetting van de sluiting nog noodzakelijk en evenwichtig is. Daarbij wordt betrokken of de functie en bekendheid van het pand binnen het drugscircuit zijn verdwenen, of de actuele situatie bestendig is en welk risico op herhaling resteert. Een wijziging van eigenaar, huurder of gebruiker kan zwaar wegen, maar leidt niet automatisch tot opheffing. Ook het al verstreken deel van de sluiting en de gevolgen van voortzetting worden meegewogen. De beoordeling van een opheffingsverzoek ziet op de actuele noodzakelijkheid en evenwichtigheid van voortzetting. Zij is geen nieuwe beoordeling van de rechtmatigheid van het oorspronkelijke sluitingsbesluit. Tegen dat besluit staan de reguliere rechtsmiddelen open. Artikel 14 Kosten van bestuursdwang De kosten van de feitelijke toepassing van bestuursdwang komen op grond van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht in beginsel voor rekening van de overtreder. Het kan bijvoorbeeld gaan om kosten voor het afsluiten, verzegelen en zo nodig ontsluiten van het pand en om andere rechtstreeks met de uitvoering samenhangende kosten. Kosten kunnen alleen worden verhaald voor zover zij daadwerkelijk zijn gemaakt, redelijk zijn en voldoende verband houden met de toepassing van bestuursdwang. In het sluitingsbesluit wordt vermeld dat de kosten voor rekening van de overtreder kunnen worden gebracht. De uiteindelijke hoogte wordt, wanneer kosten worden verhaald, vastgesteld in een afzonderlijke kostenbeschikking. Het tweede lid biedt ruimte geheel of gedeeltelijk af te zien van kostenverhaal wanneer de kosten redelijkerwijs niet of niet volledig ten laste van de overtreder behoren te komen. Daarbij worden de omstandigheden van het geval betrokken. Artikel 15 Intrekking oude beleidsregel Dit artikel trekt de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Capelle aan den IJssel 2019 in. Voor lopende procedures wordt in artikel 16 bepaald welk beleid van toepassing blijft. Artikel 16 Overgangsrecht Het overgangsrecht voorkomt onduidelijkheid bij lopende procedures. Wanneer vóór de inwerkingtreding al een voornemen tot handhavend optreden bekend is gemaakt, blijft in beginsel het oude beleid van toepassing. Dit waarborgt een voorspelbare behandeling van een reeds aangevangen procedure. Het tweede lid biedt de burgemeester de mogelijkheid om bij een lopende procedure de nieuwe beleidsregel toe te passen als dit voor de belanghebbenden gunstiger is. Of dat het geval is, wordt beoordeeld aan de hand van het concrete geval en de uitkomst van de toepassing van beide beleidsregels. Artikel 17 Inwerkingtreding De beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking. Bekendmaking vindt plaats in het Gemeenteblad. Artikel 18 Citeertitel Dit artikel bepaalt de naam waaronder de beleidsregel wordt aangehaald.

[Meer informatie](https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-508166.html)

## Sitemap

See the full [sitemap](/sitemap.md) for all pages.
